|
Overwegingen inzake de voorgenomen wijzigingen
in het familierecht met het oog op een discussie in de Raad van Kerken
De centrale vragen in het maatschappelijk debat rond de herzieningsplannen
lijken de kwestie of het huwelijk geheel moet worden opengesteld voor homoseksuele
en lesbische paren, en in samenhang daarmee, de vraag hoe met ouderschap
en in het bijzonder adoptie door gelijkgeslachtelijke paren moet worden
omgegaan. We zullen beide vragen in deze volgorde behandelen, maar eerst
ingaan op de principiële uitgangspunten die voor remonstranten richtinggevend
zijn in deze thematiek.
I. UITGANGSPUNTEN
Voor de beoordeling van de gewenste relatiewetgeving willen we,
zeer summier, een viertal principiële uitgangspunten benadrukken.
Het gaat hierbij om uitgangspunten die voortvloeien uit onze kerkelijke
traditie en ons verstaan van het Evangelie van Jezus Christus; ze kunnen
echter ook richtinggevend zijn voor een in levensbeschouwelijk opzicht
neutrale overheid.
1. Fundamentele gelijkwaardigheid.
Voorop staat (net als in de Grondwet) de fundamentele gelijkwaardigheid
van alle mensen, ongeacht hun geslacht of seksuele voorkeur. Discriminatie
is onaanvaardbaar. Homoseksuele en lesbische relaties zijn gelijkwaardig
aan heteroseksuele relaties. Dit uitgangspunt hebben de remonstranten ook
in de eigen kerkelijke praktijk uitgewerkt. Sinds 1986 is een kerkelijke
zegenbede mogelijk over levensverbintenissen tussen twee personen, ongeacht
het
geslacht van de betrokkenen; daarbij wordt geen onderscheid gemaakt
tussen huwelijk en andere levensverbintenissen. Doop van kinderen die opgroeien
in lesbische of homoseksuele relaties of in eenoudergezinnen is eveneens
een aanvaarde praktijk.
Ook voor de wettelijke behandeling zou de afwijzing van discriminatie
tussen verschillende leefvormen uitgangspunt moeten zijn.
2. Vrijheid en verdraagzaamheid
In de remonstrantse Beginselverklaring worden naast de verworteling
in het evangelie vrijheid en verdraagzaamheid als fundamentele beginselen
genoemd. In deze context houdt dat in het respecteren van ieders keuze
hoe men zijn of haar leven vorm wil geven. Zowel de keuze om het leven
te delen met een specifieke ander als de keuze om dat niet te doen, kan
verantwoord zijn. Daarbij zijn tal van te respecteren variaties mogelijk
in de wijze waarop men een eventuele relatie wil vormgeven. Ook juridisch
moet deze keuzevrijheid gewaarborgd worden.
3. Verantwoordelijkheid
Vrijheid is niet hetzelfde als ongebondenheid. Naar remonstrantse opvatting
hebben mensen een taak in de wereld, een verantwoordelijkheid voor
medemens en samenleving. Dit is ook een belangrijk uitgangspunt in relaties:
partners hebben een verantwoordelijkheid voor elkaar en voor eventuele
kinderen. Wanneer zij gekozen hebben om deze verantwoordelijkheid op zich
te nemen, mogen zij daarop worden aangesproken, ook in juridische zin.
4. Bescherming zwakkeren
Een laatste uitgangspunt is de bescherming van de zwakkeren, waarbij
remonstranten een fundamentele taak voor de overheid zien weggelegd. Tot
voor kort stond de discussie over relatiewetgeving vooral in het teken
van gelijke behandeling van man en vrouw. De formeel-juridische verschillen
ter zake zijn inmiddels grotendeels weggenomen en de kabinetsplannen voorzien
in verdere aanpassing op enkele van de nog resterende punten (zoals de
naamgeving van kinderen). In de praktijk blijken echter soms bepalingen
die naar de letter van de wet sekse-neutraal zijn, toch juist voor vrouwen
ongunstig uit te werken, omdat mannen vaak de
hoogste inkomens hebben en zorgtaken binnen relaties niet gelijk verdeeld
worden. Daarom dient een belangrijk criterium bij de beoordeling van relatiewetgeving
te zijn of de bescherming van de zwakste partner in de relatie, in de meeste
gevallen een vrouw, ook materieel voldoende is gewaarborgd.
De bescherming van kinderen is essentieel. Dat vereist allereerst zorg
voor een goede gezinssituatie en voor voorzieningen als kinderopvang. Maar
daarnaast betekent het ook dat het kind juridisch beschermd moet zijn,
ook wanneer er problemen ontstaan in de relatie tussen ouders/verzorgers,
of wanneer een van hen overlijdt.
II. RELATIES
De volgende stap is de toepassing van deze uitgangspunten op de relatiewetgeving.
Wanneer we het uitgangspunt van fundamentele gelijkwaardigheid serieus
nemen, is het principieel niet aanvaardbaar dat, zoals thans het geval
is, homoseksuele en lesbische paren minder rechten hebben dan gehuwde heteroseksuele
paren. Om die reden juichen we het van harte toe dat het kabinet de verschillen
in rechtsgevolgen zoveel mogelijk wil opheffen.
De door het kabinet voorgestelde oplossing is een registratievorm naast
het huwelijk, die vrijwel dezelfde rechten en plichten zou bieden als het
huwelijk. Een dergelijke oplossing zou echter nog steeds discriminatie
inhouden. (Men zou hier de vergelijking kunnen maken met de door het
Amerikaanse Hooggerechtshof terecht verworpen 'separate but equal'
doctrine op het terrein van de rassendiscriminatie.) Wanneer men het, voor
velen ook emotioneel zo belangrijke,
huwelijk niet wil openstellen voor homoseksuele en lesbische paren,
worden deze nog steeds van de aan het huwelijk verbonden symbolische status
uitgesloten. Bovendien impliceert het creëren van een aparte vorm
toch dat deze relatievormen in de ogen van de wetgever niet geheel
gelijkwaardig zijn aan de heteroseksuele relatievorm - anders kan men
immers eenvoudigweg het huwelijk openstellen. Een vergelijkbaar idee om
naast het huwelijk een tweede relatievorm in de kerkorde te erkennen, is
tien
jaar geleden ook in remonstrantse kring besproken, maar uiteindelijk,
mede vanwege deze argumenten, verworpen. Onze aanbeveling is daarom om
te kiezen voor een volledige openstelling van het huwelijk voor homoseksuele
en lesbische paren.
Er is ook een andere mogelijkheid om de discriminatie verbonden aan
onze huidige huwelijkswetgeving te vermijden:
het volledig afschaffen van het huwelijk. Met name vanuit feministische
hoek is veel kritiek geweest op het instituut van het huwelijk als zodanig.
Ook binnen onze kerk zijn er leden die liever deze weg zouden kiezen en
het juridisch regelen van relaties geheel aan mensen zelf (al dan niet
met behulp van de notaris) zouden willen overlaten. Een gegeven is echter
dat veel mensen, zowel heteroseksuele als homoseksuele/lesbische mannen
en vrouwen, het huwelijk als een waardevol
instituut zien en zelf ook hun relatie in de vorm van een huwelijk
bevestigd willen zien. Als mensen deze keuze willen maken, moet dit op
grond van het vrijheidsbeginsel door de overheid worden gerespecteerd.
Daarom bepleiten wij dat het huwelijk blijft bestaan, maar dan wel als
een optie die openstaat voor àllen die daaraan waarde hechten.
Hetzelfde beginsel van vrijheid gebiedt echter ook dat er geen achterstelling
plaatsvindt van mensen die op een andere manier hun leven en hun relaties
wensen vorm te geven, zoals
alleenstaanden en paren die bewust hun relatie niet in de vorm van
een huwelijk willen beleven. Naast het huwelijk dienen er dus voldoende
gelijkwaardige andere keuzemogelijkheden te bestaan. De veelvormigheid
van de manier waarop mensen hun relaties en hun leven willen beleven, dient
ook erkend te worden in wet- en regelgeving. Ook in niet-huwelijkse leefvormen
moeten de belangen van kinderen juridisch kunnen worden beschermd. Bij
de verdere uitwerking van de relatiewetgeving zal dit dan ook een belangrijk
aandachtspunt moeten zijn: het huwelijk dient niet het enige model te zijn
dat goede waarborgen biedt.
Een tweede aandachtspunt bij de verdere uitwerking heeft te maken met
de bescherming van de zwakkeren. In een relatie dienen beide partners tot
hun recht te kunnen komen. In onze
samenleving zijn het nog steeds vaak de vrouwen die de zwakste positie
hebben. Bij de vormgeving van de nieuwe relatiewetgeving (en de daarmee
verband houdende wet- en
regelgeving) dient met deze realiteit rekening gehouden te worden.
Voorkomen moet worden dat formele gelijkheid (bijvoorbeeld in echtscheidingsregelingen)
in de praktijk leidt tot ongelijke posities voor mannen en vrouwen.
III. KINDEREN
De conclusie tot zover is dat het huwelijk dient te worden opengesteld
voor homoseksuele en lesbische paren en dat daarnaast de relatiewetgeving
voldoende gelijkwaardige mogelijkheden moet bieden om ook op andere wijzen
vorm te geven aan relaties. Maar daarbij is nog geen aandacht besteed aan
de positie van eventuele kinderen. Voor velen ligt het bezwaar tegen het
openstellen van het huwelijk nu juist in de positie van kinderen. Zij menen
dat bij een dergelijk beleid onvoldoende rekening wordt gehouden met de
belangen van kinderen.
Ook voor ons is het belang van het kind een zwaarwegend uitgangspunt,
maar voor een groot aantal kinderen geldt dat juist zij gebaat zouden zijn
bij openstelling van het huwelijk. Er zijn immers duizenden kinderen die
opgroeien binnen lesbische of homoseksuele relaties; binnen onze kerk is
dit een geaccepteerd verschijnsel. Het is in het belang van deze kinderen
dat er een volwaardige juridische band kan bestaan met beide ouders/verzorgers.
Daarom is het belangrijk dat het huwelijk wordt opengesteld zodat beide
ouders/verzorgers desgewenst een volledige familierechtelijke band tot
stand kunnen brengen met alle rechten en verplichtingen die daarbij
horen, ook op het gebied van erfrecht, wezenuitkeringen, alimentaties
etc. Ook de tweede ouder\verzorger dient op zijn of haar verantwoordelijkheden
jegens het kind te kunnen worden aangesproken.
De meer controversiële categorie betreft een veel kleinere groep
kinderen, namelijk kinderen die worden geadopteerd.
Hierbij wordt doorgaans niet een bestaande feitelijke situatie juridisch
vormgegeven, maar wordt bewust een nieuwe situatie gecreëerd, door
een kind bij nieuwe ouders/verzorgers onder te brengen en hiermee ook een
familierechtelijke band te creëren. De vraag is nu of het tegen het
belang van het kind is dat het wordt geadopteerd door homoseksuele en lesbische
paren, en ten tweede of adoptie door deze paren niet zal leiden tot maatregelen
van de kant van die landen waar adoptiekinderen vandaan komen.
Wat betreft het tweede argument kan worden opgemerkt dat dergelijke
maatregelen ook via minder ingrijpende wegen dan het niet-openstellen van
het huwelijk kunnen worden ondervangen. Men kan bijvoorbeeld zonodig afspreken
dat kinderen uit landen die ernstige bezwaren hebben tegen homoseksualiteit,
niet bij homoseksuele en lesbische paren worden ondergebracht. Wat betreft
het eerste argument lijkt veel af te hangen van de inschatting en waardering
van de resultaten van sociaal-wetenschappelijk onderzoek over het opgroeien
van kinderen binnen lesbische en homoseksuele relaties. Het lijkt ons niet
in de competentie van de kerken te liggen om hierover uitspraken te doen,
maar het lijkt in ieder geval te ver gaan om categorisch, ongeacht de situatie,
homoseksuele en lesbische paren uit te sluiten van adoptie. Via de selectieprocedure
voor
adoptie kan bovendien voldoende gewaarborgd worden dat kinderen niet
bij ongeschikte ouders terecht komen, of deze ouders nu heteroseksueel
of homoseksueel zijn.
IV. TOT SLOT
In het bovenstaande zijn enige overwegingen gepresenteerd van de Commissie
tot de Zaken (het landelijk bestuur) van de Remonstrantse Broederschap.
Juist vanuit kerkelijke kring komen nogal eens geluiden die voor homoseksuelen
en lesbiënnes en voor vrouwen kwetsend en discriminerend zijn.
Daarom meent de Commissie tot de Zaken dat het van belang is duidelijk
te maken dat er vanuit ons verstaan van het evangelie, goede gronden zijn
voor steun voor voorgenomen wijzigingen in het familierecht.
De remonstranten hebben bovendien, zoals reeds eerder gezegd, ruim
tien jaar geleden met een vergelijkbare discussie gevoerd als nu de hele
Nederlandse samenleving. Aan het toen genomen besluit over onze kerkorde
is een zeer breed beraad voorafgegaan in alle lagen van onze kerkgemeenschap.
Het bleek daarbij dat dankzij intensieve gesprekken een groot draagvlak
ontstond voor de uiteindelijke besluiten. Wij hopen en verwachten dat er
ook rond de bepleite veranderingen in het familierecht een dergelijk breed
draagvlak zal ontstaan. |