|
Als ik God zeg...
In den beginne
|
Wim Hollart | terug naar Inhoud | |||||||
| Als ik “God” zeg, denk ik aan die mysterieuze, grote, onbekende
kracht die de wereld en de mens in het aanzijn heeft geroepen.
God, de schepping, de mens en de sabbat zijn de vier pijlers van het
eerste gedeelte van de Bijbel. Wat in een periode van zes dagen geschapen
wordt, komt tot zijn hoogtepunt op de sabbat, de dag van het ‘ophouden’
en de rust. Niet de mens, maar de sabbat vormt het sluitstuk van het scheppingswerk.
De mens wordt kort voordat God zijn handelen beëindigt, geschapen
en wel door een bijzondere scheppingsdaad.
|
|||||||||
God |
Er worden in dit schriftgedeelte voor God de namen elohiem
en adonaj gebruikt. Naar talmoedisch gezichtspunt beschrijft elohiem het
kenmerk van de goddelijke gerechtigheid, terwijl adonaj het kenmerk van
de goddelijke barmhartigheid aanduidt. In Gen. 2:4 staan beide namen naast
elkaar: adonaj elohiem. De Midrasj zegt daarover:
“Een koning bezat erg breekbare glazen. Toen bedacht hij: Als ik er hete vloeistof in giet, barsten zij, en als ik met koude vloeistof kom, dan krimpen zij in (en barsten eveneens). Wat deed hij dus? Hij mengde het hete met het koude, en de glazen bleven onbeschadigd. Aldus sprak de Heilige, geprezen zij Hij: Als Ik de wereld schep met de maat van de barmhartigheid, dan krijgen de zonden de overmacht. Als Ik hem schep met de maat van de gerechtigheid, dan houdt de wereld geen stand (omdat ze dan vanwege de zonden ten deel zal vallen aan de vernietiging). Daarom schep Ik hem met beide: met de maat van de gerechtigheid en met de maat van de barmhartigheid. Opdat zij bestaan zal!” God, de schepper, wenst het bestaan van de schepping, en Hij bouwt om zo te zeggen die veiligheidskleppen in, die een ineenstorting van de wereld moeten voorkomen. |
||||||||
De schepping |
Rabbi Bunam, een chassidische leraar, onderwees:
“De eerste woorden van de Schrift moeten als volgt worden begrepen: Gods scheppen van hemel en aarde gaat door. Want ook nu nog is de wereld in de toestand van geschapen worden. Maakt een handarbeider een stuk gereedschap en is het af, dan hoeft hij er niets meer aan te doen. Met de wereld is dat niet zo: dag aan dag, van moment tot moment heeft deze de vernieuwende kracht van het oerwoord nodig, waardoor zij geschapen werd, en als deze kracht der krachten ook maar voor een ogenblik haar zou verlaten, dan zou zij weer vervallen tot woestheid en leegte”. |
||||||||
De mens |
De Talmoed leert een onderrichting van de Wijzen:
“Twee en een half jaar waren het huis van Sjamai en het huis van Hillel van mening verdeeld: De eersten zeiden: Het was beter geweest voor de mens, als hij niet geschapen was. De anderen stelden echter vast: Het is beter voor de mens, dat hij geschapen is. Zij kwamen tot overeenstemming (met als resultaat): Het was beter geweest, dat hij niet zou zijn geschapen, dan dat hij wel geschapen werd. Maar nu hij eenmaal geschapen is, onderzoeke hij zijn daden! Sommigen zeggen: Moet hij op zijn daden vooruitzien!” Het resultaat van de overeenstemming is negatief, ten ongunste van de mens. Zijn zaak is echter niet hopeloos: Als hij wil, kan hij zijn daden verbeteren en het goede doen. |
||||||||
De sabbat |
De Talmoed stelt de vraag: “Zijn (Gods) licht: op de eerste
dag geschapen. En ons licht (=vuur)? In gedachten was voorzien, dat het
op de vooravond van de sabbat geschapen zou worden en desondanks werd het
pas na afloop van de sabbat geschapen. God gaf de mens daartoe het inzicht:
deze wreef twee stenen tegen elkaar en het vuur ontstond”.
Dankzij zijn door God ingegeven inzicht lukt het de mens na afloop van de sabbat scheppend bezig te zijn. Ons vuur is een weerspiegeling van het ‘licht’, maar het is ons vuur, het resultaat van de mogelijkheden die in de schepping zijn gelegd. “God had geschapen”, opdat vervolgens de mens dit scheppen voor zijn eigen schepping zou benutten. |
||||||||
| Er wordt van de mens verwacht, dat hij zijn verantwoordelijkheid ten opzichte van de schepping op zich neemt. De wereld is waardevol en gezegend, alles in haar heeft een zin. Zij blijft echter pas waardevol en gezegend en zinvol, als de mens, de laatste van Gods schepselen, zijn krachten en bekwaamheden op de juiste wijze inzet. Wij beschikken over de middelen om al het leven op deze aarde te verderven en te vernietigen en daarmee Gods schepping in de afgrond te storten. Maar wij beschikken in niet mindere mate over de middelen om van onze planeet een echt paradijs te maken voor allen, voor mens en dier. Het is aan ons om de schepping, die wij niet geschapen hebben en waarin wij hoogstens als trouwe vertegenwoordigers met grote volmachten zijn uitgerust, dichter te brengen tot een zekere en vredevolle toekomst. | |||||||||
| naar boven | |||||||||
|
voor het laatst bijgewerkt: 11/05/2001 |
|||||||||