God, Kerk, Europa
God, Kerk, Europa. Een wonderlijke trits.
Want of God bestaat, dat zit nog; uit Jorwerd is Hij, naar men zegt, al
verdwenen; misschien ook elders? En “Europa”, het ene Europa dat uit het
eenwordingsproces zou moeten resulteren, bestaat nog niet, hoogstens als
ideaal. Daar tussenin dan de “kerk”, in het enkelvoud; maar die lijkt alleen
maar een abstractie, gelet op de veelheid van instanties en groepen die
zich allemáál “kerk” noemen. Gaat het dus over de relatie
tussen een verdwenen (of: fictieve) grootheid, een abstractie en een ideaal?
Dat belooft dan tamelijk vaag te blijven.
Karel Blei
Maar misschien valt het mee. Is God écht,
helemaal, verdwenen? Zijn aanhangers denken van niet; en dat zijn er, zeker
buiten Nederland en West-Europa, toch nog aardig wat. En het ene Europa,
zeker, dat is er nog niet, maar we zijn er wel heen op weg! Er is iets
aan het groeien. Er ligt zelfs een ontwerp-grondwet op tafel! En er is
in elk geval een werelddeel dat van ouds de naam “Europa” draagt. Wat Europa
tot “Europa” maakt is weliswaar niet gemakkelijk te definiëren; geografisch
noch cultureel. Toch weten we wel “zo ongeveer” wat er met Europa bedoeld
wordt. En de kerk, nu ja, laten we daarbij maar beginnen met te denken
aan ons eigen kerkgenootschap. En aan andere, soortgelijke gemeenschappen.
Die vertegenwoordigen immers iets van dat geheim dat we “kerk” noemen.
Ze maken het tastbaar, zichtbaar.
Dan wordt ons thema dus toch wat minder
vaag. Er dienen zich twee vragen aan. De eerste is: welke zinnige rol zou
hier, in dit Europa in gisting en wording, door de kerken (ik gebruik nu
dus maar het meervoud) kunnen worden gespeeld? Welke bijdrage zouden zij
kunnen leveren? Dat het daarbij moet gaan over de kerken sámen,
in oecumenische verbondenheid, dat spreekt vanzelf. De tweede vraag is:
hoe bij de opbouw van het nieuwe Europa te denken over een eventuele uitdrukkelijke
verwijzing naar God, of zelfs naar de God die in het christendom wordt
beleden? Is dat misschien iets waarvoor de kerken, de christenen, zich
zouden moeten inzetten? Het gaat dus over “Europa en de kerken”, en tegelijk
over “Europa en God”; het één mét het ander.
Dat de kerken zich met zoiets als de eenwording
van Europa bezighouden ligt niet helemaal voor de hand. Natuurlijk houden
ze zich wel bezig met de “wereld”, de samenleving, in het algemeen. Dat
hebben ze van ouds gedaan. Ze hebben er, bewust of onbewust, openlijk of
verborgen, invloed op uitgeoefend. Verkondigend, opinievormend, dienend.
Opkomend voor wat zij zagen als het goede in en voor de wereld. Maar de
eenwording van Europa is een zaak van concrete politiek. Kunnen, moeten
de kerken zich met zoiets specifieks inlaten?
Althans de Rooms-Katholieke Kerk vindt
toch zonder aarzelen van wél. Al vanaf de jaren 1950 hebben de diverse
pausen zich nadrukkelijk en positief over de Europese eenwording uitgesproken.
In allerlei toespraken, gehouden bij allerlei gelegenheden, hebben zij
gezegd, die eenwording een goede, belangrijke zaak te achten. De huidige
paus heeft nog in juni 2003 een “apostolische exhortatie” uitgegeven, onder
de titel en met als beginwoorden: “Ecclesia in Europa”, “De Kerk in Europa”.
In het laatste hoofdstuk gaat het over het “nieuwe Europa”, zoals dat via
diverse instellingen: de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in
Europa, de Raad van Europa én de Europese Unie, wordt opgebouwd.
Werkelijke eenheid is intussen, zegt de paus, geworteld in gemeenschappelijke
waarden; waarden zoals ze met name door het christendom van ouds zijn ingebracht.
Het was het christendom, dat in de Europese geschiedenis altijd een primaire
factor van eenheid van volken en culturen is geweest. Dáárom
is de paus aan concrete Europese eenwording zoveel gelegen, en dáárom
ziet hij “kerken en kerkelijke gemeenschappen”, met name de Rooms-Katholieke
Kerk, bij de fundering van dit eenheidsbouwwerk, een cruciale rol spelen.
De protestantse kerken kunnen in die rooms-katholieke
interesse voor Europa maar nauwelijks meekomen. Zij zijn dan ook over het
algemeen nationale, althans binnen nationale grenzen opererende kerken.
Ze hebben wel hun internationale, oecumenische contacten, ook in organisaties
als de Wereldraad van Kerken en de Hervormde Wereldbond, maar zulke internationale
organisaties zijn toch nooit meer dan samenwerkingsverbanden, waarbinnen
men kien is op behoud van zijn eigen, kleinschalige, nationale zelfstandigheid.
Een ook over de grenzen heen ervaren geestelijke eenheid wil voor protestanten
maar moeilijk concreet worden. Wat zich buiten de grenzen afspeelt wordt
al gauw ervaren als “ver van mijn bed”. Protestantse kerkelijke stemmen
over Europa worden niet of nauwelijks gehoord; het hervormde synodale geschrift
“Hart en ziel voor Europa?” uit 1996 is één van de weinige
uitzonderingen in de stilte die hier officieel heerst. Conservatieve protestanten
zien in het proces tot Europese eenwording zelfs al gauw een nieuwe toren
van Babel opdoemen, een hybride aantasting van het heilige karakter van
de eigen, door God geschapen natie. Progressieve protestanten kunnen van
huis uit al even weinig waardering voor Europa opbrengen: voor hen zit
achter “Europa” de grenzen overschrijdende grootmacht van het kapitaal.
Aan beide kanten wordt naar mijn mening het belang van “Europa” miskend.
“Europa” is niets minder dan een vredesproject. Het oorspronkelijke motief
bij de grondleggers was immers het verlangen om na een eeuw of langer van
binnen-Europese strijd (met tussen 1870 en 1945 driemaal een Frans-Duitse
oorlog) vrede te vestigen. Dat motief is nog altijd geldig; sinds het einde
van de Koude Oorlog en de val van het ijzeren gordijn zelfs des temeer.
Het zou ook voor protestantse kerken een reden moeten zijn, het proces
van de Europese eenwording met interesse te volgen en er positief aan bij
te dragen. Over zulke eenheidsgedachten als van rooms-katholieke zijde
naar voren gebracht (Europa als een in christelijke waarden gewortelde
geestelijke eenheid) heb ik het dan verder niet. Die lijken me bepaald
een brug te ver. Ik hoop daarop nog terug te komen.
Laten we nu een blik werpen op de ontwerp-grondwet
voor Europa, die sinds 18 juli 2003 bij de diverse instanties van de Europese
Unie officieel op tafel ligt. Ik zou zeggen: aanvaarding van dit ontwerp
zou een belangrijke stap voorwaarts zijn in het eenwordingsproces. De door
de jaren heen steeds weer geamendeerde en uitgebreide tekst van de diverse
verdragen vervangen door één samenhangende verdragstekst,
dat maakt de zaak een stuk overzichtelijker en helderder. Bovendien worden
hier nuttige voorstellen gedaan om het optreden van de Unie doeltreffender
te maken, en de besluitvorming eenvoudiger. Broodnodig met het oog op de
aanstaande enorme uitbreiding van vijftien tot vijf-en-twintig lidstaten.
Van kerkelijke, vooral rooms-katholieke
zijde (en ook van christen-democratische zijde) is intussen nogal wat protest
geuit tegen het feit dat er in de ontwerp-grondwet geen uitdrukkelijke
verwijzing voorkomt naar het christendom, naar de christelijke wortels
van Europa, of zelfs naar “God”. Dat wordt gezien als een miskenning van
op zijn minst de rol die het christendom in de geschiedenis van Europa
heeft gespeeld. Natuurlijk zit daar de wens achter dat het christendom
ook in en voor het Europa van vandaag wordt erkend als factor van betekenis.
Is dit kerkelijk protest en pleidooi terecht?
Om te beginnen: mijns inziens hebben de
kerken over de hun door de ontwerp-grondwet toegekende positie geen reden
tot klagen. In deel I gaat het o.a. over “het democratisch bestel van de
Unie”; in dat kader handelt een afzonderlijk artikel (nr. 51) over o.a.
“de status van kerken”. Gesteld wordt daar dat de status die kerken volgens
het nationale recht in de lidstaten hebben wordt gerespecteerd - daaraan
wordt door de Unie dus niet getornd - en daaraan wordt toegevoegd: “De
Unie voert een open, transparante en regelmatige dialoog met die kerken...,
onder erkenning van hun identiteit en hun specifieke bijdrage”. Dus: de
kerken krijgen zelfs de status van geregelde gesprekspartners van de Unie!
Je zou zeggen: wat willen ze nog meer? De enige domper op de terechte feestvreugde
zou er in kunnen zitten dat in artikel 51 de “levensbeschouwelijke en niet-confessionele
organisaties” (overigens een redelijk vage categorie) met de kerken op
één lijn worden gezet: ook die worden erkend als geregelde
gesprekspartners. En verder zijn er natuurlijk in algemene zin de “representatieve
organisaties” van de burgers en het “maatschappelijk middenveld”, waarmee
de Unie zich alwéér voorstelt een “open, transparante en
regelmatige dialoog” te houden; dit ter verwerkelijking van het zo genoemde
“beginsel van de participerende democratie” (zie artikel 46). Toch: dat
bij dit alles de kerken afzonderlijk worden genoemd heeft iets te betekenen.
Die worden dus niet geacht zonder meer onder het “maatschappelijk middenveld”
te vallen. Er wordt van hen een “specifieke bijdrage” verwacht. Is dat
misschien zelfs een te hoge verwachting? Is het voor de kerken teveel eer?
Je kunt in elk geval niet zeggen dat de kerken geen kans krijgen.
We kunnen in dit verband ook denken aan
diverse bepalingen in deel II, het “Handvest van de grondrechten van de
Unie”, die betrekking hebben op vrijheid van godsdienst en het verbod van
discriminatie op grond van (o.a.) godsdienst (artikelen 10 en 21, zie ook
14 en 22). De vrijheid van godsdienst omvat (volgens de inmiddels bekende
formule) tevens de vrijheid om ”hetzij alleen, hetzij met anderen, zowel
in het openbaar als privé, zijn godsdienst te belijden.. in erediensten,
in onderricht, in de praktische toepassing ervan en in het onderhouden
van geboden en voorschriften”. Kerken, gaat uw gang!
Ik maak een tweede opmerking. Dat in de preambule
van de ontwerp-grondwet wel, in algemene zin, over “de culturele, religieuze
en humanistische tradities van Europa” wordt gesproken maar géén
verwijzing naar het christendom of naar “God” voorkomt lijkt mij een logisch
uitvloeisel van het karakter van deze grondwet als zodanig. In de oorspronkelijke
versie van deze preambule, heb ik begrepen, stond nog een verwijzing naar
de Verlichting. Die is in de uiteindelijk voorgelegde tekst weggevallen.
Maar ook zonder die verwijzing is het duidelijk dat in deze ontwerp-grondwet
de waarden van de Verlichting centraal staan. In het Handvest van de grondrechten,
dat handelt achtereenvolgens over de menselijke waardigheid, de vrijheden,
gelijkheid, solidariteit, burgerschap en rechtspleging, is zonder moeite
de drievoudige leus van de Franse revolutie “Vrijheid, Gelijkheid, Broederschap”
te herkennen. Opmerkelijk is ook dat in de preambule de “culturele, religieuze
en humanistische tradities van Europa weliswaar als inspiratiebron naast
elkaar worden genoemd, maar dat, blijkens de voorafgaande (eerste) alinea,
het humanisme daarbij de boventoon voert. Als kenschets van Europa staat
er dat Europa’s inwoners “geleidelijk de waarden hebben ontwikkeld die
ten grondslag liggen aan het humanisme: gelijkheid van alle mensen, vrijheid
en eerbied voor de rede”. Dit “humanisme” is het humanisme van de
Verlichting.
Men zou het zich de Europese grondwet moeilijk
anders hebben kunnen denken. Het fenomeen grondwet zelf is immers pas met
en na de Verlichting, met en na de Franse revolutie, ontstaan. Pas in de
negentiende eeuw werden overal in Europa grondwetten ingevoerd; grondwetten
die de verhouding tussen regeerders en volk regelden en de macht van de
regeerders aan banden legden. Zonder de geestesbeweging van de Verlichting
zou dat niet denkbaar of mogelijk zijn geweest. Het via aparte vermelding
in de preambule nu nog weer claimen van een voorkeursplaats voor het christendom
(en dus voor de kerk) zou neerkomen op het willen terugdraaien van de klok
tot vóór de Verlichting. De opstellers hebben goed aangevoeld
dat dát niet kon.
Een derde opmerking. Waarom zouden kerken of
christenen een dergelijke voorkeursplaats voor zichzelf eigenlijk moeten
wíllen claimen? De betekenis van de genoemde “culturele, religieuze
en humanistische tradities van Europa” wordt in de preambule samenvattend
daarin gezien dat zij “de centrale rol van de mens en zijn onschendbare
en onvervreemdbare rechten” in de samenleving hebben verankerd”. De Universele
Verklaring van de Rechten van de Mens is weliswaar pas in 1948 tot stand
gekomen en aanvaard, maar het besef van deze rechten was er veel eerder;
het heeft zich in de Verlichting ontwikkeld en in de Franse revolutie (trouwens
nog eerder in de Amerikaanse revolutie) baangebroken. De kerken hebben
daarbij helaas niet voorop gelopen. Ze hebben integendeel tot ver in de
negentiende eeuw dwarsgelegen, zich op een anti-revolutionaire koers vastgelegd,
“revolutie” al te vanzelfsprekend met “ongeloof” verbonden. Pas gaandeweg
is in de kerken het besef doorgebroken dat “de rechten van de mens” iets
met het evangelie te maken kunnen hebben. Er zit, zou ik zeggen, zelfs
veel waars in de stelling dat de mensenrechten zijn te verstaan als consequentie
van het evangelie, en dat erkenning van de mensenrechten, zo bezien, een
zaak is van het christelijk geloof.
Als het, blijkens het bijbels getuigenis,
inderdaad God zélf, in Christus, ging en gaat om de mens als vrij
schepsel, bestemd voor de dialoog met God en de medemens, geroepen tot
verantwoordelijkheid - wat zou een afzonderlijke verwijzing in de preambule
naar het christendom op zichzelf dan nog inhoudelijk kunnen toevoegen?
Waarom zou zo’n afzonderlijke verwijzing dan nog nodig zijn?
Ik moet nog terugkomen op de van rooms-katholieke
zijde (de paus) sterk gepropageerde gedachte dat Europa dan toch maar in
christelijke waarden geworteld is, dat het speciaal door toedoen van het
christendom geworden is wát het geworden is, en dat het christendom
dan ook de eigenlijk grondslag van de Europese eenheid is. Dus tóch,
in de preambule, een verwijzing naar “God” en christendom?
Dit komt neer op een pleidooi om aan de
beoogde ene Europese samenleving, toch weer, een ideologisch gevuld
“midden” te geven. Wij realiseren ons: daarmee zouden de verworvenheden
van de Verlichting worden prijsgegeven, althans bedreigd. Vrijheid en democratie
komen op de tocht te staan als ze bij voorbaat onder een christelijk voorteken
zouden moeten worden geplaatst. Ik zei al: wij kunnen de klok niet tot
vóór de Verlichting terugdraaien. Wij moeten dat ook niet
willen proberen.
Theo Witvliet publiceerde vorig jaar zijn
boek “Het geheim van het lege midden”. Daarin wijst hij op het bijbelse
gegeven dat in het oudtestamentische Israël het centrum van de tempel,
het “heilige der heilige”, een lege, beeldloze ruimte was: daar stond alleen
de ark, met de Tien Woorden van het verbond. Het midden leeg, open gelaten
- dat betekent: er is dus géén plaats voor centralistische
machtsuitoefening. Ook Jezus is niet gekomen om dit centrum alsnog te vullen;
integendeel, Hij heeft zich “ontledigd”, zegt Paulus, en zijn heerlijkheid
juist afgelegd. Deze bijbelse gegevens acht Witvliet ook voor de inrichting
van de hedendaagse samenleving van belang. Regimes, politieke partijen,
religieuze groepen, ook kerken, proberen altijd weer met hun absolute waarheidsclaims
het centrum van de macht te bezetten - zo al niet letterlijk, dan toch
geestelijk. Dat wordt afgoderij, ook als dat gebeurt in de naam van Jezus
Christus.
Witvliet’s betoog spreekt mij op dit punt
zeer aan. In zijn lijn doorredenerend zou ik zeggen: de preambule van de
ontwerp-grondwet laat met recht het “midden” van de beoogde ene Europese
samenleving ideologisch leeg. Juist zo kan hij het kader zijn waarin vrijheid
en democratie mogelijk worden.
Wij hoorden al dat de kerken in de ontwerp-grondwet
de plaats krijgen van dialoogpartners van de Unie, en dat in die dialoog
hun “specifieke bijdrage” wordt erkend. Wat ís nu die “specifieke
bijdrage”?
Heel kort zeg ik er dit over. Juist van
kerken zou mogen worden verwacht dat zij - geïnspireerd door het bijbels
getuigenis, dat immers weet heeft van het “lege midden” - een fijne neus
hebben voor het gevaar van ideologieën. Zij weten, als het goed is,
dat God - de God in Wie zij geloven - niet te manipuleren is; dat zijn
Woord en Geest hun eigen werk doen en dat menselijke regie daarbij buiten
de orde is. Maar zij weten ook dat mensen, onder welke religieuze dekmantel
ook, graag hun eigen principes naar voren brengen en verabsoluteren. Dan
ontstaat nieuwe dictatuur, totalitair bewind. Hoe gemakkelijk dat gaat,
bleek met de opkomst van het nationaal-socialisme. Helaas bleek toen ook
dat kerken, christenen, voor zoiets gemakkelijk voor de bijl gaan. Al was
er ook een minderheid die níét bezweek.
Geleerd ook door eigen ervaring, wetend
hoe gemakkelijk het tot ideologie-vorming komt, zouden kerken wellicht
bij uitstek de wacht kunnen betrekken bij het lege “midden”. Hopelijk samen
met anderen. Vraagtekens plaatsend achter al te vanzelfsprekend klinkende
redeneringen, opkomend voor de belangen van ménsen telkens als die
het slachtoffer dreigen te worden van algemene patronen van handelen.
Op het CDA-congres van afgelopen zaterdag
ging het uitvoerig over het vreemdelingenbeleid van onze regering. De top
van het congres keerde zich tegen moties die pleitten voor een ruimer toelatingsbeleid
en voor een grotere inspraak van de kant van gemeentebestuurders, die immers
asielzoekers persoonlijk kennen. Argument daartegen: dan worden zulke in
kleine gemeenschappen persoonlijk gekenden voorgetrokken boven de grote
groepen óngekenden elders. Dat zou onrecht betekenen. Het beleid
kan immers alleen worden uitgevoerd wanneer mensen anoniem blijven, wanneer
zij géén gezicht krijgen. Is dat aanvaardbaar?
Dit gaat over Nederlands beleid, maar kan
misschien toch als voorbeeld dienen. Zou het niet juist op de weg van de
kerken kunnen liggen, zich ervoor in te zetten dat mensen uit de anonimiteit
worden gehaald en juist wél een naam en een gezicht krijgen? In
Europa zoals in Nederland? Te spreken over “de rechten van de mens” mag
niet slechts een vrome leus zijn; het komt natuurlijk aan op de daadwerkelijke
respectering.
Karel Blei
adRem-debat, Utrecht, 20 februari 2004