Als ik God zeg...
Sporen
Harry Brandsma   terug naar Inhoud
Als ik God zeg is het beter om uit mijn buurt te blijven. Je kunt er dan zeker van zijn dat ik op mijn duim geslagen heb. Iets anders zit me tegen of ik zit mezelf in de weg. Over God zwijg ik meestal verder.

Maar toch is hiermee nog niet alles gezegd. Levinas gebruikt een beeld dat mij aanspreekt: de afwezige aanwezige (God) als een inbreker, een dief in de nacht. Je weet dat hij/zij geweest is maar je kunt het niet waarnemen. Je ziet of vermoedt slechts een spoor. Verder moeten we dan maar zwijgen.
Ik weet niet goed wat ik zeg, als ik God zeg. Ik weet alleen wat ik bedoel als ik vloek, wanneer ik mezelf pijn heb gedaan, maar verder? Door de vele beelden die mee resoneren, heb ik slechts een vermoeden van de aanwezigheid van de eeuwige hoop, die ik zie in deze wereld. Deze hoop, dit spoor, zie ik via de ander. De ander geeft mij door haar of zijn aanklacht het vermoeden dat hoop aanwezig is. In de kwetsbaarheid van de ander openbaart zich de kwetsbare Eeuwige. In de aanklacht en in de negatie van de hoop, is voor mij hoop aanwezig. Dit spoor van afwezige aanwezigheid zoek ik in de marges van ons bestaan. 
De Eeuwige is kwetsbaar omdat haar identiteit niet vast ligt. Via de ander zoekt de Eeuwige naar een eigen bestemming om zo samen met de ander tot bestemming te komen. Het gelaat van de ander spreekt tot me, niet als zelfbevestiging maar als opdracht te blijven zoeken naar gerechtigheid, naar waar God en mensen op hun plaats komen. Daarom denk ik dat ik altijd met God bezig blijf in kennende en ontkennende zin. 
Ik werk graag op plaatsen waar het leven wringt, waar geen eenvoudige antwoorden zijn, waar ogenschijnlijke tegenstellingen in elkaar over kunnen vloeien. Een plaats, die mij dwingt na te denken, na te voelen over mijn eigen traditie en geloof. 
In de marges heb ik me zelf vaak leren verstaan als atheïst, een godsontkenner omdat beelden van God als wapen in de strijd werden gebruikt. Maar is het niet zo dat, wat door de traditie wordt aangereikt, geen naam of beeld mag hebben? Voor mij is God niet gefixeerd in zichzelf. De geest immers breekt de Eeuwige steeds open. God is zichzelf niet genoeg. God heeft mensen, mij en u nodig. Niet met onze vastliggende beelden, maar met ons handelen dat grenzen kan doorbreken ondanks onszelf. Ondanks wie we zijn, is er toch een spoor aanwezig. Dat duidt voor mij op een buiten dat inbreekt, op een open systeem waarmee de wereld geduid kan worden. Voor mij is het een buiten dat ik concreet in deze wereld probeer waar te nemen. Deze inbraak is het onbenoembare dat ik soms voorzichtig God noem. 
De Eeuwige blaast zichzelf op door de geest. Het ongrijpbare, het wispelturige, het ongeremde opgenomen binnen een beeld dat geen beeld mag zijn, de zichzelf kennende ontkenning. Juist de geest laat weten dat God niet in zichzelf genoeg is. God breekt zichzelf steeds open zodat wij geen beelden kunnen maken. Zo is de Eeuwige een partner in de voettocht die mensen gaan op aarde naar een plaats waar niets vast ligt, maar die toch grond onder de voeten geeft. De Eeuwige geeft ruimte. Zijn ruimte is groter dan dat wij ons voor kunnen stellen.

naar boven


voor het laatst bijgewerkt: 11/05/2001