|
In Vrijzinnige theologie
– enkele dilemma's schetste ik een paar vragen die mijns inziens in
de vrijzinnigheid aan de orde moeten komen. AdRem
legde de vragen voor aan vijf anderen. En nu mag ik weer op hen reageren
– overigens zonder de pretentie van 'het laatste woord hebben'.
In de eerste bijdrage stelt F. Knoppers
allereerst de tegenstelling geloven-denken aan de orde. Wanneer een dilemma
een situatie is waarin je moet kiezen tussen twee wegen die beide grote
bezwaren opleveren (van Dale), is dit geen dilemma. Ik zou niet willen
beweren dat we tussen de wegen van het geloven en het denken moeten kiezen.
De vrijzinnigheid probeert die twee nu juist in een 'denkend geloven' samen
te nemen. Mijn vraag was vooral: hoe valt er ‘denkend gelovend’ nog te
spreken over God? Die vraag werd vooral ingegeven door H.J. Adriaanse.
Hij stelde (in Een beetje geloven) dat vrijzinnigen bewust het risico nemen
dat ze, kritisch denkend over hun geloof, steeds minder geloven. Zo is,
aldus Adriaanse, voor hen het geloof in een persoonlijk God niet meer plausibel.
En voorzover de taal van het christelijk geloof doordrenkt is van het geloof
in zo'n God, is zij dus niet meer de taal van óns geloof. We spelen
met de echo's van voorbij geloof… Die analyse roept bij mij de vraag op:
zal 'minder geloven' niet spoedig overgaan in niet(s) meer geloven? Als
God niet bestaat, heeft het dan zin met de rijke geloofstaal van het verleden
te spelen? Spreken over God is toch meer dan intelligent of vroom woordenspel?
Kunnen we niet, zo kritisch als we zijn, tóch voluit in God geloven?
De sprong van het geloof die ik, in Kierkegaards spoor, voorstel brengt
me dicht bij Knoppers' antwoord: in het 'geleefde leven' kun je de ervaring
hebben, onloochenbaar, dat die God bestaat, werkelijkheid is, een bondgenoot.
Niet dat dat geloof in een stormvrije zone te plaatsen valt: natuurlijk
stelt het denken er steeds weer vragen bij. Maar de gelovige waagt het,
dwaas genoeg, tegen de kritiek in te blijven roepen: en toch geloof ik
het.
Nieuwe woorden
Het woord genade stond niet in mijn stuk. In de laatste aflevering
van de reeks duikt het op (genade is nu eenmaal iets onverwachts). Het
is zo'n woord waarvan vrijzinnigen al gauw zeggen dat ze er 'niets meer
mee kunnen'. Maar ik herken het wanneer Cossee
ook hier zegt: en toch… blijf ik geloven in zoiets als Gods genade, in
een dragende kracht die me onverdiend nieuwe mogelijkheden geeft. Wanneer
vrijzinnigen zulke woorden gebruiken proberen ze, schreef Jarek
Kubacki, te laveren tussen de Scylla en Charibdis van een star orthodox
standpunt en humanistische veralgemenisering. Dat geldt voor begrippen
als genade, verzoening, zonde. Maar ook voor het spreken over Christus.
Nogal wat remonstranten hebben het bij voorkeur over Jezus als voorbeeld,
bijzonder mens. Blijft zulk spreken niet vlak? Kubacki spreekt liever van
Christus als 'levend hermeneutisch principe': wat van en over hem is overgeleverd
is dan een sleutel om het leven en de wereld nú te verstaan. Ik
kan dat goed volgen, zeker wanneer Kubacki naar de remonstrantse belijdenis
van 1940 verwijst als een verwoording van wat hij bedoelt: "hij brengt
ons Gods eeuwige liefde nabij, die vergeeft en verzoent". Maar moeten we
om zulke noties in de 21e eeuw te doen landen daarvoor geen nieuwe woorden
vinden?
Het stuk van Johannes Tromp zette me het
meest aan het denken. Ook hij stelt Jezus Christus centraal. Net als Kubacki
komt hij dicht bij Luther uit: het unieke belang van de bijbel is dat hij
van Christus getuigt. Anders dan Luther wil Tromp Christus niet tot 'hermeneutisch
principe' van heel de bijbel maken. Natuurlijk niet: een modern theoloog
weet dat de bijbel niet overal van Christus getuigt. Wat blijft er dan
over van de rest van dat boek? In Tromps visie staat er verder weinig van
blijvende waarde in: een paar stukken Genesis, Jesaja, een enkel vers uit
Job, Psalmen en Prediker, dan heb je het Oude Testament wel gehad! En wat
het Nieuwe Testament betreft: ook daar blijft het bij 'een paar opvallende
zinnen', een enkele gelijkenis. Je vraagt je af waarom theologen zich zo
inspannen om de grondtalen van de bijbel te leren. En wat moeten al die
remonstranten voor wie de figuur van Christus moeilijk blijft en die meer
'theo-centrisch' denken nog met dat boek, als het helemaal om Christus
draait? Zijn er in de bijbel toch meer wezenlijke lijnen te trekken en
thema's te vinden dan Tromp beweert?
Een geloofsverklaring?
Het woord 'dilemma' viel in mijn artikel één keer: zo
betitelde ik de vraag hoe een beweging die openheid voor allerlei inzichten
hoog in het vaandel heeft toch een duidelijk gezicht kan hebben. Misschien
is het opstellen van een gezamenlijke 'geloofsverklaring', zoals Koen
Holtzapffel voorstelt, inderdaad belangrijk voor het krijgen of behouden
van een herkenbare identiteit. Aan zo'n verklaring zou een inleiding vooraf
moeten gaan (vergelijk de Voorrede van de remonstrantse belijdenis van
1621!) over 'hermeneutische vragen'. Want die blijken in de serie telkens
terug te keren: wat voor taal spreken we in de kerk, wat is het werkelijkheidsgehalte
van geloofswoorden (of klinken er alleen de echo's van een voorbij geloof),
hoe gaan we om met de gegevens van de traditie, de teksten uit het verleden?
Zitten die oude woorden en teksten ons vooral dwars of kunnen ze nog inspireren?
Opnieuw vragen. Volgens mij moet het voor remonstranten mogelijk zijn om
juist op dat soort voor-vragen eigentijdse en aansprekende antwoorden te
formuleren.
TH.M. VAN LEEUWEN
|
|
|
|
|
|
|
|
|