|
We staan als vrijzinnigen (remonstranten) voor lastige
vragen. Of er echt antwoorden op zijn weet ik niet. Misschien is het wel
eigen aan vrijzinnigen te kunnen leven met onbeantwoorde vragen. Toch zullen
we het erover moeten hebben.
Identiteit
De remonstranten lijken, zo constateerden onderzoekers van de VU die
betrokken waren bij een onderzoek naar identiteit van en binding aan de
Broederschap, een geloofsgemeenschap te zijn die prima past in onze tijd:
je mag er op eigen manier geloven, de drempel is laag, het is een herberg
waar allerlei passanten welkom zijn. Toch zijn de remonstranten nauwelijks
wervend. Hun identiteit is ook wel erg onbepaald, aldus het onderzoeksrapport
dat dezer dagen verschijnt. Als remonstranten moeten noemen wat wezenlijk
voor ze is, klinken er algemene begrippen als: ruimte, vrijheid. Moet er,
om een aansprekende identiteit te hebben, niet meer zijn dat samenbindt
dan zulke brede termen?
Een dilemma: kan een beweging die voorlopigheid en twijfel, openheid
voor vele gezichtspunten, 'vrijheid in het onzekere' in het vaandel voert
wel een helder gezicht krijgen? Ook in een tijd van pluralisme, waarin
mensen uit het veelsoortige aanbod van geestelijke zaken ieder het hunne
kiezen, blijft het belangrijk dat de verschillende aanbieders zélf
een gezicht hebben. Was het genoeg dat de remonstranten in recente discussie
over hun beginselverklaring bevestigden dat ze willen geloven, 'geworteld
in het evangelie' en in vrijheid en verdraagzaamheid? Is er niet meer herkenbaar
gemeenschappelijks nodig?
De vraag kan ook anders worden gesteld. Dat rapport Identiteit en binding
rekent de remonstranten kerksociologisch tot het type 'mystiek': ieder
zoekt langs eigen weg een relatie met God. Maar hoe kan (vroeg de Duitse
theoloog Troeltsch al een eeuw geleden) op die basis een geloofsgemeenschap
bestaan? Om meer te zijn dan een optelsom van losse individuen is er een
gezamenlijke bedding nodig, traditie, geloofsoverdracht, zaken die volgens
Troeltsch, die een theorie ontwikkelde over verschillende geloofstypen
en de daarbij behorende gemeenschappen, meer bij het type 'kerk' horen.
De vraag: wat voor soort geloofsgemeenschap willen we zijn, is de eerste
vraag die we ons moeten stellen.
Denkend geloof
Een tweede serie vragen ontleen ik aan het prachtige artikel dat H.
J. Adriaanse bijdroeg aan Een beetje geloven. Vrijzinnig geloof is 'denkend
geloof', kritisch tegenover het overgeleverde. Het neemt het risico dat
er zo steeds minder te geloven blijft. In onze tijd heeft, aldus Adriaanse,
geloofstaal die God voorstelt als een persoon, schepper van hemel en aarde,
zijn plausibiliteit verloren. In de kerk gebruiken we die 'theïstische'
taal nog wel, maar als een overblijfsel van voorbije tijd. Het is een rijke
taal om mee te spelen, en als we erin zingen of bidden 'gebeurt er iets',
maar we geloven niet meer dat ze werkelijk naar iets verwijst.
Adriaanse stelt indringende vragen. Wat is geloof? Hoe houdbaar zijn
onze geloofsvoorstellingen? Maar ik vind de gedachte dat al ons spreken
in de kerk neerkomt op een spelen met de resten, brokstukken van voorbij
geloof weinig opbeurend. Is er niet een geloofsovergave mogelijk en zinvol,
die volhoudt: en tóch, voorbij alle ontmaskerende kritiek, is het
wáár, mijn geloof?
Christus
Niet alleen het spreken over 'God' (persoon, schepper?) is problematisch
geworden, vrijzinnigen zitten ook met lastige vragen rond Christus. Bij
de preambule van de nieuwe statuten van de Raad van Kerken in Nederland
zullen we (als in 1948) de kanttekening maken dat we niet gewend zijn over
hem te spreken als 'God en Heiland'. Maar unitariërs, die het
alleen over een bijzonder mens willen hebben, zijn de meeste remonstranten
toch niet. Het unitarisme is ons te vlak. Komen we eruit door à
la E. P. Meijering te zeggen dat de Drie-eenheid niet iets is om in te
geloven, maar dat het een hulpconstructie is voor theologen, om te kunnen
begrijpen hoe er door de eeuwen over God, Christus en de Geest is gesproken?
Of belanden we zo toch in het spoor van Adriaanse: de Drie-eenheid als
een restant van wat men vroeger kon geloven, en voor ons enkel nog iets
om mee te 'spelen', niet om te geloven?
Geen verabsolutering
Voor één manier van spreken over Christus zijn we in
elk geval beducht: een verabsolutering van zijn werk en zijn weg. De recente
Vaticaanse verklaring Dominus Jesus bij voorbeeld stemt niet vrolijk. Alle
vrijzinnige en postmoderne tendensen worden daarin fel afgewezen, omdat
ze de geloofswaarheid relativeren: Christus is het exclusieve, universele
heilsaanbod van God. Andere wegen van openbaring zijn er niet: als je elders
waarheid vindt, dan is het waar voor zover het met het Evangelie spoort.
Zulke verabsolutering leidt tot onverdraagzaamheid, belemmert iedere
dialoog. Vrijzinnigen zullen er steeds weer vragen bij moeten stellen.
Maar vervolgens komen er vragen op hen af. Als er ook elders waarheid is,
als er ook in andere tradities 'openbaring' is, hoe gaan we daarmee dan
om? Blijven die andere waarheden het 'andere' ten overstaan waarvan wij
onze eigen traditie beter leren verstaan? Of zijn het schatkamers waaruit
wij rijkdommen kunnen overnemen? En zo ja, hoe dan te voorkomen dat we
daarbij onszelf verliezen, in vaagheid verzanden? Je kunt toch niet alles
met alles verbinden?
Dat brengt ons terug bij de identiteitsvraag: hoe kunnen we onszelf
zijn, geworteld in een herkenbare traditie, en toch open voor anderen?
Hoe kunnen we tegelijkertijd omgaan met onze traditie, bijvoorbeeld met
de bijbel, als een unieke waarheid-voor-ons, zonder andere waarheden af
te wijzen of aan andere wijsheid voorbij te gaan?
TH. MARIUS VAN LEEUWEN |
|
|
|
|
|
|
|
|