|
Het spreken over Jezus als Christus wortelde oorspronkelijk
in de verwachting van het nabije einde der tijden, het uitbreken van het
Koninkrijk van God. Toen dit uitbleef, was heroriëntatie noodzakelijk.
Niet het Rijk, maar het eeuwige leven kreeg de nadruk. Dat Christus als
de Opgestane en Levende beleden werd, was een uitdrukking van de diepe
overtuiging dat ook de belijders de gave van een nieuw leven in onverderfelijkheid
(aphtarsia) kregen. Deze overtuiging blijft tot vandaag het uitgangspunt
van de christologieën in het Oosters Christendom, met hun nadruk op
de overdracht van het eeuwig leven in het eucharistisch mysterie. Het christelijke
Westen ging andere wegen. Hier kwam de verzoeningsgedachte op de voorgrond.
Niet het eeuwige leven, maar verzoening met en rechtvaardiging door God
was de primaire gave die de zondige mens in en door Christus ontving.
Enkele weken geleden wandelde ik in Herrnhut (Z.O.-Duitsland) langs
het Sculpturenpad waarop hedendaagse kunstenaars deze grondgedachten probeerden
uit te beelden. Eén ding werd mij duidelijk: anders dan velen in
Nederland beweren, is de klassieke christologie, met de belijdenis van
Christus als 'God en Heiland', nog steeds springlevend. Ze kan inspirerend
en bevrijdend werken...
Gematigde koers
Dat de vrijzinnigen op deze belijdenis in zekere zin allergisch reageren,
heeft oude papieren. Prof. Van Leeuwen noemt in zijn artikel het unitarisme.
De zestiende en zeventiende eeuwse unitariërs benadrukten de rol van
Jezus als moreel voorbeeld. Aan de rechtvaardiging van de mens en zijn
verzoening met God door het kruisoffer hadden ze geen behoefte, vanwege
het ontbreken van een dieper zondebesef. Hun mensbeeld was optimistisch.
Hier kunnen we de volgende regel uit afleiden: hoe optimistischer het mensbeeld,
hoe meer afkeer van het woord 'zonde' en des te minder ruimte voor de christologische
gedachte in de theologie. Maar ook: des te meer plaats voor moralisme in
het kerkelijk spreken, dat tenslotte wordt gereduceerd tot het verkondigen
van de algemene burgerlijke moraal. Deze regel is niet alleen op de unitariërs
van toepassing, maar ook op negentiende eeuwse 'modernen' als Hugenholtz.
Het is ook allesbehalve toeval dat de eerste vrijzinnige die, in 1924,
de "uitgangspunten eener christologie" ging formuleren, K.H. Roessingh,
de voorman van het 'rechtsmodernisme', was met zijn, voor de vrijzinnigheid
van toen ongekende, nadruk op de zondigheid van de mens.
Van Leeuwen merkt terecht op dat de unitarische benadering de remonstranten
"te vlak" is. De remonstrantse theologie poogde door de eeuwen heen een
gematigde koers te varen tussen de Scylla van verstarrende calvinistische
orthodoxie en de Charybdis van het unitarische reductionisme en zijn 'linksmoderne'
erfgenamen. Gematigd zijn alléén kan geen bestaansreden zijn
voor een theologische richting. Theologie is een op de praktijk van het
menselijk leven gerichte wetenschap (ook zo'n klassieke remonstrantse gedachte).
Dit houdt ondermeer in dat de belangrijkste vragen die de mensen bezighouden
de ontwikkelingen in de theologie bepalen. De gedachte aan 'onverderfelijkheid'
van de gelovige was onmiskenbaar een reactie op het algemeen besef van
de menselijke kwetsbaarheid toen het wankelende Romeinse Rijk de veiligheid
van zijn burgers niet meer kon waarborgen. De klassieke rechtvaardigings-
en verzoeningsleer correspondeerde met de juridische traditie van het Westen
en bloeide op zodra God (in de Middeleeuwen) steeds meer op een feodale
heer ging lijken, wiens eer al te makkelijk aangetast kon worden. Roessingh
vond de bedding voor het theologisch modernisme in het door de autonomiegedachte
bepaalde levensbesef van de 'moderne mens'. De twintigste eeuwse bevrijdingstheologie
zocht naar een nieuwe invulling van het begrip 'verlossing' in de verandering
van de maatschappelijke structuren.
Levensvatbaarheid
De zoektocht naar het sleutelbegrip van onze levensbeschouwing in het
begin van de 21e eeuw wordt niet zozeer door de klassieke vraag naar God
bepaald, maar door de vraag naar zin (en onzin) van ons bestaan. Dit lijkt
me dus ook het juiste kader waarin de christologische vraagstukken tegenwoordig
geplaatst dienen te worden. Merkwaardig genoeg zijn het de leiders van
de evangelicale richting en de verkondigers van de goedkope(?) New Age-esoterie
die dit goed begrepen schijnen te hebben. Hoe verschillend ook, zij verkondigen
een Christus die niet tot het verleden behoort, maar aan het leven van
de mens kleur geeft, hier en nu. Kerken die niet meer weten te zeggen dan
dat Jezus van Nazareth een indrukwekkende en inspirerende joodse mens is
geweest, lopen leeg; de zalen en stadions van degenen die het verhaal van
de Levende durven te vertellen, zitten vol. Als wij er in onze theologie
in slagen zonder intellectueel verraad aan de kritische traditie van de
vrijzinnigheid, de relevantie van Christus voor de door onzin bedreigde
en naar zin zoekende hedendaagse mens naar voren te halen en op het terrein
van de christologie een vertaalslag te verrichten, zoals de antieke christenen,
de hervormers en de 'rechtsmodernen' gelukt is, bewijzen we de levensvatbaarheid
van de christelijke traditie in haar vrijzinnige vorm. Evenals voor Luther
moet Christus ook voor ons tot levend hermeneutisch principe worden. Deze
keer gaat het echter niet in de eerste plaats om de hermeneutiek van de
Schrift, maar om die van het menselijk leven. Welke 'hulpconstructies'
wij daarbij gebruiken is van ondergeschikt belang. Persoonlijk ben ik ervan
overtuigd dat de weg van de belijdenis van de remonstrantse predikanten
uit 1940, met haar consequent spreken over Jezus Christus in de tegenwoordige
tijd, een vruchtbare is. Het spelen van het spel in de kerk, volgens de
regels die we op deze weg hopelijk zullen verkrijgen, kan serieuzer zijn
en meer met het geloof te maken hebben dan we op dit moment durven dromen...
J.R. KUBACKI |
|
|
|
|
|
|
|
|