|
Muziek 1
Terwijl men plaats neemt, klinkt Jiddische muziek
(Talila)
Welkomstwoord (uitgesproken door
Elka)
De vraag: waar ontmoet ik God? (Elka)
Toen de mens begon na te denken over
wat rondom hem heen gebeurde, bedacht hij goden. Goden voor de zon,
de maan, de regen, de bliksem… Voor alles eigenlijk. Goden waren
in elke rivier, in elke boom, in elke regenbui.
Duizenden jaren voor Christus, ontwikkelde een
kleine stam uit het Midden Oosten, de Hebreeën, het idee van een unieke
god die alle anderen in de schaduw zette: Jahwe. Het bestaan van andere
goden werd niet in twijfel getrokken. Ze werden alleen gedegradeerd tot
afgoden die in andere culturen het voor het zeggen hadden.
Rond de vijfde of vierde eeuw voor Christus
kreeg Jahwe bij de Hebreeën zijn definitieve gestalte. Concurrenten
zijn er voortaan niet meer.
Jahwe werd DE God die EEN is, een MYSTERIE, die
noch te benoemen noch af te beelden is. IK BEN DIE IK BEN is zijn naam.
Maar was hij dan nog te ontmoeten, zoals
de natuurgoden vroeger in de natuur te ontmoeten waren? Vele bijbelse verhalen
gaan daarover. Bij voorbeeld het verhaal van de profeet Elia die, nagezeten
door zijn vijanden, alle hoop heeft verloren.
Lezing (door Willem : Van de profeet
Elia wordt verteld dat hij God ontmoette:
Daar ging Elia een grot binnen om er
de nacht door te brengen.
Toen richtte de GOD zich tot hem met de woorden:
‘Elia, wat doe je hier?’
Elia antwoordde: ‘Ik heb me met volle overgave
ingezet voor de HEER, de God
van de hemelse machten, maar de Israëlieten
hebben uw verbond met hen naast
zich neergelegd, uw altaren verwoest en uw profeten
gedood. Ik ben als enige
overgebleven, en nu hebben ze het ook op mijn
leven voorzien.’
‘Kom naar buiten, ‘zei GOD, ‘en treed hier
op de berg voor mij aan.’ En daar
kwam GOD voorbij. Er ging een grote, krachtige
windvlaag voor GOD uit,
die de bergen spleet en de rotsen aan stukken
sloeg, maar GOD bevond zich
niet in die windvlaag. Na de windvlaag kwam er
een aardbeving, maar GOD
bevond zich niet in die aardbeving.
Na de aardbeving was er vuur, maar GOD bevond
zich niet in dat vuur. Na het
vuur klonk het gefluister van een zachte bries.
Toen Elia dat hoorde, sloeg hij zijn mantel voor
zijn gezicht. Hij kwam naar buiten en ging in de opening van de grot
staan, en daar klonk een stem die tot hem sprak: ‘Elia, wat doe je
hier?’
[1 Koningen 19: 11—9-11]
Uit deze traditie, luisteren we naar een loflied
aan deze God die ‘in de zachte bries’ was en de mens vraagt: Wat doe
je hier?
Muziek 2
The Amsterdam Synagogue, Chants during the Jewish
year.: adoshem moloch
Cantor Hans Bloemendal
Vraag,tweede deel (Elka)
Maar als er geen bries meer te horen
is, waar kan God dan ontmoet worden? In de geschiedenis van het joodse
volk bleek God regelmatig ‘afwezig’. Na de holocaust, nam de joodse theologie
en filosofie noodgedwongen een andere koers. Want waar was God toen gebleven?
Kon van ontmoeting tussen God en de mens nog sprake zijn?
Emmanuel Levinas vond daar een eigen antwoord
op. Wie is Emmanuel Levinas?
Korte biografie van Levinas (Willem)
Emmanuel Levinas werd geboren in 1905
in Litouwen uit joodse ouders en stierf in 1995 in Frankrijk. Na de Russische
revolutie ging hij naar Duitsland, waar hij kennis maakte met de filosofie
van Husserl en Heidegger. Zijn meest bekende werk is Totalité
et infini. Totaliteit en oneindigheid.
Levinas is zondermeer de meest invloedrijke joodse
filosoof van de twintigste eeuw. Zijn invloed reikt veel verder dan het
jodendom. Het laatste boek van Klaas Hendrikse had niet geschreven kunnen
worden zonder Levinas.
Totaliteit, zegt Levinas, is niets. Terwijl de
oneindigheid ons confronteert met het gelaat van de medemens. We hebben
met elkaar een ethische verhouding.
De mens bouwt een wereld voor zichzelf. De Andere
is daarop een inbreuk. Maar de Andere roept mij tegelijkertijd op om hem
tegemoet te treden. De uittocht uit Egypte wordt een uittocht uit mijzelf,
de Andere tegemoet.
Let wel: de Andere is niet God, maar wel de enige
plaats, waar God zich laat vinden.
God is dus, volgens Levinas, slechts te
ontmoeten in de Ander.
Het gelaat van de Ander (tekst van Levinas)
(Willem)
De relatie tot het goddelijke loopt via
de relatie tot de mensen…
Het menselijke bestaan is de ware plaats, waar
het goddelijke woord het verstand ontmoet. De mens heeft toegang tot het
goddelijke woord zonder door extase buiten zichzelf te geraken. De mens
is in staat God te zoeken…
De andere mens is de Andere (met hoofdletter).
Het gelaat van de naaste bezit een andersheid, getuigt van een andere werkelijkheid.
Recht, dat ik de andere mens doe, brengt mij God nabij, even intiem als
gebeden en liturgie, die niets zijn zonder rechtvaardigheid. Alleen wie
zijn eigen natuur een strenge regel weet op te leggen, is in staat
het gezicht van de Ander te herkennen. De weg naar God voert naar de mens.
De weg naar de mens voert naar discipline en zelfopvoeding. ….
De relatie met het goddelijke verloopt via de
relatie tot de mensen. Voor alles ontdekt de mens de mens. De Ander.
Commentaar: (Hans)
Waarom schrijft Levinas de Andere toch
met een hoofdletter?
En nog pregnanter: Levinas schrijft Ik
met een hoofdletter.
God is ver weg, zegt Levinas, maar komt ook van
binnen uit.
Wat kan Levinas bedoelen met de Andere? Hij is
daar zeer terughoudend en zeer zwijgzaam over. Toch waag ik het daarover
een mening te hebben. Met de Andere wordt bedoeld een verstrengeling van
God en mens. Met ieder mens? Neen, met de Thoramens, met de mens, die is
opgevoed en zichzelf opvoedt in de Thora, d.w.z. de tien geboden.
Door de dood gaat God bij de mens verloren.
Manifesteert God zich dan bij elke geboorte van
een mens?
Neen, hij manifesteert zich niet bij de ‘natuurlijke’
mens. Hij manifesteert zich bij de mens, die is opgevoed en zichzelf opvoedt
in de Thora. De natuur heeft bij Levinas anders dan bij Spinoza een slechte
naam, vanwege de holocaust. Spinoza heeft daarvan niet geweten en keek
toen veel positiever tegen de natuur aan...
Is God altijd dichtbij? Ja, en het is zinloos
God ergens anders te zoeken dan in het
Muziek
accordeon (Willem)
Het lijden is voor Levinas, die als jood zelf
de Holocaust heeft meegemaakt , een belangrijk thema. (tekst van Levinas)
(Elka)
Wat heeft dit lijden van onschuldigen
te betekenen? Getuigt dit niet van een wereld zonder God? Een aarde, waarop
alleen de mens de dienst uitmaakt van Goed en Kwaad? De eenvoudigste en
gewoonste reactie zou zijn, dat men tot atheïsme besluit. Voor al
degenen, die tot dan toe geloven in een nogal primitieve god, die in zijn
goedheid de mensen als eeuwige kinderen behandelde, prijzen uitreikte of
fouten vergaf, is dit ook de meest gezonde reactie. Het monotheïsme
is aan zich zelf verplicht een antwoord te geven op rechtmatige eisen van
het atheïsme. Een God voor volwassenen openbaart zich juist door de
leegte van de kinderlijke hemel. Er is een ogenblik, waarop God zich uit
de wereld terugtrekt en zijn gelaat bedekt. God, die zijn gelaat bedekt
is naar onze overtuiging evenmin een theologische abstractie als een dichterlijk
beeld. Maar wel het uur, waarin de rechtvaardige geen enkele hulp van buiten
af vindt, waarin de vertroosting van de goddelijke aanwezigheid in het
kinderlijke religieuze gevoel ontbreekt en waarin het individu alleen nog
in zijn geweten - d.w.z. in het lijden- de overwinning kan behalen.
Commentaar (Hans)
De mens is geneigd tot alle kwaad en
onbekwaam tot enig goed, staat er in de Heidelbergse Catechismus. Een negatief
mensbeeld. Ook op hulp van een ander hoeft de mens dan niet te rekenen.
Als God zijn gelaat bedekt, dan is er geen hulp voor de rechtvaardige,
zegt Levinas. Er blijft dan enkel het lijden. En dat is de miljoenen met
de Holocaust overkomen.
Verschilt dit beeld van dat van de Heidelbergse
Categismus? Nee. Levinas heeft het over de natuurlijke mens, waar niets
mee aan te vangen valt. Is er dan nog een andere mens? Wij zullen zien.
Albert Schweizer heeft in 1923, vlak na de eerste wereldoorlog een boek
gepubliceerd: Cultuur en Ethiek, waarin hij betoogt, dat Jezus een zwaar
negatief wereld- en mensbeeld had. Hij verwachtte alleen redding door de
komst van het Koninkrijk Gods, dat zou neerdalen uit de hemel. Hangende
aan het kruis heeft Hij moeten inzien dat dit niet zou gebeuren.
Schweizer betoogt dat voor zo’n zwart mensbeeld
geen plaats is. Om dat te bewijzen is hij zijn prijzenswaardige werk in
Lambarene begonnen. Zou hij na de Holocaust het zelfde hebben geschreven?
We weten het niet.
Door de Holocaust, zegt Levinas, hebben alle
godsdiensten een geweldige dreun gekregen. Dat geldt ook voor het wereld-
en mensbeeld. Is Lambarene niet een druppel op de gloeiende plaat geweest,
gezien de enorme problemen van Afrika?
De Bijbelkring is unaniem van mening dat gloeiende-plaat-denken
uit den boze is. Elk initiatief, hoe gering ook, telt, ook al wordt de
wereld er niet mee gered. Herinnerd wordt aan het woord van Luther: Als
ik weet, dat morgen de wereld vergaat, plant ik vandaag een boom.
De natuurlijke mens is niets, zegt Levinas. Wat
dan? Is er nog iets anders dan de natuurlijke mens? Ja zegt Levinas, die
is er. Dat is de Thora-mens, zeg maar de mens die de tien geboden vóór
in het hoofd heeft zitten, zich er aan huodt en tot een levend bezit maakt.
Naastenliefde is daar de samenvatting van. Ik
houdt meer van de Thora dan van God, zegt Levinas en dat is veelzeggend.
Als ik me aan de Thora houdt, kan de wereld rustig vergaan. Het is dan
zelfs niet belangrijk of de wereld vergaat.
Is de gang van Schweizer naar het oerwoud niet
veel fundamenteler voor de mensheid dan het geschrijf van Levinas
in zijn behaaglijke studeerkamer? Nee. In zijn studeerkamer heeft Levinas
zich geworpen op de vraag naar welke beginselen de mens wel of niet zal
leven. En dat is minstens even belangrijk als de gang naar het oerwoud
We luisteren nu naar een psalm van David, een lofzang
op die moeilijke God van Sion.
Muziek 3
Een psalm van David. Psalm 65, Thou, o God,
are praised in Sion.
Waar denken we zelf God of het goddelijke te
kunnen ontmoeten? (Willem)
Misschien liggen vrijzinnigen niet wakker
van deze vraag. En toch is het goed de vraag met elkaar te bespreken, zoals
we straks bij de koffie zullen doen.
Waar ontmoet ik God of het goddelijke?
Met eraan gekoppeld deze tegenvraag: waar ontmoet
God ons?
In zijn chassidische vertellingen vertelt Martin
Buber het volgende verhaal:
Verstoppertje spelen
Rabbi Baruchs kleinzoon Jechiël speelde
eens met een andere jongen verstoppertje. Hij verstopte zich goed en wachtte
tot zijn vriendje hem opzocht. Toen hij lang gewacht had, kwam hij uit
zijn schuilplaats; maar de ander was nergens te zien. Nu bemerkte Jechiël
dat deze van het begin af niet naar hem had gezocht. Daarover barstte hij
in tranen uit, kwam huilend de kamer van zijn grootvader binnen en beklaagde
zich over zijn slechte speelkameraadje. Toen stroomden rabbi Baruch de
tranen uit de ogen en hij zei: ‘Zo spreekt God ook: ik verstop mij, maar
niemand wil mij zoeken’.
[Baruch van Mesbiz, uit Martin Buber, Chassidische
vertellingen. Katwijk aan zee 1967, p. 133]
Gebed (Elka )
God, Schepper van het Al
in eerbied staan wij voor U,
gedreven door visioenen van harmonie tussen mensen.
Wij zijn kinderen van vele tradities-
erfgenamen van gemeenschappelijke wijsheid en
van tragische misserverstanden,
van fiere hoop en bescheiden resultaten.
Dit is een moment, waarop wij elkaar werkelijk
willen ontmoeten,
met onze herinneringen en onze waarheden,
met moed en vertrouwen, met liefde en belofte.
Laten wij, in alles wat we samen delen,
het gezamenlijke gebed van de mensheid herkennen.
Laten we, door alles waarin we van elkaar verschillen,
verwonderd staan over de vrijheid van de mens.
Laten we, in onze verwantschap en onze verscheidenheid,
ons tot die unieke Ene bekennen die God is.
Moge wij even veel moed tonen als onze overtuigingen
sterk zijn
en mogen onze integriteit de grootheid van onze
hoop evenaren.
Moge ons vertrouwen op U, ons nader tot elkaar
brengen.
Moge onze confrontatie met het verleden en het
heden
zegen brengen voor de toekomst.
(Willem)
Beste mensen, wij nodigen u uit om met
elkaar in gesprek te komen over wat u zojuist heeft gehoord. We gaan nu
luisteren naar een laatste muzikale fragment uit het moderne Jiddische
repertoire.
Na het einde van het lied, blijft men zitten voor
een kop koffie en een goed gesprek
Muziek 4
In Jiddischn Wort (Mark Aizikovitch). |
|
|
|
|
|
|
|
|