de Remonstrantse Broederschap
advies aan de commissie Kortmann
familierecht
webmaster
In 1996 heeft de Commissie tot de Zaken (het dagelijks bestuur van de Remonstrantse Broederschap) een notitie opgesteld ten behoeve van het overleg in de Raad van Kerken.  Begin 1997 is deze notitie met een begeleidende brief ook naar de commissie-Kortmann gestuurd die de regering moest adviseren over de openstelling van het burgerlijk huwelijk

Overwegingen inzake de voorgenomen wijzigingen in het familierecht met het oog op een discussie in de Raad van Kerken

De centrale vragen in het maatschappelijk debat rond de herzieningsplannen lijken de kwestie of het huwelijk geheel moet worden opengesteld voor homoseksuele  en lesbische paren, en in samenhang daarmee, de vraag hoe met ouderschap en in het bijzonder adoptie door gelijkgeslachtelijke paren moet worden omgegaan. We zullen beide vragen in deze volgorde behandelen, maar eerst ingaan op de principiële uitgangspunten die voor remonstranten richtinggevend zijn in deze thematiek.
 

I. UITGANGSPUNTEN
Voor de beoordeling van  de gewenste relatiewetgeving willen we, zeer summier, een viertal principiële uitgangspunten benadrukken. Het gaat hierbij om uitgangspunten die voortvloeien uit onze kerkelijke traditie en ons verstaan van het Evangelie van Jezus Christus; ze kunnen echter ook richtinggevend zijn voor een in levensbeschouwelijk opzicht neutrale overheid.

1. Fundamentele gelijkwaardigheid.
Voorop staat (net als in de Grondwet) de fundamentele gelijkwaardigheid van alle mensen, ongeacht hun geslacht of seksuele voorkeur. Discriminatie is onaanvaardbaar. Homoseksuele en lesbische relaties zijn gelijkwaardig aan heteroseksuele relaties. Dit uitgangspunt hebben de remonstranten ook in de eigen kerkelijke praktijk uitgewerkt. Sinds 1986 is een kerkelijke zegenbede mogelijk over levensverbintenissen tussen twee personen, ongeacht het 
geslacht van de betrokkenen; daarbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen huwelijk en andere levensverbintenissen. Doop van kinderen die opgroeien in lesbische of homoseksuele relaties of in eenoudergezinnen is eveneens een aanvaarde praktijk. 
Ook voor de wettelijke behandeling zou de afwijzing van discriminatie tussen verschillende leefvormen uitgangspunt moeten zijn.

2. Vrijheid en verdraagzaamheid
In de remonstrantse Beginselverklaring worden naast de verworteling in het evangelie vrijheid en verdraagzaamheid als fundamentele beginselen genoemd. In deze context houdt dat in het respecteren van ieders keuze hoe men zijn of haar leven vorm wil geven. Zowel de keuze om het leven te delen met een specifieke ander als de keuze om dat niet te doen, kan verantwoord zijn. Daarbij zijn tal van te respecteren variaties mogelijk in de wijze waarop men een eventuele relatie wil vormgeven. Ook juridisch moet deze keuzevrijheid gewaarborgd worden.

3. Verantwoordelijkheid
Vrijheid is niet hetzelfde als ongebondenheid. Naar remonstrantse opvatting hebben mensen  een taak in de wereld, een verantwoordelijkheid voor medemens en samenleving. Dit is ook een belangrijk uitgangspunt in relaties: 
partners hebben een verantwoordelijkheid voor elkaar en voor eventuele kinderen. Wanneer zij gekozen hebben om deze verantwoordelijkheid op zich te nemen, mogen zij daarop worden aangesproken, ook in juridische zin.

4. Bescherming zwakkeren
Een laatste uitgangspunt is de bescherming van de zwakkeren, waarbij remonstranten een fundamentele taak voor de overheid zien weggelegd. Tot voor kort stond de discussie over relatiewetgeving vooral in het teken van gelijke behandeling van man en vrouw. De formeel-juridische verschillen ter zake zijn inmiddels grotendeels weggenomen en de kabinetsplannen voorzien in verdere aanpassing op enkele van de nog resterende punten (zoals de naamgeving van kinderen). In de praktijk blijken echter soms bepalingen die naar de letter van de wet sekse-neutraal zijn, toch juist voor vrouwen ongunstig uit te werken, omdat mannen vaak de 
hoogste inkomens hebben en zorgtaken binnen relaties niet gelijk verdeeld worden. Daarom dient een belangrijk criterium bij de beoordeling van relatiewetgeving te zijn of de bescherming van de zwakste partner in de relatie, in de meeste gevallen een vrouw, ook materieel voldoende is gewaarborgd.
De bescherming van kinderen is essentieel. Dat vereist allereerst zorg voor een goede gezinssituatie en voor voorzieningen als kinderopvang. Maar daarnaast betekent het ook dat het kind juridisch beschermd moet zijn, ook wanneer er problemen ontstaan in de relatie tussen ouders/verzorgers, of wanneer een van hen overlijdt.

II. RELATIES
De volgende stap is de toepassing van deze uitgangspunten op de relatiewetgeving. Wanneer we het uitgangspunt van fundamentele gelijkwaardigheid serieus nemen, is het principieel niet aanvaardbaar dat, zoals thans het geval is, homoseksuele en lesbische paren minder rechten hebben dan gehuwde heteroseksuele paren. Om die reden juichen we het van harte toe dat het kabinet de verschillen in rechtsgevolgen zoveel mogelijk wil opheffen. 
De door het kabinet voorgestelde oplossing is een registratievorm naast het huwelijk, die vrijwel dezelfde rechten en plichten zou bieden als het huwelijk. Een dergelijke oplossing zou echter nog steeds discriminatie inhouden. (Men zou hier de vergelijking kunnen maken met de door het 
Amerikaanse Hooggerechtshof terecht verworpen 'separate but equal' doctrine op het terrein van de rassendiscriminatie.) Wanneer men het, voor velen ook emotioneel zo belangrijke, 
huwelijk niet wil openstellen voor homoseksuele en lesbische paren, worden deze nog steeds van de aan het huwelijk verbonden symbolische status uitgesloten. Bovendien impliceert het creëren van een aparte vorm toch dat deze relatievormen in de ogen van de wetgever niet geheel 
gelijkwaardig zijn aan de heteroseksuele relatievorm - anders kan men immers eenvoudigweg het huwelijk openstellen. Een vergelijkbaar idee om naast het huwelijk een tweede relatievorm in de kerkorde te erkennen, is tien jaar geleden ook in remonstrantse kring  besproken, maar uiteindelijk, mede vanwege deze argumenten, verworpen. Onze aanbeveling is daarom om te kiezen voor een volledige openstelling van het huwelijk voor homoseksuele en lesbische paren.
Er is ook een andere mogelijkheid om de discriminatie verbonden aan onze huidige huwelijkswetgeving te vermijden: 
het volledig afschaffen van het huwelijk. Met name vanuit feministische hoek is veel kritiek geweest op het instituut van het huwelijk als zodanig. Ook binnen onze kerk zijn er leden die liever deze weg zouden kiezen en het juridisch regelen van relaties geheel aan mensen zelf (al dan niet met behulp van de notaris) zouden willen overlaten. Een gegeven is echter dat veel mensen, zowel heteroseksuele als homoseksuele/lesbische mannen en vrouwen, het huwelijk als een waardevol 
instituut zien en zelf ook hun relatie in de vorm van een huwelijk bevestigd willen zien. Als mensen deze keuze willen maken, moet dit op grond van het vrijheidsbeginsel door de overheid worden gerespecteerd. Daarom bepleiten wij dat het huwelijk blijft bestaan, maar dan wel als een optie die openstaat voor àllen die daaraan waarde hechten.
Hetzelfde beginsel van vrijheid gebiedt echter ook dat er geen achterstelling plaatsvindt van mensen die op een andere manier hun leven en hun relaties wensen vorm te geven, zoals 
alleenstaanden en paren die bewust hun relatie niet in de vorm van een huwelijk willen beleven. Naast het huwelijk dienen er dus voldoende gelijkwaardige andere keuzemogelijkheden te bestaan. De veelvormigheid van de manier waarop mensen hun relaties en hun leven willen beleven, dient ook erkend te worden in wet- en regelgeving. Ook in niet-huwelijkse leefvormen moeten de belangen van kinderen juridisch kunnen worden beschermd. Bij de verdere uitwerking van de relatiewetgeving zal dit dan ook een belangrijk aandachtspunt moeten zijn: het huwelijk dient niet het enige model te zijn dat goede waarborgen biedt.
Een tweede aandachtspunt bij de verdere uitwerking heeft te maken met de bescherming van de zwakkeren. In een relatie dienen beide partners tot hun recht te kunnen komen. In onze 
samenleving zijn het nog steeds vaak de vrouwen die de zwakste positie hebben. Bij de vormgeving van de nieuwe relatiewetgeving (en de daarmee verband houdende wet- en 
regelgeving) dient met deze realiteit rekening gehouden te worden. Voorkomen moet worden dat formele gelijkheid (bijvoorbeeld in echtscheidingsregelingen) in de praktijk leidt tot ongelijke posities voor mannen en vrouwen.

III. KINDEREN
De conclusie tot zover is dat  het huwelijk dient te worden opengesteld voor homoseksuele en lesbische paren en dat daarnaast de relatiewetgeving voldoende gelijkwaardige mogelijkheden moet bieden om ook op andere wijzen vorm te geven aan relaties. Maar daarbij is nog geen aandacht besteed aan de positie van eventuele kinderen. Voor velen ligt het bezwaar tegen het openstellen van het huwelijk nu juist in de positie van kinderen. Zij menen dat bij een dergelijk beleid onvoldoende rekening wordt gehouden met de belangen van kinderen.
Ook voor ons is het belang van het kind een zwaarwegend uitgangspunt, maar voor een groot aantal kinderen geldt dat juist zij gebaat zouden zijn bij openstelling van het huwelijk. Er zijn immers duizenden kinderen die opgroeien binnen lesbische of homoseksuele relaties; binnen onze kerk is dit een geaccepteerd verschijnsel. Het is in het belang van deze kinderen dat er een volwaardige juridische band kan bestaan met beide ouders/verzorgers. Daarom is het belangrijk dat het huwelijk wordt opengesteld zodat beide ouders/verzorgers desgewenst een volledige familierechtelijke band tot stand kunnen brengen met alle rechten en verplichtingen die daarbij 
horen, ook op het gebied van erfrecht, wezenuitkeringen, alimentaties etc. Ook de tweede ouder\verzorger dient op zijn of haar verantwoordelijkheden jegens het kind te kunnen worden aangesproken.
De meer controversiële categorie betreft een veel kleinere groep kinderen, namelijk kinderen die worden geadopteerd.
Hierbij wordt doorgaans niet een bestaande feitelijke situatie juridisch vormgegeven, maar wordt bewust een nieuwe situatie gecreëerd, door een kind bij nieuwe ouders/verzorgers onder te brengen en hiermee ook een familierechtelijke band te creëren. De vraag is nu of het tegen het belang van het kind is dat het wordt geadopteerd door homoseksuele en lesbische paren, en ten tweede of adoptie door deze paren niet zal leiden tot maatregelen van de kant van die landen waar adoptiekinderen vandaan komen.
Wat betreft het tweede argument kan worden opgemerkt dat dergelijke maatregelen ook via minder ingrijpende wegen dan het niet-openstellen van het huwelijk kunnen worden ondervangen. Men kan bijvoorbeeld zonodig afspreken dat kinderen uit landen die ernstige bezwaren hebben tegen homoseksualiteit, niet bij homoseksuele en lesbische paren worden ondergebracht. Wat betreft het eerste argument lijkt veel af te hangen van de inschatting en waardering van de resultaten van sociaal-wetenschappelijk onderzoek over het opgroeien van kinderen binnen lesbische en homoseksuele relaties. Het lijkt ons niet in de competentie van de kerken te liggen om hierover uitspraken te doen, maar het lijkt in ieder geval te ver gaan om categorisch, ongeacht de situatie, homoseksuele en lesbische paren uit te sluiten van adoptie. Via de selectieprocedure voor 
adoptie kan bovendien voldoende gewaarborgd worden dat kinderen niet bij ongeschikte ouders terecht komen, of deze ouders nu heteroseksueel of homoseksueel zijn.

IV. TOT SLOT 
In het bovenstaande zijn enige overwegingen gepresenteerd van de Commissie tot de Zaken (het landelijk bestuur) van de Remonstrantse Broederschap. Juist vanuit kerkelijke kring komen nogal eens geluiden die voor homoseksuelen en lesbiënnes en voor vrouwen kwetsend en discriminerend zijn. 
Daarom meent de Commissie tot de Zaken dat het van belang is duidelijk te maken dat er vanuit ons verstaan van het evangelie, goede gronden zijn voor steun voor voorgenomen wijzigingen in het familierecht. 
De remonstranten hebben bovendien, zoals reeds eerder gezegd, ruim tien jaar geleden met een vergelijkbare discussie gevoerd als nu de hele Nederlandse samenleving. Aan het toen genomen besluit over onze kerkorde is een zeer breed beraad voorafgegaan in alle lagen van onze kerkgemeenschap. Het bleek daarbij dat dankzij intensieve gesprekken een groot draagvlak ontstond voor de uiteindelijke besluiten. Wij hopen en verwachten dat er ook rond de bepleite veranderingen in het familierecht een dergelijk breed draagvlak zal ontstaan.

naar boven


voor het laatst bijgewerkt: 04/02/2001