|
|
Voorgelezen door Henk Don:
Gedicht van Myriam Kubovy
Wat zijn wij buiten u, Heer?
Spel van het lot?
Fraai geordende cellen?
Bij toeval fraai geordend?
Toevalligheden
waarvan de oorzaak eb en vloed,
angst, honger?
En slechts bij toeval verschilt de mens van een
monster?
Vrucht van het onvoorziene,
het onbedoelde,
het ongedachte?
Slovende mieren,
die elkaar verscheuren –
toppunt van belachelijkheid
omdat zij zich wanen
heren van het heelal?
Een zeepbel
gemodelleerd door het toeval,
zonder gewicht,
zonder spoor,
die arrogant zich opblaast,
meer en meer zich opblaast,
en uiteenspat,
denkend
dat hij een diamant is,
omdat de regenboog
een onderdeel van een seconde
erin weerkaatst wordt.
Buiten u
zou deze wereld,
onze wereld,
geen schepping meer zijn:
Slechts de schijn blijft…..
Slechts de schijn – al bij al..
En wij?
Wij zijn uw schepping niet,
maar een verspringend beeld,
een bedrieglijke gril,
een grimas van de chaos,
die toevallig
lijdt, zwoegt en bemint.
Wanneer wij in ons hart zeggen,
Dat Gij bestaat, mijn God,
Dan hebben wij weer grond onder de voeten,
Dan keert onze rust terug,
Want onze rots en ons schild…
Wij zijn zo onmetelijk klein,
Maar wij zijn u waardig.
Het is de mens beschoren
God in zijn hart te dragen…
Gedicht van Novella Matvejeva:
U verlangt naar wonderen?
Godsdiensten? Maar wie zegt u,
Dat dit bos geen wonder is?
Deze kust
Met de ruwe stenen,
Deze sneeuw
Met de vluchtige schaduwen,
Deze mens?
En dan de mens die gij zijt?
Het lijkt u heiligschennis
Dat uw wonderlijke droom,
Zo wonderlijk vervuld van gevoelens,
Verklaard zou worden door de wetenschap?
Vanwaar echter uw smart
En uw pijn – Vanwaar?
Er is wetenschap in de wereld,
En ook deze is een wonder,
Niet minder dan een droom.
En zelfs weet men niet
Wat groter wonder is:
Uw droom of deze wetenschap…
Onze bodemloze bron
Is rijk gevuld, nauwelijks verloor zij water.
Ons droombeeld – ook verklaard –
Zal een der wonderen blijven.
En na de verklaring
Wie hij is en vanwaar, -
Zal deze genius
Door hetzelfde geheimenis
Omvangen blijven.
Gedicht van Nikolaj Zabolotski
Jeugd
Haar grote ogen als van een sierpop,
Zijn wijd open. Onder de pijlen van haar wimpers,
Schitteren vol vertrouwen, helder en kogelrond,
De jeugdige pupillen.
Wat ziet zij? En wat is er ongewoon
Aan dit landelijk huis, deze tuin, deze gaard,
Waar de eigenaar, gebogen over struiken,
Zwoegt en iets tezamenbindt en snijdt en zingt?
Twee magere handen vechten op de heining,
De ruige hop rankt om de pilaren van het bordes.
En het kind kijkt. En in deze heldere blik
Is heel de wereld tot aan het eind weerspiegeld.
Deze wonderlijke wereld, waarlijk voor het eerst
Bekoorde haar, als het wonder der wonderen,
En in de diepten van haar ziel, als levende reisgezellen,
Verankerden zich dit huis, deze tuin en het bos.
En vele dagen zullen voorbijgaan. En de pijn
van een onrustig hart
En het geluk zullen tot haar komen. Maar ook
als vrouw, ook als moeder
Zal zij zich altijd de zin van dit gezegend moment
herinneren
Tot de dagen dat haar haren grijzen.
Voorgelezen door Frieda Gouwetor:
Gedicht van Wislawa Szymborska
Hemel
Hiermee had ik moeten beginnen: de hemel.
Een raam zonder vensterbank, kozijn of ruiten.
Een opening en niets daarbuiten,
maar wijd open.
Ik hoef niet te wachten op een heldere nacht,
noch mijn hoofd achterover te buigen,
om de hemel te bezien.
Hij is achter de rug, bij de hand en op de oogleden.
De hemel omwindt me strak
en tilt me van onderen op.
Zelfs de hoogste bergen
zijn niet dichter bij de hemel
dan de diepste dalen.
Op geen enkele plaats is meer hemel
dan op enige andere.
De hemel drukt even absoluut
op een wolk als op een graf.
De mol kan zich even hemels voelen
als de uil die zijn vleugels wiegt,
Een ding dat in de afgrond valt
valt van hemel in hemel.
Korrelige en rotsachtige,
vloeibare, vlammende en vluchtige
lappen hemel, kruimels hemel,
vlagen hemel, stapels.
De hemel is alomtegenwoordig
zelfs in het onderhuidse duister.
Ik neem de hemel op, scheid hemel af.
Ik ben een val in een val,
een bewoonde bewoner,
een omhelsde omhelzing,
een vraag in een antwoord op een vraag.
De verdeling in aarde en hemel
is geen geschikte manier
om aan dit geheel te denken.
Ik kan er alleen mee overleven
op een preciezer adres
dat sneller is te vinden,
mocht ik worden gezocht.
Mijn bijzondere kenmerken zijn
geestdrift en vertwijfeling.
Verhaal van Toon Tellegen
Op een ochtend liepen de eekhoorn en de mier door
het bos.
‘Waar gaan we eigenlijk heen?’ vroeg de eekhoorn.
‘Naar de verte,’ zei de mier. ‘O,’ zei de eekhoorn.
Het was een mooie dag en ze liepen het bos uit,
de verte in.
‘De wereld is zó groot, eekhoorn…’ zei
de mier. ‘Ja,’ zei de eekhoorn.
‘En hoe verder je loopt hoe groter hij wordt,
‘zei de mier.
De eekhoorn zweeg.
‘Dus eigenlijk,’ ging de mier verder, ‘als je
maar altijd doorloopt is hij oneindig groot.’
De eekhoorn knikte, maar hij wist niet wat oneindig
was en hij geloofde niet dat iemand altijd zou kunnen doorlopen. Hij dacht
zo diep mogelijk na. Als ik ga zitten, dacht hij, zou de wereld dan weer
kleiner worden? En als ik dan altijd blijf zitten?
Hij vond dat een ingewikkelde gedachte en besloot
alleen nog maar om zich heen te kijken.
Ze liepen door een onafzienbare vlakte. Zo nu
en dan passeerden ze een rotsblok, en boven hun hoofd zeilde soms een klein
wit wolkje door de reusachtige blauwe lucht.
Urenlang liepen ze door. Toen stonden ze plotseling
voor een muur. Het was een grote, hoge muur. Er groeide klimop tegen en
de stenen waren brokkelig en verweerd. Ze liepen een eind langs de muur.
Er was nergens een gat of een poort, en er kwam ook geen eind aan de muur.
‘We kunnen niet verder,’ zei de eekhoorn. ‘Maar
we kunnen er wel overheen,’ zei de mier. ‘Kijk uit.’ Hij stapte op de schouders
en het hoofd van de eekhoorn en klom op de muur.
‘Wat is er aan de andere kant?’ vroeg de eekhoorn.
Het was lange tijd stil.
Toen zei de mier: ‘niets.’ ‘Maar wat zie je dan?’
vroeg de eekhoorn. ‘Niets.’
‘Maar als je naar beneden kijkt zie je dan geen
grond?’ ‘Nee.’
‘En lucht? Je ziet toch wel lucht?’ ‘Nee. Ook
geen lucht.’
‘Is het er dan donker?’ ‘Nee,’ riep de mier.
‘Het is er niets.’
Het was even stil. De eekhoorn dacht na. ‘Is
het er soms heel oud?’ vroeg hij toen. ‘Of grijs?’
‘Nee,’ zei de mier. ‘Ook niet.’ ‘Kan je er iets
horen?’ ‘Nee,’ zei de mier. ‘Niets.’
‘Is het er dan helemaal stil?’ ‘Nee.’ ‘Maar als
je niets hoort dan is het toch stil?’ ‘Ja,’ zei de mier. ‘Dat dacht ik
ook. En toch is het niet stil. Het is niets.’
‘Maar dat kan niet,’ zei de eekhoorn. ‘Nee,’
zei de mier.
De eekhoorn dacht een tijd na. ‘Waar ruikt het
naar?’vroeg hij toen. ‘Het ruikt niet,’ zei de mier. De eekhoorn zweeg
en dacht weer een tijd na.
‘Als je kon vliegen kon je er dan overheen vliegen?’
vroeg hij toen. ‘Waaroverheen?’ ‘Daaroverheen.’ ‘Er is geen daar. Dat zeg
ik je toch. Er is niets.’
‘Kan je je dan niet aan de andere kant naar beneden
laten zakken?’ ‘Er is geen andere kant! Er is maar één kant.
En nu moet je niets meer vragen!’
de mier stapte weer op het hoofd van de eekhoorn
en sprong op de grond. Ze gingen met hun rug tegen de muur in het gras
zitten. Een hele tijd zwegen ze. Toen zei de eekhoorn: ‘wat hebben we ver
gelopen.’ Hij keek over de enorme vlakte die zich uitstrekte tot het bos
dat niet groter was dan een klein zwart puntje op de horizon. De mier zei
niets. De eekhoorn kon zien dat hij nadacht. Het was alsof hij ergens niet
op kon komen. Er stonden dikke rimpels op zijn voorhoofd. Even later begon
de mier een gat te graven onder de muur door. Driftig vloog de grond omhoog.
Maar toen hij midden onder de muur was kon hij niet verder graven. ‘Ik
kan niet verder,’ hoorde de eekhoorn hem roepen. ‘ Waarom niet?’ riep de
eekhoorn terug. ‘Er is niets meer te graven.’ ‘Is er geen grond meer?’
‘Nee.’ ‘Wat is er dan?’ Even was het stil. Toen klonk het zacht en aarzelend:
‘niets.’
De mier kroop terug en ging naast de eekhoorn
staan. Hij sloeg de aarde van zich af. ‘En toch moet er een andere kant
zijn,’ zei hij. ‘Dat moet!’ ‘Waarom moet dat?’ vroeg de eekhoorn. ‘Dat
moet!’ schreeuwde de mier. ‘Dat moet!’ Hij stampte op de grond en liep
woedend heen en weer. ‘Er moet iets zijn!’ ‘Wat dan?’vroeg de eekhoorn.
‘Iets!!’ de stem van de mier sloeg over en leek
wel omhoog te vliegen. Zijn gezicht zag er rood en verwilderd uit en zijn
voelsprieten zaten in de war.
‘Niets is verschrikkelijk,’ schreeuwde hij. Toen
kneep hij zijn ogen dicht en zei: ‘nee. Niets is niet verschrikkelijk.
Niets is niets.’ ‘Dat is dus nog erger,’zei de eekhoorn voorzichtig.
‘Nee!!’gilde de mier. Hij ging op zijn hoofd
staan en zwaaide met zijn poten in het rond.
‘Dat is niets!!’
de eekhoorn zweeg en keek naar de grond. Hij
drukte het puntje van zij n staart tegen zijn neus. Als daar niets is,
dacht hij, dan is hier dus alles. Hij keek naar de lucht en de vlakte en
het bos in de verte en de mier naast hem. Dat is dus alles, dacht hij.
Meer is er niet.
Hij knikte en was tevreden over wat er was. Meer
hoeft er ook niet te zijn, dacht hij.
Maar de mier liep rood en voorovergebogen heen
en weer. Zijn gezicht was vol rimpels en hij zei voortdurend, maar wel
steeds zachter: ‘Er moet iets zijn. Dat moet. Dat moet.’
De eekhoorn kreeg honger en zei: ‘Laten we maar
teruggaan.’
De mier zuchtte heel diep, keek nog één
keer vertwijfeld naar de muur, zei nog één keer ‘Er moet
iets zijn’ en liep toen voor de eekhoorn uit de vlakte in.
Zwijgend liepen ze in de richting van het bos.
Na een tijd keek de eekhoorn even om. De muur was al niet meer dan een
dunne zwarte streep.
Toen het donker was kwam ze in het bos aan. ‘De
wereld valt me wel tegen,’ zei de mier. De eekhoorn zei niets. ‘Weer iets
dat me tegenvalt,’ ging de mier verder en hij schudde zijn hoofd. De eekhoorn
dacht aan dingen die hem soms tegenvielen, zoals bedorven honing, staartpijn
en onleesbare brieven.
Laat in de avond zaten ze in het huis van de
eekhoorn, boven ion de beuk en aten rode stroop en hadden het over verjaardagen,
over taarten, over de zon, over de geur van dennenhars, over de kraanvogel
en over de zomer. Over alles hadden ze het, behalve over de wereld en over
niets.
Voorgelezen door Joop Freriks:
Het Aramese ‘Onze Vader’
Bron van Zijn, die ik ontmoet in wat me ontroert.
Ik geef U een naam opdat ik U een plaats kan
geven in mijn leven.
(Bundel Uw licht in mij, maak het nuttig.
Vestig Uw rijk van eenheid nu.
Uw enige verlangen handelt dan samen met de onze.
Geef ons wat we elke dag nodig hebben aan brood
en inzicht.
Maak los de koorden van fouten die ons vastbinden
aan het verleden,
zoals wij ook anderen hun misstappen vergeven.
Laat oppervlakkige dingen ons niet misleiden.
Want uit U wordt de alwerkzame wil geboren,
de levende kracht om te handelen, het lied dat
alles verfraait
En dat zich van eeuw tot eeuw vernieuwt.
Amen)
Dagsluiting van Gerard Reve (1966)
Eigenlijk geloof ik niets,
En twijfel ik aan alles, zelfs aan u.
Maar soms, wanneer ik denk dat gij waarachtig
leeft,
Dan denk ik dat gij Liefde zijt, en eenzaam.
En dat, in dezelfde wanhoop, gij mij zoekt, zoals
ik U.
|
|
|
|
|
|
|
|