|
Het is een merkwaardig gevoel om hier voor u mijn jaarrede
2002 te houden. Over een kwartier ben ik een gewoon lid van de Remonstrantse
Broederschap, niets meer en niets minder, zonder enige functie in ons kerkgenootschap,
dit in tegenstelling tot u allen. Over het beleid van de Broederschap heb
ik straks niets te vertellen. In de volgende rede zult u mij vaak ik of
mij horen zeggen, om het komende bestuur niet voor de voeten te lopen.
Misschien vertolk ik een beetje de gedachten van een deel der Remonstranten,
of misschien valt deze rede weg in de peilloze diepten van onze website.
De schokkende gebeurtenissen van het afgelopen halfjaar hebben ons geen
van allen onberoerd gelaten. 11 september met de daaropvolgende oorlog,
de acties in Israël en Palestina, de politieke omwentelingen in Nederland,
de moord op Pim Fortuyn. In heel korte tijd hebben zich ingrijpende gebeurtenissen
afgespeeld, die diep ingrijpen in het gevoel dat de wereld te begrijpen
is, dat in het algemeen redelijke krachten heersen, en van ‘de wereld is
zo slecht nog niet’. Het was een onthutsende ervaring, die je de vraag
doet stellen naar de eigen plaats in de maatschappij en naar de eigen normen
en waarden.
Waarden als eerbied voor het leven, eerbied voor elkaars overtuigingen,
betrouwbaarheid van afspraken, oprechtheid stonden op een vreselijke manier
op de tocht. Sterker nog, sommige voor mij buiten discussie staande basiswaarden
blijken door een grote groep anderen niet gedeeld te worden. Een voorbeeld:
ik vond het schokkend dat in deze sfeer oprechte woorden van ontzetting
en afkeuring over de moord op Fortuyn openlijk in twijfel konden worden
getrokken, omdat de spreker zich in een eerdere instantie tegen de visie
van de vermoorde heeft gekeerd.
In deze sfeer komen ook de basiswaarden, al dan niet verankerd in onze
Grondwet, scherper dan vroeger tegenover elkaar te staan. Het recht van
vrijheid van meningsuiting werd van oudsher begrensd door het verbod te
discrimineren - en omgekeerd. ‘Mijn vrijheid eindigt waar deze ten
koste van de ander gaat’. Maar waar gaat het om: dat ik me gediscrimineerd
voel door wat u zegt, of dat ik in feite gediscrimineerd word? Mogen we
harde maatregelen nemen tegen bolletjesslikkers, of discrimineren we daarmee
de passagiers omdat voornamelijk Antillianen in het profiel passen?
Een discrinimatieverbod en vrijheid van godsdienst lijken tegenwoordig
zo ‘heilig’ dat de rechten van anderen het daar per definitie tegen moeten
afleggen. Laat je je leiden door de politieke correctheid die moeilijke
zaken onhelder in beeld brengt? Heeft het zin als we het woord neger uit
Van Dale verwijderen of is dat alleen politiek correct? Misschien zijn
politiek correcte woorden en keuzes onvermijdelijk, maar we moeten proberen
de de feiten neutraal onder ogen te blijven zien. Basisbeginselen en kernwaarden
zijn niet eenduidig of onomstreden, net zo min als waarden als stijl en
fatsoen.
Deze week stond in Trouw een opmerkelijk essay van Anton de Wit onder
de titel ‘in het alledaagse is het fatsoen dood’. Fatsoen hoort bij een
samenleving die van afstand bewaren weet zegt hij, en dat afstand staat
voor respect. Een fatsoenlijke samenleving is niet zozeer een samenleving
waarin de deelnemers goede manieren hoog in het vaandel hebben, maar het
is een samenleving waarin de instituties mensen niet vernederen. Fatsoen
is niet kleinburgerlijk, moralistisch en zelfingenomen; fatsoen is juist
een hoogst persoonlijke uiting, een weerspiegeling van individuele normen
en waarden. En, zegt hij, we leven in een wereld waar afstanden onbelangrijk
zijn geworden. We bellen met ons GSM-metje vanaf Mauritius om de grasmaaier
te laten ophalen, en alle informatie is te vinden op Internet. De Wit suggereert
dat deze virtuele wereld die we geschapen hebben een nabootsing is van
de werkelijkheid, zonder het element afstand. En als die afstanden verdwenen
zijn, dan zijn we toch allemaal gelijk? Spreek de ander maar aan met jij
en jou, en behandel hem alleen respectvol als je hem nodig hebt. Want waarom
zou je overigens nog fatsoensnormen onderhouden? Aan het feit dat
een ander zich geschoffeerd voelt hoef je toch geen boodschap te hebben?
In zo’n situatie is een netiquette nodig en is er weer belangstelling voor
gewone etiquette. De Wit relateert onbeschoftheid aan een doorgeschoten
idee van gelijkheid, en ik deel zijn mening. Onfatsoen is mensonwaardig,
het ontkent mijn oprecht gevoelde normen en waarden en maakt ze belachelijk.
En dus is het belangrijk dat wij die hoogst persoonlijke uitingen, die
weerspiegeling van de eigen normen en waarden, laten we zeggen het fatsoen,
weer een plaats geven in het dagelijks leven.
Het vertrouwen van mensen in hun instituties holt achteruit, lees ik
in de krant. Het paarse kabinet dat vier jaar lang geen buitengewone kritiek
heeft gehad, blijkt binnen enkele maanden in de ogen van een groot deel
van de Nederlanders onbetrouwbaar te zijn, en het is niet eerlijk geweest
over zijn doen en laten. ‘Het heeft niets voorgesteld’, schreef een der
deelnemende ministers naar zijn partij. Ik lees ook dat de consument geen
vertrouwen heeft in de economie, wat terug te voeren is op de hoge inflatie
en het gevoel dat alles door invoering van de euro duurder is geworden.
Dit werd ontkend, maar blijkt waar te zijn.
Het vertrouwen in de instituties holt dus achteruit. Het is logisch
om die lijn door te trekken naar onze geloofsgemeenschap. Wat voelt iemand
voor een kerk? Het is een bekend verhaal. Mensen willen zich niet meer
binden aan instituties. Zij voelen zich betrokken, participeren een
tijdje vaak met grote inzet in de activiteiten c.q. denkbeelden van een
organisatie, maar willen niet lid worden, hoogstens zich als betrokkene
aanmelden. Dat is bij kerken zo, maar ook bij sportverenigingen, muziekclubs
etc. Tegelijkertijd is er een duidelijk behoefte aan voeding voor hun leven,
noem het spiritualiteit, maar niet per se op zondag en niet per se in een
kerkgebouw.
Een kerkgenootschap als het onze kan iets bieden wat deze mensen zoeken.
Wij hebben krachten en beginselen, zoals de woorden van de Bijbel, vrijheid
en verdraagzaamheid, samen kerk zijn, maar ook relativering en niet-dogmatisch
denken die één voedingsbodem bieden om vanuit te leven. Eén
voedingsbodem, zeg ik met nadruk. Ik ben ook bang dat we bezig zijn onszelf
onzichtbaar te maken, als een diffuze vlek zonder eigen gezicht. Zoals
ik in het dagelijks leven iets zie van doorgeschoten gelijkheid, zo voel
ik onze kerkgemeenschap iets van ‘doorgeschoten tolerantie’. Tolerantie
is een van onze basiswaarden, maar de tolerantie gaat soms te ver. Alles
moet immers kunnen in onze kerken. Starten met een slotlied en eindigen
met een openingslied? Wollen sokken en sandalen onder de spijkerbroek op
de kansel? Een politiek correct gevoel van tolerantie verhindert dat er
tegenwerk wordt gegeven tegen het woord van de eenling dat het antwoordlied
moet worden afgeschaft. De predikant wenst in een wit gewaad (of groen,
of rood) op de kansel te staan. De gemeente stelt niet eens de vraag op
welke beginselen dit berust, want de gemeente is pro-tolerantie en anti-vrijheidsbeperking,
maar dus ook anti-kritische vragen stellen en anti-historie. De liturgie
lijkt soms niet te onderscheiden van een gereformeerde of hervormde liturgie.
Wegzending en zegen? Doet onze gemeente niet meer. Nou en? Zonder te pleiten
voor het behoud van alles uit het verleden pleit ik wel voor een open discussie
over de waarden van de Broederschap. Een discussie in een samenhangende
Broederschap, waarin autonome gemeenten een eigen rol vervullen. In mijn
visie betekent dat niet dat die autonome gemeenten semi-gereformeerd, semi-hervormd
of semi-niks zijn. Ook in hun lokale samenwerkingsvormen (met de daarbij
behorende problemen) horen zij bij de ene Broederschap en is het belangrijk
dat zij dat gedachtengoed kennen en hooghouden. Onze erediensten worden
nu te vaak aangepast op het ‘u vraagt wij draaien’, maar dat is dan volgens
mij ‘doorgeschoten klantvriendelijkheid’. Laten we blijven zoeken naar
de manier om de traditie voort te zetten op een moderne manier, zodat we
onszelf trouw kunnen blijven.
Ik zeg dit vanuit een groot vertrouwen in de toekomst van de RB. Een
vriendin maakte mij attent op een verhaal, dat in 1999 in het Oecumenisch
Maandblad ‘Open deur’ heeft gestaan. Een verhaaltje van tien kleine gelovigen,
die een voor een afhaken. Het verhaaltje is voor mij veel te gemakkelijk,
al spelen voor ons ouderdom, geen tijd, de kinderen willen niet, het klikt
niet met de predikant ook een rol. Ik geloof wel, met het verhaaltje, dat
de tien kleine gelovigen kunnen uitgroeien tot 1000 kleine gelovigen, mits
ze voldoen aan de volgende voorwaarden:
-
blijven praten over hun geloof in termen van de maatschappij, ruimte, verdraagzaamheid
en leven. In de beste marketing termen, met excuses voor het woord: het
gaat om de experience die om het produkt hangt. Het gaat erom wat je in
het geloof, in een kerkgenootschap kunt beleven, en dat kunnen mensen je
vertellen.
-
blijven handelen op grond van hun geloof.
-
blijven praten met anderen, hoe kritisch of onverschillig die misschien
ten opzichte van een kerk staan. Blijven zeggen dat je staat voor
waarden waarin je gelooft. Zo’n individuele mening is goed voor jou en
verheldert het profiel van waaruit je wilt leven.
-
opkomen voor hun ‘organisatie’ en daarmee opkomen voor de basiswaarden
ven het Remonstrants eigene. Proberen samen één kerk te zijn,
met lokale accenten. Leren van het eigene van anderen. Denken aan het verleden
met het oog op de toekomst. Een versterkte kennisverwerving kan hiervoor
alleen maar nuttig zijn.
Om die ene kerk van ons zit een landelijke band. Een touwtje, of
als u wilt een elastiekje. De CoZa is het bestuur van die kerk, en de algemene
vergadering is het hoogste orgaan. Ik kom regelmatig remonstranten tegen
die zich afvragen wat wij in de CoZa eigenlijk doen. Ik kom ook remonstranten
tegen die er van overtuigd zijn dat wij nooit in een kerk komen en niet
weten wat er in gemeenten leeft. Er zijn ook remonstranten die het allemaal
onzin vinden, dat gedoe in Utrecht. Mocht de RB in financiële problemen
komen, dan schaf je dat centrale gedoe toch af? Behalve onze algemeen secretaris
natuurlijk, die moet blijven, maar als die weg is kan het geld beter aan
de gemeenten ten goede komen.
In mijn visie is onze organisatievorm voor ons de enig mogelijke, en
een die goed werkt.
We hebben autonome gemeenten, die zicht hebben op wat hun klanten willen.
Die meelopen in de cultuur van de geografische omgeving, maar die zich
bijvoorbeeld niet dagelijks bezig hoeven te houden met de vertaling van
het landelijk beleid in de inbreng in de Raad van Kerken, in het geheel
van de niet-dogmatische geloofsgemeenschappen, of in de arbeidsvoorwaarden
voor hun predikanten. Daarvoor hebben we de Commissie tot de Zaken, een
onmisbaar orgaan dat veel werk verzet. Weet dat de leden van de CoZa veel
tijd besteden aan uw en onze zaak, dat ze met grote deskundigheid problemen
oplossen die voor het goed functioneren van de kerk essentieel zijn. Zij
offeren een behoorlijk deel van hun tijd, maar doen dat van ganser harte.
Ik hoop dat u straks in uw applaus ook voor hen applaudisseert.
Dat neemt niet weg dat het uitzetten van het beleid bij u ligt, in uw
algemene vergadering. De CoZa doet zijn best om de a.v’s geen verplicht
nummer te laten zijn, maar besluiten moeten nu eenmaal worden genomen.
De CoZa bereidt die besluiten slechts voor. Het moet niet zijn zoals een
gewaardeerd kerkenraadslid mij zei: ‘dat besluit hameren jullie er toch
wel even doorheen?’ In de woorden van de nieuw-benoemde voorzitter van
de Tweede Kamer: je moet streven naar kortere en aantrekkelijker debatten,
om de (politieke) discussie in de samenleving terug te krijgen. Hoe je
die levendige discussie vorm kunt geven, over zaken die ons bezighouden,
is een grote opdracht voor de komende CoZa en zijn nieuwe voorzitter. Ik
wens u en hen veel wijsheid, om onze kernwaarden in onze geloofsgemeenschap
en onze geloofsgemeenschap zelf verder te brengen.
|