Remonstrantse Broederschap
Oecumenelezing 2004
home
archief
webmaster
OECUMENELEZING 2004
Als een vogel in de vlucht.....
Over christelijke identiteit in een multiculturele samenleving
Het thema ‘identiteit’ heeft één groot voordeel: het leent zich niet voor abstracte beschouwingen of idealistische bespiegelingen. Het confronteert ons met onszelf, met ons eigen bestaan. Identiteit gaat immers over de vraag wie ik ben, wat mijn leven is, en mijn ‘missie’ in dit leven.
Deze vragen leven momenteel hevig. Dat is bekend. Zij leven niet alleen bij individuele mensen, maar in vrijwel elke organisatie wordt permanent gediscussieerd over de eigen identiteit. Vanwaar deze eeuwige discussies? Ik heb de indruk dat vooral het drama van 11 september 2001 voelbaar heeft gemaakt hoezeer religieuze en levensbeschouwelijke tradities onderhevig zijn aan desintegratie. Tradities zorgen niet meer voor verworteling van het kwetsbare individu in een groter, overkoepelend verband. 

1. Grensvervaging
De grenzen vervagen, niet alleen in de politiek, maar ook voor wat betreft de religieuze tradities. Dat besef was al langer doorgedrongen. Ook vóór ‘elf negen’ beseften we dat de onstuitbare economische, sociale en culturele globalisering de hectiek van het dagelijkse leven enorm heeft opgevoerd, dat reclame en amusement het leven van de consument steeds sterker beheersen, en dat het menselijk onmogelijk is om de lavastroom van media-informatie te bevatten.
Dat is de grote paradox: we leven in een wereld waarvan we steeds meer weten, maar waarvan we steeds minder begrijpen. Daarvoor is alles wereldwijd veel te veel met elkaar verstrengeld. Alles is zo complex geworden dat, wanneer je het ene probleem goed aanpakt, je al weer bezig bent een volgend probleem te creëren. Dat wreekt zich. Goed doordacht politiek beleid voeren vraagt overzicht en inzicht. Zoiets kost tijd, en die tijd ontbreekt.
De Duitse filosoof Rüdiger Safranksi merkte onlangs in een interview op: ‘we zijn veroordeeld tot de borreltafel’. We moeten meebeslissen als burgers over zaken waarvan we veel te weinig afweten, en oordelen over dingen waarvan we nauwelijks verstand hebben. Dat vraagt onze democratie, en dat vraagt ze terecht. Het probleem is alleen: hoe kunnen we in vredesnaam aan deze terechte eis beantwoorden?
Deze dingen wisten we ook in de jaren negentig. Ook toen werd er gesproken over ‘de ontketende samenleving’. Sinds het drama van ‘elf negen’ is er niettemin iets wezenlijks veranderd. De enorme kwetsbaarheid van onze wereld is tot ons bewustzijn doorgedrongen. Het geloof in de maakbaarheid van de samenleving is ondermijnd. Hoewel er weinig objectieve aanwijzingen - laat staan bewijzen – zijn te vinden dat onze Nederlandse samenleving onveiliger is geworden, ervaren we dat wél zo. Angst en onzekerheid zijn boven komen drijven. Voeg daarbij de vluchtigheid en onrust van het alledaagse leven, en het wordt duidelijk waarom het onbehagen in de postmoderne cultuur groeit. Er zijn steeds minder plaatsen aan te wijzen waar nog ruimte is voor gemeenschappelijke bezinning.
Alleen al daarom zijn de kerken, sociologisch gesproken, broodnodig, - mits ze zich gastvrij en open durven opstellen. Dat laatste vraagt de moed om grenzen te overschrijden. Hoe broodnodig het ook voor de kerken zélf is om de grensoverschrijdingen aan te durven, probeer ik in de loop van mijn verhaal duidelijk te krijgen.

2. Grensbewaking
Maar zover zijn we nu nog niet. Allereerst moeten we nader verkennen wat de grensvervaging betekent voor het identiteitsprobleem. Welke omschrijving je ook geeft van het woord ‘globalisering’, het betekent niet slechts dat grenzen vervagen, maar ook dat er een overstelpend aanbod is aan identiteitsmogelijkheden. Reclame, soaps, popsterren bieden oneindig veel identificatiemogelijkheden, zodat je identiteit kunt shoppen zoals je kleren koopt.
Dat lijkt spannend, maar het maakt ook onzeker. Doe je het wel goed? Hoor je er wel bij? De verleiding is groot je leven te laten bepalen door beelden van buitenaf. Dat was altijd al zo, maar in de huidige beeldcultuur raakt het zoeken naar identiteit steeds sterker verstrengeld met de commerciële belangen achter de reclamebeelden en de popcultuur. Voor zover ik zie, bedreigt niet de individualisering de kwaliteit van de samenleving, zoals vaak wordt gezegd, maar een vluchtige, uniforme beeldcultuur die suggereert dat alles mogelijk is en alles kan. The sky is the limit. 
Deze suggestie van grenzenloosheid, het gevoel dat we aarde en zon aan het loskoppelen zijn, draagt bij aan het gevoel van onveiligheid en angst. Daarbij komt dat onze werkelijke ervaringen steeds weer worden overtroefd door de onvoorstelbare beelden van geweld en menselijk leed die we dagelijks – Nederlanders boven de vier jaar kijken anno 2004 gemiddeld meer dan drie uur televisie per dag – aan ons voorbij zien trekken. Safranski merkt op dat de pseudo-nabijheid van het beeld suggereert dat het gevaar alomtegenwoordig is. Ik citeer:’De emotie en hysterie die dat veroorzaakt, zorgt ervoor dat men bereid is zich in allerlei politieke avonturen te storten om dit machtige gevaar, dat geen gevaar is, het hoofd te bieden. Dan wordt het gevaarlijk.’
Safranski overdrijft niet. Zijn sommige vaderlandse politici, die het gezonde volksgevoel goed denken aan te voelen, niet van mening dat de middelen van de rechtsstaat ondergeschikt zijn aan het hogere doel van terrorismebestrijding? Is ‘politiek correct’ (wat dat ook mag zijn) in de media geen bezoedeld woord geworden? 
Grensvervaging leidt onvermijdelijk tot grensbewaking. Het onbestemde gevoel van onveiligheid, en de agressiviteit die dat oproept, vraagt om gefixeerde beeldvorming: zondebokken geven houvast, een vijandbeeld doet dat ook. Niet toevallig is na de elfde september ook in Nederland de anti-islam stemming gegroeid. Mensen, die ooit wel eens een boekje over de islam hadden gelezen en moslims voornamelijk via de beeldbuis kenden, permitteerden zich een publieke mening alsof ze de islam in hun zak hadden. Het bewaken van grenzen tegen een duidelijk gefixeerde vijand, geeft houvast. De eigen identiteit wordt ontleend aan het gefixeerde beeld waartegen men zich afzet. Maar degenen die zich van deze beeldvorming het slachtoffer voelen, scheppen in hun onzekerheid zelf ook weer beelden. Zo is de vicieuze cirkel van een zich verhardende samenleving rond: het groeiend antisemitisme in ons land en de stigmatisering van moslims staan niet los van elkaar.
Zoals gezegd, grensvervaging roept grensbewaking op. De vijand moet geweerd worden. Maar die vijand kan ook binnen de eigen religieuze traditie schuilen. Binnen de kerken heerst veel onrust over de manier waarop de christelijke traditie van binnen dreigt te worden uitgehold. Pleiten sommige theologen er niet openlijk voor de christelijke traditie met haar achterhaalde dogma’s overboord te zetten? Verdwijnt de kennis van de bronnen van de christelijke traditie niet als sneeuw voor de zon?
Deze op zich begrijpelijke zorg versterkt de behoefte aan een vastomlijnd godsbeeld, aan een vastomlijnd mensbeeld, aan een vastomlijnd onderscheid tussen goed en kwaad. Zo ontstaat de behoefte ten koste van alles vast te houden aan de ene, eenduidige waarheid. Ik ontken niet dat het behoeden van de eigen traditie soms heel nodig kan zijn, maar het kan gemakkelijk leiden tot een trieste versimpeling van de complexe werkelijkheid, tot een emotioneel fanatisme dat het geweld in zich draagt. Laten we ons geen illusies maken, in het christendom komt dat evenzeer voor als in de andere wereldgodsdiensten. Vergeten we niet dat het woord fundamentalisme, momenteel in zwang voor bepaalde groepen moslims, ontstaan is in 1910 ter aanduiding van Amerikaanse christenen die zich krachtdadig te weer stelden tegen een historisch-kritisch benadering van bijbel en traditie.
Voor de christelijke oecumene is het momenteel een kernvraag: wat is het alternatief voor het drijfzand van grensvervaging en de starheid van grensbewaking?

3. Identiteit 
Misschien is het goed om, alvorens op deze vraag in te gaan, eerst te verkennen wat het woord ‘identiteit’ eigenlijk inhoudt. Wijsgeren, sociologen en psychologen hebben daarover bergen boeken geschreven. Daar kan ik hier niet op ingaan. Ik beperk me tot het aanduiden van twee aspecten. Het eerste is: continuïteit; het tweede: vrijheid.
Er is geen identiteit mogelijk zonder continuïteit. Identiteit vraagt om duurzaamheid en herkenbaarheid. Als iemand mij vraagt ‘wie ben je eigenlijk’, ga ik verhalen vertellen, geschiedenissen. Zonder geschiedenis, zonder biografie ben je niemand. Daarom hebben we de behoefte aan vormgeving van ons leven – lifestyle -. Die vormgeving zorgt voor duurzaamheid, herkenbaarheid en continuïteit. Jan Wolkers heeft dat onlangs in een interview heel raak getypeerd. Hij zei: ‘Elke minuut die beleefd wordt, draagt onmiddellijk het verleden in zich. Ik zoek naar de lijn, naar de continuïteit.’ Identiteit is: vormgeven aan wat er in je leeft.
Wanneer het niet gaat om personen, maar om een religieuze of levensbeschouwelijke gemeenschap, uit die vormgeving zich niet slechts in verhalen, maar ook in rituelen en symbolen. Dat geheel noemen we traditie, overlevering van generatie op generatie. Traditie zorgt voor de noodzakelijke continuïteit, duurzaamheid en herkenbaarheid. In de christelijke traditie zijn dat de bijbelse geschriften, het Onze Vader, de Apostolische Geloofsbelijdenis, belijdenisgeschriften, sacramenten, oude liederen en gebeden. Die vormen om zo te zeggen ‘het ijzeren bestand’ van deze traditie.
Dit ‘ijzeren bestand’ blijft echter morsdood, wanneer het niet tot leven komt in mensen van vlees en bloed. Sterker nog, mensen van verschillende generaties en culturen hebben de vrijheid nodig om dit bestand steeds weer opnieuw voor zichzelf te ontdekken. Traditie vraagt om eigen creativiteit. Anders wordt ze dwang en sleur. Daarom dient de kanon van de bijbelse geschriften principieel open te blijven, en kan het gezag van de kerkelijke traditie nooit van buitenaf worden opgelegd. Daarom is ook het beeldverbod zo actueel: van de God die zich aan Mozes heeft doen kennen als ‘Ik zal er zijn, zoals ik er zal zijn’ mag geen cultisch beeld worden gemaakt. Een cultisch beeld kan immers niets anders zijn dan ‘god’ als projectie van menselijke angsten en verlangens. Het cultisch beeldverbod slaat ook op de mens, geschapen naar Gods beeld en gelijkenis. Een gesloten zelfbeeld of een gefixeerd beeld van de ander of van onze kerkelijke traditie is daarom zo verleidelijk omdat het in onzekere tijden houvast lijkt te geven. Die beelden steeds weer los durven laten, is moeilijk en vraagt moed. De prijs van het cultisch beeld is echter hoog: het leven is verdwenen, er gebeurt niets. 
Daarmee is gezegd: identiteit is nooit af, is nooit voltooid. Dat geldt zowel voor de identiteit van een religieuze traditie, als voor de identiteit van individuele mensen.
Laat ik het eerst hebben over personen. Het is waar dat wij mensen in genetisch opzicht voorgeprogrammeerd zijn, en als we al niet door onze genen zijn bepaald, dan toch zeker door de sociale omgeving waarin we opgroeien. We zijn echter ook vrij: vrij om keuzes te maken, beslissingen te nemen, ons leven op een unieke manier vorm te geven. In de joodse en de christelijke traditie ligt die vrijheid besloten in het feit dat mensen zijn geschapen naar Gods beeld en gelijkenis. Maar wat betekent vrijheid in dit verband?
De Zwitserse schrijver Max Frisch (1911-1991) heeft in een commentaar op zijn in 1964 verschenen roman Gantenbein geschreven: ‘De persoon is een som van verschillende mogelijkheden, denk ik, geen onbegrensde vorm, maar een som die uitgaat boven de biografie. Alleen de varianten laten de constanten zien.’
Ik hou van dit citaat. Het maakt mij duidelijk dat ik noch mezelf, noch anderen mag vastpinnen op het verleden, - dat ik noch van mezelf, noch van anderen een gestold beeld kan maken. Het maakt ook duidelijk waarom ik mijn gedrag nooit kan rechtvaardigen met de opmerking ‘zo ben ik nu eenmaal’. Menselijke identiteit is per definitie onvoltooid, open. De geschiedenissen die mensen vertellen over hun verleden, zijn tegelijk de dromen over wat ze van het leven verwachten. 
Het accepteren van het fragmentarische en ongrijpbare van onze identiteit is de prijs die we voor onze vrijheid betalen. Die prijs is niet hoog, want, als we die vrijheid aandurven, houdt ons leven een tegoed. Of, om in termen van de apostel Paulus te spreken, nu zien we nog door een spiegel, in raadselen, nu ken ik onvolkomen, maar ooit zal ik ten volle kennen, zoals ik zelf gekend ben. (1 Kor 13:12).
Dat betekent echter ook: als we gevangen zitten in een gefixeerd zelfbeeld of ons leven laten bepalen door van buitenaf opgelegde beelden, dan komen we nooit toe aan het unieke van ons leven, aan het unieke van de naam die ons geschonken is. Ondanks een mogelijk succesvolle carrière, is er dan sprake van een mislukt leven.
Met de toespeling op de woorden van Paulus zitten we al volop in het hart van de christelijke traditie. Juist die traditie is met zichzelf in tegenspraak wanneer zij haar identiteit als gegeven ziet, vastgelegd in dogmatische uitspraken en ethische beginselen.
Uiteraard hebben we beelden van de traditie waarin we staan. Dat kan niet anders, want we zullen ons die traditie moeten verbeelden. Daar hebben we de verhalen, symbolen en rituelen voor. Juist waar het erom gaat om de eerbied voor het geheim van God en mens te bewaren, hebben we onze verbeeldingskracht hard nodig. Want zonder de door de verhalen en symbolen opgeroepen verbeelding van een andere mogelijkheid van leven en van een nieuwe werkelijkheid, is er geen hoop, geen verwachting. Dan schrikken we ons rot als onze bede ‘Uw koninkrijk kome’ zomaar wordt vervuld.
Maar, aan de andere kant, die verbeelding is een zaak van geloof, en dat geloof is ‘de zekerheid van de dingen die je hoopt, en het bewijs van dingen die je niet ziet’ (Hebreeën 11:1). Daarom is ‘christelijke identiteit’ altijd voorlopig, altijd in de maak, altijd pluralistisch. Dat hoort bij een levende geloofstraditie. Daarom mag die verbeelding niet verstarren, en dat doet ze wanneer ze angstig wordt en zorgelijk. Dan ontstaat er de pseudo-religie van de éne, in de traditie vastgelegde waarheid, waaraan al het andere wordt gemeten en van een minteken wordt voorzien. 
Christelijke identiteit veronderstelt continuïteit, zeker. Maar het veronderstelt minstens evenzeer een tegoed, een belofte, een wenkend perspectief. Daarom vergelijk ik die identiteit met een vogel in de vlucht, even vrij en even kwetsbaar.

4. Grensoverschrijding
Wat betekenen deze inzichten nu concreet voor de oecumene, de relatie tussen migrantenkerken en gevestigde kerken, voor de relaties met mensen van andere religies? Oecumene is het oefenen in de kunst van de grensoverschrijding. Grensoverschrijding is de manier om jezelf tegen te komen. Grensoverschrijving is het alternatief voor zowel grensbewaking als grensvervaging. Grensoverschrijding betekent dat je niet wilt spreken over de ander, maar met de ander. Als er werkelijk sprake is van een ontmoeting met de ander, kom je onvermijdelijk jezelf tegen. Daarmee dient grensoverschrijding om je eigen identiteit steeds opnieuw te ontdekken en nieuwe variaties te creëren in een leven dat pas achteraf zijn grondthema – de continuïteit - prijsgeeft. Elk oecumenisch proces dat die naam verdient, vraagt om de bereidheid de eigen identiteit, de identiteit van de eigen traditie, niet te zien als vast gegeven, maar als een belofte, als een proces van grensoverschrijding. Dat betekent dat we in het proces die traditie met al haar grote woorden even op afstand moeten durven zetten. Kennen we die woorden werkelijk? Of hebben we ons die woorden – verzoening, vergeving, waarheid, liefde, gerechtigheid – toegeëigend zonder te beseffen dat die woorden een niet vervulde belofte inhouden? 
Oecumene als oefening in grensoverschrijving vraagt er zeker niet om de eigen traditie overboord te zetten. Ik pleit niet voor het afschaffen van onze leerstellingen en symbolen. Ik houd hier echter wél een pleidooi voor een anders omgaan met traditie; vrijer, creatiever. Oecumene vraagt om het besef dat we pas in de ontmoeting met anderen – en die ontmoeting kan ook conflict, confrontatie betekenen - iets van de werkelijkheid achter de grote woorden kunnen beseffen.
Terugblikkend op het samen-op-weg proces, vraag ik mij af of het proces niet veel minden moeizaam zou zijn verlopen als we hadden beseft dat identiteit vraagt om grensoverschrijding. De manier waarop we gewend zijn met traditie om te gaan, maakt dat niet gemakkelijk. Dat besef ik heel goed. Maar hadden we beseft dat christelijke identiteit geen vast gegeven is, maar een ons toegezegde belofte, dan was het samen-op-weg proces een vrolijk gebeuren geweest. Nu ging het er vaak zorgelijk aan toe, en, zoals Karl Barth eens heeft geschreven, ‘De wortel van alle kwaad is ook eenvoudig en verschrikkelijk: de bezorgdheid’. Ooit dachten we dat oecumene een zaak was van theologische consensus. Nu weten we beter: de ‘niet-theologische factoren’ wegen het zwaarste, en die hebben alles met identiteit te maken. Ik ben een liefhebber van theologische leergesprekken, maar wat we nu geleerd hebben is: die theologische consensus is het begin van het oecumenische proces, niet het einde. Dat geldt m.i. niet alleen voor het samen-op-weg proces, waar de grenzen in feite gering waren. Het geldt zeker ook voor de consensus over de rechtvaardigingsleer tussen de Rooms-Katholieke kerk en de Lutherse Wereldbond.
Een testcase voor oecumene als de kunst van de grensoverschrijding is momenteel in Nederland de relatie tussen de zogeheten migrantenkerken en de gevestigde protestantse kerken. De communicatieproblemen zijn hier groot, en dat heeft alles te maken met de wederzijdse beeldvorming. Migrantenkerken hebben een liturgische ruimte nodig voor hun vieringen en geld. Zij vragen dat in eerste instantie aan de gevestigde kerken. Daarmee is onmiddellijk een diaconale relatie gecreëerd van donor en ontvanger, - met machtsverschillen die vaak christelijk verdoezeld worden. De migrantenkerken ontdekken dat zij alleen diaconaal interessant zijn, maar verder op afstand worden gehouden. Het komt niet tot een echt oecumenische relatie. Daarbij komt dat christelijke migranten, zoals alle migranten, de ervaring opdoen dat zelden of nooit wordt gevraagd naar hun leven vóór de migratie. Ze zijn een probleemgeval, en worden als zodanig positief of negatief behandeld. Hun identiteit begint, om zo te zeggen, pas mee te tellen op het moment dat ze hier zijn. Dat heet dan integratie. In feite wordt er echter een groot stuk uit hun leven, uit hun biografie weggesneden. Dat maakt onzeker, en versterkt de neiging op zich terug te trekken op eigen, gesloten zelfbeeld. Dat maakt de weg naar een inclusieve, oecumenische relatie heel moeilijk.
De gevestigde kerken lopen vaak stuk op wat zij als ‘fundamentalisme’ zien in de migrantenkerken. Ik vraag me af of het etiket ‘fundamentalisme’ aan de geloofsbeleving van veel migrantenkerken recht doet. Deze geloofsbeleving heeft dikwijls een sterk charismatisch karakter. Het gaat om de voelbare aanwezigheid en de kracht van de Heilige Geest. Mijns inziens kan een echt charismatische kerk nooit fundamentalistisch zijn. Dat verdraagt het geloof in de Geest niet. 
Het gaat hier dus om iets dat in wederzijdse theologische gesprekken verhelderd zou moeten worden. Maar die gesprekken mislukken bij voorbaat, wanneer er niet eerst een vertrouwensrelatie is ontstaan. Die ontstaat pas in het samen organiseren van projecten, hoe bescheiden ook, in wijk of buurt. Pas dan leer je elkaar kennen. Zo kan er wederzijds vertrouwen ontstaan. Ik denk wel eens dat het samen clandestien een sigaret roken in een openbare ruimte belangrijker is dan een diepgaand theologisch gesprek.
Dat laatste geldt ook voor ontmoetingen van christenen met joden, moslims, hindoes, boeddhisten, humanisten of bahá’is. Multireligieuze samenkomsten worden steeds talrijker. De recent verschenen brochure ‘Samen vieren met mensen van andere religies’ geeft hiervan een aantal voorbeelden. Ook hier is het van belang heel goed te weten vanuit welke motieven deze ontmoetingen plaatsvinden.
Ga je een gesprek aan vanuit de overtuiging dat er uiteindelijk slechts één waarheid is, namelijk in Christus. Of denk je dat het in alle religies toch gaat om één en dezelfde God? Beide motieven lijken mij onwenselijk, zolang we de waarheid niet in pacht hebben en zelfs niet weten of wij als christenen wel in dezelfde God geloven.
Legitiem lijkt mij het motief, zoals we dat vinden bij het grootschalig interculturele en interreligieuze project van Hans Küng, om als wereldreligies tot een consensus te komen over mensenrechten en over de grote ethische vragen armoede, milieu en biotechnologie. Toch moeten we hier oppassen om onze interesse in andere religie niet te gebruiken als alibi om onze verlegenheid met de eigen christelijke identiteit toe te dekken.
Daarom pleit ik ook hier voor oecumene als het soort grensoverschrijding waarin je met jezelf en je eigen traditie wordt geconfronteerd. Alleen zo blijft de eigen traditie in beweging en kunnen we in de ontmoeting met mensen van andere religies leren de grondwoorden en symbolen van onze eigen traditie dieper te doorgronden.
Dat laatste geldt uiteraard in de eerste plaats het gesprek met de joodse tradities. Veel kerken hebben hun onopgeefbare verbondenheid met Israël en het jodendom uitgesproken. Dat is belangrijk. Het geeft aan dat christelijke identiteit zonder het jodendom niet te denken is. Die verbondenheid blijft echter een loze kreet wanneer we niet bereid zijn de grondwoorden van onze traditie te herijken vanuit het gesprek. Dat geldt niet slechts voor de Hebreeuwse bijbel – het Oude Testament – maar ook voor de Talmoed en hedendaagse joodse denkers.
Ik weet het: de kunst van de grensoverschrijding is niet eenvoudig, zeker in een zich verhardende samenleving. Daarom eindig ik met de oude bede voor het jaar 2004: ‘Kom Schepper Geest, daal tot ons neer’, Veni Creator Spiritus. 

Prof. dr. Theo Witvliet
 

naar boven


voor het laatst bijgewerkt: 03/02/2004