Remonstrantse Broederschap

 

archief
webmaster
Jaarrede 2006 van Wibren van der Burg,
voorzitter van het landelijk bestuur van de Remonstrantse Broederschap

Algemene Vergadering van Bestuur 
11 juni 2006 in Utrecht
 

De remonstranten: een rijke geschiedenis en een hoopvolle toekomst

Het is vandaag een bijzondere dag. Eerst kregen wij een belijdenis aangeboden door het Convent, en daarna maar liefst twee boeken. Een week eerder was er al de presentatie van een derde boek, namelijk het proefschrift van Tjaard Barnard. Bij dat boek wil ik eerst kort stilstaan. Barnard richt zich op de periode van 1850 tot 1940. Een bewogen periode waarin de Remonstrantse Broederschap ingrijpend veranderde. In 1850 was het nog een bescheiden kerkje met nog geen 3.000 leden dat zijn historische rol vervuld leek te hebben; in 1940 was het een zelfbewuste moderne kerk geworden met bijna 20.000 leden.

Veel thema’s uit die tijd houden ons tegenwoordig, meestal in een iets ander vorm, nog steeds bezig. De verhouding tot de grote Hervormde kerk en tot de kleinere vrijzinnige groeperingen was een centraal thema. Ook toen discussieerde men over de naam, al was destijds de vraag vooral of de benaming remonstrants-gereformeerd geen ongewenste associaties met de calvinistische rechterzijde opriep.

We moeten natuurlijk uitkijken voor te gemakkelijke historische parallellen. Maar één opvallende lijn wil ik er toch uithalen. Dr. Barnard besluit zijn boek in 1940, het eerste oorlogsjaar, maar ook het jaar waarin de nieuwe geloofsbelijdenis werd aangeboden door het Convent en waarin een groep theologen een heldere inleiding tot het godsdienstig leven in de Remonstrantse Broederschap schreef, getiteld Geloofsbezit en levensrichting. Dit boekje wilde de bewustwording stimuleren van het eigen remonstrantse geloof. Het boekje en de geloofsbelijdenis vormden de afsluiting van een proces van enkele decennia, waarin een sterkere inhoudelijke identiteit tot ontwikkeling kwam. In dat proces pasten ook de nieuwe beginselverklaring van 1928, de grotere maatschappelijke bewustwording, die bijvoorbeeld tot uitdrukking kwam in de verklaring van 1935 over de absolute staat, en de grotere inzet voor de oecumene en voor de vrijzinnige samenwerking.

Ik heb het idee dat we momenteel in een enigszins vergelijkbaar proces zitten, waarin een sterker bewustzijn groeit van de eigen remonstrantse identiteit. In mijn vorige jaarrede, Zelfbewust vrijzinnig getiteld, had ik het over de omslag van een negatieve, terughoudende formulering van vrijzinnigheid naar een positieve invulling. Ook daarom ben ik blij met de nieuwe geloofsbelijdenis zoals die ons vandaag door het Convent van Predikanten is aangeboden en met het boek hierover dat hopelijk aanleiding geeft tot nieuwe bezinning.

De productiviteit van onze theologen is groot. Hun publicaties – en zelfs cd’s – bereiken een breder publiek. Ons belijdenisproject trekt veel aandacht vanuit andere kerken. Dat leidt overigens zowel tot stevige kritiek als tot lof en bewondering voor de durf om een dergelijk proces aan te gaan. Het belangrijkste van dit proces is niet de uitkomst, maar het proces van bezinning, zoals ook in 1940 de nieuwe belijdenis en het genoemde boekje de bewustwording wilden stimuleren van het eigen remonstrantse geloof. Het besef lijkt te groeien dat we een waardevolle geloofstraditie hebben die met overtuiging naar buiten mag worden gebracht.

Aan die inhoudelijke profilering en een eigentijdse presentatie daarvan is de afgelopen jaren hard gewerkt. Ik noem de AdRem-debatten en de Remonstrantenlezingen, en het grote aantal lezingen en cursussen dat vanuit het landelijk bureau wordt aangeboden aan de gemeenten. Ik denk ook aan de nieuwe huisstijl, de vernieuwde website en de nieuwe folder. Als voorzitter is het de afgelopen jaren mijn eerste prioriteit geweest om het gezicht van de remonstranten naar buiten te versterken. Met veel plezier heb ik binnen en buiten de Broederschap lezingen gehouden en het debat gezocht en heb ik geprobeerd via publicaties een eigen vrijzinnig geluid te laten horen.
 
Dat inhoudelijke profiel zal ook de komende jaren met kracht moeten worden bevorderd. Een centrale rol is daarbij weggelegd voor Seminarium en Convent. De toekomst van het Seminarium heeft dit jaar veel aandacht vereist, maar gelukkig met goede resultaten. Eens te meer heb ik me daarbij gerealiseerd hoe wezenlijk het Seminarium is voor het voortbestaan en floreren van de Broederschap. Ik denk dat we zeer gelukkig mogen zijn met de wijze waarop Marius van Leeuwen hieraan al jaren gestalte geeft.

Het Convent van Predikanten, opgericht in 1917, speelde in het begin van de vorige eeuw een centrale rol in de discussies over de inhoudelijke richting van de remonstranten. Voor de interne samenhang en voor een helder gezicht naar buiten is het wezenlijk dat ook in de komende jaren het Convent hierin zijn verantwoordelijkheid neemt en daarvoor vanuit de gemeenten en de predikanten voldoende steun en ruimte krijgt. Het is bijvoorbeeld voor de gemeenten en de predikanten zelf van groot belang dat alle pastores zoveel mogelijk deelnemen aan de bijeenkomsten van het Convent en aan andere landelijke bijeenkomsten. De noodzaak van periodieke intervisie en bijscholing, enkele jaren geleden nog wat aarzelend ontvangen, wordt nu gelukkig breed erkend, maar er zal nog meer nodig zijn. We hebben met onze pastores op dit ogenblik geweldig veel kwaliteit in huis – laten we zorgen dat dit in de toekomst zo blijft. Daarvoor zal van alle betrokkenen inspanning nodig zijn. Het streven in het beleidsplan om predikantsplaatsen van voldoende omvang te garanderen is daarvan slechts één aspect.

Inhoudelijk is er momenteel een bescheiden opbloei. Maar laten we niet de ogen sluiten voor de negatieve kanten. Ook dit jaar is ons ledental weer gedaald. Veel gemeenten worstelen met gebrek aan actief kader en met de kosten van gebouw en predikant. 

Natuurlijk, er zijn ook kleine tekenen van groei op lokaal niveau. Een interessant voorbeeld biedt de gemeente Schoonhoven. In 1875 werd serieus overwogen om deze gemeente met nog maar tien leden op te heffen, maar men besloot toch nog een poging te wagen tot revitalisering. Deze succesvolle poging wordt door Tjaard Barnard uitgebreid beschreven, het is een ommekeer in het denken over de toekomst van de Broederschap. In dit opzicht geeft de geschiedenis enige reden tot hoop, want op dit moment is Schoonhoven opnieuw bezig met een opleving: sinds 2003 is het aantal leden en vrienden toegenomen van 39 naar 64, een groei van meer dan 60 % in drie jaar! 

Natuurlijk kunnen we dromen dat een dergelijke heropleving in de hele Broederschap zal plaatsvinden. Maar op dit moment is het realistischer, gezien de leeftijdsopbouw, om ervan uit te gaan dat we de eerste jaren nog flink in ledental zullen dalen. 

Daarom zal in de komende tijd de versterking en stroomlijning van de organisatie landelijk en plaatselijk een eerste prioriteit moeten zijn. We moeten een zodanige structuur vinden dat ook met een voorlopig nog dalend ledental de gemeenten, de predikanten en de landelijke organisatie goed kunnen functioneren. Uitgangspunten daarbij zijn onder meer een herstructurering van het landelijk bureau, een landelijk dienstverband van de predikanten, en een sterkere regionale samenwerking om voldoende omvang van de predikantsplaatsen te bevorderen en om de problemen van het teruglopend kader op te vangen.

Daarbij zullen we tegelijk een grotere kwaliteit van onze activiteiten moeten nastreven, want die laat soms nog wel te wensen over. In deze tijd verwachten mensen ook van de kerk een hoge professionele kwaliteit, en mijn indruk is dat we die niet altijd halen.

Bij die versterking van de kwaliteit denk ik vooral, naast wat ik al over Seminarium en Convent heb gezegd, aan de kwaliteit van de kerkdiensten. In de rooms-katholieke kerk worden de liederen van Huub Oosterhuis steeds meer geweerd, zo lazen we vorige week, omdat hij zich met zijn leven en werk buiten die kerk geplaatst zou hebben. Dat zal gelukkig bij ons niet de reden zijn, maar ik vrees dat bij ons zijn liederen soms wel eens geweerd worden omdat ze te moeilijk zijn voor de gemeente. Dat is jammer, want juist de kerkdiensten zijn doorgaans de eerste kennismaking met de remonstranten. Als daar slecht gezongen wordt en de muzikale ondersteuning moeizaam is, zal de moderne spirituele nomade al snel verder trekken. Mijn indruk is dat gemeenten die veel aandacht besteden aan kerkmuziek en bijvoorbeeld een eigen koor of cantorij hebben, er gemiddeld beter in slagen om hun leden vast te houden. Een van de factoren in het succes van Schoonhoven is dat men daar regelmatig een groep met blokfluitende kinderen van de muziekschool laat meewerken aan de dienst, en zelfs een klein kerkkoortje heeft. Ook dat koortje is in eerste instantie door een groep jongeren gevormd. Zo snijdt het mes aan twee kanten. Kinderen en jongeren en hun ouders raken op een leuke manier bij de kerk betrokken.

Daarmee noem ik al een tweede factor van relatief succes in sommige gemeenten: de aanwezigheid van jeugd- en jongerenwerk. De voorgenomen fusie van de SVVZ en de SVJ – waarvoor uw nieuwe voorzitter zich actief heeft ingezet – zal hopelijk bijdragen aan een nog betere ondersteuning van plaatselijk jongerenwerk. Hier in de Geertekerk ervaar ik als gemeentelid hoezeer een versterking van het jongerenwerk bijdraagt aan een verjonging en versterking van de gemeente.

Laten we realistisch zijn: wij zullen nog enkele jaren van achteruitgang kennen en moeten ons daarop instellen. Maar ik ben ook een onverbeterlijke optimist. We hebben een traditie die het waard is voortgezet te worden, en die uitstekend aansluit op de behoeften van de tijd. Als we met zijn allen werken aan een aantrekkelijke remonstrantse kerk, landelijk en plaatselijk moet het mogelijk zijn om de tendens weer naar boven toe om te buigen.

Dit is mijn laatste jaarrede. Ik kijk terug op de afgelopen jaren met grote voldoening en dankbaarheid. Ik heb deze functie met veel plezier vervuld en heb er veel van geleerd. Gelukkig is er een uitstekende opvolger gevonden in Jan Willem van der Kamp, die met de laatstgenoemde twee aandachtspunten, jeugd- en jongerenwerk en kerkmuziek, veel affiniteit heeft. U heeft hem bij de AV van Beraad al op de viool kunnen horen.

Bij het vervullen van het voorzitterschap heb ik van veel kanten steun ondervonden. Als eerste noem ik Mijnke Bosman, zonder wie ik dit echt niet had kunnen doen. We waren een zeer goed op elkaar ingespeeld team. Waar mijn dossierkennis regelmatig tekortschoot, wist zij mij aan te vullen en zonodig ook – voor u vaak onmerkbaar – tactisch te corrigeren. Ik heb een geweldige bewondering voor haar tomeloze energie en inzet en denk dat we ons als remonstranten zeer gelukkig mogen prijzen dat we de afgelopen jaren zo’n geweldige algemeen secretaris hebben gehad. De leden van de CoZa, die vaak wat achter de schermen werken, gaven mij de ruimte om mijn accent op de meer externe activiteiten te leggen. Voor hun, ook qua tijd, grote inzet wil ik hen allen hartelijk danken.

Maar mijn voornaamste dank gaat uit naar u, naar de gemeenten en de predikanten. Bij mijn gemeentebezoeken raakte ik steeds weer onder de indruk van de kracht en vitaliteit van zelfs de kleinste gemeenten. Vol inspiratie keerde ik dan ’s avonds weer naar Utrecht terug, vaak vergezeld van een Hoornse broeder, een Deventer koek of Doesburgse mosterd. Van zo’n geloofsgemeenschap is het een voorrecht om voorzitter te mogen zijn. Daarom wil ik u allen hartelijk danken voor uw vertrouwen en uw steun. 

Een week na Pinksteren wil ik u graag de kracht van de Geest toewensen bij uw inzet voor kerk en wereld. Laten we samen waar maken, in de woorden van de nieuwe geloofsbelijdenis, dat we een kerk zijn in het teken van de hoop.
 
Wibren van der Burg,
10 juni 2006
  

naar boven


voor het laatst bijgewerkt: 21/06/2006