|
Hebr. 3, 6, 14.
2 Pet. 2, 20.
Jud. 3.
1 Tim. 1, 19
Hebr. 12, 15. |
NADEMAEL men hoe lancx hoe meer verstaet dat de dienaren
des Goddelycken woorts die de Resolutie vande Mog. Heeren Staten, aengaende
de Revisie van [de] Confessie en [de] Catechismum toestaen, ende daerover
bij hare mede-broederen in naedencken gecomen syn, als off sy eenige aenmerckingen
opde selve schriften hadden, die sy ter ordinantie van [de] Hooge Overheyt
op den Synodum provinciael ofte nationael souden wil-len brengen, om aldaer
geexamineert te werden, doorgaens by hooge en [de] lage worden gecalumnieert
als off sy souden soecken veranderinge inde Religie, ende oorsake syn van
groote twisten en [de] beroerten in dese landen en[de] kercken, ende men
vermerct dat de herten van vele menschen daeroor alle dage meer ende meer
soe seer worden ontsteken en[de] gealtereert, dat wel lichtelyck uyt soo
een groot onverstant groote swaricheden mochten comen t’ontstaen, sonder
dat alles wat tot noch toe met waerheyt ter contrarie is geseyt ende verclaert
yet sonderlings heeft geoepereert, omder voors[chreven] Dienaren onnooselheyt
te doen gelooven, door dien de calumnie even heftich daertegen aendringende
by velen tsy uyt onverstant ofte andersins veel meer geloofs vynt alst
behoort: Nadien oock de Synodus Nationael off Provinciael inde welcke men
het tegendeel hadde connen doen blycken, noch niet en wert gehouden, ende
grootelycx te bevreesen staet dat de voors[chreven] calumnie, noch dagelycx
met openbare schriften gevoet sijnde, metter tyt wel soe veel velts mochte
comen te gewinnen, datmen die naederhant qualyck soude connen stuyten,
tot grooten ondienst van onse lieve vaderlant, en[de] sonderlinge der kercken
inde welcke Godt ons mede tot herders en[de] leeraers heeft geroepen, mitsgaders
crenckinge van onsen goeden naeme en [de] fame, die een yeder en[de] besonder
de kerckendienaren naest hare conscientie voor Godt boven al wat hun ter
werelt lieff is schuldich syn voor te staen:
Soe ist dat wy ondergeschreven dienaren des Godtlycken woorts, alle
tgene voors[chreven] is inden name des Heeren (dien wy daerover dick en[de]
menichmael met vuyricheyt des herten gebeden en[de] aengeroepen hebben)
rypelyck ingesien ende overwegen hebbende goet jaenoodich ende hoochnoodich
gevonden hebben als in desen synde van eenerley sin ende meeninge oock
sonder eenige inductie daertoe gebruyct te hebben alles te doen wat nae
Godes woort in alle modestie en[de] betamelyckheyt mogelyck is tot weeringe
van [de] voors[chreven] sware blamen en[de] calumnien, en[de] stillinghe
van[de] gemoederen die door de voors[chreven] onwarachtige stroyingen ontrustet
syn, ende dienvolgende mette eerste gelegentheyt, ist noot, Remonstrantie
ende Vertooch in onsen naeme te doen overleveren aende Ed. Mog. Heeren
myn Heeren de Staten van Hollant en[de] West-frieslant als onse Hooge Overheyt
en[de] gebiedende Heeren, in welck Vertooch te doen opden name van de dienaren
des woorts die de voors[chreven] Resolutie van hare Ed. Mog. toestaende
eenige conside-ratien opde voors[chreven] schriften hebben en[de] deselve
volgens hare Ed. Mog. bevel ten deele alreede overgelevert hebben ten deele
voorder over te leveren bereyt syn, sonder voor alsnoch onse namen uyt
te drucken anders dan met verclaringe dat wy te vreden syn deselve ter
belastinge van Hare Ed. Mog. bekent te maken gedaen sal werden ronde oepeninge
en[de] verclaringe dat wy gantsch geene veranderinge van Religie en soecken,
maer alleen begeeren dat de voors[chreven] Revisie ofte Resumptie van[de]
Confessie ende Catechismo by de Mog. Heeren Staten van Hollant ende Westfrieslant
eerst, ende daernae mede by de Hoochmogende Heeren Staten G[ene]rael van
dese geunieerde Provincien gedecreteert besloten en[de] allen Classen geinsinueert,
daer en[de] soo't behoort onder t' beleyt van[de] voors[chreven] onse hooge
Overheyt ter eeren Godes en[de] welstant der Gereformeerde Kercken in 't
werck gestelt moge worden: ofte emmers (indien hare Mog. Ed. t ware by
gebreke dat de Synodus Nationael in dese gelegentheyt niet en soude connen
gehouden werden ofte om andere oorsaken best vonden de voors[chreven] Revisie
ofte Resumptie alsnoch op te schorten) dat in allen gevalle de voors[chreven]
Resolutie van hare Mog. Ed. werde gehouden voor Christelyck, loffelyck
en[de] Godes woort conform, ende dat dienvolgende de voors[chreven] schriften
gehouden en[de] verclaert sullen worden voor soodanich inde welcke yet
soude moghen bevonden worden dat verbeteringe noodich heeft, die oock daeromme
t'allen tyden syn examinabel ende onderworpen de cen-suyre der selver kercken
die de voors[chreven] schriften houden voorde hare, en[de] welcker kercken
leden vry staat ter behoorlycker tyd en[de] plaetse hare bedenckingen opde
selve indien sy eenige hebben aen te dienen om nae Godes woort geexamineert
en[de] de voors[chreven] schriften naer tselve wanneer yet bevonden wierde
met het selve niet te accorderen gecorrigeert en[de] verbetert te worden
sonder dat die gene die soodanich bedencken heeft ende voorstelt al ware
het schoon ongegront daeromme eenige de minste censuyre soude onderworpen
syn, oock niettegenstaende sy deselve van te voren hebben onderteeckent
alsoo de voors[chreven] onderteeckeninge niet can verstaen worden geschiet
te syn sonder dese conditie gelyck oock de voors[chreven] Revisie niet
en can verworpen ofte tegengestaen worden sonder de voors[chreven] Confessie
inden gront vervaetet int VIIe ar[tikel] vande selve om te stooten, en[de]
wederomme in te voeren eenen pausselycken gront byden welcken menschelycke
schriften ofte decreten buyten dolinge en[de] genoech in gelycken graet
met Godts geschreven woort gestelt worden, t welck wy achten onlydelyck
te syn mogende voorts lyden indien het hare Ed. Mog. omme de ruste der
kercken soe goet vynden, dat de voors[chreven] Revisie voor desen tyt neergelaten,
en[de] tot een bequamer gelegentheyt uytgestelt worde, beheltelyck de voors[chreven]
verclaringe over deselve, ende dat middelertyt soodanich formulier van
onderteyckeninge derselver schriften indien de selve noodich geacht wort
geraempt worde daermede Godes woort niet te cort gedaen noch yemant in
syne conscientie buyten behooren geperct en werde.
Ende op dat voorts noch hare Mog. Ed. noch yemant anders en meyne dat
onder de voors[chreven] consideratie die wy over de voors[chreven] schriften
hebben wat sonderlinigs soude mogen schuylen soe vynden wy oock goet dat
aen hare Mog. Ed. inde voors[chreven] Remonstrantie verthoont sal worden
van onsen't wegen dat tgene ons meest inonse gemoeden perst en[de] daer
wy de meeste swaricheyt inne hebben syn leerpuncten die wy niet en connen
verstaen inde voors[chreven] Confessie en[de] Catechismo begrepen te syn,
jae veel eer tegen sommige passagien inde selve strydich ende die wy nochtans
sien dat die gene diese dryven niet alleen voor haer persoon houden de
voors[chreven] Confessie en[de] Catechismo conform te syn, maer diese oock
anderen voor soodanich opdringen, en[de] uyt cracht vande onderteyckeninge
derselver schriften op pene van kerckelycke censuyren willen bedwingen
te leeren: twelck indien waer ware, ende dat soodanige leerpuncten inde
voors[chreven] schriften souden syn begrepen, als neen, wy genootsaect
souden syn te verclaren dat de voors-[chreven] Confessie en[de] Catechismus
ten opsien van[de] selve poincten souden moeten stryden tegens Godts woort,
overmits wy soodanige leer-puncten selve houden strydich met Godts woort:
welcke leer-stucken men ook voorhare Mog. Ed. inde voors[chreven] Remonstantie
rondelyck oepenen sal, namelyck dese naevolgende.
I. Dat Godt (soe eenige seggen) door een eeuwich en[de] onveranderlyck
besluyt uyt den menschen die hy niet als geschapen, veel min als gevallen
heeft aengesien, sommige ten eeuwigen leven, sommige ter eeuwiger verderffenisse
heeft geordineert, sonder eenige aenmerckinge van gerechticheyt off sonde,
gehoorsaemheyt off ongehoorsaemheyt,, alleen om dat hem alsoe gelieft heeft,
om de heerlyckheyt syner rechtveerdicheyt en[de] barm-herticheyt (ofte
soe andere het stellen) syner salichmakende genade, wysheyt, ende vrye
macht te bethoonen: hebbende daertoe oock verordineert middelen dienstich
tot uytvoeringe van tselve, ende sulcx oock deur een eeuwich onveranderlyck
besluyt; uyt cracht van de welcke die ter salicheyt verordineert syn nootsaeckelyck
ende onmydelick moeten salich worden, ende niet connen verloren gaen, ende
die ter verdoemenisse verordineert syn wezende verre het meeste deel nootsaeckelyck
ende onmydelick moeten verdoempt worden, en[de] niet connen salich worden.
II. Dat Godt (soe andere leeren) willende van eeuwich[eyt] by sich
selven een besluyt maken om sommige menschen te verkiesen ende andere te
verwerpen, heeft het menschelycke geslachte aengesien niet alleene als
geschapen maer oock als gevallen en[de] verdorven In Adam en[de] Eva onse
eerste voorouders, en[de] oversulcx de vermaledydinge weerdich, uyt welcken
val en[de] verdoemenisse hy voorgenomen heeft sommighe te verlossen en[de]
salich te maken, door syne genade tot bethoo-ninge syner barmherticheyt,
ende d' andere zoe wel ionck als oudt, iae zelff eenige kinderen der bontgenoten
en[de] die in den name Christi gedoopt zyn in hare kintsheyt stervende
inde vermaledydinge door syn rechtveerdich oordeel te laten blyven, tot
verclaringe syner rechtveerdicheyt ende dat son-der eenige aanmerckinge
van bekeeringe en[de] geloove inden eenen, ofte onbekeerlyckheyt ende ongeloove
inden anderen. Tot uytvoeringe van welck besluyt Godt mede gebruyct soodanige
middelen door de welcke de vercoorene nootsakelyck ende onmydelick salich
worden, ende de verwor-pene nootsakel[ick] ende onmydelick verloren gaen:
III. Dat desen volgende Jesus Christus de Salichmaker des werelts niet
en is gestorven voor alle menschen, maer alleen voor die gene die alsoe
opde eerste ofte tweede wyse uytvercoren syn, als synde een middel en[de]
Midde-laer geordineert alleen om die salich te maken en[de] geen ander.
IIII. Dat desen volgende de Geest Godes en[de] Cliristi inden genen
die op d’een ofte d’ ander maniere uytvercoren syn werct door soodanige
cracht der genade die sy niet en connen wederstaen, alsoe datsy niet en
connen ofte sy en moeten haer bekeeren, gelooven, en[de] alsoe nootsakelyck
salich worden: welcke onwederstandelycke genade en[de] cracht den soodanigen
uytvercorenen alleene geschiet; en[de] den verworpenen niet, denwelcken
niet alleene dese onwederstandelycke genade onthouden wort, maer
seIfs oock geene noodige en[de] genouchsame genade tot bekeeringe,
geloove en[de] salicheyt gegeven wordt; tot welcke bekeeringe en gelove
deze well geroepen, genodicht ende gesmeeckt worden wterlick door eenen
geopenbaerden wille Gods: maer wordt hun evenwel de inwendige cracht daer
toe nodich nyet mede gedeylt door den heymelicken wille Gods.
V. Dat die t’warachtige rechtveerdichmakende geloove eens door sooda-nige
onwederstandelycke cracht onifangen hebben, tselve nemmermeer hoe grove
sonden sy oock souden mogen comen te doen, geheel noch eyn-telick connen
verliesen, maer door deselve onwederstaenlycke cracht soe geleyt en[de]
bewaert worden dat sy niet en connen 't eenemad vervallen en[de] verloren
gaen.
Van dese voorverhaelde puncten verclaren zy Remonst[ranten] niet te
konnen verstaen, dat deselve ofalle ofte eenich vandien inde Confessie
ofte Catechismo deser Kercken vervaetet en[de] uytgedruct syn; maer houden
datmen inde selvige schriften plaetsen vynden sal die daertegen stryden:
Ende en connen deselve in allen gevalle niet houden Godes woort conform
noch stichtelyclk, maer gelooven dat se stryden tegens Godes woort en[de]
seer outstichtelyck jae schadelyck sijn: derhalven zij deselve de schapen
Christi en[de] Christelicke toehoorderen niet en souden connen als een
goede gesonde spyse der zielen voordragen noch leeren, ofte wy moesten
anders uyt Godes woort onderricht syn.
Ende op dat uwe Mog. Ed. met een mogen verstaen, wat de Remonst[ran-ten]
vandie selvige materien gevoelen en[de] leeren, soo verclaren zij dat haer
gevoelen daervan is sulcx als volcht.
I. Dat Godt door een eeuwich onveranderlyck besluyt in Jesu Christo
synen Sone eer des werelts gront geleyt was besloten heeft uyt het gevallene,
sondige, menschelycke geslachte die gene in Christo, om Christi wille,
en[de] door Christum salich te maken die door de genade sijns H. Geestes
indenselven sijnen Sone Jesum gelooven, en[de] inden selven geloove en
[de] gehoorsaemheyt des geloofs door de selve genade totten eynde toe vol-herden
souden: ende daertegens de onbekeerlycke en[de] ongeloovige inde sonden
en[de] onder den toorne te laten, en[de] te verdoemen als vreempt van Cristo:
naer t’woort des H.Evangelii bij Joh. 3.36 Wie in den Sone gelooft die
heeft het eeuwige leven, en[de] wie den Sone ongehoorsaem is en sal het
leven niet sien, maer den toorne Godes blijft op hem: ende andere plaetschen
der Schriftueren meer.
II. Dat desen volgende JesusChristus de Salichmaker des werelts voor
alle ende yeder mensche gestorven is, alsoe dat hyse alle door den doot
des cruyces de versoeninge en[de] vergevinghe van sonden verworven heeft,al-soe
nochtans dat niemant deselve vergevinge der sonden datelyck geniet dan
de geloovige: mede naer twoort des Evangelii by Johannem aent 3e Capittel
vs. 16. Soo lieff heeft Godt de werelt gehadt dat hij sijnen eenigen Sone
gegeven heeft opdat alle die in hem gelooft niet en vergaen maer het eeuwige
leven hebben: en[de] inden eersten brieff Johannis int II e Captttel vs
2. Hy is de versoeninge voor onse sonden, en[de] niet alleene voor onse
maer voor des gantschen werelts sonden.
III. Dat de mensche t’salichmakende geloove van hem selven niet en
heeft, noch uyt cracht van synen vryen wille, alsoe hy in den staet der
afwyckinge en[de] der sonde niets goets dat waerlyck goet is (gelyck insonderheyt
is het salichmakende geloove) uyt en[de] van hemselven can dencken,
willen, ofte doen, maer dat het van noode is dat hy van Godt in Christo
door synen H. Geest werde herboren en [de] vernieuwt in verstant, affectie
off wille, en[de] alle crachten, op dat hy het ware goet te rechte moge
verstaen, bedencken, willen, en[de] volbrengen naer twoort Christi
Joh. 15.5. Sonder my en cont ghy niet doen.
IIII. Dat dese genade Godes is het beginsel, de voortgangh, en[de]
volbren-ginge alles goets, oock soe verre dat de wedergeboren mensche selfs
sonder dese voorgaende ofte voorcomende, opwecken[de], volgen[de] en[de]
mede-werckende genade noch het goede dencken, willen ofte doen can, noch
oock eenige tentatie ten quaden wederstaen: soe dat alle goede daden, ofte
werckinghen, diemen bedencken can de genade Godes in Christo moeten toeges[chreven]
werden: Maer soe vele de maniere vande werckinge derselve genade aengaet,
die en is niet onwederstandelyck; want daer staet van velen geschreven,
dat sy den H.Geest wederstaen hebben. Act.7 en[de] elders, op vele plaetschen.
V. Dat die Jesu Christo deur een ware geloove syn innegelyft, [ende]
oversulcx syns levendichmakenden Geestes deelachtich syn geworden overvloedige
cracht hebben om tegens den Satan, de sonde, de werelt [ende] haer eygen
vleesch te stryden, ende[de] overwinninge te vercryghen, welverstaende
altyt door den bystant van[de] genade desselvigen Geestes: ende dat Jesus
Christus haer deur synen Geest in allen tentatien bystaet, de hant biet,
en[de] soo sy maer alleene ten stryde bereydet syn, ende syn hulpe begeeren,
en[de] in geenen gebreke syn, staen[de] houdt; alsoe datse door geen listicheyt
noch gewelt des Satans verleyt ofte uyt Cliristi,handen connen getrocken
worden; naer t’woord Christi Joh. 10, niemant en salse wt myne hant rucken.
Maer off deselve niet en connen door nalaicheyt het beginsel haers wesens
in Christo verlaten, de tegenwoordige werelt wederom aennemen, vande heylige
leere hen eentmael gegeven afwycken, de goede conscientie verliesen, de
genade verwaerloosen soude eerst moeten naerder uyt de h. Schriftuyre ondersocht
syn, eer wy tselve met volle versekeringe onses gemoets souden connen leeren. |
| |
Dese puncten alsoe voorgedragen en[de] geleert, houden
wy Godes woort in alle manieren conform en[de] gelyckformich te wesen,
stichtelyck en[de] in deze materie genouchsaem ter salicheyt, sonder dat
het van noode ofte oock stichtelyck sy hooger te climmen ofte lager te
dalen.
Dese ronde openinge aen hare Ed. Mog. gedam ende alsoe claer-lyck verthoont
synde hoe onwarachtich het is dat wy off yemant dien wy kennen de Christelycke
Gereformeerde Religie toegedaen yet inde selve Religie souden willen veranderen,
alsoe de voors[chreven] poincten soe verstaen en[de] geleert synde als
wy deselve verstaen en[de] leeren niet alleene de Confessie en[de] Catechismus
in haer geheel blyven, maer oock in haren rechten sin en[de] meeninge om
oprechte harmonye en[de] eendracht met alle Gereformeerde kercken in Europa
te houden genomen en[de] verstaen worden, ende dat tgene wy voorders opde
voors[chreven] schriften hebben aen te mercken nyet soodanich en is off
wanneer schoon eenige verbeteringe daerinne naer onse meyninge gechiede,
deselve Christelycke Gereformeerde Religie en soude inden gront en[de]
in substantie blijven de selve diese tegenwoordich is, sonder eenige verminderinge
van t'aensien en[de] auctoriteyt die deselve toecompt in de kercke Godts
nae syn woort:
sal voorts ootrnoedelyck aaen hare Ed.Mog. werden versocht en[de] gebe-den,
dat het haere Ed.Mog. gelieve op allen desen volgens d'auctoriteyt haer
in kerckelycken saken als hoogeChristelyckeOverheden deser landen en[de]
kercken van Godt verleent rypelyck te letten, en[de] tselve doen[de] voor
eerst te maken dat hare Ed. Mog. synde by een yegelyck erkent als die gene
die d'opperste opsicht en[de] t'hoochste gebiet over kerckelycke en[de]
wereltlycke saken onder Godt en[de] nae syn woort toecompt (welck
punct wy oock verstaen naer Godts woort geleert ende gehanthaaft te moeten
werden) wy in eene wettige vrye Synodale vergaderinge onder hare Ed. Mog.
auctoriteyt presidentie, beleyt, medeoordeel en[de] moderatie te houden,
volcomelyck gehoort, en[de] onse reden behoorlyck overwegen synde, ofte
de voors[chreven] leerstucken naerder ingesien, en[de] onderzocht, ofte,
soe dat niet gevouchlijck geschieden can, wij malcanderen ten wedersyden
daerinne dragen en[de] dulden, sonder dat voorts yemant, hy sy in kercken
ofte schooldiensten, noch voor het tegenwoordige, noch voor het toecomen[de],
noch voor die gene die alreede deselve diensten betreden, noch oock voor
die die in toecomende tyden tot deselve geroepen mochten werden om de voors[chreven]
leer-puncten soese hier voor ten wedersyden verclaert staen, verdacht,
gesuspecteert, gewraect, off in t’minste beswaert sal worden: ofte, soemen
dat niet doen en will men ons wt het woort Godes beter onderrechte: met
voorder versoeck en[de] bede aen hare Ed. Mog. dat hun gelieve ons en[de]
onse diensten te nemen in hare Ed. Mog. protectie en[de] sauvegarde tegen
alle kerckelijcke censuyren die ter oorzaken van[de] voors[chreven] onse
Remonstrantie metten aencleven vandien tegen ons te ge-lycke off eenen
yegelycken van ons int besonder aengeheven souden mogen worden.
Protesterende midt desen voor Godts en[de] syne H. Gemeynte, mitsgaders
voor hare Ed. Mog. jae voor de gantsche werelt, dat dit onse doen geensins
en strect tot eenige partyschap, tweedracht, afsonderinghe, ofte scheuringe
tsy in de kercke ofte in de politye, veel weyniger tot eenige veranderinge
van Religie: maer dat onse meyninge anders niet en is dan ons van[de] vreemde
suspicien daermede wy nu eenen geruymen tyt binnen en[de] buyten lants
beswaert syn geweest met deze ronde vrywillige openin-ge en[de] verclaringe
onses bedenckens te bevryden, verbeteringe ofte beter onderrichtinghe,
ofte emmers duldinge ten wederzyden in vrede en[de] liefde te versoecken;
ofte, soe wy tegen alle onse hope en[de] verwachten geen van allen en conden
verwerven, en[de] dienvolgende onse publycque diensten niet langer met
goede conscientie en[de] met vrede en souden mogen bedienen en[de] betreden,
door bevel onser Overheyt gewillige afstant daervan te doen, omme dan voorts
Godt en[del onsen naesten te dienen soe wy in conscientie nae Godts woort,
altyt d' onderdanicheyt die wy der Overheyt schuldich syn onverseert en[de]
ongequetst sullen be-vynden te behooren. Aldus gedaen desen XIIIen Januarii
a[nn]o XVIC en[de] X. |
| |
Adr. van[den] Borre
J.Wtenbogaert
Petrus Bertius
Eduardus Poppius
Joannes Arnoldus
Theoph. Ryckewaert
Isebrandus Guilielmius
Jacobus Muersius |
Bernardus Duinglo
Petrus Cupus
D.H.Herbers
Isahacus Frederici
Nicolaus Grevincho-vius
Petrus Cuylius
Abrahamus Vliet
Joannes Cornelius Cuylemarmus |
| |
Wilhemus Lomannus
Pieter Valck
Henricus Reinerius predicant tot Noorden
Cornelius Martini predicant tot Swam-[m}erdam
Wouter Corneliss. predicant tot Sluypwyck
Jan Jans predicant tot Leyderdorp
Ysbrant Reyersz. praedicant tot Sassenhem
Matthaeus Adriani Burgius
Henricus Henrici Geesteranus, predicant tot Assendelpht
Joannes Everardi van Velsen predicant Int ‘s graven van Egmonts hoeif
en[de] tot Egmont op Zee |
| |
Henricus Spudaeus
Egbertus Verhoeven
Simon Egberti Episcopius
Theodorus Swaen
Casparus Barlaeus
Johannes a Galen
Philippus Pynacker
Andreas Volkeri
Nicolaus Osterhaern mr. tot Noorden
Joannes de Greff dienaer tot Heusden |
Nicolaus Bodecherus predicant in Loosdrecht aen die nieuwe kercke
Herboldus Thombergius
Daniel Wittius
Adriaen Simonszn.
Adriaen Claessoen
Arie Volkertss.
Gerhardus Joannis Velsius
Jerernias Tyckmakerus |
|