de Remonstrantse Broederschap
webmaster
 
Geloven in de samenleving
terug naar Remonstrantendag

de Remonstrantendag 2000

Drie "buitenstaanders"  formuleerden ieder voor de remonstranten een uitdaging:

Wies Stael-Merkx

Eerlijk gezegd ben ik als katholiek wel eens jaloers op zo’n kleine, vrijzinnige geloofsgemeenschap als de remonstranten. En soms bekruipt me wel eens het verlangen mij daarbij aan te sluiten. Maar nee: sinds ik van een gedegen protestant gehoord heb, dat vrijzinnig nog erger is dan rooms, blijf ik toch maar een vrijzinnig mens binnen de katholieke geloofsgemeenschap. Geloven gaat immers toch over kerkgrenzen heen.
Ik heb ook grote bewondering voor de activiteiten van de remonstrantse gemeenschap. Als ik het programma van deze dag en eerder gehouden dagen bekijk, dan komt werkelijk álles ter sprake: spiritualiteit, Jezusbeelden, Oosterse godsdiensten, Bosnië, geweld, milieu, armoede, geloofsopvoeding.
Alles? Ja, bijna alles. Maar ik heb zeker nog wel een uitdaging. Die uitdaging heeft te maken met mijn achtergrond, met het werk, dat ik 25 jaar gedaan heb bij de geestelijke gezondheidszorg. Mijn werkterrein was: relaties en seksualiteit. In mijn werk stond ik onder voortdurende spanning tussen de seksuele moraal van mijn kerk en het leven van mensen. Ik zag, ik ervaarde, dat de katholieke seksuele- en huwelijksmoraal een desastreuze uitwerking had op de geestelijke gezondheid van vrouwen en mannen. “Het zwakste punt van de kerk” zei mijn gewaardeerde leermeester Han Fortmann, “is niet haar omgang met God, maar haar omgang met mensen. Ze is machtig om mensen psychisch te kneuzen, terwijl haar enig raison d’ être is: mensen op te richten”.
Waarom vertel ik dit? Omdat mijn grootste verlangen is, dat kerken zich gaan richten op de geestelijke gezondheid van mensen en op hun primaire relaties. Daar, op die alledaagse werkvloer krijgen mensen de kans om te groeien aan elkaar. Maar die werkvloer ligt ook vol voetangels en klemmen. Relaties lopen stuk, mensen worden niet gekend in hun eigenheid, worden ondergedompeld in verdriet.
In 1989 zette de remonstrantse gemeenschap een groots project op: het zegenen van relaties. In de map, die dat project begeleidde staat, dat de remonstrantse gemeenschap niet geïsoleerd wil raken van de maatschappelijke werkelijkheid, waarin veel mensen hun relaties beleven buiten de bekende vormen om. En verder: dat de remonstrantse gemeenschap een antwoord wil zoeken op de vraag, wat geloof en leven met elkaar te maken hebben.
Het was voor mij, werker in het veld, een verademing om zulke geluiden vanuit een kerk te horen. Zouden kerken werkelijk een positieve bijdrage kunnen leveren op dit gebied? Ja, dat bleek te kunnen! Het pleidooi voor het zegenen van relaties bracht een levendige discussie op gang over allerlei aspecten van homo- en heterorelaties. Maar helaas: de discussie is weer verstomd.
Mijn uitdaging: Zet het project weer eens in de schijnwerpers.
Ontwikkel een visie op seksualiteit en relaties, waarbij je je laat inspireren door ervaringen van mensen, door de ontwikkelingen in de verschillende wetenschappen, door de bijbel en door de prachtige klassieke en moderne literatuur over intieme relaties. Schep een klimaat binnen de kerken van openheid, waarin op een positieve manier over seksualiteit en relaties gepraat kan worden. Alle ellende rond incest, seksueel geweld en misbruik in pastorale en andere relaties houdt nooit op, als we niets doen aan klimaatsverbetering binnen de kerken, aan preventie.
Evenzo met menselijke relaties. We kunnen hoofdschuddend constateren dat het huwelijk in diskrediet raakt, dat mensen vaak afknappen in plaats van opknappen in hun intieme relaties. Maar zorg liever dat er mogelijkheden komen om een open bezinning tot stand te brengen over allerlei facetten, die met het goed functioneren van relaties te maken hebben, zoals: gelijkwaardigheid, solidariteit, autonomie, vrijheid, trouw, liefde, man-vrouw patronen, over wat homo’s en hetero’s van elkaar kunnen leren.
Ontwikkel een visie. En maak plannen om er mee de markt op te gaan. En laat je visie en je plannen, je inzet en je bekommernis uitstralen naar buiten: naar de samenleving en naar andere kerken. Laat je niet in de hoek drukken door de grote kerken. Zoek liever bondgenoten bij gelijkgezinden. Die zijn er genoeg. Maak hen enthousiast. Want, zoals onze goede bisschop Romero eens zei: “Als je samen droomt kunnen dromen werkelijkheid worden.”
naar boven

Bob Goudswaard

Toen ik een jongetje van twaalf jaar was, een gereformeerd jongetje, kreeg ik catechisatie. De catechisatie bestond uit uit het hoofd leren van de Heidelbergse Catechismus, stukjes van de geloofsbelijdenis en de Dordtse Leerregels oftewel de artikelen tegen de remonstranten.
Ik herinner me nog dat dat op mij de indruk maakte dat er met de remonstranten toch altijd een steekje los moest zijn. In zekere zin ook geen wonder, want voor mij was er eigenlijk de horizontale as van rechtzinnigheid en vrijzinnigheid. Hoe meer je naar de vrijzinnigheid toeging, hoe, ja, twijfelachtiger het werd.
Toen werd ik student in Rotterdam en ontmoette daar Jan Tinbergen. Jan Tinbergen greep mij door een diep engagement wat hij had met degenen die lijden in de wereld. Hij paarde dat aan een scherp intellect hoe je dat te pakken zou kunnen nemen. Hoe je daar verandering in zou kunnen brengen. Nog wat later kwam Harry de Lange in mijn leven. Hij heeft me bij de oecumene betrokken. U kent misschien zijn zinnen wel: wij moeten ons haasten, met minder kunnen wij niet toe. Als ik aan die twee mensen denk dan wordt duidelijk dat die as een te beperkt beeld geeft van wat er in de christenheid aan de hand is. Er is tenminste één andere as, die staat er haaks op, en die heeft aan het ene einde dode traditionaliteit en aan het andere eind spiritualiteit en diep engagement. Daar heb ik de remonstranten ontmoet.
Daarom, nu mij wordt gevraagd een opdracht te formuleren, wist ik twee dingen. Het zal in de lijn moeten zijn van Jan Tinbergen en Harry de Lange. In de tweede plaats moet het betrekking hebben op de creativiteit, de spiritualiteit, die in remonstranten verborgen ligt. Zoekend naar die combinatie kwam er dus enkele weken geleden die verrassende brief van de kerken van het Zuiden gericht aan de kerken van het Noorden, waarin ze in feite dit vroegen: niet alleen om aandacht te hebben voor hun problemen en hun wereld, maar het ook te verbinden met de reflectie op wat zij noemen surrichness of sufficiency. Ze zeiden: we hebben de indruk dat jullie in het Westen altijd zo tobberig met de economie en met grenzen daaraan omgaan. Maar is er in het genoeg hebben en zelfs meer dan genoeg niet een diepe aantrekkelijkheid? Henk Berkhof sprak vroeger van aanstekelijk christendom.
Als ik die twee dingen combineer dan kom ik als vanzelfsprekend bij de opdracht. In vier woorden samen te vatten: het genoeg aantrekkelijk maken. Duidelijk maken, dat we naar een samenleving toegaan in het Noorden, die ruimte moet maken voor de landen van het Zuiden, om resources te gebruiken voor hun ontwikkeling. Dat wij moeten leren met vreugde een stapje terug te doen en misschien binnen wat beperktere grenzen ook voor de zorg voor het milieu te leren leven. Misschien nemen de remonstranten daarin de leiding. Dat hoop ik althans.
Eén woord van troost tot slot, er zal een dichter na mij spreken: de sonnet is een dichtvorm met zeer grote beperkingen. Toch zijn de mooiste gedichten in sonnetvorm geschreven. Het is niet erg om aan beperkingen onderhevig te zijn. Daarin kan het leven des te duidelijker opbloeien. Bedankt.
naar boven

Willem van der Meiden

Ik neem u mee naar het voorjaar.

Waer ick een nachtegael, ick wou mijn Schepper eeren
Met sijnen grooten lof altijt te quintileren
  dat bosschen, berch en dal sou dreunen vanden clanck, 
  en de wout-vogeltgens vergeten haren sanck:

K’en ben geen nachtegael, maer in veel grooter eere
Een mensch, het even-beelt van aller Heeren Heere:
  ick wil dan mijne stem doen hooren alle man
  en prijsen hem soo hooch en verre als ick kan:

Niet vragende een sier na al het lelijck pruylen
Of misselijck getier van aexters en van uylen,
  versekeret dat hy die eeuwichlijcken leeft
  mijn tong’tot sijnen roem alleen geschapen heeft.

De eerste twee jaar van mijn middelbare schooltijd, zat ik op het Revius-lyceum in Doorn. Een christelijke school, dat spreekt. Dit is die Revius. Geen nachtegaal, maar in veel groter ere! Het zal vandaag niet de eerste keer zijn dat Jacobus Revius hier, in deze Jacobskerk, klinkt. Revius, de stoere, felle, ja tomeloze dichter van de contraremonstranten. Hij zou ze wel eens mores leren, die arminianen, met hun voorkeur voor de keuzevrijheid van de mens tegenover de almacht Gods. Hij zou die woudvogeltjes, dat misselijk getier van eksters en uilen, wel eens overstemmen. Merkt u hoe in dit gedicht de mens, toch tot niets dan ellende in staat, op een voetstuk wordt geplaatst en hoog boven de natuur verheven wordt, ja God gelijk wordt geacht, een ‘evenbeeld van aller Heeren Heere’?
De laatste twee jaar van mijn middelbare schooltijd zat ik op het gymnasium Camphusianum in Gorinchem, geen christelijke school, dat spreekt, genoemd naar Dirk Rafaëlszoon Camphuysen, leeftijdgenoot van Revius, maar zijn tegenbeeld, remonstrants predikant en het toonbeeld van de ingetogen, zichzelf wegcijferende mens. Hij dichtte over de meimaand.
De May, wiens soetheyd so ver streckt,
  dat sijn gedachtenis,
In ’s Menschen gheest al vreughd verweckt
  eer hij voor-handen is:

De May, het schoonste van het Jaer;
  daer alles in verfraeyt,
De Lucht is soet, de Zon schijnt claer,
  ’t gewenschte wintje waeyt.

Het Dautjen, in de koele nacht,
  wordt over ’t Veldt verspreyt,
Waer door de heel natuyre lacht,
  en is vol danckbaerheyt:

De aerd is met gebloemt geciert,
  het Bijken ga’ert zijn was,
Het Leeuwerickjen tiereliert,
  en daelt opt nieuwe gras.
(…)
Den Mensch van ware Deughden leegh,
  en vol van zotten lust,
Hem selfs en and’ren in de weegh,
  vermoordt zijn eygen rust.
(…)
Ach! waren alle Menschen wijs,
  en wilden daer by wel;
De Aerd waer haer een paradijs,
  nu isse meest een Hel.

Hier zingt de natuur de lofzang en hier moet de mens zich schamen. Wijsheid en goede wil van de mens, meer heeft de schepping niet nodig om een paradijs te worden. Waar blijf je, mens, de schepping staat voor je klaar en het gewenste windje waait?
Als erfgenaam van Camphuysen voelt u zich natuurlijk meteen thuis in deze meimaand en spreekt u schande van Revius’ afkeer van het misselijk getier van eksters en van uilen. U als remonstranten hoort bij de deemoed van Camphuysen en niet bij de hovaardij van Revius. U hoort bij Wttenbogaert en Van Oldebarnevelt en niet bij de Prins van Oranje. U hoort bij de handelsgeest, die niet kan bestaan zonder vrijheid en u hoort niet bij bevoogding en staatsdwang. U hoort bij de republiek, niet bij de monarchie. U hoort bij de vrijhandel, het ruime sop, bij de afkeer van dwang en tucht, bij tolerantie als dé voorwaarde voor welvaart en welzijn. U hoort niet bij chauvinisme, dogmatisme en hiërarchie. Want daar ging het om vier eeuwen geleden, toen u geboren werd. Het ging zo te horen over God en de mens, maar eigenlijk ging het om kooplieden, handel, economische expansie. Zij wonnen, toen in de zeventiende eeuw. Het overgrote deel van de gereformeerde kerk koos voor vrijheid onder het juk, voor welvaart met een mits, voor racen met de rem.
Zij brachten het land tot grote welvaart, met hun systeem van vrijheid onder dwang, met God als rem op het botte individualisme, met hun unieke combinatie van hiërarchie en burgerzin. Zij legden de taal aan banden met de Statenvertaling, zij legden het water aan banden met de nieuwe polders en dijken. Zij legden de vrijheid aan banden met dogmatieken en systemen. Zij gingen met uw verhaal aan de haal, zetten er hekjes en muren omheen en brachten het tot grote bloei. Zij handelden in de geest van Camphuysen, en spraken de taal van Revius. Camphuysen stierf jong en vergeten, Revius werd oud en beroemd.
Revius deed deemoedig, maar zette de mens op een voetstuk, één treetje onder God. Modern. Camphuysen relativeerde de mens, en pleitte voor wijsheid en goede wil. Postmodern. Eigenlijk is het juist andersom. Eigenlijk, en dat is vloeken in deze kerk, is Camphuysen de rem, het voorbehoud, op het tomeloze calvinisme en kapitalisme van Revius. Ik zou zo zeggen dat anno 2000 de geest van Camphuysen alle kans zou moeten krijgen en misschien ook wel heel veel wind mee heeft. Want de mens is van ware deugden leeg en zit vol zotte lust. Hij zit de waarheid in de weg en vermoordt zijn eigen rust.
Ik wens u een mooie meimaand. En laat duizend bloemen bloeien. Het gewenste windje waait.
 

naar boven


voor het laatst bijgewerkt: 04/02/2001