God, Kerk, Europa
Stelling 1: Kerk en staat moeten volledig gescheiden
zijn.
Onze maatschappij kent basale waarden, voortgekomen
uit de Christelijk/humane traditie (zoals de tien geboden). Normen worden
daarvan afgeleid en vastgelegd in wetgeving en internationale verdragen.
Thans is er een probleem met handhaving van de normen dus dat probleem
moet geadresseerd worden. Vandaar het debat over normen en waarden. Overigens
geen nieuw fenomeen: al sinds Plato wordt er gemopperd op de jeugd van
tegenwoordig. Elke generatiewisseling gaat gepaard met maatschappelijke
veranderingen die hun weerslag hebben op de oudere en jongere generaties.
De noodzakelijke aanpassingen van mens aan maatschappij kennen doorgaans
een zekere divergentie tussen deze generaties. Een debat over normen en
waarden is dus niet misplaatst. In onze christelijk/humanistische traditie
ontwikkelt het debat over normen en waarden zich met de tijd. Dit debat
mag in mijn visie echter niet gebaseerd zijn op religie. Moraal en religie
moeten gescheiden worden: normen en waarden mogen niet vanzelfsprekend
opgehangen worden aan of afgeleid worden van religie.
In de Remonstrantse traditie gaan wij uit van
de jure naturales, het natuurrecht. Ik ga uit van een aangeboren
moreel besef bij ieder mens van goed en kwaad. Dit besef kan door verdere
opvoeding verfijnd worden.
Binnen het calvinisme echter is de kerk een machtsinstituut:
uitgaande van de zondeval en erfzonde kan de kerk bemiddelen tussen god
en mens om het heil te vinden. Als volgelingen van een kerk zich voegen
naar deze institutionele inrichting en dat toepassen in hun dagelijks leven,
is dat hun keus.
Dat betekent niet dat politici op de stoel van
God moeten gaan zitten.
Politici mogen niet hun norm vanuit een bepaalde
levensovertuiging opleggen aan de maatschappij.
Ook in West Europa hebben we vele oorlogen
gevoerd om onszelf van de kerk als machtsinstituut te bevrijden!
Als politicus oefen ik mijn vak uit vanuit een
bepaalde levensovertuiging. Mijn levensovertuiging is gedeeltelijk een
exponent van mijn religie (remonstrants). Ik vind echter niet dat ik mijn
religieuze waarden op dogmatische wijze moet toepassen in de politiek.
Het debat in Nederland moet over normen en waarden
gaan, niet over het geloof.
Ik ben overigens ook faliekant tegenstander van
het opnemen van een verwijzing naar het joods-christelijke karakter van
Europa in de zogenaamde preambule van de nieuwe Europese Grondwet, waarin
reeds de verwijzing naar culturele en humanistische tradities is opgenomen.
De belangrijkste waarden waarop de EU berust, namelijk democratie, vrijheid
van meningsuiting en mensenrechten, komen in het verdrag zelf al voldoende
ter sprake. Ook hier pleit ik voor een duidelijke scheiding van kerk en
staat
Stelling 2: Artikel 51 hoort niet thuis in de
Europese Constitutie
Uit de scheiding van kerk en staat, waar de democratieën
in Europa op gebaseerd zijn, vloeit automatisch de conclusie dat het huidige
artikel 51 uit de ontwerpgrondwet, niet opgenomen kan worden in de Europese
Constitutie.
Dit artikel bepaalt dat de EU de rol van kerken
in de lidstaten moet eerbiedigen. Lid 3 van het artikel bepaalt dat de
Unie een open, transparante en regelmatige dialoog met kerken en religieuze
organisaties moet hebben. Dit is volstrekt onwenselijk en niet nodig.
Niet nodig, omdat artikel 46 van de ontwerpgrondwet
al regelt dat de Unie een dialoog moet voeren met vertegenwoordigende instanties
van de 'civil society', het maatschappelijk middenveld. De kerk is niet
meer een vertegenwoordiger van de civil society dan een niet-gouvernementele
organisatie zoals Greenpeace, of de FNV, consumentenorganisaties, de werkgeversvertegenwoordiging
of het bedrijfsleven.
Er is dus geen noodzaak voor een apart artikel
in de Grondwet voor de kerk.
Een verplichte dialoog door de Europese overheid
met de kerk geeft de kerk bovendien dusdanig veel ruimte om invloed uit
te oefenen dat het onrechtvaardig is voor de Europese burger. Vele Europese
burgers kiezen bewust voor een scheiding van moraal en religie, van kerk
en staat. Zij gaan ervan uit dat het besluitvormingsproces in Europa op
transparante wijze gebeurt, in overleg met diverse betrokkenen zoals vastgelegd
in artikel 46. Artikel 51 verstoort dat evenwicht.
Zodra de kerk een aparte status krijgt binnen
de institutionele inrichting van de EU en er verplicht een regelmatige
dialoog plaatsvindt, maken andere organisaties daar ook aanspraak op. Stel
je voor dat we regelmatige dialogen gaan onderhouden met andere organisaties
(KvK, UEFA?)
Een volgende vraag is welk instellingen zich precies
op de kwalificatie van kerk of levensbeschouwing mogen beroepen.
De zorg van veel vrouwen is of dit artikel wel
de verworven rechten van vrouwen op het gebied van seksuele zelfbeschikking
en reproductieve gezondsheidszorg in Europa zal garanderen. Er bestaat
een duidelijk lobby van conservatieve groepen uit Islamitische landen,
de VS en het Vaticaan tègen deze vrouwenrechten.
De vraag is of met de dialoog (lid 3 artikel 51)
niet de reproductieve en seksuele rechten van de vrouw zullen worden opgeofferd
ten behoeve van de eenheid van de kerk en de dialoog met de EU. Daarom
is het noodzakelijk dat vrouwen hun krachten bundelen en nauwlettend de
ontwikkelingen binnen de EU volgen opdat de IGC hun verwordenheden niet
verkwanselt (Joke Swiebel)
De strikte scheiding van kerk en staat hoeft kerken
er niet van te weerhouden zich uit te spreken over bijvoorbeeld het politieke
beleid ten aanzien van armoede en vluchtelingen.
Elly Plooij - van Gorsel
adRem-debat, Utrecht, 20 februari 2004