|
Als ik God zeg dan is het zeker dat ik aan het theoretiseren
of theologiseren ben, misschien wel aan het preken. Die drie letters G.O.D
kan ik moeilijk uitspreken als ik praat over de relatie die ik met degene
heb die vaak met die drie letters aangesproken wordt. Als ik aan die relatie
denk en daar woorden voor probeer te vinden, kom ik uit bij ‘Eeuwig’ en
‘Eeuwigheid’. Die begrippen hebben met de relatie te maken die er is tussen
mij en degene die G.O.D. genoemd wordt.
Bij eeuwig en eeuwigheid denk ik dan niet lineair, want dan is het
een gevolg van één leven waar, op de één of
andere manier, een ander op volgt. Reïncarnatie maar dan wat enger
of misschien juist wel breder. Maar eeuwig en eeuwigheid zijn voor mij
geen lineaire tijdsbegrippen. Eeuwig en eeuwigheid hebben te maken met
het feit dat degene die wij G.O.D. noemen en die eeuwig is, de Eeuwige
zou je Haar dan ook wel kunnen noemen, mij in die eeuwigheid heeft geplaatst,
met stip zal ik maar zeggen. Dat betekent dat die stip die eens gezet is
door de Eeuwige nooit meer uit te wissen valt. Dat niet alleen, maar dat
de Eeuwige altijd verbonden is met en aan die stip, altijd weet heeft en
houdt van de door Haar gezette stip, van mij dus. En niet alleen van mij,
maar van al de door Haar gezette stippen. Dat zijn dan de stippen waaruit
ik voortspruit, maar ook van al de stippen die er zijn, maar waar ik geen
idee van heb, omdat ik ze niet ken. Het zijn ook de stippen die nog gezet
gaan worden en waar ik al helemaal geen relatie mee kan leggen omdat ik
me daar niets bij voorstellen kan. Van elke stip weet Ze en om elke stip
is Ze heen, scheppend en zorgend.
Naarmate mijn leven vordert, ik weet nooit of ik het leven vorder of
het leven mij maar goed het vordert, besef ik steeds meer hoe vaak ik de
Eeuwige aan den lijve heb ervaren.
Als kind al, daar zat Zij achter die enge Hij, die alles zag en wist
en steeds Zijn waarschuwende vinger omhoog had. Maar Zij ging mee naar
ziekenhuizen, lag daar naast mij in die getraliede ziekenhuisbedjes die
altijd stonken. Zij ging mee enge onderzoeken ondergaan en prikken krijgen.
En Zij gaf mijn broers uitbranders als ze me al te zeer uitlachten om iets
dat ‘des meisjes’ was of iets wat ik niet kon. Zij was licht, niet te pakken
en al helemaal niet te beschrijven, maar Zij had alles met mij te maken.
Toen ik ouder werd en het leven volkomen chaos, alleen en onbegrijpelijk
was, kon ik daar met Haar over praten. Nooit met die enge Hem die ik leerde
in de kerk. Want Hij wist van mijn intense alleen zijn, Hij had iets met
de oorzaak van doen. Ook was degene die ik zo mis bij Hem, heel ver weg
‘en daar heeft hij het beter dan bij mij’ zeiden ze in de kerk. Ik snapte
daar niets van, want Hij bakte vast geen pannenkoeken als hij, mijn lief,
moe van zijn werk heel laat thuis kwam. Zij wist niets van oorzaken, Zij
huilde mee en stond ook aan dat graf en ging daar, net als ik, ook een
beetje dood. Zij had zalf voor mijn wonden en dan kon ik ineens weer lachen
en soms had Ze een slaaptabletje in de vorm van een telefoontje van een
vriend of vriendin.
Och en weer later, ik werd al een beetje middelbaar, werd ik steeds
vertrouwder met Haar. Zeker toen ik zo’n moeite had om een besluit te nemen.
Een besluit dat met mijn lichaam en met Haar te maken had. Bijna niemand
begreep me toen, want wat was nu zo’n operatie. Ik stelde me wel een beetje
aan vond men, want dokters kunnen toch alles. Er was bijna niemand die
snapte dat ik het had over het mooiste geschenk dat ik van Haar had gekregen,
het geschenk waardoor ik leef. En in zo’n geschenk laat je niet zo
maar snijden, vond ik. Ik vond ook niet dat ziek zijn en dood met zonde
en afstand van Haar te maken hadden, dat wordt door theologen over Hem
verteld, maar misschien kan Hij er ook niets aan doen dat ze dat van Hem
vertellen. Door veel met Haar te praten op allerlei manieren, heb ik toen
het besluit genomen me te laten opereren, maar oh wat was het verwoestend.
Ze heeft me toen steeds ingefluisterd dat ik toch met stip was gaan
leven, die zevenenveertig jaar ervoor en dat die stip voor Haar net zoveel
waard was als toen dat verwoestende er niet was geweest. Ze heeft me toen
ook ingefluisterd dat mijn lichaam goed was, precies zoals het was. Hoeveel
klachten ik ook had, het was niks minder waard, ook niet toen ik niet meer
kon, wat daarvoor een fluitje van een cent was geweest. Ik was dus niks
minder waard voor Haar en daardoor ook niks minder waard voor mijzelf.
Als Hij dat nu toch ook eens te weten zou kunnen komen! |