|
De bijdrage over de genade had ook aan het begin van deze
serie kunnen staan, of 'zomaar' ergens tussenin. Want naar het woord van
Arminius, dat wij terugvinden in art. 4 van de Remonstrantie (1610), is
de genade van God "het beghinsel, de voortganck ende volbrenginghe alles
goeds". Zo hebben remonstranten eeuwenlang over dit voor het christendom
centrale geloofsgegeven gedacht, totdat er door het modernisme van de negentiende
eeuw een kentering kwam in hun denkwijze. Sindsdien staat de mens meer
centraal en worden er minder expliciete uitspraken gedaan over het goddelijke
ingrijpen in deze werkelijkheid. Ook al lijkt de geloofsbelijdenis van
1940 naar meer klassieke christelijke noties terug te keren, op het kardinale
punt van de genade blijft zij vrij summier. Waarom dan nu toch aan dit
thema aandacht besteed? Is genade nu werkelijk zo'n vrijzinnig dilemma?
Briefwisseling
Ja toch, ik merk het soms aan reacties op vaste formules in de eredienst
als: "genade zij u en vrede" en: "de genade van onze Heer Jezus Christus
zij met u". "Archaïsche taal" wordt er dan geroepen, "werkt drempelverhogend",
en: "als u deze woorden blijft gebruiken, kom ik niet meer bij u in de
kerk". Er is voor 'genade' geen passend equivalent te vinden in onze taal,
of je moet meteen met omhaal van woorden werken en dan stoot je weer andere
mensen af. Voor mij is 'genade' dus echt wel een dilemma.
Dat werd mij des te meer duidelijk uit een 'theologische' briefwisseling
die ik voer met een oud-seminariste, Henriëtte van Vliet. Wij schrijven
elkaar op persoonlijk-associatieve wijze over geloofszaken die ons bezig
houden. Haar laatste brief ging over de vraag: bestaat er nog genade voor
mij? Is genade iets onvoorwaardelijks of reageert God in zijn genade op
menselijke emoties en handelingen? Henriëtte neigt naar het eerste
en schrijft: "Ik ervaar een genade die ver boven mijn menselijkheid uitstijgt".
Geen blinde macht
Een dergelijk gevoel, hoe ongrijpbaar en overweldigend ook, is voor
mij herkenbaar - maar ik mis meteen de boot, als ik de regels lees die
zij daarop laat volgen. Zij zegt daarin dat het God koud laat, wat zij
doet, laat of wat haar overkomt. Zij voegt daaraan toe: "Zijn genade is
onvoorwaardelijk en klieft als een blikseminslag door goed en kwaad heen".
Ja, dat laatste geeft goed het alles overstijgende, maar ook zeer indringende
van 'genade' weer. Maar als hier een blinde macht mee wordt bedoeld, die
alles koud laat , steiger ik. Ik kom op tegen de voorstelling van 'genade'
als een macht die zonder aanzien des persoons werking en gestalte krijgt.
Hoezeer dit alles ook tot de "verhole verborgentheden Godts" behoort, om
een oude remonstrantse uitdrukking te citeren, één ding is
voor mijn gevoel wel duidelijk: genade gaat hand in hand met erbarmen en
barmhartigheid. Ik vermoed een 'groot kloppend hart' (de uitdrukking is
van Nico ter Linden) achter deze werkelijkheid, dat mij het gevoel geeft
niet aan mijn lot overgelaten te zijn, noch veroordeeld te worden naar
mijn tekorten.
Onverdiende vergeving
'Genade' heeft voor mij te maken met onverdiende vergeving, de mogelijkheid
van een nieuw begin, de mateloze lankmoedigheid van een goddelijk geduld,
dat het telkens met mij uithoudt en het telkens weer met mij probeert.
De bovenpersoonlijke genade waar Henriëtte van Vliet over schrijft,
geldt voor mij ook daar waar het overstijgende en onpeilbare van de genade
worden bedoeld, die niet in menselijke categorieën te vatten zijn.
Maar nogmaals, als dat bovenpersoonlijke iets ónpersoonlijks wordt,
is er volgens mij geen sprake meer van genade, maar van de "ongenâ
des lots" (P.H. Hugenholtz, Lied 170, oude bundel). Dat begrip van genade
verschilt weinig meer van fatalisme of noodlotsdenken.
Dragende kracht
Naar mijn gevoel behoeft besef van grootheid van genade niet noodzakelijkerwijs
in te houden, dat die immense genade aan mijn persoonlijk lot, mijn doen
of laten voorbij zou gaan. Wat wérkelijk groot is, heeft ook oog
voor de macht van het kleine. Genade laat zich weliswaar niet door onze
prestaties vermurwen, maar wil wel degelijk ingrijpen in ons persoonlijk
doen en laten. Door genade - want heb ik het verdiend?! - ervaar ik weer
nieuwe levensruimte, uit genade ontvang ik dag aan dag nieuwe kansen en
mogelijkheden. Ik voel mij daarbij juist daarom zo rijk, omdat het mij
persoonlijk raakt en mij van binnen blij maakt. In het Grieks heeft 'genade'
met het werkwoord 'blij maken' van doen. Beide gaan terug tot dezelfde
stam. Het is niet zonder zin, dat juist deze woorden zijn gekozen. Zij
geven aan, dat genade iets goeds is, dat fundamenteel blij maakt, iets
dat wij mogen ervaren als dragende kracht in ons bestaan. Zó gezien
is genade geen dilemma, maar iets bevrijdends, ook voor vrijzinnigen!
E.H. COSSEE |
|
|
|
|
|
|
|
|