|
De
Arminiuslezingen
zijn bedoeld als bijdrage aan de ‘bezinning op de relevantie van de vrijzinnig-christelijke
traditie voor de hedendaagse situatie’, zegt de aankondiging. Het ligt
voor de hand enkele gedachten van de geestelijke vader van de remonstranten,
Jacobus Arminius, en van zijn eerste navolgers naar voren te halen – gedachten
die doorwerkten in het ‘vrijzinnig christendom’. En vervolgens te kijken
of ze ook nu nog relevant zijn.
Arminius sloeg, zoals bekend, een brug tussen Calvijn en Erasmus. De
titel van deze lezing bevat een verwijzing naar die laatste. Zijn ‘Lof
der Zotheid’ is een blijvende waarschuwing om het geloof niet met kerkelijk
machtsspel of loos theologisch geredeneer voor de voeten te lopen. Maar
is het loven van de voorlopigheid niet net zo zot als het loven van de
zotheid? ‘Kinderen willen waarheden, geen onzekerheden’ (kop in Trouw,
15 nov.). En ook volwassenen hebben liever zekerheden en waarheden dan
altijd maar onzekerheid, voorlopigheid. Steeds relativeren, ‘het nog niet
weten’, ‘onderweg zijn’, is dat wel prijzenswaard? Is het niet sterker
als je precies weet waar je staat en wie je bent? Wordt dat in onze tijd
niet ook van een geloofsgemeenschap gevraagd: een heldere ‘identiteit’?
Identiteit, statisch of dynamisch?
Over identiteit kun je op ten minste twee manieren spreken. Enerzijds:
in termen van ‘wat vastligt’, de blijvende kern die een mens voor eens
en voor altijd bepaalt. Of als het een groep betreft: de uitgangspunten
die voor die groep onopgeefbaar zijn, die vastliggen in een code of statuut.
Op die punten blijft een mens of een groep dan steeds aan zichzelf gelijk.
Je kunt spreken van een ‘statische identiteit’ – er valt een inventaris
op te maken van ‘wie we zijn’.
Identiteit is ook dynamischer op te vatten. Niet als iets onveranderlijks
dat ons onontkoombaar bepaalt, eerder als iets wat groeit, nog in de maak
is. Als je iemand vraagt wie hij is, zal hij niet antwoorden met een formule,
maar met het verhaal van zijn leven (vrij naar G. Konrad). Onze identiteit
is een verhaal dat onaf is. Zelfs ons verleden ligt niet helemaal vast,
want het verhaal dat we erover vertellen is veranderbaar, er is een nieuwe
visie op, een revisie van ons verleden mogelijk. Zoals ons verhaal ook
naar de toekomst nog open is.
Twee opvattingen dus van identiteit. Of liever: twee kanten, die we
in de juiste onderlinge verhouding moeten zien. De filosoof Ricoeur heeft
dat, wat betreft de identiteit van de enkele mens, helder beschreven. Er
is een vast uitgangspunt waardoor ik onmiskenbaar deze persoon ben. Het
staat in de burgerlijke stand en in mijn paspoort: dan en dan geboren,
zoon van die en die… Dat uitgangspunt blijft hetzelfde. En ik blijf vervolgens
diezelfde persoon zonder dat ik almaar ‘hetzelfde’ blijf: mijn ‘geleefde’
identiteit staat niet onveranderbaar vast, het is een voortgaand verhaal,
met keuzen, bijstellingen, onverwachte mogelijkheden.
Bij het vrijzinnige geloofstype past denk ik die dynamische opvatting
van identiteit het best. Wie we zijn staat niet in een statuut met een
aantal voorgeschreven geloofsregels, het is groeiende en valt te herzien,
het vraagt om de eigen invullingen en aanvullingen van ieder van ons. Maar
intussen komen we wel identificeerbaar ergens vandaan. In het paspoort
van de Remonstrantse geloofsgemeenschap bij voorbeeld staat: geboren in
1619; kinderen van Calvijn en Erasmus – en van Arminius (het is een wat
ingewikkelde familie!). Wat hebben we aan die geestelijke vader te danken?
Voorlopers
Arminius en de zijnen hadden er scherp gevoel voor dat er in het leven
en het geloof een moment van vrijheid en veranderbaarheid moet zijn, wil
de mens geen marionet zijn en het geloof geen dwang. Natuurlijk: voor die
begin-zeventiende-eeuwse theologen waren er veel meer vaste zekerheden
dan voor ons eenentwintigste-eeuwers. God was voor hen de boven alles verheven
majesteit, de bijbel gold als Zijn onbetwijfelbare Woord. Maar toch, bij
al die zekerheden, streden Arminius en zijn volgelingen, spoedig ‘remonstranten’
genoemd, voor wat ik nu maar samenvat als: een element van voorlopigheid.
Ik licht dat met twee punten toe.
Allereerst, zoals bekend betrof het conflict tussen de theologen Arminius
en Gomarus, dat aan het begin van de 17de eeuw aan de Leidse Universiteit
losbarstte, vooral de voorbeschikkingsleer. Dat het lot van de mens voor
eens en altijd vast zou liggen in Gods onveranderlijke raadsbesluiten,
en dat de mens er dus niets aan toe of af kan doen of hij het heil deelachtig
wordt of niet – dat wilde er bij Arminius niet in. Er moest toch, bij alle
voorzienigheid aan goddelijke kant, ook, aan de menselijke kant, een marge
van vrijheid zijn? Wat doet anders onze inspanning ertoe? De remonstranten
streden voor die marge van menselijke vrijheid. Het doet, meenden zij,
tekort aan de waardigheid van mensen als zij alleen maar willoze marionetten
zijn. Maar bovendien: dat doet tekort aan de waardigheid van God, die kennelijk
slechts marionetten kon scheppen! En daarbij maakt die voorstelling van
zaken God verantwoordelijk voor het kwaad dat mensen doen: ze deden het
immers niet in vrijheid, maar volgens Gods wil… Kortom, hoe machtig God
ook mag zijn, zijn besluiten moeten een zekere speelruimte laten, iets
voorlopigs hebben.
Nog een tweede zaak speelde in het conflict: de remonstranten drongen
er op aan dat de belijdenis van de kerk op het punt van voorbeschikking
en vrijheid op zijn juistheid bekeken zou worden, in het licht van de bijbel.
Een belijdenis moest, als menselijk geschrift, gekritiseerd kunnen worden
en zo nodig herzien. Dat was een goed-protestants principe. Maar de Dordtse
Synode, 1619, wees zo’n revisie van de geloofsbelijdenis af. Sterker, de
artikelen die de remonstranten veroordeelden werden tot een nieuwe belijdenis
verheven. De remonstranten konden vervolgens moeilijk anders dan dat goed-protestantse
principe tot hun misschien wel meest typerende uitgangspunt verheffen:
alle menselijke formuleringen hebben onontkoombaar een voorlopig karakter.
Een belijdenis verwoordt (aldus hun Verklaring uit 1621) wat de opstellers
ervan geloven, maar volgende geslachten zullen hun geloof weer op eigen
wijze, nieuw mogen en moeten verwoorden. Zo’n belijdenis is door zijn context
bepaald en mag niet tot zaligmakend worden verklaard voor anderen, lateren.
Ze hadden het immers in 1619 aan den lijve ondervonden: een belijdenis
als een voorgoed vaststaande inventaris van het geloof is een gevaar, zij
kan verworden tot een stok om anderen te slaan.
Ongeloof ten opzichte van het definitieve
Nadruk op vrijheid en besef van de voorlopigheid van alle menselijke
pogingen de waarheid te vatten: dat waren kenmerken van de beweging die
binnen protestants Nederland op gang kwam. (Of eigenlijk was ze al eerder
op gang gekomen, denk aan Erasmus. ‘Wij waren er eerder dan gij’, zei de
leidsman van de eerste remonstranten, Wtenbogaert, dan ook tegen zijn gereformeerde
opponenten). De lijn valt door te trekken naar onze tijd. De remonstranten
werden het enige voluit vrijzinnige kerkgenootschap in ons land – deel
van een bonter meerstromenland: het vrijzinnig-protestantisme. Ik zou nu
allerlei namen kunnen noemen, maar beperk me tot twee.
De titel van deze lezing zal sommigen hebben doen denken aan een werk
van H. J. Heering, de onlangs overleden remonstrantse theoloog, ethicus,
godsdienstfilosoof. In zijn Ethiek van de voorlopigheid (1969) benadrukte
hij dat het ethos niet in een eeuwige, onveranderlijke code vastligt, in
geboden die met onbetwijfelbare nauwkeurigheid direct in de wereld van
vandaag zijn toe te passen. Wat we aan morele richtingwijzing kregen overgeleverd
moet altijd weer naar nu worden vertaald en elke vertaling houdt iets voorlopigs.
Hoe gewetensvol we ook handelen, of we in een concrete situatie de goede
keuze doen zal nog moeten blijken.
De tweede naam is die van Heerings leermeester, L. J. van Holk.
In De boodschap van het vrijzinnig protestantisme (1939) verdedigde hij
enkele typerende stellingen. Zo verklaarde hij dat hij vrijzinnig was omdat
hij geloofde in ‘de menselijke bestemming tot vrijheid’. En in ‘de goddelijke
zin der verlichting’: God gaf de mens het vermogen om ook de zaken van
het geloof kritisch te bezien en te trachten daarin zin en onzin te onderscheiden.
Een volgend hoofdstuk, over ‘de zin der onvolmaaktheid van deze wereld’,
eindigt met de waarschuwing steeds te beseffen dat wat we nu al aan zekerheden
menen te hebben maar voorlopig is. ‘Wij verzetten ons tegen hen, die het
eens-voor-al liefhebben’, aldus van Holk. ‘Wij mogen ons niet verbeelden,
dat wij het onverbeterbare maximum bereikt hebben. Het is een der gunstige
invloeden van een bij technische en sportieve “records” levende beschaving,
dat zij ongelovig maakt ten opzichte van het definitieve – dat in menselijke
verhoudingen steeds weer blijkt ’t voorbarige te zijn geweest’.
Toevalligheid en houvast
Maar zijn deze gedachten nog actueel of bijzonder? Ben je als je nadruk
legt op voorlopigheid nog wel een voorloper? Op het eerste gezicht lijkt
het of de tijd de vrijzinnigen heeft ingehaald. Nadruk op de vrijheid om
zelf je leven te bepalen en je geloof of levensvisie in te vullen is immers
een kenmerk van onze cultuur geworden. En dat de waarheden die zich vanuit
eerbiedwaardige tradities aandienen niet voor eens en voor altijd vaststaan,
maar steeds opnieuw gewogen en vertaald moeten worden, is een vrij algemeen
aanvaard inzicht. Wat heeft een godsdienstige stroming die het accent legt
op vrijheid en op de voorlopigheid van menselijke inzichten voor speciaals
in een tijd waarin men alom dat accent legt?
We kunnen het nog anders zeggen: vrijzinnigen hebben altijd ruimte
willen laten voor het onvoorziene, toevallige. Ze hebben moeite met het
idee dat alles in een groots plan is voorzien en dat er dus geen ruimte
is voor toeval of menselijke keuze. Maar in de post-moderne cultuur lijkt
het overbodig te pleiten voor het toevallige, contingente. We horen filosofen
en wetenschappers zeggen dat de menselijke identiteit niets is dan een
‘weefsel van toevalligheden’ (Rorty) of dat in het geheel van de evolutie
het bestaan van een denkende soort ‘het toppunt van toevalligheid’ is (Dawkins).
We horen dat de grote Verhalen, die heel de geschiedenis in één
samenhang schetsten en voorzagen waar alles op uit moet lopen, hun tijd
hebben gehad. Kortom, het levensgevoel anno 2000 wordt gekleurd door een
besef van toevalligheid, van het onvoorziene van de dingen. Om daaraan
te herinneren hebben we geen vrijzinnige stroming nodig. Toch is de rol
van die stroming voorlopig (om in stijl te blijven!) niet uitgespeeld.
Waarom niet? Het antwoord vereist nog een kleine omweg.
Het is al vaak gezegd dat het juist een functie van de religie is om
mensen te helpen te leven met het besef van toevalligheid, contingentie.
Dat besef is wat Anton van Harskamp noemt ‘een religiositeitproducerende
factor’. Mensen zoeken in religie of geloof de ervaring van een betrouwbare
orde, waarin alle grilligheid en (schijnbare?) toevalligheid van het bestaan
is opgenomen. Maar als dit een belangrijk facet is van wat mensen in de
religie zoeken, dan is het logisch dat zij neigen naar een vorm van religie
die ook werkelijk zekerheid geeft. Wanneer je antwoord zoekt op de vraag
hoe te leven in een grote ruimte vol toeval en onzekerheid, wat heb je
dan aan een religieuze stroming die zelf van alles in het onzekere laat,
die veel ruimte laat voor zoeken en twijfel, die over haar eigen inzichten
spreekt in termen van betrekkelijkheid, voorlopigheid? Een stroming die
zekerder antwoorden geeft of een kerk die onbetwijfelbare waarheid preekt
is aantrekkelijker.
En dat zien we dan ook: nieuwe religies die voorgeven alles te kunnen
verklaren binnen één omvattend verband, waarvan zij bijzondere
kennis hebben, zijn in trek. En oude kerken proberen weer met volstrekte
helderheid te formuleren hoe het zit met ‘het geloof’. Ze komen met verklaringen
van wat – zo heet het – christenen altijd hebben geloofd en wat men om
christen te zijn ook nú geloven moet. Welnu, juist omdat nieuwe
religies en oude kerken, ieder op hun wijze, meer en meer lijken te neigen
tot een spreken in termen van ‘het eens-voor-al’, lijkt het me zaak om
de ‘voorlopigheid’ naar voren te blijven brengen.
Laat ik twee voorbeelden geven, passend bij de twee thema’s die ik
al telkens noemde: de menselijke vrijheid en het voorbehoud ten aanzien
van het definitieve (dat ‘steeds weer blijkt ’t voorbarige te zijn geweest’).
‘Niets is ooit toeval’
Allereerst: het is zaak om waakzaam blijven, telkens wanneer theorieën
worden gepresenteerd die de menselijke vrijheid vrijwel tot nul reduceren
en alles wat gebeurt herleiden tot een onontkoombaar plan.
Zulke theorieën duiken altijd weer op, maar soms valt het ook
weer mee. Dit voorjaar stonden de kranten vol over de ontcijfering van
het menselijk DNA. Men gebruikte bijbelse termen: ‘het Boek des Levens
ontraadseld’. En ik verwachtte nu spoedig artikelen voorgeschoteld te krijgen
in de trant van: ‘levensweg van een mens enkel door de genetische code
bepaald’. Maar ik hoorde die geluiden nog nauwelijks. De wetenschap blijkt
bescheidener dan ik vreesde: in onze genetische code ligt, zo zegt ze,
niet heel het lot bepaald, maar zijn ons bepaalde mogelijkheden (en onmogelijkheden)
gegeven. Daarmee wordt de rol van toeval en vrije keuze dus niet ontkend.
Een vergaand determinisme tref ik eerder aan bij bepaalde ‘nieuw-religieuze’
stromingen. Daar houdt men ons voor dat er ‘nooit iets bij toeval gebeurt’
(Redfield). Alles wat ons en onze medemensen overkomt móest zo gebeuren,
het stond in de sterren, het is een ons volgens een kosmische ordening
toevallend lot. Het zou er slechts om gaan inzicht in die ordening te krijgen
– het zit er niet in dat we er iets aan zouden kunnen veranderen. Zulke
theorieën, waarin angst voor het toeval wordt overwonnen door het
verlammende idee dat niets ooit toeval is, moeten, lijkt me, van een groot
vraagteken worden voorzien. Net als de aloude christelijke leer die alles
wat ons overkomt toeschreef aan de goddelijke voorzienigheid, laten deze
‘nieuwe’ wijsheden onvoldoende ruimte voor menselijke keus en verantwoordelijkheid.
Het eens-voor-al gegeven geloof en de verdraagzaamheid
Een tweede voorbeeld. Zoals gezegd, nu en dan proberen kerken volstrekt
helder te formuleren hoe het zit met ‘het geloof’. Ze komen met verklaringen
van wat christenen ‘altijd hebben geloofd’ en wat men om christen te zijn
ook nú moet geloven. Wat geeft er meer houvast dan een exact omschreven
identiteit? Maar dat al onze verwoordingen van het geloof onvermijdelijk
iets voorlopigs houden wordt gemakkelijk vergeten, met alle gevaar van
dien.
Een schoolvoorbeeld lijkt me de Verklaring waarmee in augustus de Vaticaanse
Congregatie voor de Geloofsleer kwam: Dominus Iesus, Jezus de Heer. Er
is veel over geschreven, dus ik kan kort zijn. Zij gaat over ‘de unieke
en universele heilsbetekenis van Jezus Christus en de Kerk’. Opvallend
is hoe vrij gangbare christelijke opvattingen (want nieuw is het allemaal
niet) hier in zeer absolute bewoordingen naar voren worden gebracht. Christus
is de volledige en definitieve openbaring van God; Zijn betekenis als heilbrenger
is ‘uniek, eenmalig, exclusief, universeel en absoluut’; iedere gelovige
moet deze waarheden voor zeker aannemen, ja, wie ze niet aanvaardt schort
het aan echt christelijk geloof.
Telkens weer waarschuwt het document voor relativering van de christelijke
waarheid, bijvoorbeeld door degenen die zeggen dat wat voor de een de hoogste
waarheid is dat voor de ander nog niet hoeft te zijn. Voor pluralisme:
alsof er naast de christelijke weg tot het heil nog andere wegen kunnen
zijn. En voor subjectivisme: alsof wat gelovigen zelf ervaren en kunnen
verantwoorden in geloofszaken gezag heeft. Uit angst voor al die relativeringen
poneert men de geloofswaarheid als iets wat onbetwijfelbaar en voorgoed
vaststaat. En daar blijft het niet bij: de zekerheid omtrent die waarheid
wordt ontleend aan het feit dat Christus zelf het beheer ervan toevertrouwde
aan Zijn kerk. Eigenlijk had het document, zo schreef de protestantse Duitse
theoloog Jüngel, in plaats van ‘Jezus de Heer’ evengoed Domina Ekklesia,
‘Vrouwe de Kerk’ kunnen heten: de Kerk van Rome is de beheerster van de
exclusieve en universele heilsboodschap, er is geen weg naar het heil of
hij gaat over Rome.
Toegegeven, dit is heldere taal. Maar is de boodschap, in deze toonzetting,
er een waarmee de kerk werkelijk de 21ste eeuw in kan gaan? Het gevaar
schuilt in de absoluutheidsaanspraak. Leidt die niet haast onvermijdelijk
tot onverdraagzaamheid? Is een dialoog met andere godsdiensten en levensbeschouwingen
nog mogelijk, wanneer men het eigen standpunt zo verabsoluteert? En hoe
moet het met de oecumene wanneer één kerk zo zijn eigen meerwaarde
boven de andere poneert?
Opnieuw lijkt het zaak om de voorlopigheid te loven. En om bijvoorbeeld
in de oecumenische ontmoeting een houding aan te nemen van: ‘dit is wat
wij op dit moment aan waarheid zien, dit is ónze visie op christelijk
geloof, anderen zullen weer andere facetten zien, ja het is best mogelijk
dat er bij anderen meer waarheid te vinden is dan bij ons’. Dat lijkt mij
overigens een houding van bescheidenheid en openheid die ons ook in de
ontmoeting met vertegenwoordigers van andere godsdiensten zou passen.
Hoe voorlopig is voorlopig?
Lof van de voorlopigheid dus. Omdat niet alles voor eens en voor altijd
in een of ander plan is beschikt en er voor ons mensen dus een speelruimte
blijft (het ‘vrijheidsmotief’). En omdat wij de waarheid nooit in onze
formuleringen, theorieën, belijdenissen volledig kunnen vatten; we
zijn er voorlopig nog niet, wie weet zullen we onze visie straks moeten
bijstellen, herzien…
Betekent dit dat alles maar relatief is? Of dat we ons altijd maar
achter een ‘we weten het nog niet’ kunnen verschuilen? Nee toch niet.
Als je ervan uit gaat dat wat voor jou op dit moment zekerheid is,
dat niet voor anderen op dezelfde wijze hoeft te zijn, betekent dat dat
jouw eigen standpunt tegelijkerheid iets absoluuts heeft (het is zeker-voor-jou)
en iets relatiefs (zeker-voor-jou). We leven in onze moderne, pluralistische
wereld in een situatie van ‘relatieve absoluutheid’, schreef de theoloog
Langdon Gilkey eens.
En soms zal de voorlopigheid wel degelijk plaats moeten maken voor
een ferm ‘zo is het’ of een ‘hier sta ik, ik kan niet anders’. Met alle
risico die onze kortzichtigheid en andere beperkingen met zich brengen,
nemen we onze standpunten in, hebben we vurige overtuigingen, doen we onze
keuzen. We kunnen moeilijk anders. Of het allemaal houdbaar was, of het
goede keuzes waren, zal nog moeten blijken.
U merkt misschien, ik ben terug bij H.J. Heering in zijn Ethiek der
Voorlopigheid. Hij speelde daarin nog met één andere betekenis
van dat mooie woord: voorlopigheid is ook ‘vooruitlopen op’. Soms, als
je ziet tot welk handelen werkelijk vrije mensen in staat zijn of als je
grote kunst leest, ziet of hoort, dan weet je: nu zien we dan nog wel alles
voorlopig, als in een spiegel (1 Kor. 13), maar er zijn al sporen die vooruitlopen
op hoe het allemaal is bedoeld. En daarmee moet het geloof, dat nog niets
definitief kan vastleggen, het voorlopig dan maar doen. |
|
|
|
|
|
|
|
|