Homepage Breda

Zondag 3 december 2006
Thema: Vreugde

door Christiane Berkvens-Stevelinck
 
Een chassidisch verhaal
'"Waar woont God?"
Met deze vraag verraste de rabbi van Kotzk enkele geleerde mannen, die bij hem te gast waren. Ze lachten hem uit:
"Wat zegt u nu? De wereld is immers vol van zijn heerlijkheid!"
Maar de rabbi van Kotzk beantwoordde zijn eigen vraag:
"God woont waar men hem binnenlaat".'

Bijbellezing
Toen Jezus met zijn twaalf discipelen de berg was afgedaald, bleef hij staan op een plaats  waar het vlak was.
Daar had een groot aantal van zijn leerlingen zich verzameld, evenals een menigte mensen  uit heel Judea en Jeruzalem en uit de kuststreek van Tyrus en Sidon.
Ze waren gekomen om naar hem te luisteren en zich van hun ziekten te laten genezen; ook degenen die gekweld werden door onreine geesten werden genezen, en de hele menigte probeerde hem aan te raken, want er ging een kracht van hem uit die allen genas.
Hij richtte zijn blik op zijn leerlingen en zei:
Gelukkig jullie die arm zijn, want van jullie is het koninkrijk van God.
Gelukkig jullie die honger hebben, want je zult verzadigd worden.
Gelukkig wie nu huilt, want je zult lachen.
Gelukkig zijn jullie wanneer de mensen jullie omwille van de Mensenzoon haten en buitensluiten en beschimpen en je naam door het slijk halen.
Wees verheugd als die dag komt en spring op van blijdschap, want jullie zullen rijkelijk beloond worden in de hemel.
[Lucas 6:17-23]

Preek
 U kent allen de Bergrede, dat handvest van het christendom, zoals het in het evangelie van Mattheus staat. Gelukkig de armen, gelukkig de vervolgden, enzovoorts.
Wat wij in Lukas hebben geleerd lijkt er veel op en het heet: de DALrede.

"Toen Jezus met zijn twaalf discipelen de berg was afgedaald, bleef hij staan
 op een plaats waar het vlak was."

Een berg beklimmen of afdalen is, in de bijbel, geen sportieve bezigheid. Het heeft een geestelijke betekenis. Boven op een berg, is het idee, staat de mens dichterbij God. Denk aan de toren van Babel, een poging om de hemel te bereiken. Denk aan Mozes, die op de berg Sinaï de stenentafelen krijgt, of aan Jezus die boven op de berg Tabor verheerlijkt wordt. Boven op een berg gebeurt er kennelijk iets tussen God en mens, daar wordt een waarheid openbaard. Het is niet voor niets dat bergbeklimmers de hoogte zoeken: op de top van een berg, gebeurt er iets met je. Petrarca heeft daar onvergetelijk over geschreven. Hier lezen wij dat Jezus met zijn twaalf discipelen van een berg was afgedaald om – geïnspireerd door de nabijheid van God op de bergtop - een redevoering te houden voor leerlingen en belangstellenden in een dal. De Dalrede. En voor deze dalrede kiest Jezus een bekende literaire genre: hij gaat spreken in zaligsprekingen.

Zaligsprekingen (zalig de …, want …) zijn van oorsprong niet religieus. Het zijn heel oude gezegdes en men vindt ze in de hele antieke wereld, in Egypte en in Griekenland, bij voorbeeld. Het waren tegeltjeswijsheden in de trant van: na regen komt zonneschijn. Vandaag huilen, morgen lachen. Je vond ze overal in het Midden-Oosten. In het jodendom bestonden ze ook. Eerst als gewone wijsheden, à la Prediker, zonder bijzondere religieuze betekenis. Pas later, toen in het jodendom het idee onstond van een leven na dit leven, van een hemel waar alles wat op aarde scheef was, rechtgetrokken zou worden, kregen zaligsprekingen een religieuze lading. Zalig de bedroefden, want zij zullen – later, in de hemel – vreugde kennen.
Dat is de vorm waarin de zaligsprekingen in de christelijke traditie zijn terechtgekomen. Terwijl de seculiere vorm – de tegeltjeswijsheden - nog steeds bestaat.
Nu kennen we de zaligsprekingen meestal uit het evangelie van Mattheus.
In de nieuwe vertaling lezen we:

"Gelukkig wie nederig van hart zijn,
want voor hen is het koninkrijk van de hemel.

Gelukkig wie hongeren en dorsten naar gerechtigheid,
want zij zullen verzadigd worden.

Gelukkig de treurenden,
want zij zullen getroost worden."

Prachtige tekst, die hoop en moed geeft. De zinnen zijn in de derde persoon meervoud: gelukkig wie… zij zullen… Het heeft iets algemeens, het gaat in de Bergrede over allerlei mensen: zij….

Maar in de Dalrede staat iets anders:

"Gelukkig jullie die arm zijn, want van jullie is het koninkrijk van God.
Gelukkig jullie die honger hebben, want je zult verzadigd worden.
Gelukkig wie nu huilt, want je zult lachen."

Daar is niets algemeners meer aan: Jullie, je… Het gaat over U en mij. En aan
het einde wordt ons gezegd:

"Wees verheugd als die dag komt en spring op van blijdschap, want jullie zullen rijkelijk beloond worden in de hemel."

Hoe moeten wij, die over de hemel nogal afwijkende ideeën hebben, en zeker niet van plan zijn om zolang op het geluk te wachten, dit allemaal verstaan?
De Franse theoloog François Bavon zegt: "hoe zou ik durven, als exegeet die er warmpjes bij zit, een interpretatie te geven aan de zaligsprekingen in een wereld waar zoveel geleden wordt? Mijn enig recht is om tussen de discipelen te luisteren…"

Van een andere kant: tussen de tijd van Jezus, de tijd van Lukas en de tijd van Marijnissen ligt een zee van verschil. Of niet?
Laten we nauwkeurig kijken naar de drie eerste zaligsprekingen uit de dalrede.
In de context van toen en in ons leven van nu om te begrijpen waarom we blij en verheugd mogen zijn.

"Gelukkig jullie die arm zijn, want van jullie is het koninkrijk van God."

De leerlingen en de volgelingen van Jezus waren wel degelijk arm, toen. Als er een rijke zich bij de schare wilde aansluiten, werd dat meteen met zoveel woorden gesignaleerd: een rijke man….. etc. Maar zelfs dàtgene wat de arme mensen die Jezus volgden, bezaten was, in zijn perspectief nog te veel. Wat moet iemand, rijk of arm, doen om Jezus te volgen? Juist: alles verkopen en uitdelen.Want voor Jezus heeft bezit geen enkel nut, gezien het feit dat de laatste dag voor de deur staat. Jezus staat daarmee in een oude traditie. Ook in het Oude Testament wordt bezit als ijdel gezien omdat het leven van de mens aan een zijde draad hangt. Voor wie zou je rijkdom vergaren? Daar kwam bij dat in de eeuwen voor Christus, overal in het Midden-Oosten het idee van een naderende einde van de wereld had postgevat. Jezus sluit daarbij aan. En wij, die deze oude traditie hebben geërfd, weten ons geen raad mee.
In de tijd van Lukas, was de situatie overigens al veranderd. De leer van Jezus was niet meer een leer voor arme sloebers maar meestal voor welgestelden. En die vonden de zalispreking gelukkig de armen behoorlijk lastig. De armen werden de armen van geest. En binnen de kerk zorgde men door diakonaal werk, dat de armen werden geholpen. Een volledige rehabilitatie van de armen, hun geluk, zou in ieder geval in het hiernamaals geschieden.
Toch, in de hele geschiedenis van het christendom, waren er rijke mensen die zich door het ideaal van armoede op zich lieten inspireren en daarin hun vreugde vonden en bezongen. Denk aan Franciscus van Assisi.
In onze tijd, doet de opmars van de vreugdevolle Pinksterkerken in Afrika heel veel denken aan het begin van het christendom: door het weinige dat men heeft met elkaar te delen, lukt het (ik heb het zelf gezien in townships in Zuid-Afrika) om de wereld te veranderen, om het Koninkrijk op aarde gestalte te geven.

"Gelukkig jullie die honger hebben, want je zult verzadigd worden."

In onze wereld, waar mensen van honger omkomen terwijl er voedsel genoeg is voor allen maar de mensheid te egoïstisch is om de wortels van het kwaad uit te roeien, komt zo een zin bijzonder hard aan. En terecht.
Maar Jezus bedoelde er ook iets anders mee.
De honger en de verzadiging waar Jezus hier over spreekt, moet ook geestelijk worden verstaan. Als 5000 hongerigen volgelingen niets te eten blijken te hebben, blijken 5 broden en 2 vissen genoeg om ze te verzadigen. Waarom? Omdat men dat weinige wat toevallig gevonden is, met elkaar deelt. En men houdt nog over ook. De hongerige lichamen én de hongerige zielen zijn dan verzadigd. Omdat men zelf gezien heeft dat delen vermenigvuldigen is. Datzelfde symbool gaan we straks zélf uitbeelden.

"Gelukkig wie nu huilt, want je zult lachen."Het zal je maar gezegd worden als je het helemaal niet ziet zitten! Wat voor geluk kan nu schuilen in verdriet en pijn? Als iemand me zoiets in een kwetsbaar moment zou komen zeggen, zou ik het aloude gebruik van de defenestratie (door het raam gooien) weer invoeren!
Behalve…. Behalve als je weet hoe huilen en lachen, tranen en schaterlachen in de bijbel wordt gebruikt.

Iemand die zijn tranen de vrije loop laat gaan, laat anderen zien hoe ongelukkig hij of zij is. Dat is een signaal aan de omgeving: help me. Wij leven in een noordelijke samenleving waar het gepast is je emoties zoveel mogelijk te verbergen. Rond de Middelandse zee, gaan begrafenissen, bij voorbeeld, heel anders aan toe. Huilen, gillen, je kleren verscheuren, of dat door anderen in je plaats laten doen: in deze culturen hoort men de anderen overduidelijke signalen te geven waarop de omgeving kan reageren met dagelijks troostbezoek gedurende acht dagen, bijvoorbeeld. Hetzelfde geldt voor gelukkige momenten, waar men lacht, en het hele dorp uitnodigt om feest te vieren. Dus je zou deze zaligsprekingen wederom kunnen begrijpen als een roep om te delen: gelukkig ben je die nu huilt, want dan kunnen we je verdriet zien en delen, dan kunnen we je troosten zodat je later weer met ons kunt lachen…

"Wees verheugd als die dag komt en spring op van blijdschap, want jullie zullen rijkelijk beloond worden in de hemel."

Deze zin is de traditionele afsluiting van redevoeringen die over het einde van de wereld en het begin van een nieuwe wereld gaan. En dat kan men ook begrijpen, als men denkt aan de beroerde situatie in de tijd van Jezus: bezetting, willekeur, armoede, onrecht… Al is het nu nog zo beroerd, straks is dat allemaal achter de rug en we worden rijkelijk beloond. Als troost, is het meesterlijk en zeer effectief.
Maar Jezus heeft het niet alleen over later, in de hemel, als het Koninkrijk komt. Voor hem, is het Koninkrijk al begonnen. Het is er al! En het ligt aan de mens om het uit te bouwen. Door zélf zó te leven dat de armen worden geholpen, de hongerigen gevoed en degenen die huilen getroost. En dat laat hij daadwerkelijk zien, in al zijn daden. Dààrom zijn de zaligsprekingen nog steeds het handvest van het christendom, daarom klinkt de boodschap van vrede en gerechtigheid nog steeds en mag het nooit verstommen. Daarom gaan we straks, brood en wijn met elkaar delen, met vreugde.
Amen.
  

 
Terug naar de homepage van de remonstrantse gemeente Breda
naar boven


voor het laatst bijgewerkt: 15/12/2006