de Remonstrantse Broederschap
Lof der voorlopigheid
archief
webmaster
de ARMINIUS-LEZING van prof. Th. M. van Leeuwen, gehouden in de remonstrantse kerk in Rotterdam op 15 november 2000
De Arminiuslezingen  zijn bedoeld als bijdrage aan de ‘bezinning op de relevantie van de vrijzinnig-christelijke traditie voor de hedendaagse situatie’, zegt de aankondiging. Het ligt voor de hand enkele gedachten van de geestelijke vader van de remonstranten, Jacobus Arminius, en van zijn eerste navolgers naar voren te halen – gedachten die doorwerkten in het ‘vrijzinnig christendom’. En vervolgens te kijken of ze ook nu nog relevant zijn.
Arminius sloeg, zoals bekend, een brug tussen Calvijn en Erasmus. De titel van deze lezing bevat een verwijzing naar die laatste. Zijn ‘Lof der Zotheid’ is een blijvende waarschuwing om het geloof niet met kerkelijk machtsspel of loos theologisch geredeneer voor de voeten te lopen. Maar is het loven van de voorlopigheid niet net zo zot als het loven van de zotheid? ‘Kinderen willen waarheden, geen onzekerheden’ (kop in Trouw, 15 nov.). En ook volwassenen hebben liever zekerheden en waarheden dan altijd maar onzekerheid, voorlopigheid. Steeds relativeren, ‘het nog niet weten’, ‘onderweg zijn’, is dat wel prijzenswaard? Is het niet sterker als je precies weet waar je staat en wie je bent? Wordt dat in onze tijd niet ook van een geloofsgemeenschap gevraagd: een heldere ‘identiteit’?

Identiteit, statisch of dynamisch?
Over identiteit kun je op ten minste twee manieren spreken. Enerzijds: in termen van ‘wat vastligt’, de blijvende kern die een mens voor eens en voor altijd bepaalt. Of als het een groep betreft: de uitgangspunten die voor die groep onopgeefbaar zijn, die vastliggen in een code of statuut. Op die punten blijft een mens of een groep dan steeds aan zichzelf gelijk. Je kunt spreken van een ‘statische identiteit’ – er valt een inventaris op te maken van ‘wie we zijn’. 
Identiteit is ook dynamischer op te vatten. Niet als iets onveranderlijks dat ons onontkoombaar bepaalt, eerder als iets wat groeit, nog in de maak is. Als je iemand vraagt wie hij is, zal hij niet antwoorden met een formule, maar met het verhaal van zijn leven (vrij naar G. Konrad). Onze identiteit is een verhaal dat onaf is. Zelfs ons verleden ligt niet helemaal vast, want het verhaal dat we erover vertellen is veranderbaar, er is een nieuwe visie op, een revisie van ons verleden mogelijk. Zoals ons verhaal ook naar de toekomst nog open is.
Twee opvattingen dus van identiteit. Of liever: twee kanten, die we in de juiste onderlinge verhouding moeten zien. De filosoof Ricoeur heeft dat, wat betreft de identiteit van de enkele mens, helder beschreven. Er is een vast uitgangspunt waardoor ik onmiskenbaar deze persoon ben. Het staat in de burgerlijke stand en in mijn paspoort: dan en dan geboren, zoon van die en die… Dat uitgangspunt blijft hetzelfde. En ik blijf vervolgens diezelfde persoon zonder dat ik almaar ‘hetzelfde’ blijf: mijn ‘geleefde’ identiteit staat niet onveranderbaar vast, het is een voortgaand verhaal, met keuzen, bijstellingen, onverwachte mogelijkheden.
Bij het vrijzinnige geloofstype past denk ik die dynamische opvatting van identiteit het best. Wie we zijn staat niet in een statuut met een aantal voorgeschreven geloofsregels, het is groeiende en valt te herzien, het vraagt om de eigen invullingen en aanvullingen van ieder van ons. Maar intussen komen we wel identificeerbaar ergens vandaan. In het paspoort van de Remonstrantse geloofsgemeenschap bij voorbeeld staat: geboren in 1619; kinderen van Calvijn en Erasmus – en van Arminius (het is een wat ingewikkelde familie!). Wat hebben we aan die geestelijke vader te danken? 

Voorlopers
Arminius en de zijnen hadden er scherp gevoel voor dat er in het leven en het geloof een moment van vrijheid en veranderbaarheid moet zijn, wil de mens geen marionet zijn en het geloof geen dwang. Natuurlijk: voor die begin-zeventiende-eeuwse theologen waren er veel meer vaste zekerheden dan voor ons eenentwintigste-eeuwers. God was voor hen de boven alles verheven majesteit, de bijbel gold als Zijn onbetwijfelbare Woord. Maar toch, bij al die zekerheden, streden Arminius en zijn volgelingen, spoedig ‘remonstranten’ genoemd, voor wat ik nu maar samenvat als: een element van voorlopigheid. Ik licht dat met twee punten toe. 
Allereerst, zoals bekend betrof het conflict tussen de theologen Arminius en Gomarus, dat aan het begin van de 17de eeuw aan de Leidse Universiteit losbarstte, vooral de voorbeschikkingsleer. Dat het lot van de mens voor eens en altijd vast zou liggen in Gods onveranderlijke raadsbesluiten, en dat de mens er dus niets aan toe of af kan doen of hij het heil deelachtig wordt of niet – dat wilde er bij Arminius niet in. Er moest toch, bij alle voorzienigheid aan goddelijke kant, ook, aan de menselijke kant, een marge van vrijheid zijn? Wat doet anders onze inspanning ertoe? De remonstranten streden voor die marge van menselijke vrijheid. Het doet, meenden zij, tekort aan de waardigheid van mensen als zij alleen maar willoze marionetten zijn. Maar bovendien: dat doet tekort aan de waardigheid van God, die kennelijk slechts marionetten kon scheppen! En daarbij maakt die voorstelling van zaken God verantwoordelijk voor het kwaad dat mensen doen: ze deden het immers niet in vrijheid, maar volgens Gods wil… Kortom, hoe machtig God ook mag zijn, zijn besluiten moeten een zekere speelruimte laten, iets voorlopigs hebben. 
Nog een tweede zaak speelde in het conflict: de remonstranten drongen er op aan dat de belijdenis van de kerk op het punt van voorbeschikking en vrijheid op zijn juistheid bekeken zou worden, in het licht van de bijbel. Een belijdenis moest, als menselijk geschrift, gekritiseerd kunnen worden en zo nodig herzien. Dat was een goed-protestants principe. Maar de Dordtse Synode, 1619, wees zo’n revisie van de geloofsbelijdenis af. Sterker, de artikelen die de remonstranten veroordeelden werden tot een nieuwe belijdenis verheven. De remonstranten konden vervolgens moeilijk anders dan dat goed-protestantse principe tot hun misschien wel meest typerende uitgangspunt verheffen: alle menselijke formuleringen hebben onontkoombaar een voorlopig karakter. Een belijdenis verwoordt (aldus hun Verklaring uit 1621) wat de opstellers ervan geloven, maar volgende geslachten zullen hun geloof weer op eigen wijze, nieuw mogen en moeten verwoorden. Zo’n belijdenis is door zijn context bepaald en mag niet tot zaligmakend worden verklaard voor anderen, lateren. Ze hadden het immers in 1619 aan den lijve ondervonden: een belijdenis als een voorgoed vaststaande inventaris van het geloof is een gevaar, zij kan verworden tot een stok om anderen te slaan.

Ongeloof ten opzichte van het definitieve
Nadruk op vrijheid en besef van de voorlopigheid van alle menselijke pogingen de waarheid te vatten: dat waren kenmerken van de beweging die binnen protestants Nederland op gang kwam. (Of eigenlijk was ze al eerder op gang gekomen, denk aan Erasmus. ‘Wij waren er eerder dan gij’, zei de leidsman van de eerste remonstranten, Wtenbogaert, dan ook tegen zijn gereformeerde opponenten). De lijn valt door te trekken naar onze tijd. De remonstranten werden het enige voluit vrijzinnige kerkgenootschap in ons land – deel van een bonter meerstromenland: het vrijzinnig-protestantisme. Ik zou nu allerlei namen kunnen noemen, maar beperk me tot twee. 
De titel van deze lezing zal sommigen hebben doen denken aan een werk van H. J. Heering, de onlangs overleden remonstrantse theoloog, ethicus, godsdienstfilosoof. In zijn Ethiek van de voorlopigheid (1969) benadrukte hij dat het ethos niet in een eeuwige, onveranderlijke code vastligt, in geboden die met onbetwijfelbare nauwkeurigheid direct in de wereld van vandaag zijn toe te passen. Wat we aan morele richtingwijzing kregen overgeleverd moet altijd weer naar nu worden vertaald en elke vertaling houdt iets voorlopigs. Hoe gewetensvol we ook handelen, of we in een concrete situatie de goede keuze doen zal nog moeten blijken. 
De tweede naam is die van Heerings leermeester,  L. J. van Holk. In De boodschap van het vrijzinnig protestantisme (1939) verdedigde hij enkele typerende stellingen. Zo verklaarde hij dat hij vrijzinnig was omdat hij geloofde in ‘de menselijke bestemming tot vrijheid’. En in ‘de goddelijke zin der verlichting’: God gaf de mens het vermogen om ook de zaken van het geloof kritisch te bezien en te trachten daarin zin en onzin te onderscheiden. Een volgend hoofdstuk, over ‘de zin der onvolmaaktheid van deze wereld’, eindigt met de waarschuwing steeds te beseffen dat wat we nu al aan zekerheden menen te hebben maar voorlopig is. ‘Wij verzetten ons tegen hen, die het eens-voor-al liefhebben’, aldus van Holk. ‘Wij mogen ons niet verbeelden, dat wij het onverbeterbare maximum bereikt hebben. Het is een der gunstige invloeden van een bij technische en sportieve “records” levende beschaving, dat zij ongelovig maakt ten opzichte van het definitieve – dat in menselijke verhoudingen steeds weer blijkt ’t voorbarige te zijn geweest’.

Toevalligheid en houvast
Maar zijn deze gedachten nog actueel of bijzonder? Ben je als je nadruk legt op voorlopigheid nog wel een voorloper? Op het eerste gezicht lijkt het of de tijd de vrijzinnigen heeft ingehaald. Nadruk op de vrijheid om zelf je leven te bepalen en je geloof of levensvisie in te vullen is immers een kenmerk van onze cultuur geworden. En dat de waarheden die zich vanuit eerbiedwaardige tradities aandienen niet voor eens en voor altijd vaststaan, maar steeds opnieuw gewogen en vertaald moeten worden, is een vrij algemeen aanvaard inzicht. Wat heeft een godsdienstige stroming die het accent legt op vrijheid en op de voorlopigheid van menselijke inzichten voor speciaals in een tijd waarin men alom dat accent legt?
We kunnen het nog anders zeggen: vrijzinnigen hebben altijd ruimte willen laten voor het onvoorziene, toevallige. Ze hebben moeite met het idee dat alles in een groots plan is voorzien en dat er dus geen ruimte is voor toeval of menselijke keuze. Maar in de post-moderne cultuur lijkt het overbodig te pleiten voor het toevallige, contingente. We horen filosofen en wetenschappers zeggen dat de menselijke identiteit niets is dan een ‘weefsel van toevalligheden’ (Rorty) of dat in het geheel van de evolutie het bestaan van een denkende soort ‘het toppunt van toevalligheid’ is (Dawkins). We horen dat de grote Verhalen, die heel de geschiedenis in één samenhang schetsten en voorzagen waar alles op uit moet lopen, hun tijd hebben gehad. Kortom, het levensgevoel anno 2000 wordt gekleurd door een besef van toevalligheid, van het onvoorziene van de dingen. Om daaraan te herinneren hebben we geen vrijzinnige stroming nodig. Toch is de rol van die stroming voorlopig (om in stijl te blijven!) niet uitgespeeld. Waarom niet? Het antwoord vereist nog een kleine omweg.
Het is al vaak gezegd dat het juist een functie van de religie is om mensen te helpen te leven met het besef van toevalligheid, contingentie. Dat besef is wat Anton van Harskamp noemt ‘een religiositeitproducerende factor’. Mensen zoeken in religie of geloof de ervaring van een betrouwbare orde, waarin alle grilligheid en (schijnbare?) toevalligheid van het bestaan is opgenomen. Maar als dit een belangrijk facet is van wat mensen in de religie zoeken, dan is het logisch dat zij neigen naar een vorm van religie die ook werkelijk zekerheid geeft. Wanneer je antwoord zoekt op de vraag hoe te leven in een grote ruimte vol toeval en onzekerheid, wat heb je dan aan een religieuze stroming die zelf van alles in het onzekere laat, die veel ruimte laat voor zoeken en twijfel, die over haar eigen inzichten spreekt in termen van betrekkelijkheid, voorlopigheid? Een stroming die zekerder antwoorden geeft of een kerk die onbetwijfelbare waarheid preekt is aantrekkelijker. 
En dat zien we dan ook: nieuwe religies die voorgeven alles te kunnen verklaren binnen één omvattend verband, waarvan zij bijzondere kennis hebben, zijn in trek. En oude kerken proberen weer met volstrekte helderheid te formuleren hoe het zit met ‘het geloof’. Ze komen met verklaringen van wat – zo heet het – christenen altijd hebben geloofd en wat men om christen te zijn ook nú geloven moet. Welnu, juist omdat nieuwe religies en oude kerken, ieder op hun wijze, meer en meer lijken te neigen tot een spreken in termen van ‘het eens-voor-al’, lijkt het me zaak om de ‘voorlopigheid’ naar voren te blijven brengen. 
Laat ik twee voorbeelden geven, passend bij de twee thema’s die ik al telkens noemde: de menselijke vrijheid en het voorbehoud ten aanzien van het definitieve (dat ‘steeds weer blijkt ’t voorbarige te zijn geweest’). 

‘Niets is ooit toeval’
Allereerst: het is zaak om waakzaam blijven, telkens wanneer theorieën worden gepresenteerd die de menselijke vrijheid vrijwel tot nul reduceren en alles wat gebeurt herleiden tot een onontkoombaar plan. 
Zulke theorieën duiken altijd weer op, maar soms valt het ook weer mee. Dit voorjaar stonden de kranten vol over de ontcijfering van het menselijk DNA. Men gebruikte bijbelse termen: ‘het Boek des Levens ontraadseld’. En ik verwachtte nu spoedig artikelen voorgeschoteld te krijgen in de trant van: ‘levensweg van een mens enkel door de genetische code bepaald’. Maar ik hoorde die geluiden nog nauwelijks. De wetenschap blijkt bescheidener dan ik vreesde: in onze genetische code ligt, zo zegt ze, niet heel het lot bepaald, maar zijn ons bepaalde mogelijkheden (en onmogelijkheden) gegeven. Daarmee wordt de rol van toeval en vrije keuze dus niet ontkend. 
Een vergaand determinisme tref ik eerder aan bij bepaalde ‘nieuw-religieuze’ stromingen. Daar houdt men ons voor dat er ‘nooit iets bij toeval gebeurt’ (Redfield). Alles wat ons en onze medemensen overkomt móest zo gebeuren, het stond in de sterren, het is een ons volgens een kosmische ordening toevallend lot. Het zou er slechts om gaan inzicht in die ordening te krijgen – het zit er niet in dat we er iets aan zouden kunnen veranderen. Zulke theorieën, waarin angst voor het toeval wordt overwonnen door het verlammende idee dat niets ooit toeval is, moeten, lijkt me, van een groot vraagteken worden voorzien. Net als de aloude christelijke leer die alles wat ons overkomt toeschreef aan de goddelijke voorzienigheid, laten deze ‘nieuwe’ wijsheden onvoldoende ruimte voor menselijke keus en verantwoordelijkheid. 

Het eens-voor-al gegeven geloof en de verdraagzaamheid
Een tweede voorbeeld. Zoals gezegd, nu en dan proberen kerken volstrekt helder te formuleren hoe het zit met ‘het geloof’. Ze komen met verklaringen van wat christenen ‘altijd hebben geloofd’ en wat men om christen te zijn ook nú moet geloven. Wat geeft er meer houvast dan een exact omschreven identiteit? Maar dat al onze verwoordingen van het geloof onvermijdelijk iets voorlopigs houden wordt gemakkelijk vergeten, met alle gevaar van dien.
Een schoolvoorbeeld lijkt me de Verklaring waarmee in augustus de Vaticaanse Congregatie voor de Geloofsleer kwam: Dominus Iesus, Jezus de Heer. Er is veel over geschreven, dus ik kan kort zijn. Zij gaat over ‘de unieke en universele heilsbetekenis van Jezus Christus en de Kerk’. Opvallend is hoe vrij gangbare christelijke opvattingen (want nieuw is het allemaal niet) hier in zeer absolute bewoordingen naar voren worden gebracht. Christus is de volledige en definitieve openbaring van God; Zijn betekenis als heilbrenger is ‘uniek, eenmalig, exclusief, universeel en absoluut’; iedere gelovige moet deze waarheden voor zeker aannemen, ja, wie ze niet aanvaardt schort het aan echt christelijk geloof. 
Telkens weer waarschuwt het document voor relativering van de christelijke waarheid, bijvoorbeeld door degenen die zeggen dat wat voor de een de hoogste waarheid is dat voor de ander nog niet hoeft te zijn. Voor pluralisme: alsof er naast de christelijke weg tot het heil nog andere wegen kunnen zijn. En voor subjectivisme: alsof wat gelovigen zelf ervaren en kunnen verantwoorden in geloofszaken gezag heeft. Uit angst voor al die relativeringen poneert men de geloofswaarheid als iets wat onbetwijfelbaar en voorgoed vaststaat. En daar blijft het niet bij: de zekerheid omtrent die waarheid wordt ontleend aan het feit dat Christus zelf het beheer ervan toevertrouwde aan Zijn kerk. Eigenlijk had het document, zo schreef de protestantse Duitse theoloog Jüngel, in plaats van ‘Jezus de Heer’ evengoed Domina Ekklesia, ‘Vrouwe de Kerk’ kunnen heten: de Kerk van Rome is de beheerster van de exclusieve en universele heilsboodschap, er is geen weg naar het heil of hij gaat over Rome.
Toegegeven, dit is heldere taal. Maar is de boodschap, in deze toonzetting, er een waarmee de kerk werkelijk de 21ste eeuw in kan gaan? Het gevaar schuilt in de absoluutheidsaanspraak. Leidt die niet haast onvermijdelijk tot onverdraagzaamheid? Is een dialoog met andere godsdiensten en levensbeschouwingen nog mogelijk, wanneer men het eigen standpunt zo verabsoluteert? En hoe moet het met de oecumene wanneer één kerk zo zijn eigen meerwaarde boven de andere poneert? 
Opnieuw lijkt het zaak om de voorlopigheid te loven. En om bijvoorbeeld in de oecumenische ontmoeting een houding aan te nemen van: ‘dit is wat wij op dit moment aan waarheid zien, dit is ónze visie op christelijk geloof, anderen zullen weer andere facetten zien, ja het is best mogelijk dat er bij anderen meer waarheid te vinden is dan bij ons’. Dat lijkt mij overigens een houding van bescheidenheid en openheid die ons ook in de ontmoeting met vertegenwoordigers van andere godsdiensten zou passen.

Hoe voorlopig is voorlopig?
Lof van de voorlopigheid dus. Omdat niet alles voor eens en voor altijd in een of ander plan is beschikt en er voor ons mensen dus een speelruimte blijft (het ‘vrijheidsmotief’). En omdat wij de waarheid nooit in onze formuleringen, theorieën, belijdenissen volledig kunnen vatten; we zijn er voorlopig nog niet, wie weet zullen we onze visie straks moeten bijstellen, herzien…
Betekent dit dat alles maar relatief is? Of dat we ons altijd maar achter een ‘we weten het nog niet’ kunnen verschuilen? Nee toch niet. 
Als je ervan uit gaat dat wat voor jou op dit moment zekerheid is, dat niet voor anderen op dezelfde wijze hoeft te zijn, betekent dat dat jouw eigen standpunt tegelijkerheid iets absoluuts heeft (het is zeker-voor-jou) en iets relatiefs (zeker-voor-jou). We leven in onze moderne, pluralistische wereld in een situatie van ‘relatieve absoluutheid’, schreef de theoloog Langdon Gilkey eens. 
En soms zal de voorlopigheid wel degelijk plaats moeten maken voor een ferm ‘zo is het’ of een ‘hier sta ik, ik kan niet anders’. Met alle risico die onze kortzichtigheid en andere beperkingen met zich brengen, nemen we onze standpunten in, hebben we vurige overtuigingen, doen we onze keuzen. We kunnen moeilijk anders. Of het allemaal houdbaar was, of het goede keuzes waren, zal nog moeten blijken. 
U merkt misschien, ik ben terug bij H.J. Heering in zijn Ethiek der Voorlopigheid. Hij speelde daarin nog met één andere betekenis van dat mooie woord: voorlopigheid is ook ‘vooruitlopen op’. Soms, als je ziet tot welk handelen werkelijk vrije mensen in staat zijn of als je grote kunst leest, ziet of hoort, dan weet je: nu zien we dan nog wel alles voorlopig, als in een spiegel (1 Kor. 13), maar er zijn al sporen die vooruitlopen op hoe het allemaal is bedoeld. En daarmee moet het geloof, dat nog niets definitief kan vastleggen, het voorlopig dan maar doen. 

naar boven


voor het laatst bijgewerkt: 11/05/2001