de Remonstrantse Broederschap
één voedingsbodem
archief
webmaster
Op 1 juni 2002 sprak de voorzitter van de Remonstrantse Broederschap, mevr. C.I.Th. Bierlaagh, onderstaande jaarrede uit.
Het is een merkwaardig gevoel om hier voor u mijn jaarrede 2002 te houden. Over een kwartier ben ik een gewoon lid van de Remonstrantse Broederschap, niets meer en niets minder, zonder enige functie in ons kerkgenootschap, dit in tegenstelling tot u allen. Over het beleid van de Broederschap heb ik straks niets te vertellen. In de volgende rede zult u mij vaak ik of mij horen zeggen, om het komende bestuur niet voor de voeten te lopen. Misschien vertolk ik een beetje de gedachten van een deel der Remonstranten, of misschien valt deze rede weg in de peilloze diepten van onze website.

De schokkende gebeurtenissen van het afgelopen halfjaar hebben ons geen van allen onberoerd gelaten. 11 september met de daaropvolgende oorlog, de acties in Israël en Palestina, de politieke omwentelingen in Nederland, de moord op Pim Fortuyn. In heel korte tijd hebben zich ingrijpende gebeurtenissen afgespeeld, die diep ingrijpen in het  gevoel dat de wereld te begrijpen is, dat in het algemeen redelijke krachten heersen, en van ‘de wereld is zo slecht nog niet’. Het was een onthutsende ervaring, die je de vraag doet stellen naar de eigen plaats in de maatschappij en naar de eigen normen en waarden.
Waarden als eerbied voor het leven, eerbied voor elkaars overtuigingen, betrouwbaarheid van afspraken, oprechtheid stonden op een vreselijke manier op de tocht. Sterker nog, sommige voor mij buiten discussie staande basiswaarden blijken door een grote groep anderen niet gedeeld te worden. Een voorbeeld: ik vond het schokkend dat in deze sfeer oprechte woorden van ontzetting en afkeuring over de moord op Fortuyn openlijk in twijfel konden worden getrokken, omdat de spreker zich in een eerdere instantie tegen de visie van de vermoorde heeft gekeerd. 
In deze sfeer komen ook de basiswaarden, al dan niet verankerd in onze Grondwet, scherper dan vroeger tegenover elkaar te staan. Het recht van vrijheid van meningsuiting werd van oudsher begrensd door het verbod te discrimineren - en  omgekeerd. ‘Mijn vrijheid eindigt waar deze ten koste van de ander gaat’. Maar waar gaat het om: dat ik me gediscrimineerd voel door wat u zegt, of dat ik in feite gediscrimineerd word? Mogen we harde maatregelen nemen tegen bolletjesslikkers, of discrimineren we daarmee de passagiers omdat voornamelijk Antillianen in het profiel passen?  Een discrinimatieverbod en vrijheid van godsdienst lijken tegenwoordig zo ‘heilig’ dat de rechten van anderen het daar per definitie tegen moeten afleggen. Laat je je leiden door de politieke correctheid die moeilijke zaken onhelder in beeld brengt? Heeft het zin als we het woord neger uit Van Dale verwijderen of is dat alleen politiek correct? Misschien zijn politiek correcte woorden en keuzes onvermijdelijk, maar we moeten proberen de de feiten neutraal onder ogen te blijven zien. Basisbeginselen en kernwaarden zijn niet eenduidig of onomstreden, net zo min als waarden als stijl en fatsoen.

Deze week stond in Trouw een opmerkelijk essay van Anton de Wit onder de titel ‘in het alledaagse is het fatsoen dood’. Fatsoen hoort bij een samenleving die van afstand bewaren weet zegt hij, en dat afstand staat voor respect. Een fatsoenlijke samenleving is niet zozeer een samenleving waarin de deelnemers goede manieren hoog in het vaandel hebben, maar het is een samenleving waarin de instituties mensen niet vernederen. Fatsoen is niet kleinburgerlijk, moralistisch en zelfingenomen; fatsoen is juist een hoogst persoonlijke uiting, een weerspiegeling van individuele normen en waarden. En, zegt hij, we leven in een wereld waar afstanden onbelangrijk zijn geworden. We bellen met ons GSM-metje vanaf Mauritius om de grasmaaier te laten ophalen, en alle informatie is te vinden op Internet. De Wit suggereert dat deze virtuele wereld die we geschapen hebben een nabootsing is van de werkelijkheid, zonder het element afstand. En als die afstanden verdwenen zijn, dan zijn we toch allemaal gelijk? Spreek de ander maar aan met jij en jou, en behandel hem alleen respectvol als je hem nodig hebt. Want waarom zou je overigens nog fatsoensnormen  onderhouden? Aan het feit dat een ander zich geschoffeerd voelt hoef je toch geen boodschap te hebben? In zo’n situatie is een netiquette nodig en is er weer belangstelling voor gewone etiquette. De Wit relateert onbeschoftheid aan een doorgeschoten idee van gelijkheid, en ik deel zijn mening. Onfatsoen is mensonwaardig, het ontkent mijn oprecht gevoelde normen en waarden en maakt ze belachelijk. En dus is het belangrijk dat wij die hoogst persoonlijke uitingen, die weerspiegeling van de eigen normen en waarden, laten we zeggen het fatsoen, weer een plaats geven in het dagelijks leven. 

Het vertrouwen van mensen in hun instituties holt achteruit, lees ik in de krant. Het paarse kabinet dat vier jaar lang geen buitengewone kritiek heeft gehad, blijkt binnen enkele maanden in de ogen van een groot deel van de Nederlanders onbetrouwbaar te zijn, en het is niet eerlijk geweest over zijn doen en laten. ‘Het heeft niets voorgesteld’, schreef een der deelnemende ministers naar zijn partij. Ik lees ook dat de consument geen vertrouwen heeft in de economie, wat terug te voeren is op de hoge inflatie en het gevoel dat alles door invoering van de euro duurder is geworden. Dit werd ontkend, maar blijkt waar te zijn.
Het vertrouwen in de instituties holt dus achteruit. Het is logisch om die lijn door te trekken naar onze geloofsgemeenschap. Wat voelt iemand voor een kerk? Het is een bekend verhaal. Mensen willen zich niet meer binden aan instituties. Zij  voelen zich betrokken, participeren een tijdje vaak met grote inzet in de activiteiten c.q. denkbeelden van een organisatie, maar willen niet lid worden, hoogstens zich als betrokkene aanmelden. Dat is bij kerken zo, maar ook bij sportverenigingen, muziekclubs etc. Tegelijkertijd is er een duidelijk behoefte aan voeding voor hun leven, noem het spiritualiteit, maar niet per se op zondag en niet per se in een kerkgebouw. 
Een kerkgenootschap als het onze kan iets bieden wat deze mensen zoeken. Wij hebben krachten en beginselen, zoals de woorden van de Bijbel, vrijheid en verdraagzaamheid, samen kerk zijn, maar ook relativering en niet-dogmatisch denken die één voedingsbodem bieden om vanuit te leven. Eén voedingsbodem, zeg ik met nadruk. Ik ben ook bang dat we bezig zijn onszelf onzichtbaar te maken, als een diffuze vlek zonder eigen gezicht. Zoals ik in het dagelijks leven iets zie van doorgeschoten gelijkheid, zo voel ik onze kerkgemeenschap iets van ‘doorgeschoten tolerantie’. Tolerantie is een van onze basiswaarden, maar de tolerantie gaat soms te ver. Alles moet immers kunnen in onze kerken. Starten met een slotlied en eindigen met een openingslied? Wollen sokken en sandalen onder de spijkerbroek op de kansel? Een politiek correct gevoel van tolerantie verhindert dat er tegenwerk wordt gegeven tegen het woord van de eenling dat het antwoordlied moet worden afgeschaft. De predikant wenst in een wit gewaad (of groen, of rood) op de kansel te staan. De gemeente stelt niet eens de vraag op welke beginselen dit berust, want de gemeente is pro-tolerantie en anti-vrijheidsbeperking, maar dus ook anti-kritische vragen stellen en anti-historie. De liturgie lijkt soms niet te onderscheiden van een gereformeerde of hervormde liturgie. Wegzending en zegen? Doet onze gemeente niet meer. Nou en? Zonder te pleiten voor het behoud van alles uit het verleden pleit ik wel voor een open discussie over de waarden van de Broederschap. Een discussie in een samenhangende Broederschap, waarin autonome gemeenten een eigen rol vervullen. In mijn visie betekent dat niet dat die autonome gemeenten semi-gereformeerd, semi-hervormd of semi-niks zijn. Ook in hun lokale samenwerkingsvormen (met de daarbij behorende problemen) horen zij bij de ene Broederschap en is het belangrijk dat zij dat gedachtengoed kennen en hooghouden. Onze erediensten worden nu te vaak aangepast op het ‘u vraagt wij draaien’, maar dat is dan volgens mij ‘doorgeschoten klantvriendelijkheid’. Laten we blijven zoeken naar de manier om de traditie voort te zetten op een moderne manier, zodat we onszelf trouw kunnen blijven. 

Ik zeg dit vanuit een groot vertrouwen in de toekomst van de RB. Een vriendin maakte mij attent op een verhaal, dat in 1999 in het Oecumenisch Maandblad ‘Open deur’ heeft gestaan. Een verhaaltje van tien kleine gelovigen, die een voor een afhaken. Het verhaaltje is voor mij veel te gemakkelijk, al spelen voor ons ouderdom, geen tijd, de kinderen willen niet, het klikt niet met de predikant ook een rol. Ik geloof wel, met het verhaaltje, dat de tien kleine gelovigen kunnen uitgroeien tot 1000 kleine gelovigen, mits ze voldoen aan de volgende voorwaarden: 

  • blijven praten over hun geloof in termen van de maatschappij, ruimte, verdraagzaamheid en leven. In de beste marketing termen, met excuses voor het woord: het gaat om de experience die om het produkt hangt. Het gaat erom wat je in het geloof, in een kerkgenootschap kunt beleven, en dat kunnen mensen je vertellen.
  • blijven handelen op grond van hun geloof.
  • blijven praten met anderen, hoe kritisch of onverschillig die misschien ten opzichte van een kerk staan. Blijven zeggen dat je staat voor  waarden waarin je gelooft. Zo’n individuele mening is goed voor jou en verheldert het profiel van waaruit je wilt leven.
  • opkomen voor hun ‘organisatie’ en daarmee opkomen voor de basiswaarden ven het Remonstrants eigene. Proberen samen één kerk te zijn, met lokale accenten. Leren van het eigene van anderen. Denken aan het verleden met het oog op de toekomst. Een versterkte kennisverwerving kan hiervoor alleen maar nuttig zijn.


Om die ene kerk van ons zit een landelijke band. Een touwtje, of als u wilt een elastiekje. De CoZa is het bestuur van die kerk, en de algemene vergadering is het hoogste orgaan. Ik kom regelmatig remonstranten tegen die zich afvragen wat wij in de CoZa eigenlijk doen. Ik kom ook remonstranten tegen die er van overtuigd zijn dat wij nooit in een kerk komen en niet weten wat er in gemeenten leeft. Er zijn ook remonstranten die het allemaal onzin vinden, dat gedoe in Utrecht. Mocht de RB in financiële problemen komen, dan schaf je dat centrale gedoe toch af? Behalve onze algemeen secretaris natuurlijk, die moet blijven, maar als die weg is kan het geld beter aan de gemeenten ten goede komen.
In mijn visie is onze organisatievorm voor ons de enig mogelijke, en een die goed werkt. 
We hebben autonome gemeenten, die zicht hebben op wat hun klanten willen. Die meelopen in de cultuur van de geografische omgeving, maar die zich bijvoorbeeld niet dagelijks bezig hoeven te houden met de vertaling van het landelijk beleid in de inbreng in de Raad van Kerken, in het geheel van de niet-dogmatische geloofsgemeenschappen, of in de arbeidsvoorwaarden voor hun predikanten. Daarvoor hebben we de Commissie tot de Zaken, een onmisbaar orgaan dat veel werk verzet. Weet dat de leden van de CoZa veel tijd besteden aan uw en onze zaak, dat ze met grote deskundigheid problemen oplossen die voor het goed functioneren van de kerk essentieel zijn. Zij offeren een behoorlijk deel van hun tijd, maar doen dat van ganser harte. Ik hoop dat u straks in uw applaus ook voor hen applaudisseert. 

Dat neemt niet weg dat het uitzetten van het beleid bij u ligt, in uw algemene vergadering. De CoZa doet zijn best om de a.v’s geen verplicht nummer te laten zijn, maar besluiten moeten nu eenmaal worden genomen. De CoZa bereidt die besluiten slechts voor. Het moet niet zijn zoals een gewaardeerd kerkenraadslid mij zei: ‘dat besluit hameren jullie er toch wel even doorheen?’ In de woorden van de nieuw-benoemde voorzitter van de Tweede Kamer: je moet streven naar kortere en aantrekkelijker debatten, om de (politieke) discussie in de samenleving terug te krijgen. Hoe je die levendige discussie vorm kunt geven, over zaken die ons bezighouden, is een grote opdracht voor de komende CoZa en zijn nieuwe voorzitter. Ik wens u en hen veel wijsheid, om onze kernwaarden in onze geloofsgemeenschap en onze geloofsgemeenschap zelf verder te brengen.
 

naar boven


voor het laatst bijgewerkt: 17/06/2001