Remonstrantse Broederschap
ADREM
home
agenda
webmaster
Toespraak Karel Blei - ADREMDEBAT
20 februari 2004 in Utrecht

God, Kerk, Europa


God, Kerk, Europa. Een wonderlijke trits. Want of God bestaat, dat zit nog; uit Jorwerd is Hij, naar men zegt, al verdwenen; misschien ook elders? En “Europa”, het ene Europa dat uit het eenwordingsproces zou moeten resulteren, bestaat nog niet, hoogstens als ideaal. Daar tussenin dan de “kerk”, in het enkelvoud; maar die lijkt alleen maar een abstractie, gelet op de veelheid van instanties en groepen die zich allemáál “kerk” noemen. Gaat het dus over de relatie tussen een verdwenen (of: fictieve) grootheid, een abstractie en een ideaal? Dat belooft dan tamelijk vaag te blijven.


Karel Blei

Maar misschien valt het mee. Is God écht, helemaal, verdwenen? Zijn aanhangers denken van niet; en dat zijn er, zeker buiten Nederland en West-Europa, toch nog aardig wat. En het ene Europa, zeker, dat is er nog niet, maar we zijn er wel heen op weg! Er is iets aan het groeien. Er ligt zelfs een ontwerp-grondwet op tafel! En er is in elk geval een werelddeel dat van ouds de naam “Europa” draagt. Wat Europa tot “Europa” maakt is weliswaar niet gemakkelijk te definiëren; geografisch noch cultureel. Toch weten we wel “zo ongeveer” wat er met Europa bedoeld wordt. En de kerk, nu ja, laten we daarbij maar beginnen met te denken aan ons eigen kerkgenootschap. En aan andere, soortgelijke gemeenschappen. Die vertegenwoordigen immers iets van dat geheim dat we “kerk” noemen. Ze maken het tastbaar, zichtbaar.
 Dan wordt ons thema dus toch wat minder vaag. Er dienen zich twee vragen aan. De eerste is: welke zinnige rol zou hier, in dit Europa in gisting en wording, door de kerken (ik gebruik nu dus maar het meervoud) kunnen worden gespeeld? Welke bijdrage zouden zij kunnen leveren? Dat het daarbij moet gaan over de kerken sámen, in oecumenische verbondenheid, dat spreekt vanzelf. De tweede vraag is: hoe bij de opbouw van het nieuwe Europa te denken over een eventuele uitdrukkelijke verwijzing naar God, of zelfs naar de God die in het christendom wordt beleden? Is dat misschien iets waarvoor de kerken, de christenen, zich zouden moeten inzetten? Het gaat dus over “Europa en de kerken”, en tegelijk over “Europa en God”; het één mét het ander.

Dat de kerken zich met zoiets als de eenwording van Europa bezighouden ligt niet helemaal voor de hand. Natuurlijk houden ze zich wel bezig met de “wereld”, de samenleving, in het algemeen. Dat hebben ze van ouds gedaan. Ze hebben er, bewust of onbewust, openlijk of verborgen, invloed op uitgeoefend. Verkondigend, opinievormend, dienend. Opkomend voor wat zij zagen als het goede in en voor de wereld. Maar de eenwording van Europa is een zaak van concrete politiek. Kunnen, moeten de kerken zich met zoiets specifieks inlaten?
 Althans de Rooms-Katholieke Kerk vindt toch zonder aarzelen van wél. Al vanaf de jaren 1950 hebben de diverse pausen zich nadrukkelijk en positief over de Europese eenwording uitgesproken. In allerlei toespraken, gehouden bij allerlei gelegenheden, hebben zij gezegd, die eenwording een goede, belangrijke zaak te achten. De huidige paus heeft nog in juni 2003 een “apostolische exhortatie” uitgegeven, onder de titel en met als beginwoorden: “Ecclesia in Europa”, “De Kerk in Europa”. In het laatste hoofdstuk gaat het over het “nieuwe Europa”, zoals dat via diverse instellingen: de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa, de Raad van Europa én de Europese Unie, wordt opgebouwd. Werkelijke eenheid is intussen, zegt de paus, geworteld in gemeenschappelijke waarden; waarden zoals ze met name door het christendom van ouds zijn ingebracht. Het was het christendom, dat in de Europese geschiedenis altijd een primaire factor van eenheid van volken en culturen is geweest. Dáárom is de paus aan concrete Europese eenwording zoveel gelegen, en dáárom ziet hij “kerken en kerkelijke gemeenschappen”, met name de Rooms-Katholieke Kerk, bij de fundering van dit eenheidsbouwwerk, een cruciale rol spelen.

 De protestantse kerken kunnen in die rooms-katholieke interesse voor Europa maar nauwelijks meekomen. Zij zijn dan ook over het algemeen nationale, althans binnen nationale grenzen opererende kerken. Ze hebben wel hun internationale, oecumenische contacten, ook in organisaties als de Wereldraad van Kerken en de Hervormde Wereldbond, maar zulke internationale organisaties zijn toch nooit meer dan samenwerkingsverbanden, waarbinnen men kien is op behoud van zijn eigen, kleinschalige, nationale zelfstandigheid. Een ook over de grenzen heen ervaren geestelijke eenheid wil voor protestanten maar moeilijk concreet worden. Wat zich buiten de grenzen afspeelt wordt al gauw ervaren als “ver van mijn bed”. Protestantse kerkelijke stemmen over Europa worden niet of nauwelijks gehoord; het hervormde synodale geschrift “Hart en ziel voor Europa?” uit 1996 is één van de weinige uitzonderingen in de stilte die hier officieel heerst. Conservatieve protestanten zien in het proces tot Europese eenwording zelfs al gauw een nieuwe toren van Babel opdoemen, een hybride aantasting van het heilige karakter van de eigen, door God geschapen natie. Progressieve protestanten kunnen van huis uit al even weinig waardering voor Europa opbrengen: voor hen zit achter “Europa” de grenzen overschrijdende grootmacht van het kapitaal. Aan beide kanten wordt naar mijn mening het belang van “Europa” miskend. “Europa” is niets minder dan een vredesproject. Het oorspronkelijke motief bij de grondleggers was immers het verlangen om na een eeuw of langer van binnen-Europese strijd (met tussen 1870 en 1945 driemaal een Frans-Duitse oorlog) vrede te vestigen. Dat motief is nog altijd geldig; sinds het einde van de Koude Oorlog en de val van het ijzeren gordijn zelfs des temeer. Het zou ook voor protestantse kerken een reden moeten zijn, het proces van de Europese eenwording met interesse te volgen en er positief aan bij te dragen. Over zulke eenheidsgedachten als van rooms-katholieke zijde naar voren gebracht (Europa als een in christelijke waarden gewortelde geestelijke eenheid) heb ik het dan verder niet. Die lijken me bepaald een brug te ver. Ik hoop daarop nog terug te komen.

Laten we nu een blik werpen op de ontwerp-grondwet voor Europa, die sinds 18 juli 2003 bij de diverse instanties van de Europese Unie officieel op tafel ligt. Ik zou zeggen: aanvaarding van dit ontwerp zou een belangrijke stap voorwaarts zijn in het eenwordingsproces. De door de jaren heen steeds weer geamendeerde en uitgebreide tekst van de diverse verdragen vervangen door één samenhangende verdragstekst, dat maakt de zaak een stuk overzichtelijker en helderder. Bovendien worden hier nuttige voorstellen gedaan om het optreden van de Unie doeltreffender te maken, en de besluitvorming eenvoudiger. Broodnodig met het oog op de aanstaande enorme uitbreiding van vijftien tot vijf-en-twintig lidstaten.
 Van kerkelijke, vooral rooms-katholieke zijde (en ook van christen-democratische zijde) is intussen nogal wat protest geuit tegen het feit dat er in de ontwerp-grondwet geen uitdrukkelijke verwijzing voorkomt naar het christendom, naar de christelijke wortels van Europa, of zelfs naar “God”. Dat wordt gezien als een miskenning van op zijn minst de rol die het christendom in de geschiedenis van Europa heeft gespeeld. Natuurlijk zit daar de wens achter dat het christendom ook in en voor het Europa van vandaag wordt erkend als factor van betekenis. Is dit kerkelijk protest en pleidooi terecht?
 Om te beginnen: mijns inziens hebben de kerken over de hun door de ontwerp-grondwet toegekende positie geen reden tot klagen. In deel I gaat het o.a. over “het democratisch bestel van de Unie”; in dat kader handelt een afzonderlijk artikel (nr. 51) over o.a. “de status van kerken”. Gesteld wordt daar dat de status die kerken volgens het nationale recht in de lidstaten hebben wordt gerespecteerd - daaraan wordt door de Unie dus niet getornd - en daaraan wordt toegevoegd: “De Unie voert een open, transparante en regelmatige dialoog met die kerken..., onder erkenning van hun identiteit en hun specifieke bijdrage”. Dus: de kerken krijgen zelfs de status van geregelde gesprekspartners van de Unie! Je zou zeggen: wat willen ze nog meer? De enige domper op de terechte feestvreugde zou er in kunnen zitten dat in artikel 51 de “levensbeschouwelijke en niet-confessionele organisaties” (overigens een redelijk vage categorie) met de kerken op één lijn worden gezet: ook die worden erkend als geregelde gesprekspartners. En verder zijn er natuurlijk in algemene zin de “representatieve organisaties” van de burgers en het “maatschappelijk middenveld”, waarmee de Unie zich alwéér voorstelt een “open, transparante en regelmatige dialoog” te houden; dit ter verwerkelijking van het zo genoemde “beginsel van de participerende democratie” (zie artikel 46). Toch: dat bij dit alles de kerken afzonderlijk worden genoemd heeft iets te betekenen. Die worden dus niet geacht zonder meer onder het “maatschappelijk middenveld” te vallen. Er wordt van hen een “specifieke bijdrage” verwacht. Is dat misschien zelfs een te hoge verwachting? Is het voor de kerken teveel eer? Je kunt in elk geval niet zeggen dat de kerken geen kans krijgen.
 We kunnen in dit verband ook denken aan diverse bepalingen in deel II, het “Handvest van de grondrechten van de Unie”, die betrekking hebben op vrijheid van godsdienst en het verbod van discriminatie op grond van (o.a.) godsdienst (artikelen 10 en 21, zie ook 14 en 22). De vrijheid van godsdienst omvat (volgens de inmiddels bekende formule) tevens de vrijheid om ”hetzij alleen, hetzij met anderen, zowel in het openbaar als privé, zijn godsdienst te belijden.. in erediensten, in onderricht, in de praktische toepassing ervan en in het onderhouden van geboden en voorschriften”. Kerken, gaat uw gang!

Ik maak een tweede opmerking. Dat in de preambule van de ontwerp-grondwet wel, in algemene zin, over “de culturele, religieuze en humanistische tradities van Europa” wordt gesproken maar géén verwijzing naar het christendom of naar “God” voorkomt lijkt mij een logisch uitvloeisel van het karakter van deze grondwet als zodanig. In de oorspronkelijke versie van deze preambule, heb ik begrepen, stond nog een verwijzing naar de Verlichting. Die is in de uiteindelijk voorgelegde tekst weggevallen. Maar ook zonder die verwijzing is het duidelijk dat in deze ontwerp-grondwet de waarden van de Verlichting centraal staan. In het Handvest van de grondrechten, dat handelt achtereenvolgens over de menselijke waardigheid, de vrijheden, gelijkheid, solidariteit, burgerschap en rechtspleging, is zonder moeite de drievoudige leus van de Franse revolutie “Vrijheid, Gelijkheid, Broederschap” te herkennen. Opmerkelijk is ook dat in de preambule de “culturele, religieuze en humanistische tradities van Europa weliswaar als inspiratiebron naast elkaar worden genoemd, maar dat, blijkens de voorafgaande (eerste) alinea, het humanisme daarbij de boventoon voert. Als kenschets van Europa staat er dat Europa’s inwoners “geleidelijk de waarden hebben ontwikkeld die ten grondslag liggen aan het humanisme: gelijkheid van alle mensen, vrijheid en eerbied voor de rede”.  Dit “humanisme” is het humanisme van de Verlichting. 
 Men zou het zich de Europese grondwet moeilijk anders hebben kunnen denken. Het fenomeen grondwet zelf is immers pas met en na de Verlichting, met en na de Franse revolutie, ontstaan. Pas in de negentiende eeuw werden overal in Europa grondwetten ingevoerd; grondwetten die de verhouding tussen regeerders en volk regelden en de macht van de regeerders aan banden legden. Zonder de geestesbeweging van de Verlichting zou dat niet denkbaar of mogelijk zijn geweest. Het via aparte vermelding in de preambule nu nog weer claimen van een voorkeursplaats voor het christendom (en dus voor de kerk) zou neerkomen op het willen terugdraaien van de klok tot vóór de Verlichting. De opstellers hebben goed aangevoeld dat dát niet kon.
Een derde opmerking. Waarom zouden kerken of christenen een dergelijke voorkeursplaats voor zichzelf eigenlijk moeten wíllen claimen? De betekenis van de genoemde “culturele, religieuze en humanistische tradities van Europa” wordt in de preambule samenvattend daarin gezien dat zij “de centrale rol van de mens en zijn onschendbare en onvervreemdbare rechten” in de samenleving hebben verankerd”. De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens is weliswaar pas in 1948 tot stand gekomen en aanvaard, maar het besef van deze rechten was er veel eerder; het heeft zich in de Verlichting ontwikkeld en in de Franse revolutie (trouwens nog eerder in de Amerikaanse revolutie) baangebroken. De kerken hebben daarbij helaas niet voorop gelopen. Ze hebben integendeel tot ver in de negentiende eeuw dwarsgelegen, zich op een anti-revolutionaire koers vastgelegd, “revolutie” al te vanzelfsprekend met “ongeloof” verbonden. Pas gaandeweg is in de kerken het besef doorgebroken dat “de rechten van de mens” iets met het evangelie te maken kunnen hebben. Er zit, zou ik zeggen, zelfs veel waars in de stelling dat de mensenrechten zijn te verstaan als consequentie van het evangelie, en dat erkenning van de mensenrechten, zo bezien, een zaak is van het christelijk geloof. 
 Als het, blijkens het bijbels getuigenis, inderdaad God zélf, in Christus, ging en gaat om de mens als vrij schepsel, bestemd voor de dialoog met God en de medemens, geroepen tot verantwoordelijkheid - wat zou een afzonderlijke verwijzing in de preambule naar het christendom op zichzelf dan nog inhoudelijk kunnen toevoegen? Waarom zou zo’n afzonderlijke verwijzing dan nog nodig zijn?

Ik moet nog terugkomen op de van rooms-katholieke zijde (de paus) sterk gepropageerde gedachte dat Europa dan toch maar in christelijke waarden geworteld is, dat het speciaal door toedoen van het christendom geworden is wát het geworden is, en dat het christendom dan ook de eigenlijk grondslag van de Europese eenheid is. Dus tóch, in de preambule, een verwijzing naar “God” en christendom?
 Dit komt neer op een pleidooi om aan de beoogde ene Europese samenleving, toch weer, een ideologisch gevuld  “midden” te geven. Wij realiseren ons: daarmee zouden de verworvenheden van de Verlichting worden prijsgegeven, althans bedreigd. Vrijheid en democratie komen op de tocht te staan als ze bij voorbaat onder een christelijk voorteken zouden moeten worden geplaatst. Ik zei al: wij kunnen de klok niet tot vóór de Verlichting terugdraaien. Wij moeten dat ook niet willen proberen.
 Theo Witvliet publiceerde vorig jaar zijn boek “Het geheim van het lege midden”. Daarin wijst hij op het bijbelse gegeven dat in het oudtestamentische Israël het centrum van de tempel, het “heilige der heilige”, een lege, beeldloze ruimte was: daar stond alleen de ark, met de Tien Woorden van het verbond. Het midden leeg, open gelaten - dat betekent: er is dus géén plaats voor centralistische machtsuitoefening. Ook Jezus is niet gekomen om dit centrum alsnog te vullen; integendeel, Hij heeft zich “ontledigd”, zegt Paulus, en zijn heerlijkheid juist afgelegd. Deze bijbelse gegevens acht Witvliet ook voor de inrichting van de hedendaagse samenleving van belang. Regimes, politieke partijen, religieuze groepen, ook kerken, proberen altijd weer met hun absolute waarheidsclaims het centrum van de macht te bezetten - zo al niet letterlijk, dan toch geestelijk. Dat wordt afgoderij, ook als dat gebeurt in de naam van Jezus Christus.
 Witvliet’s betoog spreekt mij op dit punt zeer aan. In zijn lijn doorredenerend zou ik zeggen: de preambule van de ontwerp-grondwet laat met recht het “midden” van de beoogde ene Europese samenleving ideologisch leeg. Juist zo kan hij het kader zijn waarin vrijheid en democratie mogelijk worden.

Wij hoorden al dat de kerken in de ontwerp-grondwet de plaats krijgen van dialoogpartners van de Unie, en dat in die dialoog hun “specifieke bijdrage” wordt erkend. Wat ís nu die “specifieke bijdrage”?
 Heel kort zeg ik er dit over. Juist van kerken zou mogen worden verwacht dat zij - geïnspireerd door het bijbels getuigenis, dat immers weet heeft van het “lege midden” - een fijne neus hebben voor het gevaar van ideologieën. Zij weten, als het goed is, dat God - de God in Wie zij geloven - niet te manipuleren is; dat zijn Woord en Geest hun eigen werk doen en dat menselijke regie daarbij buiten de orde is. Maar zij weten ook dat mensen, onder welke religieuze dekmantel ook, graag hun eigen principes naar voren brengen en verabsoluteren. Dan ontstaat nieuwe dictatuur, totalitair bewind. Hoe gemakkelijk dat gaat, bleek met de opkomst van het nationaal-socialisme. Helaas bleek toen ook dat kerken, christenen, voor zoiets gemakkelijk voor de bijl gaan. Al was er ook een minderheid die níét bezweek.
 Geleerd ook door eigen ervaring, wetend hoe gemakkelijk het tot ideologie-vorming komt, zouden kerken wellicht bij uitstek de wacht kunnen betrekken bij het lege “midden”. Hopelijk samen met anderen. Vraagtekens plaatsend achter al te vanzelfsprekend klinkende redeneringen, opkomend voor de belangen van ménsen telkens als die het slachtoffer dreigen te worden van algemene patronen van handelen.
 Op het CDA-congres van afgelopen zaterdag ging het uitvoerig over het vreemdelingenbeleid van onze regering. De top van het congres keerde zich tegen moties die pleitten voor een ruimer toelatingsbeleid en voor een grotere inspraak van de kant van gemeentebestuurders, die immers asielzoekers persoonlijk kennen. Argument daartegen: dan worden zulke in kleine gemeenschappen persoonlijk gekenden voorgetrokken boven de grote groepen óngekenden elders. Dat zou onrecht betekenen. Het beleid kan immers alleen worden uitgevoerd wanneer mensen anoniem blijven, wanneer zij géén gezicht krijgen. Is dat aanvaardbaar?
 Dit gaat over Nederlands beleid, maar kan misschien toch als voorbeeld dienen. Zou het niet juist op de weg van de kerken kunnen liggen, zich ervoor in te zetten dat mensen uit de anonimiteit worden gehaald en juist wél een naam en een gezicht krijgen? In Europa zoals in Nederland? Te spreken over “de rechten van de mens” mag niet slechts een vrome leus zijn; het komt natuurlijk aan op de daadwerkelijke respectering.

Karel Blei
adRem-debat, Utrecht, 20 februari 2004

naar boven


voor het laatst bijgewerkt: 19/03/2004