|
Als ik God zeg...
Chassidische vertellingen uit
verschillende bronnen
|
Thomas Borggrefe | terug naar Inhoud | |||||||
| De kleinzoon van rabbi Baruch van Medzibozj speelde verstoppertje
met zijn kameraden. Hij verstopte zich en wachtte tot zijn vrienden hem
zouden gaan zoeken, maar dat deden ze niet. Na lange tijd ging hij naar
zijn grootvader en zei met tranen in zijn ogen: ‘Ze hebben helemaal niet
naar mij gezocht!’
Rabbi Baruch brak ook in tranen uit en zei: ‘Hetzelfde zegt de Almachtige ook: ”Ik verberg Mij en de mensen zoeken helemaal niet naar Mij!”’ |
|||||||||
| ***
Wo ich gehe – du!
***
|
|||||||||
| Toen de grote rabbi Baäl Sjem zag dat de Joden bedreigd
werden door rampspoed, was hij gewoon naar een bepaalde plaats in het woud
te gaan om daar te mediteren. Daar ontstak hij een vuur, sprak een gebed
uit en het wonder geschiedde: het ongeluk werd afgewend.
Toen later zijn leerling, de gevierde rabbi van Mezritch, dezelfde reden had om de hemel te smeken, ging hij naar dezelfde plek in het woud en zei: ”Heer van het heelal, hoor naar mij! Ik weet niet hoe ik het vuur moet ontsteken, maar ik kan wel het gebed uitspreken.“ En opnieuw voltrok zich het wonder. En nog later trok rabbi Mosje Leib van Sasov om zijn volk te redden door het woud, en zei: ”Ik weet niet hoe ik het vuur moet ontsteken. Het gebed ken ik niet, maar de plek wel.” En dat was voldoende. Toen viel het rabbi Israël van Rizhyn ten deel rampspoed af te wenden. Hij zat in zijn leunstoel, met zijn hoofd in zijn handen, en sprak tot God: ”Ik weet niet hoe ik het vuur moet ontsteken en het gebed ken ik niet. Zelfs de plek in het woud kan ik niet vinden. Het enige dat ik kan, is het verhaal vertellen.” |
|||||||||
| naar boven | |||||||||
|
voor het laatst bijgewerkt: 11/05/2001 |
|||||||||