agenda
webmaster

ADREM-DEBAT 2008

Kerk en Staat,
de plaats van religie in de moderne samenleving

Verslag

 
Het ADREM-debat 2008 vond plaats op 15 februari in Delft.

In ADREM van maart 2008 schreef Carla Bierlaagh het volgende verslag.

 

Prof. dr. C. SchuytHet AdRem-debat van 15 februari 2008 ging over religie in de samenleving, maar raakte ook aan politiek, recht en geschiedenis. Prof. dr. C. Schuyt, oud-lid van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid en lid van de Raad van State was de inleider. Hij verdiepte zich onder meer in het onderwerp als preadviseur voor de Nederlandse Juristen Vereniging in juni 2008. Met zijn heldere, systematische inleiding bracht hij zoveel teweeg dat het debat bij de borrel onvermoeibaar werd voortgezet.

Maatschappelijke discussie
Ca. 50 aanwezigen genoten van de erudiete benadering van een onderwerp dat volop terugkomt in de maatschappelijke discussie. Ten eerste via seculiere verlichtingsdenkers die met een nieuwe godsdienstkritiek aankomen, zoals de filosoof Herman Philipse – die kan bewijzen dat God niet bestaat –, vergezeld van Hirsi Ali en Paul Cliteur. Deze laatste vindt dat we de godsdienstvrijheid kunnen vervangen door de vrijheid van vereniging en vergadering en de vrijheid van meningsuiting – een geluid dat men tegenwoordig vaker hoort. Ook pleit Cliteur voor de afschaffing van de tolerantie, te vervangen door het Franse model van de laicité, de neutrale staat die zich onthoudt van inmenging in religie maar wel bijzondere scholen financiert.
De tweede manier waarop het onderwerp aan de orde komt, is via de aandacht voor de moslimreligie, de ‘waarden-ennormendiscussie’ van Balkenende. Dit werd versterkt toen Fortuyn in 2001 kritiek leverde op de islam, gecombineerd met een pleidooi voor Nederlandse waarden en normen. Ten derde zien we de herleving van de spiritualiteit: vooral de zeer individuele keuze voor de manier waarop men spiritualiteit wil beleven.

Ca. 50 aanwezigen genoten van de erudiete benadering van een onderwerp dat volop terugkomt in de maatschappelijke discussie.

De geschiedenis
Via een aanloopje langs de Synode van Dordrecht schetste Schuyt de oorsprong van de tolerantie via schrijvers als Erasmus, Castellio en Coornhert om uit te komen bij zijn centrale stelling: de godsdienstvrijheid gedijt in de huidige diversificerende periode het beste door hem buiten de openbare discussie te houden. Erasmus huldigde een inclusieve opvatting van tolerantie. Volgens hem ging het om de essentialia van het christendom en die werden door de discussies over bijvoorbeeld de kinderdoop vergeten. Zodra ongeloof of ketterij de wezenlijke belangen van de staat aantasten, is er geen ruimte meer voor tolerantie. De essentie van de leer van Erasmus was dus, zo betoogde Schuyt, het onderscheid dat deze maakt tussen de wezenlijke en niet-wezenlijke onderdelen van de christelijke leer. De praktijk van de christelijke levenswijze was belangrijker dan de leer.
Tot diep in de 16e eeuw vonden ketterverbrandingen plaats. Sebastiaan Castellio, oud medewerker van Calvijn moest vluchten vanwege zijn uitleg van twee geloofsvragen, en bestreed Calvijn, op de vraag of er wel een ‘juiste’ uitleg van de Schrift te vinden is, en of op basis daarvan wel ketters gedood mochten worden. Op principiële en pragmatische gronden was hij daar tegen: een mens doden is niet de leer verdedigen maar een mens doden… Zowel Erasmus als Castellio keurden ketterij af, maar nog erger was het doden van ketters: als men het in één land zou toelaten, zouden andere landen volgen en daarmee zou totale verdelging ontstaan.
Castellio’s groeiende twijfel of er slechts één uitleg van de schrift mogelijk was, leidde als vanzelf tot een principieel pleidooi voor tolerantie als argument voor gewetensvrijheid.
Coornhert toonde zich een tegenstander van godsdienstige intolerantie. Hij voelde zich bij veel bestaande godsdiensten thuis, maar aan de andere kant ook weer bij geen enkele als deze meende de waarheid in pacht te hebben: die waarheid berust bij God. Alleen die mocht oordelen of mensen al dan niet gelovig waren. Er klonk een zelfbewuste humanistische levensopvatting in zijn woorden door, met een vanzelfsprekende tolerantie.
Ieder meent het ware geloof te bezitten, maar er is op aarde geen onpartijdige rechter. Mensen kunnen dus niet de claim leggen dat zij de waarheid van de geschriften kennen.

Nu
Hoe om te gaan met religieuze uitingen, boerka, hoofddoek, tulband? Niemand valt erover als een voetballer een kruisje slaat voor een voetbalwedstrijd. De publieke verontwaardiging slaat vooral op de kledij. In Frankrijk is de boerka verboden, en dat heeft de tegenstellingen alleen maar verscherpt. Hindernissen opwerpen tegen normale integratie van moslims in Frankrijk, aandringen op homogeniteit leidt eerder tot een clash tussen religies. Is het dan verstandig dat Franse voorbeeld te volgen?
En dit draagt bij aan Schuyts stelling dat geloof een individuele gewetenszaak is: je mag alles geloven, maar je mag het niet afdwingen in de openbare ruimte, Religieuze waarden kunnen niet geclaimd worden. In navolging van Castellio (het doden van ketters is erger dan de ketterij) moet men altijd de kwaden afwegen, en dan het mindere kwaad aanvaarden.
Verdraag het dus, erger je eventueel, maar zoek niet naar een confrontatie. En weer praktisch: de godsdienstvrijheid wordt het best gegarandeerd als men zich niet te zeer op de voorgrond dringt in het publieke domein. Er is immers geen zekerheid wat de waarheid is?

 
 
   
 
naar boven


voor het laatst bijgewerkt: 14/03/2008