de Remonstrantse Broederschap
Christus als hermeneutisch principe
dilemma's: inhoud
webmaster
Het tweede dilemma in de serie Vrijzinnige dilemma's gaat over Christus. In 1881 schreef R. Hugenholtz: "In een geloofs- of godsdienstleer naar moderne beginselen is voor de Christologie … geen plaats meer". Meer dan honderd jaar later roept de remonstrantse hoogleraar op tot (her-)bezinning op het thema 'Christus'. Is dit niet merkwaardig?
Het spreken over Jezus als Christus wortelde oorspronkelijk in de verwachting van het nabije einde der tijden, het uitbreken van het Koninkrijk van God. Toen dit uitbleef, was heroriëntatie noodzakelijk. Niet het Rijk, maar het eeuwige leven kreeg de nadruk. Dat Christus als de Opgestane en Levende beleden werd, was een uitdrukking van de diepe overtuiging dat ook de belijders de gave van een nieuw leven in onverderfelijkheid (aphtarsia) kregen. Deze overtuiging blijft tot vandaag het uitgangspunt van de christologieën in het Oosters Christendom, met hun nadruk op de overdracht van het eeuwig leven in het eucharistisch mysterie. Het christelijke Westen ging andere wegen. Hier kwam de verzoeningsgedachte op de voorgrond. Niet het eeuwige leven, maar verzoening met en rechtvaardiging door God was de primaire gave die de zondige mens in en door Christus ontving. 
Enkele weken geleden wandelde ik in Herrnhut (Z.O.-Duitsland) langs het Sculpturenpad waarop hedendaagse kunstenaars deze grondgedachten probeerden uit te beelden. Eén ding werd mij duidelijk: anders dan velen in Nederland beweren, is de klassieke christologie, met de belijdenis van Christus als 'God en Heiland', nog steeds springlevend. Ze kan inspirerend en bevrijdend werken...

Gematigde koers
Dat de vrijzinnigen op deze belijdenis in zekere zin allergisch reageren, heeft oude papieren. Prof. Van Leeuwen noemt in zijn artikel het unitarisme. De zestiende en zeventiende eeuwse unitariërs benadrukten de rol van Jezus als moreel voorbeeld. Aan de rechtvaardiging van de mens en zijn verzoening met God door het kruisoffer hadden ze geen behoefte, vanwege het ontbreken van een dieper zondebesef. Hun mensbeeld was optimistisch. Hier kunnen we de volgende regel uit afleiden: hoe optimistischer het mensbeeld, hoe meer afkeer van het woord 'zonde' en des te minder ruimte voor de christologische gedachte in de theologie. Maar ook: des te meer plaats voor moralisme in het kerkelijk spreken, dat tenslotte wordt gereduceerd tot het verkondigen van de algemene burgerlijke moraal. Deze regel is niet alleen op de unitariërs van toepassing, maar ook op negentiende eeuwse 'modernen' als Hugenholtz. Het is ook allesbehalve toeval dat de eerste vrijzinnige die, in 1924, de "uitgangspunten eener christologie" ging formuleren, K.H. Roessingh, de voorman van het 'rechtsmodernisme', was met zijn, voor de vrijzinnigheid van toen ongekende, nadruk op de zondigheid van de mens.
Van Leeuwen merkt terecht op dat de unitarische benadering de remonstranten "te vlak" is. De remonstrantse theologie poogde door de eeuwen heen een gematigde koers te varen tussen de Scylla van verstarrende calvinistische orthodoxie en de Charybdis van het unitarische reductionisme en zijn 'linksmoderne' erfgenamen. Gematigd zijn alléén kan geen bestaansreden zijn voor een theologische richting. Theologie is een op de praktijk van het menselijk leven gerichte wetenschap (ook zo'n klassieke remonstrantse gedachte). Dit houdt ondermeer in dat de belangrijkste vragen die de mensen bezighouden de ontwikkelingen in de theologie bepalen. De gedachte aan 'onverderfelijkheid' van de gelovige was onmiskenbaar een reactie op het algemeen besef van de menselijke kwetsbaarheid toen het wankelende Romeinse Rijk de veiligheid van zijn burgers niet meer kon waarborgen. De klassieke rechtvaardigings- en verzoeningsleer correspondeerde met de juridische traditie van het Westen en bloeide op zodra God (in de Middeleeuwen) steeds meer op een feodale heer ging lijken, wiens eer al te makkelijk aangetast kon worden. Roessingh vond de bedding voor het theologisch modernisme in het door de autonomiegedachte bepaalde levensbesef van de 'moderne mens'. De twintigste eeuwse bevrijdingstheologie zocht naar een nieuwe invulling van het begrip 'verlossing' in de verandering van de maatschappelijke structuren.

Levensvatbaarheid
De zoektocht naar het sleutelbegrip van onze levensbeschouwing in het begin van de 21e eeuw wordt niet zozeer door de klassieke vraag naar God bepaald, maar door de vraag naar zin (en onzin) van ons bestaan. Dit lijkt me dus ook het juiste kader waarin de christologische vraagstukken tegenwoordig geplaatst dienen te worden. Merkwaardig genoeg zijn het de leiders van de evangelicale richting en de verkondigers van de goedkope(?) New Age-esoterie die dit goed begrepen schijnen te hebben. Hoe verschillend ook, zij verkondigen een Christus die niet tot het verleden behoort, maar aan het leven van de mens kleur geeft, hier en nu. Kerken die niet meer weten te zeggen dan dat Jezus van Nazareth een indrukwekkende en inspirerende joodse mens is geweest, lopen leeg; de zalen en stadions van degenen die het verhaal van de Levende durven te vertellen, zitten vol. Als wij er in onze theologie in slagen zonder intellectueel verraad aan de kritische traditie van de vrijzinnigheid, de relevantie van Christus voor de door onzin bedreigde en naar zin zoekende hedendaagse mens naar voren te halen en op het terrein van de christologie een vertaalslag te verrichten, zoals de antieke christenen, de hervormers en de 'rechtsmodernen' gelukt is, bewijzen we de levensvatbaarheid van de christelijke traditie in haar vrijzinnige vorm. Evenals voor Luther moet Christus ook voor ons tot levend hermeneutisch principe worden. Deze keer gaat het echter niet in de eerste plaats om de hermeneutiek van de Schrift, maar om die van het menselijk leven. Welke 'hulpconstructies' wij daarbij gebruiken is van ondergeschikt belang. Persoonlijk ben ik ervan overtuigd dat de weg van de belijdenis van de remonstrantse predikanten uit 1940, met haar consequent spreken over Jezus Christus in de tegenwoordige tijd, een vruchtbare is. Het spelen van het spel in de kerk, volgens de regels die we op deze weg hopelijk zullen verkrijgen, kan serieuzer zijn en meer met het geloof te maken hebben dan we op dit moment durven dromen...

J.R. KUBACKI

naar boven


voor het laatst bijgewerkt: 06/06/2001