|
Als ik God zeg is het beter om uit mijn buurt te blijven.
Je kunt er dan zeker van zijn dat ik op mijn duim geslagen heb. Iets anders
zit me tegen of ik zit mezelf in de weg. Over God zwijg ik meestal verder.
Maar toch is hiermee nog niet alles gezegd. Levinas gebruikt een beeld
dat mij aanspreekt: de afwezige aanwezige (God) als een inbreker, een dief
in de nacht. Je weet dat hij/zij geweest is maar je kunt het niet waarnemen.
Je ziet of vermoedt slechts een spoor. Verder moeten we dan maar zwijgen.
Ik weet niet goed wat ik zeg, als ik God zeg. Ik weet alleen wat ik
bedoel als ik vloek, wanneer ik mezelf pijn heb gedaan, maar verder? Door
de vele beelden die mee resoneren, heb ik slechts een vermoeden van de
aanwezigheid van de eeuwige hoop, die ik zie in deze wereld. Deze hoop,
dit spoor, zie ik via de ander. De ander geeft mij door haar of zijn aanklacht
het vermoeden dat hoop aanwezig is. In de kwetsbaarheid van de ander openbaart
zich de kwetsbare Eeuwige. In de aanklacht en in de negatie van de hoop,
is voor mij hoop aanwezig. Dit spoor van afwezige aanwezigheid zoek ik
in de marges van ons bestaan.
De Eeuwige is kwetsbaar omdat haar identiteit niet vast ligt. Via de
ander zoekt de Eeuwige naar een eigen bestemming om zo samen met de ander
tot bestemming te komen. Het gelaat van de ander spreekt tot me, niet als
zelfbevestiging maar als opdracht te blijven zoeken naar gerechtigheid,
naar waar God en mensen op hun plaats komen. Daarom denk ik dat ik altijd
met God bezig blijf in kennende en ontkennende zin.
Ik werk graag op plaatsen waar het leven wringt, waar geen eenvoudige
antwoorden zijn, waar ogenschijnlijke tegenstellingen in elkaar over kunnen
vloeien. Een plaats, die mij dwingt na te denken, na te voelen over mijn
eigen traditie en geloof.
In de marges heb ik me zelf vaak leren verstaan als atheïst, een
godsontkenner omdat beelden van God als wapen in de strijd werden gebruikt.
Maar is het niet zo dat, wat door de traditie wordt aangereikt, geen naam
of beeld mag hebben? Voor mij is God niet gefixeerd in zichzelf. De geest
immers breekt de Eeuwige steeds open. God is zichzelf niet genoeg. God
heeft mensen, mij en u nodig. Niet met onze vastliggende beelden, maar
met ons handelen dat grenzen kan doorbreken ondanks onszelf. Ondanks wie
we zijn, is er toch een spoor aanwezig. Dat duidt voor mij op een buiten
dat inbreekt, op een open systeem waarmee de wereld geduid kan worden.
Voor mij is het een buiten dat ik concreet in deze wereld probeer waar
te nemen. Deze inbraak is het onbenoembare dat ik soms voorzichtig God
noem.
De Eeuwige blaast zichzelf op door de geest. Het ongrijpbare, het wispelturige,
het ongeremde opgenomen binnen een beeld dat geen beeld mag zijn, de zichzelf
kennende ontkenning. Juist de geest laat weten dat God niet in zichzelf
genoeg is. God breekt zichzelf steeds open zodat wij geen beelden kunnen
maken. Zo is de Eeuwige een partner in de voettocht die mensen gaan op
aarde naar een plaats waar niets vast ligt, maar die toch grond onder de
voeten geeft. De Eeuwige geeft ruimte. Zijn ruimte is groter dan dat wij
ons voor kunnen stellen. |