 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
| |
Homepage Breda |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Zondag 30 september 2007
Manifestatie Waalse Kerk Breda
Thema: 'God... Hij.., Zij.., Het..?'
Een muzikale reflectie over veranderende godsbeelden
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Tekst: Christiane Berkvens-Stevelinck
Zang: Kwartet Sine Nomine |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Inleiding
De vele beelden van God
Van de bijna 7 miljarden mensen die op de wereld
leven, gelooft een grote meerderheid op een of andere manier in een God,
of in goden. Die God, of deze goden, dragen ontelbare namen, worden op
vele manieren afgebeeld. Kunstwerken over de hele wereld laten zien hoe
mensen hun God of goden ‘zien’, welk beeld ze zich van hun God of goden
maken. Denk aan Shiva met de vele armen die de wereld beschermen, denk
aan de Russische iconen die worden aanbeden als werkelijke aanwezigheid
van de heiligen, aan de Afrikaanse maskers of aan het westerse christelijke
schilderkunst. Goden alom. In een aantal godsdiensten is echter het afbeelden
van de godheid verboden, zoals in het Jodendom en in de Islam. Het christendom,
dat oorspronkelijk datzelfde verbod kende, hield zich er echter niet
aan. Er ontstond een christelijke iconografie – vaststaande afbeeldingen
van God, Vader, Zoon en Heilige Geest – en daar hebben wij schitterende
kunstwerken aan te danken.
Maar mensen nemen geen genoegen met de vaststaande
afbeeldingen van hun God. Zij willen zich een eigen beeld kunnen maken,
door alle religies heen.
Een paar voorbeelden uit onze Nederlandse multireligieuze
samenleving:
Een jonge Nederlandse vrouw van Indiase afkomst
vertelde hoe zij als kind zich de god Krishna voorstelde, terwijl hij met
haar samen schapen hoedde op het veld.
In het recente boek Nader tot u. Meer moderne
devoties, vertelt Karim Traida, de Nederlands- Algerijnse regisseur
van de film De Poolse bruid, dat hij zich de woede van zijn familie
op de hals haalde door als acht jarige jongetje te vragen: waar woont Allah?
Zonder een duidelijk beeld van de woonplaats van Allah, kon hij die zich
niet voorstellen. En hij wilde zich een beeld kunnen maken van zijn god.
Allah moest toch ergens wonen? Een pak slaag kon hij krijgen, van iedereen
aan wie hij de vraag maar stelde.
Dichterbij huis: een paar jaar geleden zag ik
in Bretagne een zeer eigenaardige kerstkaart. In het kraambed lag Maria,
als een vermoeide maar gelukkige jonge moeder. Buiten, op een van die bankjes
die vaak voor de deur van Bretonse boerderijen staan zat, in vol ornaat,
God de vader, compleet met baard en lange mantel, als een zenuwachtige
echtgenoot te wachten op het moment waarop de vroedvrouw hem naar binnen
zou roepen om zijn enig geboren zoon te komen bewonderen. Een uitzonderlijk
beeld, dat ik nergens anders ben tegengekomen.
Mensen hebben er behoefte aan hun goden, hun God,
zichtbaar, tastbaar in de buurt te hebben. Bij de hand.
Uit deze behoefte ontstond ooit de kunst.
Onze samenleving individualiseert steeds meer.
En het beeld dat men zich van God maakt, volgt deze trend. God of de godheid
is niet meer verbonden aan een beeld dat in je jeugd opgang had. Het godsbeeld
ontwikkelt zich even persoonlijk als de mens zelf. Er zijn dus eindeloos
veel godsbeelden. In de verschillende godsdiensten die ons land rijk. Zo
ook binnen de christelijke kerk. Of, en steeds meer, buiten de christelijke
kerk.
Tussen de 40% en 60% van de Nederlanders verklaren
dat ze ietsisten zijn, dat ze dus geloven dat er ‘iets’ is, een mysterie,
een geheim dat het leven omvat maar waarvan ze niet weten wat het precies
is, een ‘iets’, een ‘het’, zonder naam, zonder beeld.
Deze middag bieden wij u aan een muzikale reflectie
over veranderende godsbeelden.
Als we ‘God’ zeggen, bedoelen we Hij, Zij of
Het?
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Intussen blijft de vraag van Karim
Traida door mijn hoofd spelen:
waar is God?
U hoort nu twee korte antwoorden op deze vraag.
Dit is het waar gebeurde verhaal van het jongetje
dat god zag.
Het was in de nazomer, september, tegen de schemering.
Kinderen mogen dan nog even buiten spelen na het avondeten.
Toegegeven, het was het zoontje van een dominee.
Hij had zich door de verhalen van zijn vader
vast al een beeld gevormd van wat god is of kan zijn.
Op die bewuste avond werd er plotseling tegen
de deur gebonkt en geschreeuwd.
Geschrokken ouders rennen naar de voordeur. Ons
jongetje roept buiten adem: “mama, papa, ik heb god gezien........ Op een
damesfiets!!!!
Kijk daar komt- tie.
Ja, en daar fietst hij, een man in een witte
pij op een damesfiets met het licht al aan; een witte pater. Hij
heeft een mooie grijze baard en het haar aan de slapen wappert een beetje
in de wind. Enigszins verbaasd door zoveel belangstelling, zwaait hij.
God zwaait.
Als hij uit het zicht verdwijnt, is er toch nog
een kleine smet op de volmaaktheid van deze avond. Zegt het jongetje: “pap,
z’n achterlicht doet het niet”.
-
Ik zoek wel, maar zal ik hem/haar/het ooit vinden?
Het onderwerp van vandaag doet mij denken aan een
voorval dat ik meemaakte toen ik op kamers woonde bij een katholieke familie.
Hun oudste zoon was een aantal dagen geleden
gestart op de basisschool.
Op een middag kwam hij opeens mijn kamer binnengestormd
en trok alle kasten open, waarop ik hem vroeg waarom hij dat deed; die
dag had een non een verhaal verteld waarin zij gezegd ha , dat god overal
is.
Dat was de reden dat hij het hele huis had afgezocht
en als laatste hoop was hij ook bij mij op de kamer komen zoeken naar god.
Toen bleek dat god niet als persoon aanwezig was, was de teleurstelling
zo groot, dat zijn ouders veel moeite moesten doen om hem duidelijk te
maken dat een zichtbare god niet mogelijk is.
Of de jongen op school de betreffende non zijn
ervaringen verteld heeft, is mij nooit duidelijk geworden.
Thou knowest, Lord, the secrets of our hearts
Henry Purcell, de zeventiende-eeuwse Engelse
componist, zette psalmen op muziek. In deze psalmen lijkt God verbluffend
veel op een mens, met ogen, oren en gemoed. God kent de geheimen van de
harten, luistert naar de smeekbeden van de mens, toont zich barmhartig
en wendt zijn almacht aan ons te helpen. En ook als de dood en het laatste
gericht zich aandienen zal hij zich niet van de mens afwenden. Hij kent
de geheimen van ons hart.
Thou knowest, Lord, the secrets of
our hearts
Shut not thy merciful ears unto our prayer;
But spare us, Lord most Holy, O God, most
mighty,
O holy and most merciful Saviour,
Thou most worthy Judge eternal,
Suffer us not, at our last hour,
For any pain of death, to full from Thee.
Amen.
Sine Nomine:
Henry Purcell [1658-1695], Thou knowest, Lord,
the secrets of our hearts |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Kwartet Sine Nomine
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
In den beginne…
Hoe zag God eruit bij het begin van de joods-christelijke
traditie?
In den beginnen was de aarde woest en leeg
Zo begint Genesis, het bijbelse scheppingsverhaal.
Het is een van de talloze verhalen die mensen bedachten om zich rekenschap
te geven van de wereld waarin ze leefden. Hoe is ontstaan alles wat bestaat?
Scheppingsverhalen komen nooit uit de lucht vallen. Culturen zijn net mensen:
ze spelen leentjebuur. Volkeren leven naast elkaar, door elkaar heen en
laten zich wederzijds beinvloeden. Men neemt een aantal elementen uit de
omringende culturen over en integreert die in de eigen cultuur, in de eigen
religie.
In Mesopotamie, Egypte en het verdere Midden
Oosten, bestonden hoogstaande culturen, met zeer ontwikkelde religies,
met dito goden, zoals Baal, of de zonnegod en talloze andere goden. Het
volk Israel baadde als het ware in deze culturen, schuurde tegen deze religies
aan en liet zich er door inspireren. De God uit Genesis, God de Schepper
van hemel en aarde, van planten en dieren en uiteindelijk van de mens,
draagt allerlei aspecten van goden uit Mesopotamie, Egypte, het Midden-Oosten,
zoals het dubbele aspect van goed en kwaad die elkaar voortdurend bevechten
en de onderwerping van de mensen aan de almacht van de goden. Maar er is
een groot verschil: de God van Israel duldt geen concurrentie: Hij is uniek.
En dit nieuwe beeld van een unieke God die zorgt voor de aarde en haar
bewoners bleek zo geslaagd te zijn dat het uiteindelijk de basis ging vormen
van de drie zogeheten monotheïstisch godsdiensten (die een unieke
God aanbidden): jodendom, christendom en islam. Met een God, die alle andere
goden naar het land der fabelen verwijst.
Maar de God van Israel, de ene God, heerser over
goed en kwaad, zorgt niet alleen, zoals de goden van de omringende volkeren,
dat het licht elke morgen de aarde wakker schijnt, of dat de aarde vruchten
geeft zodat mensen kunnen leven. Deze God heeft zijn volk, Israel, dat
symbool staat voor de hele mensheid, uitverkoren en gaat met dat volk op
weg. Eerst van Mesopotamie naar Palestina, dan naar Egypte en terug naar
Palestina, en dan weer naar Babylon en terug. Steeds doemt Jeruzalem op
als de stad van licht waar men uiteindelijk vrede en gerechtigheid zal
vinden.
Het beeld van God in het Jodendom is niet zozeer
– wat men vaak hoort in christelijke kringen – het beeld van een jaloerse
God die de mensen die hem ongehoorzamen bestraft en wreed met de vijanden
van zijn volk omgaat. De God van Israel beantwoordt veel eerder aan het
beeld van een onzichtbare vriend die met de mens meetrekt. Iemand die men
in nood kan aanroepen en die in staat is om daadwerkelijk te helpen, een
God die bevrijdt en van vijanden verlost.
Toen een deel van het volk Israel in Babylon
gevangen was, leek alle hoop vervlogen. Nooit zou men het beloofde land,
Sion, noch de stad van vrede, Jeruzalem, weerzien. Wanhopig gaat men zitten
bij het water. De toekomst is definitief versperd. Op dat moment staan
profeten op die zeggen dat de bevrijding eraan komt, dat de ballingen zullen
kunnen wederkeren, mits ze de hoop niet opgeven.
PSALM 137 is geboren. Een lied van hoop midden
in de wanhoop....
Super flumina Babylonis
Aan de rivieren van Babel,
Daar zaten wij treurend
En dachten aan Sion.
In de wilgen op de oever
Hingen wij onze lieren.
Daar durfden onze bewakers
Te vragen om een lied,
Daar vroegen onze beulen:
‘zing voor ons
een vrolijk lied uit Sion.’
Hoe kunnen we zingen een lied van de Eeuwige
Op vreemde grond?
Als ik jou vergeet, Jeruzalem,
Laat dan mijn hand de snaren vergeten.
Laat mijn tong aan mijn gehemelte kleven
Als ik niet meer denk aan jou,
Als ik Jeruzalem niet stel
Boven alles wat mij verheugt.
Johann Christian Aibliger zette de psalm op muziek,
Sine Nomine zingt het
Sine Nomine
Johann Christian Aibliger [17791867], Super
flumina Babylonis
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
En vervolgens…
De mutaties van God binnen de christelijke traditie
tot nu toe
In de eerste eeuwen van onze jaartelling groeiden
de christelijke gemeenten. De christenen scheidden zich af van de synagoge,
hoewel heel lang mengvormen bleven bestaan, met name in het Midden Oosten.
Toen het christendom de officiele godsdienst van het Romeinse Rijk werd,
was de scheiding al een feit.
Nieuwe beelden van God deden hun ingang. De ene
God bestond voortaan uit drie personen: Vader, Zoon en Heilige Geest. De
drie-eenheid werd op den duur door de meeste christenen (niet door allen)
het
beeld van God met het beeld van de Vader als onbetwiste winnaar.
Zeker, deze naam, dit beeld kreeg later ook kritiek,
met name in de vorige eeuw, vanuit de feministische hoek. Sindsdien spreekt
men ook van God als ZIJ.
Zo kan de zegen die oorspronkelijk door Aäron,
de broer van Mozes over het volk Israel werd gegeven, en die wij nog steeds
aan het einde va de diensten gebruiken, als volgt luiden:
De Eeuwige zegene en behoede ons
De Eeuwige doe zijn aangezicht over
ons lichten
En zij ons genadig
De Eeuwige verheffe haar aangezicht
over ons
En geve ons vrede.
Aäron zou er nooit op gekomen zijn...
Daarnaast bestaan ook allerlei namen en beelden
voor God die iets uitdrukken van de kwaliteiten die de mens sinds mensenheugenis
God toedicht: Eeuwige, barmhartige, rechtvaardige, aanwezige.
En later, met name sinds het midden van de vorige
eeuw, kwamen daarbij namen en beelden die het mysterie van God uitdrukten:
de onzienlijke, de onuitspreekbare, de onzegbare, degene of HETgene boven
ons verstand, boven onze taal uitgaat.
God: hij, zij, het.
Het verbaast u misschien. Maar om onze eigen
Bredase bisschop Monseigneur Muskens te citeren: hoe we God ook noemen,
God krijgt er niets van!
Als er in de christelijke traditie, een
naam voor God, een beeld van God, onverwoestbaar dierbaar is, is
het wel dat van Vader, God, de Vader.
Als je christelijk bent opgevoed, blijft dat
beeld overeind, al heeft je eigen godsbeeld zich anders ontwikkeld. Want
al ben je alle gebeden vergeten, het Onze Vader staat in je gekerfd,
je kent het nog by hart, uit je hoofd, uit je hart. Aan het sterfbed
en op begrafenissen blijkt elke keer opnieuw dat mensen dat gebed van de
christenheid zo maar spontaan kunnen opzeggen. Het beeld van God als Vader
is even sterk als het beeld van Maria als moeder, gewikkeld in een wijde
mantel waaronder men kan schuilen. Er spreekt geborgenheid en veiligheid
uit, bevrijding ook, met name bevrijding uit de angst voor de dood. Het
is een onverwoestbaar beeld.
Pater Noster
De Nederlandse componist Albert de Klerk, overleden
in 1998, heeft een schitterende Onze Vader gecomponeerd, met in het midden
van de compositie een prachtige dissonant. Ik hoorde en zong het jaren
geleden in de Leidse studentenekklesia. Gedurende een reis in Polen bezochten
wij, met de schola cantorum, een kleine kerk in Torun. Iemand begon zachtjes
het Pater Noster van Albert de Klerk te zingen. We vielen in. Toen was
God daar.
Sine Nomine
Albert de Klerk [1917-1998], Pater Noster |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
En wij dan?
Bloemlezing uit Trouw-artiken in de serie ‘De
persoonlijke God’
God de Vader, God de Zoon, God de Heilige Geest.Voor
de meeste christenen, zijn deze drie namen, deze drie beelden van God,
helder en aansprekend.
Maar er bestaan ook christelijke stromingen die
met deze beelden niet uit de voeten kunnen. Ook zijn er veel mensen die
zich op een andere manier, buiten de kerken, tot een God of tot het goddelijke
verhouden op hun eigen manier. Men noemt hen ietsisten – zij geloven
in ‘iets’ zonder daar een naam aan te willen geven of zich een beeld van
te willen vormen - of soloreligieuzen (ze ontwerpen een persoonlijke
religie op grond van godsbeelden uit verschillende tradities).
In het dagblad Trouw verschijnt een serie artikels
waar mensen hun eigen religieuze ontwikkeling vertellen, hun eigen beeld
van God en religie schetsen. Ik lees u enkele fragmenten uit deze serie
die wordt aangekondigd als volgt:
Zonder religieuze beleving geen
religie – misschien is ze wel de kern ervan. Toch lees je er maar weinig
over. In deze rubriek beantwoorden mensen vragen over wat ze op religieus
gebied hebben beleefd.
Fragment 1
Arie Eikelboom, kerkmusicus (vrijdag 31 augustus
2007): Muziek raakt aan wat ze vroeger je ziel noemden.
"Mijn ogen zijn opengegaan toen ik op
mijn dertigste in het klooster van Zundert ben geweest. Daar bidden ze
de 150 Psalmen iedere week. Maar niet op die gereformeerde individualistische
manier. Ze bidden de psalmen voor de hele wereld, verengen het niet tot
het individu. Bij het ‘Heer waarom laat je me in de steek’ denken ze niet
aan zichzelf maar aan de hele mensheid. Toch begrijp ik die persoonlijke
emotionaliteit wel. Als ik het moeilijk heb pak ook ik Psalm 10 – ‘Hoe
komt het Heer dat U zo verre zijt’."
Hoort God dat?
"Dat idee heb ik altijd. Maar of ik het ook ervaar
weet ik niet. Ik geloof het en ik beleef mijn overtuiging. Het is gevaarlijk
om puur op je persoonlijke ervaring af te gaan. Daar ben ik te rationeel
voor. Met mijn verstand zeg ik: het moét wel zo zijn."
Wie zijn ‘ziel’ beleeft, heeft een religieuze
beleving?
"Religieus, oei, wat een gevaarlijk woord. Ik
ga met Luther mee, die stelde dat voordat de mens er was, er al muziek
was. God of de kosmos is harmonie, en dat staat tegenover de chaos van
onze wereld. Met muziek kun je weer een beetje in de kosmos terecht komen.
Dit is een overtuiging waar ik blij van word. Die blijdschap beleef ik
in muziek."
Fragment 2
Arie Vuyk, cabaretier, (17 juni 2007): Toen
versoberde ik: weg tv, weg scooter, weg kennissen
Wat hebt u meegemaakt?
"Bij Krimpen aan de Lek liep ik het dijkje over
naar het buitendijkse natuurgebied voor een wandeling, zoals ik die wel
vaker maak. De avond was stil en sereen. Ook de scheepswerf waar
normaliter altijd herrie vandaan komt, lag er verlaten bij. Ideaal dus
voor een tochtje. Maar met het naderen van het toegangshek viel me opeens
een boodschap in: ‘Ga niet verder. Verstoor het niet.’ Ik
kon geen stap meer zetten. Deze eigenlijk niet in woorden uit te
drukken boodschap kwam niet als een mokerslag, maar eerder als een
roos die zich openvouwde, hij kwam zacht doch beslist, als met een fluwelen
handschoen. Het was mij toegestaan op het hek te gaan zitten en
te kijken. Ik had het terrein nog nooit zo mooi gezien, in een diepe rust.
Er hing iets boven het veld, alsof de natuur aan het werk was. Het was
tegelijkertijd buitengewoon én heel gewoon. Ik weet niet
of ik het was die openstond voor iets wat er altijd was, of dat er op dat
moment iets heel bijzonders aan het plaatsvinden was. Na twintig minuten
ben ik weggegaan, vond ik het genoeg. Ik ben later nooit meer op dat hek
gaan zitten om te kijken of het bijzondere er weer zou zijn. Het
was genade, iets waarnaar je niet op zoek kan zijn. Ik was alleen
verbaasd en dankbaar. En ik weet dat het nooit weer zal gebeuren.
Een paar jaar later heb ik nog een keer compleet
onverwacht een bijzondere ervaring gehad.
Ik was de Martinikirche in Emmerich binnengestapt
en
kwam bij drie kleine glas-in-betonraampjes terecht. Bij het aanschouwen
van een ervan was het alsof er een explosie in mij plaatsvond. Ik begon
meteen te huilen. Ik keek het heelal in, schouwde door een poort een andere
dimensie binnen en voelde me er totaal mee versmolten. Nog vaak
ben ik teruggeweest. Er komt dan iets van die eerste beleving terug,
maar vergeleken met die eerste keer, mag het geen naam hebben. Het is net
als bij de zevende symfonie van Beethoven: die kun je ook maar een keer
voor het eerst horen.
….
Ik besef meer dan vroeger dat ik een instrument
in handen van iets groters ben. Van wat, weet ik niet. In die zin
ben ik een ietsist: iemand die op het gebied van levensbeschouwing
de fundamentele onzekerheid omarmt. De hervormde kerk van mijn opvoeding
ben ik uitgestapt. Ik heb indertijd de Bijbel, Koran en de hele
reutemeteut gelezen, maar nu weet ik dat die niet kunnen tippen
aan de ervaringen die ik heb gehad."
Fragment 3
Tanja Klein, schilder en beeldhouwer, (3 augustus
2007): Bij mij is het soms alsof het schilderij wórdt geschilderd
Eert u God door te schilderen?
"Ik zou liegen als ik zei dat ik schilderde om
God te eren. Zo vroom ben ik niet en al helemaal niet in
een groep. In een kerk kom ik dan ook zeer weinig. Ik zag er te
veel schijnheiligheid. Ik heb niet zo veel met ritueel – het enige
ritueel dat ik eropna houd is bidden voor het eten. De manier waarop
ik God eer is te proberen een goed mensch te zijn. Er zijn periodes dat
ik me ver van God voel. Als ik dan een bijbels onderwerp ga schilderen,
dan komt het gevoel dat God er is weer terug.
Ik heb niet het idee dat God met me meekijkt
als ik schilder maar hij zegent mijn werk, dat voel ik wel. Soms heb ik
het idee dat het zo goed gaat dat het schilderij wórdt geschilderd
en
ik zelf het werktuig ben, net als de kwast. Niet dat ik overmand
wordt, het blijft een ambigue sensatie. Ik kan het ook hebben als ik een
stilleven van aardappels schilder. Dan verbaas ik me en krijg ik
het idee: dit had ik zelf niet kunnen verzinnen. Alsof ik iets ontvang."
Gelooft u in het ingrijpen van God, kortom,
in wonderen?
"Ik vind het een wonder dat ik zelf geloof. Ik
kom uit een ongelovig gezin. Dat ik sinds mijn achtentwintigste geloof
ervaar ik als een geschenk, het mooiste geschenk op aarde. Ik ben er dankbaar
voor. Het leven zonder God vond ik namelijk maar leeg. Soms loop ik in
de natuur en dan zie ik daar Gods tegenwoordigheid. Tja, het is
de kunst om dat te beschrijven of anderszins uit te beelden. In
mijn schilderijen kom ik niet verder dan de schoonheid te tonen.
Met verf probeer ik het gewone te ontstijgen zodat de gloed van God ervan
afstraalt. Maar mijn onvermogen vergezelt me daarbij. Ik voel mijn begrensdheid
en
daar kan ik dan erg aan lijden."
Uit deze drie fragmenten, deze zomer in Trouw verschenen,
blijkt dat het beeld dat mensen zich van God maken veel afhangt van wat
mensen beleven. Natuur, kunst, emotionele ervaringen, het beeld dat men
zich van God maakt ontwikkelt zich en wordt steeds persoonlijker, steeds
dichterbij de persoonlijke ervaring. |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Het Aramese Onze Vader
Wat opvalt in deze getuigenissen, is het open,
ondogmatisch karakter van de aangedragen beelden. Misschien zal het u verrassen,
maar dit soort gedachten is helemaal niet nieuw. In het begin van de christelijk
traditie, kende men deze geluiden ook. Enkele jaren geleden vond men een
Aramese tekst – Aramees was de taal die Jezus sprak – die zeer verwant
is met het traditionele Onze Vader maar toch een andere toon heeft, andere
beelden van God oproept. Dit Aramese Onze Vader, waarvan men de
datering schat tussen de 1e en 4e eeuw na Christus, is overigens bewaard
gebleven in de oudste christelijke kerk: de syrisch-orthodoxe kerk. U kunt
het nog horen bidden in enkele kerken aan de grens tussen Syrie en Israel,
waar het al meer dan 15 eeuwen elke dag onveranderd klinkt.
Ik lees het u eerst in de Nederlandse letterlijke
vertaling, van de hand van Bram Moerland. Sine Nomine zal het vervolgens
zingen in een hertaling van Sytze de Vries, dit jaar op muziek gezet door
kerkcomponist Henri Heuvelmans. Het wordt vierstemmig gezongen, voor het
eerst vandaag in Breda. Een premiere dus.
Het Aramese Onze Vader
Bron van Zijn, die ik ontmoet
in wat me ontroert
Ik geef U een naam opdat ik U
een plaats kan geven in mijn leven.
Bundel Uw licht in mij –
maak het nuttig.
Vestig Uw rijk van eenheid nu.
Uw enige verlangen handelt dan
samen met de onze.
Geef ons wat we elke dag nodig
hebben aan brood en inzicht.
Maak los de koorden van fouten
die ons vastbinden aan het verleden,
zoals wij ook anderen hun
misstappen vergeven.
Laat oppervlakkige dingen ons
niet misleiden.
Want uit U wordt de alwerkzame
wil geboren,
de levende kracht om te handelen,
het lied dat alles verfraait:
en dat zich van eeuw tot eeuw
vernieuwt. Amen.
Sine Nomine
Het Aramese Onze Vader, Sytze de Vries/Henri
Heuvelmans (Bredase première)
Een persoonlijke poging…
God: Hij, Zij, Het, wie zal het zeggen?
Het boeiende van de tijd en van de plaats waarin
wij leven, is dat wij frank en vrij kunnen zoeken naar inspiratie, naar
een levensrichting die bij ons past. Ook binnen de kerk. Niemand kan ons
dwingen ideeen te aanvaarden die wij niet zelf hebben onderzocht.
Hoe we ons God of de godheid voorstellen of niet
voorstellen, dat staat ons vrij.
Dat is een groot goed, fel bevochten en uit alle
macht te verdedigen.
Tegelijkertijd houdt deze vrijheid in dat we
zelf op zoek gaan naar zingeving, opdat we in staat worden betekenis aan
ons leven te geven.
Voor sommigen hoort daar God bij, voor anderen
niet.
Eigenlijk is de vraag wie of wat is God? een
onmogelijke vraag.
De enige vraag die je kunt beantwoorden is: Wie
of wat is God nu voor mij? Hij, Zij, Het? Iets? Niets?
Ik zal een poging doen deze vraag persoonlijk
te beantwoorden.
Voor mij is God een onmetelijk mysterie, iets
dat ons denkvermogen dermate overstijgt dat we het ons niet eens kunnen
indenken. Het is allesomvattend, zou Spinoza zeggen: in alles, met alles,
door alles heen. Herkenbaar, soms, even,
in het brekende licht op het water,
bij het baren van jong leven
en het rustig heengaan van een negentigjarige,
bij een werkelijke ontmoeting met een onbekende.
Iets, dus, dat ik vermoed maar waar ik niet
bij kan.
Toch heeft dat ‘iets’ rechtstreeks en persoonlijk
met mij te maken en verleent me levenskracht. Hoe, weet ik niet, maar dat
het zo iets, weet ik zeker. Ik zou de beproevingen uit mijn leven niet
hebben kunnen dragen, als ik door die kracht niet werd gedragen. Een kracht
die mij nabij blijft , een kracht die ik kan aanroepen, tot wie ik mij
kan richten, ‘als ware het iemand’.
Zoals ik al eerder zei: ik ben een ietsist met
een persoonlijke God en vaar daar wel bij.
Maar het blijft een zoektocht. Wie of wat God
is: Hij, Zij, Het: wie zal het zeggen? Veel belangrijker is er volkomen
vrij op zoek naar te gaan.
En dat zoeken, is al moeilijk genoeg, zoals het
volgende chassidisch verhaal het vertelt:
Chassidisch verhaal
Rabbi Baruchs kleinzoon Jechiël
speelde eens met een andere jongen verstoppertje. Hij verstopte zich goed
en wachtte tot zijn vriendje hem opzocht. Toen hij lang gewacht had, kwam
hij uit zijn schuilplaats; maar de ander was nergens te zien. Nu bemerkte
Jechiël dat deze van het begin af niet naar hem had gezocht. Daarover
barstte hij in tranen uit, kwam huilend de kamer van zijn grootvader binnen
en beklaagde zich over zijn slechte speelkameraadje. Toen stroomden rabbi
Baruch de tranen uit de ogen en hij zei: ‘Zo spreekt God ook: ik verstop
mij, maar niemand wil mij zoeken’.
[Baruch van Mesbiz, uit Martin Buber,
Chassidische
vertellingen. Katwijk aan zee 1967, p. 133]
As torrents in Summer
De Engelse componist Edward Elgar componeerde
een lied over de onzichtaarheid van deze God die men niet zoeken wil.
In de zomer vallen de rivieren half droog. Plotseling
wellen ze op, terwijl de hemel strakblauw is en geen wolk te bekennen is.
Ver in de bergen, ergens, heeft het water zich verzameld. Zo vergaat het
ook het hart, dat plotseling vol raakt. Ergens, hier ver vandaan, heeft
God het laten regenen. Zien doen we het niet, voelen des te beter.
En met dit laatste lied van Edward Elgar zullen
we deze muzikale reflectie over veranderende godsbeelden afsluiten.
Sine Nomine
Edward Elgar [1857-1934], As torrents in Summer |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Terug naar
de homepage van de remonstrantse gemeente Breda |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
naar boven |
|
|
|
|
|
|
|
|
voor het laatst bijgewerkt: 09/10/2007 |