|
Trouw, 10 april 2000, het verslag van de Remonstrantendag
van twee dagen eerder: "In de discussies op de remonstrantendag die
zaterdag werd gehouden in de Jacobikerk te Utrecht verzocht een van de
voorzitters vriendelijk doch dringend de woorden 'tolerantie' en 'verdraagzaamheid'
niet meer te gebruiken. Zo vaak waren ze inmiddels gevallen". En: "Met
een onvermoeibare energie werden allerlei maatschappelijke problemen doorgenomen.
Met het geloof in de maatschappij zat het dus wel goed, maar op de vraag
of ze ook in God en Jezus Christus geloofden volgden veelal ontwijkende
antwoorden".
Mijns inziens een perfecte illustratie bij een van de door prof.
Van Leeuwen geschetste dilemma's: kan een beweging die voorlopigheid,
twijfel, openheid en 'vrijheid in het onzekere' in het vaandel voert wel
een helder gezicht krijgen? Is er niet meer herkenbaar gemeenschappelijks
nodig, een gezamenlijke bedding, traditie, geloofsoverdracht. Natuurlijk,
uit het verslag in Trouw komt zeker een identiteit van de remonstranten
naar voren, maar het is een identiteit, of beeld van identiteit, waarmee
wij niet geheel tevreden mogen zijn.
Geschiedenis
Nu zijn de door Van Leeuwen geschetste dilemma's natuurlijk niet nieuw.
Een kleine blik in de geschiedenis van de remonstranten, of wat breder,
van het vrijzinnig protestantisme, leert dat de hele twintigste eeuw met
bovengenoemd dilemma is geworsteld. K.H. Roessingh riep het vrijzinnig
protestantisme (toen in de vorm van het modernisme) aan het begin van de
twintigste eeuw reeds toe: "Er zijn twee dingen die het modernisme mist:
eenheid en organisatie. Ten eerste ontbreekt er eenheid. Wat verenigt ons?
Ben ik onbillijk wanneer ik zeg: twee dingen; het lege woord 'vrijheid'
en de negatie der oude orthodoxie? Dat is voor een religieuze beweging
die de toekomst mee wil bepalen niet erg veel".
Vrijzinnig hervormd ethicus J. de Graaf stelde dat de vrijzinnigen
belijdender zouden moeten zijn en G.J. Hoenderdaal sprak (in navolging
van Roessingh) niet zonder kritische ondertoon over het individualisme
in vrijzinnig protestantse kring.
Onze identiteit, ik beperk mij nu verder tot de remonstranten, kenmerkt
zich (als we de negatieve kanten wat uitvergroten) door het gevaar van
een zekere vrijblijvendheid, een vooral negatieve formulering van wat ons
beweegt en gaande houdt (meer vrijheid van..., dan vrijheid tot...), en
een al te gemakkelijke acceptatie van het feit dat het lastig is over ons
geloof te praten en daarin gezamenlijk verder te komen.
Mèt de erkenning van het grote goed van de beginselen van vrijheid
en verdraagzaamheid in godsdienstige aangelegenheden én van hun
bevrijdende werking, bijvoorbeeld als het gaat om hen die van orthodoxere
zijde komend de Broederschap gevonden hebben: remonstranten moeten meer
werk maken van de verwoording van wat zij gezamenlijk geloven. Dat zou
onder meer kunnen door het opstellen van een nieuwe geloofsbelijdenis of
geloofsverklaring (een gelukkig woord van H.J. Heering, dat hij ontleende
aan het congregationalisme. Het vermijdt associaties met objectief vaststaand
en onveranderlijk).
De identiteit van een geloofsgemeenschap wordt natuurlijk niet alleen,
zelfs niet in de eerste plaats, bepaald door een geloofsverklaring. Er
is een klimaat, een geloofshouding, een wij-gevoel, mede geïnspireerd
door de geschiedenis, een ritueel. Er is trouw en volharding, enthousiasme
ook, het besef tezamen een geloofsgemeenschap te vormen. Natuurlijk ook
het besef dat geloof meer is dan verwoording in taal, nooit gevangen kan
worden in een verklaring. Maar, vervolgens kan een gezamenlijke verklaring
bij de bepaling en beleving van de identiteit, ook naar buiten toe, wel
helpen.
Eigentijdse verwoording
In het recente boekje De
Remonstranten wordt in het hoofdstuk over geloofsopvattingen gesproken
over diversiteit én de noodzaak om te kiezen. De beginselverklaring
is een minimum, de 31 woorden laten veel open. De geloofsbelijdenis van
1940 (!) wordt, terecht, de belangrijkste tekst genoemd die de remonstrantse
geloofsgemeenschap in de twintigste eeuw heeft voortgebracht. Een getuigenis
van wat in die donkere jaren de essentie was van het geloof van de opstellers.
Is het 60 jaar nadien, aan het begin van de 21e eeuw, niet hoog tijd voor
een eigentijdse verwoording? Is zoiets uit de tijd, willen we of kunnen
we dat niet meer? Mijns inziens is het niet uit de tijd, en mogelijk als
we samen willen.
Laat een geloofsverklaring niet te veel vastleggen. Laat zij tot stand
komen in een breed beraad. Maar laat zij tegelijk bescheiden en ter zake
aangeven hoe de remonstranten zich geplaatst weten tussen midden-orthodoxie
en religieus humanisme, tussen geloof in God als Being-itself (Tillich)
en als almachtige Vader, tussen Jezus als moreel voorbeeld en als verzoenende
Christus, tussen uni- en trinitarisch geloven, tussen ervaring en openbaring,
laag- en hoogkerkelijkheid. Met altijd weer concentratie op de werking
van de Geest, de praktijk van het geloof en openheid naar de bredere wereld
van cultuur en wetenschap.
Dan zal de buitenstaander die de remonstranten onderzoekt wellicht
voorbij de constatering kunnen komen dat remonstranten hele grote aarzelingen
hebben als het gaat om de verwoording van hun geloof (zo in het rapport
Identiteit en binding).
Tenslotte
De geloofsbelijdenis van 1940 was een geestelijk geschenk aan de Broederschap
van haar predikanten. Wie weten zich geroepen om het nieuwe geschenk op
te stellen en aan te bieden?
Zou het niet een gezamenlijk geschenk van heel de Broederschap aan
zichzelf kunnen worden? Als vrucht van een meerjarige, breedgedragen inspanning?
Voor de aanbieding is vast een geschikte datum te vinden. Laten we afspreken:
ergens tussen 2005 (65e verjaardag van de geloofsbelijdenis van 1940) en
2010 (450e geboortejaar van Arminius).
KOEN HOLTZAPFFEL |
|
|
|
|
|
|
|
|