|
de Remonstrantse Broederschap
Gerrit Hoenderdaal: in memoriam
|
archief
webmaster |
||||||||||||||||
| Tussen de uitersten
Op 21 augustus 1998 is prof. dr. G.J. – Gerrit – Hoenderdaal overleden, 88 jaar oud. Een markant remonstrant, toegewijd pastor, inspirerend leermeester. Vrijwel tot het laatst leefde hij intens mee met het wel en wee van de Remonstrantse Broederschap. Dat liet hij sommigen middels brieven of telefoontjes weten: kritisch maar altijd loyaal dacht hij mee over waar het heen ging, heen móest met de kerk, en vooral met de vrijzinnige geloofsgemeenschap die hij zoveel jaren had gediend. Als predikant was Hoenderdaal in Boskoop/Waddinxveen begonnen. In de oorlogsjaren stond hij in Rotterdam en Arnhem – uitgerekend dáár: de herinneringen zouden onuitwisbaar zijn. Daarop volgde in de jaren vijftig Amsterdam, war maatschappelijk en cultureel zo oneindig veel gebeurde. In 1958 werd hij hoogleraar van het Remonstrants Seminarium in Leiden. Hij bleef het tot zijn emeritaat, 1 januari 1978.
"Eigenlijk was het", zei hij me eens, "een dubbele baan: naast het onderwijs, de geleerdheid in Leiden, had ik een baan in Utrecht". Die stad stond voor: het bestuurlijke werk, binnen de Broederschap (als lid van de Commissie tot de Zaken en van vele andere commissies), en daarbuiten. Hij vertegenwoordigde de remonstranten in oecumenische contacten, was afgevaardigde naar assemblees van Wereldraad en WARC,. Maar met 'een dubbele baan' was nog niet eens alles gezegd. De Leidse 'baan' was immers op zichzelf al tweevoudig: naast het kerkelijk hoogleraarschap met die brede leeropdracht: systematische, bijbelse en praktische theologie, remonstrantse geschiedenis, bekleedde Hoenderdaal vanaf 1960 ook een buitengewoon hoogleraarschap: de verhouding van christendom en cultuur. Die benoeming betekende een erkenning van zijn diepgaande kennis op dit gebied. En in 1971 kreeg hij bovendien een leeropdracht vanwege de Nederlandse Hervormde Kerk (dogmatiek, liturgiek, vaderlandse kerkgeschiedenis). Dat was vooral een bezegeling van de nieuwe relatie die in de jaren zestig, o.a. door zijn toedoen, was gegroeid tussen de N.H. Kerk en de remonstranten. Wie op zoveel terreinen wil meepraten, moet van veel markten thuis zijn, en dat was Hoenderdaal. Maar onvermijdelijk met een gevoel van ambivalentie. Het was zijn stijl om breeduit theologie te bedrijven, een wijd panorama overziend, maar soms vreesde hij te versnipperd bezig te zijn. Moest hij zich niet op één ding richten? Wat was hij eigenlijk: dogmaticus, filosoof, historicus, liturgiewetenschapper, praktisch theoloog, oecumenicus? Het boeiendst vond hij de verbanden tussen al die disciplines. En op gevaar af ergens tussen zijn leerstoelen in te belanden, probeerde hij die verbanden te leggen. We hebben er studies aan te danken op uiteenlopende terreinen, maar bijna alle met een breedheid van blik die in een tijd van specialistendom verfrissend aandoet. (Ik schrijf 'bijna', omdat Hoenderdaal in historische studies over o.a. Arminius en de Remonstrantie toonde wel degelijk ook specialist te kunnen zijn). Tussen-denken
De mens in tweestrijd (1956) was Hoenderdaals, nog altijd lezenswaardige, inleiding in de antropologie. Met zwier bewoog hij zich tussen filosofie en theologie: Kant, Sartre naast Paulus, Calvijn. Maar het 'tussen-denken' zit vooral in het geschetste mensbeeld zelf: de mens staat tussen natuur en cultuur, vrijheid en gebondenheid, individualiteit en gemeenschap. Hoenderdaal mijdt extremen. Een al te rooskleurig idee over wat de mens vermag wijst hij af – oorlog en existentialisme hebben hem zulk idealisme afgeleerd. Maar van het verabsoluteren van menselijk onvermogen, schuld is hij even afkerig. Mens-worden is een waagstuk, tussen mogelijk- en onmogelijkheden. Die studie lijkt een oefening voor het gesprek met de hervormden over 'uitverkiezing', dat enkele jaren later volgde. Daarin moesten de remonstranten erkennen dat het enkel benadrukken van vrijheid tot vertekeningen leidt, terwijl hun gesprekspartners erkenden dat er moeilijk te leven valt met het donkere beeld van de mens die tot niets goeds bekwaam is. "Tussen-denken' vinden we ook in Geloven in de Heilige Geest (1968). Nu bewoog Hoenderdaal zich op het grensvlak van bijbelse theologie en dogmatiek. En ook nu zocht hij de tussenweg. Het moge waar zijn dat Gods Geest veelal dwars tegen alles wat mensen bedenken ingaat. Maar je moet dat niet verabsoluteren. Alsof de menselijke geest vanuit zichzelf dwars op het goddelijke staat. Alsof er geen reiken van de mensengeest naar God kan zijn, geen openheid van de geest voor de Heilige Geest. De verhouding tussen God en mens wordt hier, goed-remonstrants, niet éénzijdig voorgesteld als enkel Gods initiatief, maar als een interactie, dialoog tussen mensen die vragen naar God en God die wil antwoorden. Geloof gaat toch niet buiten het menselijke ervaren, vragen, verlangen om? Derde voorbeeld: Riskant spel (1977), het boek over 'liturgie in een geseculariseerde wereld'. Of het Hoenderdaals belangrijkste bijdrage was op dit terrein? Misschien was zijn werk in de commissie die het Liedboek voor de Kerken voorbereidde even belangrijk, maar dat was anoniemer (dat het 'Compendium' bij het Liedboek besluit met een foto van de aanbieding van het eerste exemplaar juist aan Hoenderdaal heb ik altijd gezien als stille erkenning van zijn verdiensten in deze). In Riskant spel probeerde hij het verschijnsel liturgie te verhelderen vanuit antropologie en menswetenschappen. En ook hier prees hij een 'tussen-denken' (of 'tussen-doen') aan: tussen spontaneïteit en ordelijkheid; tussen de wijsheid van oude tradities en de noodzaak van eigen, eigentijdse verwoording; tussen het risico van vernieuwing en (alsjeblieft!) stijl, smaak; tussen wat 'moet', omdat het 'evangelisch relevant' is, en wat 'mag', als een vreugdevol spel voor Gods aangezicht. Natuurlijk, ook de meest speelse, spontane, schone liturgie kan niet bewerken dat God aanwezig is, maar hij kan helpen open te zijn voor Gods licht – en soms menen we heel zeker te weten dat het door onze woorden heen Gods woorden zijn die klinken. Tenslotte, in Het esthetische – een weg tot geloof? (1982) sneed Hoenderdaal een thema aan dat hem wellicht meer dan welk ander thema ook bezighield: de verhouding tussen esthetische ervaring en geloof. Zijn dissertatie (1948) ging er al over. "Dit is", schreef hij mij eens, "nu een van de stukken waarin ik weinig veranderd ben". Wie Hoenderdaal kende wist hoezeer hij leefde met de grote scheppingen van onze cultuur. Hoeveel malen zal hij Beethovens pianosonates zelf hebben doorgespeeld? Over Bachs passionen hield hij boeiende lezingen – al als predikant en in zijn laatste levensjaren nóg. Over het licht in de kerk van Ronchamp of in een Toscaanse stad kon hij lyrisch spreken. Om Dante te lezen had hij Italiaans geleerd en van Hölderlin, Rilke, Nijhoff had hij vele regels paraat. Brengt dat alles een mens nader tot God? Is de volkomenheid die we in sommige kunstwerken ervaren een verwijzing naar Gods volmaaktheid? Zo eenvoudig lag dat voor hem toch niet. Hij wist dat velen de schoonheden van de cultuur, ook van religieuze werken, kunnen genieten zonder zelf gelovig te worden. Maar anderzijds: dat een kunstwerk, als eindige menselijke schepping, helemaal niets met God te maken zou hebben, ja slechts (zoals orthodoxen soms beweren) afleidt van God, wilde er bij hem niet in. Ook hier een 'tussen-denken': esthetische ervaring leidt niet vanzelf naar God, maar wie enig besef heeft van God, kan soms door het esthetische verder geholpen worden op de weg naar God. De ruimte in een Bruckner-symfonie kan je, als je die gevoeligheid hebt, iets van Gods verhevenheid vertellen; in een stralend moment bij Beethoven kan iets van het goddelijk licht voor je doorbreken; in het wonder van woorden die tot werkelijke poëzie worden verheven, kun je iets als een scheppingswonder ervaren. Het geloof kan aan de esthetische ervaring een dieptedimensie geven, zoals omgekeerd die ervaring het geloof kan sterken. Wie, zoals ik, leerling van Hoenderdaal mocht zijn, herkent bij het bladeren door die boeken de vertrouwde gedachten. Je beseft met dankbaarheid hoezeer je door zijn denktrant gevormd bent: 'tussen-denken', wars van extremen. En soms is het alsof je hem de dingen weer hoort zeggen, met de allure van iemand die altijd voorbeelden en citaten bij de hand heeft; alsof je hem weer hoort, vaak mild, de tussenweg zoekend, humoristisch, soms ongeduldig, uithalend naar wie of wat in zijn ogen geen kwaliteit had. Het is, zo besef je, inderdaad maar 'alsof'. Hij zal zijn kritische en stimulerende commentaren niet meer laten horen, maar laat ons veel na waarmee we verder mogen gaan. In wat ik hierboven aanhaalde zit een grondtoon: vertrouwen in mensen en hun mogelijkheden (bij alle ónmogelijkheden). Ze kunnen zich vrij-spelen, ze reiken boven zichzelf uit, hun geest kan zich openen voor Gods Geest. In de verhevenheid van hun scheppingen ervaren wij soms een 'voorsmaak' van de heelheid en lichtheid die God ons beloofde (Het esthetische, p. 75). Van die 'voorsmaak' heeft Gerrit Hoenderdaal genoten. In dat vertrouwen heeft hij met wie hem lief waren geleefd. Moge hij nu zijn in dat licht waarvan hij, gespiegeld in mensenwerken, de eerste sporen al zo vaak zag. Th.M. van Leeuwen, hoogleraar Remonstrants Seminarium |
|||||||||||||||||
|
Dansen voor God (Uit: G.J. Hoenderdaal, Riskant spel, pag. 194, 195) "Een van de meest wonderlijke kapitelen (van de kerk van de heilige
Petrus in Chauvigny, red.) is dat van de danser tussen de leeuwen. Een
man met twee lichamen, vier voeten en één hoofd, danst terwijl
de leeuwen hem in de schouders bijten. Hij houdt hen bij de achterpoten
vast, het lijkt alsof de dieren daardoor machteloos zijn. (…)
Neergedwongen in de lage zedenMarsman wist wat ging komen en hij werd er het slachtoffer van. Hij viel ten prooi aan de dieren waar hij schichtig tussen ging. Hij kende niet de dans der onaantastbaarheid. Maar hij wist wel de richting waarin hij het moest zoeken om aan de dieren te ontkomen: laat één ster, een onaanzienlijk teekenEen liturgie is een dans tussen de dieren. Wij vieren het feest in een wereld die ons dreigt te verslinden. (…) Kunnen wij onze liturgie nog zo beleven als een dans voor de Heer, waarin de demonen onschadelijk worden gemaakt? Ik vrees dat we niet veel verder komen dan Marsmans hoop op het ene onaanzienlijke teken. Maar die hoop is niet nietig. Een klein teken, een klein geloof kan tot een dragende kracht uitgroeien in ons leven. (…) Toch zou ik willen dat we konden dansen als de danser in Chauvigny. (…) Liturgie als feest van de vrijheid, waarin we door Christus zijn geplaatst. Liturgie als werkelijke viering ter ere Gods. Maar geen dans, geen feest en viering met gesloten ogen. Geen glanzende lofzang zonder weet van dreiging en ellende. De dieren worden duidelijk herkend maar de danser pakt ze bij de achterpoot; hij is vrij, moedig, gelovig, hij voelt de beten niet. Zo staat de liturg als een dwaas in deze sombere godvergeten tijd."
|
|||||||||||||||||
| naar boven | |||||||||||||||||
|
voor het laatst bijgewerkt: 11/09/2003 |
|||||||||||||||||