de Remonstrantse Broederschap
Wilfried Hensen: in memoriam
archief
webmaster
In memoriam Wilfried Hensen (1920-2003)

In augustus 2003 overleed de remonstrantse predikant Wilfried Hensen (83). 

Velen herinneren zich Wilfried als een man die uitstraalde dat hij met God trachtte te leven. Hij schrijft in zijn laatste boek: "Vanaf mijn vroege jeugd heb ik geleefd in verlangen naar God. Dat verlangen is nooit verloren gegaan, ook niet in tijden van onrust en ontrouw… Het is alsof wij een kompas hebben in het diepst van onszelf, waarvan de naald uitslaat naar het goddelijke, dat eerder was dan wij en dat alles tot het aanzijn riep. Ons heimwee drijft ons in de richting van die Verborgene. (in: Waar is God gebleven?) Hij leed eronder dat ook in bepaalde vrijzinnig-christelijke kringen het bewustzijn van het werkelijk bestaan van God verloren dreigt te gaan. Hij is gestorven in gelovig vertrouwen dat hij mocht binnengaan "dans la douce pitié de Dieu", in het tedere medelijden van God (Bernanos).

Levengevende intimiteit
Geboren en opgegroeid als katholiek is hij jarenlang als pater Dominicaan actief geweest in de katholieke kerk. Hij leidde veel retraites en heeft veel voordrachten gehouden. Hij was betrokken bij de opleiding van Dominicanen in Zwolle, medeoprichter van het nog bestaande tijdschrift Kerygma, actief in het beginnende oecumenische gesprek en korte tijd studentenpredikant in Nijmegen. Na een geloofscrisis ging hij over naar de Remonstrantse Broederschap in 1966. In dat jaar trad hij ook in het huwelijk, waaruit één zoon geboren werd.

Na een stafdocentschap van zestien jaar aan de Sociale Akademie in Hengelo, werd hij op zijn 64e predikant van de remonstrantse gemeente Doesburg voor een periode van zes jaar. In die tijd en daarna was hij o.a. betrokken bij de leiding van retraites en zeer actief in de Remonstrantse Orde. Tussen 1993 en 2001 schreef hij zes boeken, die, op het eerste na, gaan over onze persoonlijke omgang met God en Christus. De overgave aan God in verbondenheid met Christus was voor hem essentiëel. Tegen de vervaging van de centrale plaats van Christus in ons geloof getuigde hij steeds krachtiger dat de nu levende Christus actief werkzaam in ons leven is. In zijn laatste boek Waar is God gebleven? schrijft hij: "Er is in de evangeliën geen woord dat mij de jaren door sterker heeft aangesproken dan Jezus uitnodiging bij Matteüs: 'Komt allen tot Mij die uitgeput zijt en onder lasten gebukt, en Ik zal u rust en verlichting schenken. Neemt mijn juk op uw schouders en leert van Mij: Ik ben zachtmoedig en nederig van hart; en gij zult rust vinden voor uw zielen, want mijn juk is zacht en mijn last is licht'" (Matteüs 11,28-30). Hij zocht en vond God in Christus. Dat Christus in de remonstrantse geloofsbelijdenis van 1940 met woorden van Paulus "beeltenis van Gods heilig wezen en openbaring van Zijn genade" wordt genoemd, was hem zeer dierbaar. Steeds benadrukte hij dat alleen het christelijk geloof belijdt dat God in Christus deel heeft aan ons menselijke bestaan en zo verzoenend en verlossend aanwezig is. Christus is meer dan een navolgenswaardig voorbeeld, of de representant van het universele menszijn of de leermeester bij uitstek van een door liefde geïnspireerde ethiek of de prediker van een verdiept Gods bewustzijn. De waarheid waarover Jezus spreekt is niet een stelling of een leer, of een verstandelijke uitleg van iets. Het is de relatie, de levengevende intimiteit tussen Hem en de Vader, waarin Hij ons wil laten delen. Hij wist zich hierin verwant met de remonstrantse theoloog Roessingh.

Verbonden met Christus
Op het ijsselconvent van Remonstrantse predikanten op 25 februari van dit jaar verduidelijkte hij dit als volgt. In Christus komt Gods liefde ons nu nabij, die ons bevrijdt uit de macht van zonde en kwaad. Niet alleen van het morele kwaad maar ook van het fysieke kwaad: ziekte, lijden en dood, en van het psychische kwaad in al zijn vormen. Doordat Jezus de diepste menselijke angst, de God-verlatenheid, en de eenzaamheid heeft ervaren, deelt hij het lot van alle mensen met psychische trauma's. In zijn lijden en sterven is alle lijden en sterven van alle mensen opgenomen en binnengebracht in de helende kracht van Gods liefde, die geneest, heelt, verzoent en toekomst schenkt. Hij zei vaak: "als ik mensen zie lijden, fysiek of psychisch, zie ik in hen het verborgen gelaat van Christus die met hen meelijdt". Dat was voor hem de betekenis van Jezus' kruisdood, die hij niet als een zoenoffer voor onze zonden zag. De in de tegenwoordige tijd gestelde woorden van diezelfde remonstrantse belijdenis van 1940: "Christus brengt ons Gods eeuwige liefde nabij die vergeeft en verzoent" waren voor hem een belangrijke reden om toe te treden tot de Remonstrantse Broederschap in 1966. Het steeds dieper binnengaan in het Christusgeheim was een groot verlangen in hem. Hij probeerde dit geheim ook in zijn schilderijen uit te beelden.
Zijn mystiek geteinte katholieke verleden kreeg in de laatste tien jaren van zijn leven weer een sterkere plaats. Maar hij wilde beslist niet terug naar de voor hem te gesloten dogmatische Rooms Katholieke kerk.

In verbondenheid met Christus heeft hij ook de laatste weken van zijn leven geleefd. Vaak bad hij in zijn laatste weken en dagen tot Christus met enigszins aangepaste woorden uit het Stabat Mater: "Christe, cum sit hinc exire, da per matrem me venire ad perennem gloriam", "Christus, wil mij, als ik moet heengaan van hier, door uw moeder geleiden naar de eeuwige glorie". In die eeuwige glorie, dat tedere mededogen van God is hij nu in verbondenheid met Christus Jezus voor goed mogen binnen gaan.

Ries Kassens
 

naar boven


voor het laatst bijgewerkt: 12/09/2003