|
|
Ik weet niet of het u opgevallen
is de laatste maanden, maar er is wat aan het verschuiven in Nederland.
Tot voor kort werd het geloof afgedaan als zijnde een jammerlijke overblijfsel
uit een donker verleden, beleden door mensen die de Verlichting zouden
hebben gemist.
Daar komt nu een kentering in. Job Cohen schreef
vorige maand in Trouw een gedurfd artikel getiteld: Religie heeft
PvdA moreel anker te bieden. Een citaat: "De werkelijke dynamische
kracht van religie kan alleen maar worden begrepen als men inziet dat religies
aan hun gelovigen een perspectief bieden op een rechtvaardige of rechtvaardigere
samenleving". Dat sloeg in als een bom en de discussie is maar aan het
begin.
De vernieuwde interesse voor religie en geloof,
die men ook elders in de samenleving ontwaart, is verrassend en ik hoop
dat door deze hernieuwde discussie een aantal hardnekkige misverstanden
uit de weg worden geruimd.
En een van die hardnekkige misverstanden is het
idee dat religies in het algemeen en het christendom in het bijzonder het
tegenovergestelde, jazelfs het tegenwicht van de Verlichting zouden zijn.
Als ik dergelijke geluiden, bij voorbeeld in
de Tweede Kamer, hoor, dan moet ik bekennen dat ik wel eens behoorlijk
kwaad word over zoveel onwetendheid.
Vandaar deze serie remonstrantse lezingen rond
Verlichte denkers in christendom, jodendom en islam.
Definitie
Maar laten we eerst het begrip Verlichting
definiëren. Wat zijn ‘verlichte denkers’, wat is ‘de Verlichting’
?
De Verlichting is een ware revolutie geweest
in het Europese denken en men kan de Verlichting als volgt definiëren:
1) de triomf van de rede
2) het geloof in de vooruitgang van de mensheid
3) het zoeken naar het aardse geluk
- De triomf van de rede vereist de vrijheid van
het denken en dus de tolerantie.
- Aan de vooruitgang van de mensheid wordt geen
grenzen toegekend.
- Het geloof in de mogelijkheid van het aardse
geluk komt in de plaats van het religieuze ‘heil’.
Men gaat dus op alle mogelijke manieren (wetenschap,
techniek) proberen het leven van mensen makkelijker, gelukkiger te maken.
De Verlichting, met haar drie karakteristieken,
‘staat’ als het ware op twee zuilen: het humanisme en de Reformatie. Dat
zijn de geestelijke stromingen die de Verlichting mogelijk hebben gemaakt.
De drie denkers die we vanavond bespreken, zijn
allen van reformatorische huize.
Er is ook een katholieke Verlichting, maar die
laat ik hier in het midden.
Periode en plaats
Waarom denkt men vaak dat Verlichting en christendom
elkaars vijanden zijn?
Dat komt doordat tot voor kort, de Franse Verlichting
– met Voltaire en Rousseau – als DE Verlichting wordt gezien. De achttiendeeeuwse
Lumières
hebben lang gegolden als HET moment waar, in Frankrijk, het Europese denken
een ontwikkeling begon die zou uitmonden in1789 de Franse Revolutie. Nu
is het karakter van deze Franse verlichte denkers zondermeer anti-clericaal,
anti-religieus. Niet voor niets werd in de Franse revolutie de scheiding
van kerk en staat een centraal thema.
Het christendom zoals het in Frankrijk werd beleden,
ging men toen beschouwen als achterhaald en nadelig voor het geluk van
de mens. Niet alleen de adel verloor haar privileges (en vaak het hoofd).
Dit gold ook voor de geestelijkheid. Sindsdien bestaat er, in Frankrijk
en elders, de neiging de Verlichting als anti-christelijk, anti-religieus
te beschouwen.
En dat is volkomen onterecht. De eerste verlichte
denkers waren diep gelovige mensen, uit joodse en christelijke huize. Ze
leefden niet in de achttiende maar in de zeventiende eeuw, in Engeland,
Nederland en Duitsland
Spinoza en John Locke worden allebei geboren
in 1632, Pierre Bayle in 1647 en Christian Wolff in 1679. Zij vertegenwoordigen
een hele groep van verlichte filosofen uit de zeventiende eeuw die probeerden
de rede te laten triomferen, de vrijheid van denken ingang te doen hebben
en de tolerantie te presenteren als zijnde het beste systeem om als mensen
vredig en gelukkig samen te leven. Dit is dus de kern van wat Verlichting
is.
Het is jammer genoeg de gewoonte geworden om naar
Frans voorbeeld, het denken van deze verlichte christelijke filosofen
pré-Lumières,
early enlightenment, vroege verlichting te noemen. Daardoor, behielden
de achttiende eeuwse Franse verlichte filosofen het alleenrecht op de ‘echte’
Verlichting, en dat is, zoals we hebben gezegd, een seculiere, anti-religieuze
en anti-christelijke Verlichting. Zo werd alles wat elders en anders in
Europa gedacht werd, voor en na de grote Franse Verlichtingsfilosofen,
rechtstreeks aan de Franse situatie gekoppeld. Het beeld dat we van
het verband tussen de Verlichting en de religie hebben, is dus zuiver francocentrisch
en uit de Europese context gehaald. Resultaat: dat beeld klopt gewoon
niet met de realiteit. Maar zo kan het gebeuren dat men Ayaan Hirsi Ali,
die haar geloof heeft verlaten, ‘de nieuwe Spinoza’ noemt, terwijl Spinoza
een diepgelovige vrijdenker was. Zo kan het gebeuren dat christenen door
een Tweede-Kamer lid worden afgeschilderd als mensen die de Verlichting
hebben gemist. Dat is pure onzin, maar helaas wijd verspreid.
Het is buitengewoon moeilijk om een vergroeid
en incorrect historisch beeld te corrigeren. Toch, in het huidige Europees
historisch onderzoek, is men daar hard mee bezig. Makkelijk is het niet
omdat het vraagt af te stappen van simpel te onthouden, gangbare ideeën.
Je treedt de wereld van de nuances binnen, en dat is nooit eenvoudig.
Wat ik vanavond met U wil doen is bij een aantal
christelijke denkers: Balthasar Bekker, Pierre Bayle en Christian Wolff
te rade te gaan om te kijken hoe zij verlicht denken en christelijk geloof
wisten te combineren.
Balthasar Bekker
In de tweede helft van de zeventiende eeuw, komen
christelijke denkers in verzet tegen bijgeloof. Hoe dat kwam is een
spannend verhaal.
In 1682 werd na 76 jaar de comeet van Halley
aan de hemel zichtbaar, voor velen een onheilspellend teken van naderende
rampen. Wat zou het betekenen?
De Nederlandse predikant en theoloog Balthasar
Bekker [1634-1698] liet een boek verschijnen getiteld: Ondersoek van
de betekenis der Cometen, bij van degene, die in de jaren 1680, 1681 en
1682 geschenen hebben. Daarin betoogde hij dat cometen en andere natuurverschijnselen
geen enkel verband hielden met naderend onheil of met een eventuele goddelijke
wraak. Dat was toen vloeken in de kerk.
Bekker werd verguisd aan alle kanten. Hij werd
als predikant van Amsterdam afgezet maar de burgerlijke autoriteiten van
Amsterdam, die wars waren van vervolgingen van andersdenkenden, zorgden
dat hij in de stad kon verblijven en ook zijn tractement bleef ontvangen.
Daar publiceerde hij in 1693 De betoverde wereld, een essentieel
boek voor de ontwikkeling van het verlichte denken.
In De betoverde wereld ontkende Balthasar
Bekker het bestaan van heksen, demonen, bovennatuurlijke verschijnsels
en wat diens meer zij. Het werd een enorme rel. Satan, stelde hij, bestaat
niet. Heksen ook niet. Dat zijn allemaal bedenksels om de mensen bang te
maken. Het boek werd na kerkelijke klachten verboden maar vond toch zijn
weg naar de lezers. De Franse vertaling, Le monde enchanté,
werd eveneens verboden, in Nederland en in Frankrijk, maar vond ook zijn
weg naar de Franse lezers. De betoverde wereld is een van de oer-boeken
van de Verlichting. En het was geschreven in Holland door een predikant
die de filosofie van Descartes had omarmd en de rede als unieke methode
zag om de waarheid te ontdekken. Maar let wel: Balthasar Bekker was een
christelijke theoloog die trachtte het geloof te ontdoen van onredelijke
kanten zoals bijgeloof en geloof in wonderen en bovennatuurlijke krachten.
Maar hij opereerde vanuit zijn christelijke overtuiging. Datzelfde geldt
voor Pierre Bayle. Hoewel Bayle in zekere zin voorzichtiger was dan
Bekker, was hij dezelfde mening toegedaan. Zijn Pensées sur la
comète verschenen in het jaar waar de komeet van Halley terugkwam
– 1682 - en ademen dezelfde geest: natuurverschijnsels zijn niets anders
dan natuurverschijnsels en moeten als zondanig worden bestudeerd. De rest
is bijgeloof en moet worden bestreden.
Pierre Bayle [1647-1706]
Pierre Bayle werd in Frankrijk geboren in 1647
en studeerde aldaar theologie. Als hugenoot moest hij vluchten uit zijn
land toen Lodewijk XIV had besloten het leven van protestanten in Frankrijk
onmogelijk te maken. In 1681 komt Bayle aan in Rotterdam waar hij de rest
van zijn leven zou verblijven. Men noemt hem ‘de filosoof van Rotterdam’.
Hij doceerde filosofie aan de Illustere School en schreef een hele reeks
boeken, waaronder
- Pensées diverses sur la comète
(1682), Verschillende gedachten over de comeet, waarin hij het astrologische
bijgeloof bestreed.
- Commentaire philosophique sur ces paroles
de Jésus-Christ: ‘Contrains-les d’ entrer’ (1686) (filosofisch
commentaar op de woorden van Christus: dwing hen binnen te gaan), waarin
hij zich verzet tegen religieuze vervolgingen in het algemeen en die tegen
de Franse protestanten in het bijzonder.
- Dictionnaire historique et critique (1697),
zijn belangrijkste boek, een soort alfabetische encyclopedie van allerlei
filosofiche en religieuze personen en bewegingen die hij op zeer onorthodoxe
wijze presenteerde.
Pierre Bayle was theoloog en filosoof. Hij had
scherpe kritiek op bijgeloof, onredelijkheid, religieuze dwang en hij streed
voor een geloof waar niet de dwang maar de rede en het gezond verstand
het voor het zeggen hadden.
De Dictionnaire
Ik wil mij vooral concentreren op het Dictionnaire
historique van 1697.
Dit werk was bedoeld als supplement op een ander
Dictionnaire,
de Grand Dictionnaire historique van de Italiaan Louis Moreri, een
werk dat in die tijd als basis voor intellectuele kennis gold. Bayle rangschikt
zijn onderwerpen alfabetisch. Men vindt namen van mythologische en bijbelse
figuren, van antieke en moderne auteurs, van bepaalde denkrichtingen
en filosofische scholen. Bij elk lemma, staat een hoofdtekst, met de nodige
biografische en historische gegevens, en onderaan de pagina’s, tientallen
noten. En in deze noten geeft Bayle zijn persoonlijke mening over van alles
en nog wat. Het is een hele puzzle. Soms is er maar 1 regel hoofdtekst
voor een hele bladzijde noten en noten bij noten.
Het unieke van de Dictionnaire is dat
Bayle objectief verslag maakt van, bij voorbeeld, ketterse stromingen en
personen. Dat moet hij wel: immers, iedereen moet met het eigen ‘innerlijke
redelijk licht’ de gegevens kunnen bestuderen om zich zelf een oordeel
te kunnen maken. Daardoor lezen we een lang artikel over Spinoza
en zijn denken. Heel objectief gepresenteerd. Zo ook een artikel over Socinus.
Fausto Sozzini, de aanvoerder van de socinianen. Ik zal op deze twee artikelen
ingaan omdat zij de originaliteit van Bayle duidelijk maken.
De werken van Spinoza waren vrij snel na
hun verschijning officieel verboden, zowel in Nederland als in Frankrijk
en andere landen. Dankzij de Dictionnaire historique van
Pierre Bayle werd het denken van Spinoza echter breed verspreid, in heel
Europa. Het was weliswaar een vereenvoudigde Spinoza, maar de essentie
van zijn denken kwam wel over. Bayle deelde met Spinoza het idee
dat de bijbel kritisch gelezen moest worden. Maar Spinoza ging veel verder
door de goddelijke inspiratie van de bijbel te ontkennen. Dat ging Bayle
weliswaar te ver, maar hij gaf dat zeer vooruitstrevende idee van Spinoza
wel dóór. Zodat elke lezer kennis kon nemen van een toen
radikale gedachtengang.
Hetzelfde gebeurde in het artikel Socinus.
Fausto Sozini was een Italiaanse theoloog en filosoof die zich in Polen
had gevestigd en aldaar veel aanhang had gekregen. Socinus verwierp de
drie-eenheid, het bestaan van de Triniteit (vader, zoon en heilige geest)
en geloofde slechts in één god. Voor de unitaristen of anti-trinitaristen
was Christus een voorbeeldige mens, een profeet, maar geen god. Dat betekent
dat ze centrale dogma’s van zowel katholicisme als protestantisme verwierpen:
de verzoeningsleer, bijvoorbeeld. Er zijn in midden-Europa allerlei unitaristische
groepen ontstaan, die eigenlijk tussen jodendom en christendom in zaten.
Tot en met de sabbatisten, een christelijke kerk die niet de zondag maar
de zaterdag als dag des Heren vierden en die uiteindelijk gezamenlijk naar
Palestina emigreerden. Deze groeperingen werden in de loop van de17e eeuw
vervolgd. Zo ook de socinianen uit Polen. De meest van hen vluchtten naar
de Republiek der Verenigde Nederlanden en werden alhier ontvangen. Ze stichtten
uitgeverijen waar ze sociniaanse boeken drukten voor heel Europa. Deze
boeken waren een regelrechte aanval op de gangbare christelijke dogma’s.
De kerkelijke autoriteiten alhier dienden vele klachten in tegen deze boeken
die regelmatig werden verboden… Maar het hielp niet. De geest was uit de
fles, als het ware. Een geest van verzet tegen de christelijke dogma’s.
Daar kwam nog bij dat de remonstranten, vanwege hun gewoonte een radikaal
open avondmaal te vieren – dus iedereen uit te nodigen om deel te hebben
aan het avondmaal – ook socinianen welkom heetten in hun kerken. Volgens
Bayle, is dat ook een van de redenen waarom remonstranten van socinianisme
werden beticht. Bayle verzet zich tegen de ideeën van Socinus maar
wederom, omdat hij iedereen in staat wil stellen om zijn eigen oordeel
te vellen, doet hij het gedachtengoed van Socinus uitvoerig uit de doeken.
Hetzelfde doet hij met allerlei heterodoxe denkers, zijn Dictionnaire
bundelt dus allerlei ‘dwalingen van de menselijke geest’ die hij zelf verwerpt
maar tegelijkertijd verspreidt.
Het zal hem later dan ook uitgebreid verweten
worden. In een latere editie van de Dictionnaire, publiceert hij
een supplement waar hij zich verdedigt. Niet alleen, zegt hij, informeert
hij objectief zijn lezers over andersdenkenden maar hij doet ook een appel
op ieders gezond verstand, op ieders ‘innerlijk redelijk licht’ om al deze
ideeën te beoordelen.
De mens mag dus in alle vrijheidd nadenken over
alles wat de menselijke geest heeft geproduceerd. Er is geen externe autoriteit
die dat kan beletten.
In al zijn werken blijkt dat Bayle bijgeloof
verafschuwt, het gezond verstand en de rede als enige houvast beschouwt.
Hij is de eerste in een lange rij van christelijke rationalisten die de
Verlichting inluiden.
Bayle over het bijgeloof
In de oudheid, zegt Bayle, geloofde men in allerlei
magische krachten. Deze traditie bleef aanwezig in de katholieke kerk.
De Reformatie maakte daar een einde aan, met name door het geloof in de
heiligen af te schaffen. Deze redenering past nog in de oude controverse
tussen katholieken en protestanten.
Maar aan het einde van de 17e eeuw, komt er zowel
van protestantse als van katholieke zijde een sterke kritiek tegen een
ander 'magische geloof ': het geloof in de bijbel.
Dat is nieuw. Katholieke en protestantse theologen zoals de Fransman Richard
Simon en Pierre Bayle pleiten voor een kritisch lezen van de bijbel. De
bijbel moet in de historische context worden bestudeerd. Theologen moeten
de Schriften niet meer letterlijk nemen maar ze aan de historisch-filologische
methode onderwerpen. En dat heeft allerlei consequenties.
Zolang de mens gelooft in duistere machten buiten
zichzelf, buiten de natuur, valt hij ten prooi aan de angsten van het bijgeloof.
En zolang de mens allerlei vreemde en onredelijke rituelen praktiseert,
jaagt hij de redelijke mensen de kerk uit. Zie daar, zegt Bayle, de oorsprong
van het atheisme.
De Dictionnaire historique is op dit punt
een bloemlezing van menselijke dwalingen. Bayle neemt op de korrel bijbelse
verhalen zoals het gouden kalf, maar ook de Griekse mythologie en de wereld
van de mystieken en van de zogeheten ‘enthousiasten’ (gelovigen die visioenen
of vreemde gewaarwordingen hebben). Alles wat niet door de rede kan worden
verklaard, valt voor hem onder bijgeloof en moet als onwaarachtige verhalen
worden beschouwd.
Nu bestaat voor Bayle een essentieel verschil
tussen het volksgeloof en het redelijke geloof.
Het volksgeloof wil uiterlijke rituelen en verwacht
van deze uiterlijke rituelen het heil, het geluk. Van buiten af. Deze vorm
van geloof, die terug gaat naar het antieke heidendom, beschouwt Bayle
als BIJgeloof. En bijgeloof valt niet te rijmen met de rede en met het
gezond verstand. Bijgelooft dooft als het ware het licht van de rede, belet
de ver-lichting. En moet worden bestreden.
Rede en gezond verstand
Bayle verdedigt de rede en het gezond verstand,
de ‘lumière naturelle’. En uit deze twee elementen – de rede en
het gezond verstand – wordt de natuurlijke moraal geboren. Niemand kan
de rede of het gezond verstand op zij zetten zonder het eigen mens-zijn
te verlochenen.
Maar Bayle baseert zijn verdediging van de rede,
het gezond verstand en de natuurlijke moraal op zijn christelijke geloof.
Er bestaat, zegt hij, een natuurlijke wet, une
Loi naturelle die de mens van nature in zich draagt en hem in
staat stelt het verschil tussen goed en kwaad te weten. De mens weet van
nature wat goed en kwaad is. Het is God zelf die dit licht, deze natuurlijke
wet, in de mens heeft geschapen. Het behoort tot de menselijk natuur en
is voldoende om de waarheid te ontdekken. En Bayle gaat verder: de redelijke
moraal is niet anders dan de evangelische moraal die zegt: wees rechtvaardig
en heb je naaste lief.
Met Bayle hebben we dus te maken, met een christelijk
rationalisme, met christelijke Verlichting.
Tolerantie
Maar nu heeft het geweten recht om te denken
en te handelen naar eigen oordeel. Immers: het geweten wordt bijgestaan
door het innerlijk licht van de rede.
De consequentie van deze filosofische redenering
is buitengewoon belangrijk: het geweten heeft het recht om te dwalen. In
zijn Commentaire philosophique bewijst Bayle het bestaan van het
recht op een dwalend geweten, le droit à la conscience errante.
Hierop baseert Bayle zijn pleidooi voor de tolerantie, die door de latere
verlichte denkers zal worden overgenomen. Maar nogmaals: het is omdat het
geweten van een natuurlijk licht, eeuwig geschonken aan de mens door God,
geniet, dat het mag dwalen. Bij Pierre Bayle is tolerantie dus ingebed
in het geloof, is er zelfs het resultaat van. Het is vanuit het geloof
in een door God in de mens geschapen natuurlijke rede dat Bayle het tolerantie-ideaal
verkondigt.
Christian Wolff [1679-1754]
Van de Franse Hugenoot Pierre Bayle, stappen
we over naar de Duitse filosoof en rechtsgeleerde Christian Wolff.
Christian Wolff werd geboren in Bohemen, in Breslau
om precies te zijn, in 1679. Hij is dus een generatie jonger dan Bayle.
Hij studeerde natuurwetenschappen, wiskunde, theologie en filosofie
en doceerde aan de universiteiten van Leipzig, Marburg en Halle. In Leipzig
was hij actief als lutherse predikant. Vanwege zijn rationalistisch denken
kwam hij in conflict met het lutheranisme. Hij werd uit de universiteit
van Halle weggestuurd maar onmiddellijk aan de universiteit van Marburg
aangesteld. Daarna, toen de verlichte Frederic II in Pruisen aan
de macht kwam, kon hij naar Halle terugkeren.
Voorstander van de filosofie van Descartes en
van Leibnitz, vertegenwoordigt Christiaan Wolff, net als Pierre Bayle,
het christelijke rationalisme. Hij is een van de belangrijkste Duitse christelijke
verlichte denkers.
Net als Leibnitz stelt Christian Wolff dat alles
(heelal, aarde, mens, planten, stenen) bestaat uit natuurlijke elementaire
deeltjes (monades, en niet het boek van Houellebecq) die met elkaar in
combinatie treden en alle wezens vormen. Tussen de deeltjes ontstaan relaties,
causale eenduidige relaties. Deze causale relaties zijn mogelijk op basis
van een onderliggend oorzakelijk beginsel: God. Hiervanuit ontwierp Christian
Wolff de gedachte van een civitas maxima, de wereldgemeenschap:
Buiten de statelijke orde, de verschillende staten, bestaat een wereldgemeenschap.
En op die wereldgemeenschap slaat het volkenrecht. Een eenduidig volkenrecht,
dat voor allen geldt. Deze gedachte heeft grote consequenties gehad. De
latere internationale instellingen zoals de Volkenbond en de Verenigde
Naties zijn er op gebaseerd. Zo ook de oprichting van internationale rechtbanken
die wereldwijd mensen tot verantwoording kunnen roepen en berechten.
De belangrijkste werken van Christian Wolff zijn
in het Latijn geschreven:
- Cosmologia generalis (Frankfurt en Leipzig,
1737)
- Jus gentium methodo scientifica (Halle,
1749)
- Institutiones juris naturae et gentium
(Halle, 1750)
In al deze werken volgt Wolff een strikte logica.
Alles moet rationeel bewezen kunnen worden voordat het voor waar kan worden
aangenomen. En om dat te bereiken, is de rede toereikend. Dat geldt ook
voor het Godsbewijs. De mens die rondom zich kijkt, kan niet anders dan
logisch concluderen: er is een God die alles omvat en die God is noodzakelijk.
Ik laat het even hierbij. Het is een moeilijke filosofie die tracht rede
en geloof te verzoenen en tot een rationeel geloof te komen, in de
lijn van Leibnitz. We hebben het dus over een rationalistisch christendom,
over christelijke verlichte denkers.
Om deze moeilijke filosofie wat begrijpelijker
te maken verscheen tussen 1741 en 1750 een franstalige roman getiteld La
belle Wolfienne, geschreven door Jean Henri Samuel Formey, Hugenootse
predikant te Berlijn en secretaris van de Academie van Wetenschappen van
Pruissen. Het is een schitterend achttieende-eeuws verhaal over een jonge
dame die een jongeman in een tuin ontmoet om over filosofie te praten en
hem de filosofie van Christian Wolff geduldig uitlegt. Christian Wolff
voor dummies zou je kunnen zeggen. Het boek werd in Berlijn geschreven,
in Nederland gedrukt en van daaruit door heel Europa verspreid, onder andere
in de Hugenootse diaspora. Ook de maçonnieke Loges, die toen in
opkomst waren, met name in de Duitse landen, waren geneigd de filosofie
van Christian Wolff aan te hangen. Het christelijke rationalisme
fungeerde in Duitsland daar als een tegengewicht tegen het Lutherse pietisme,
waarin zielenroerselen tot kennis van het heilige werden verheven (men
beleeft het lijden van Jezus persoonlijk mee en komt zo tot een innerlijk
betere kennis van God). Wolfianen stelden daar tegenover het rationele
denken. Maar wel op grond van de logische noodzakelijkheid van het bestaan
van God.
Laatste opmerking
Een laatste opmerking over de christelijke verlichte
denkers, waarvan we als voorbeelden Balthasar Bekker, Pierre Bayle en Christian
Wolff hebben genomen.
Franse en Italiaanse historici hebben de
neiging deze christelijke rationalisten als sceptici voor te stellen. Zoals
ze Spinoza als de vader van het moderne atheisme beschouwen. Ze stellen
de vraag: hoe zouden zeventiendeeeuwse en achttiende eeuwse denkers enige
coherentie tussen rede en geloof, tussen wetenschap en geloof hebben kunnen
aanbrengen? Hoe kun je gelovig zijn en tegelijkertijd adept van de Verlichting?
Dat is, zeggen ze, onmogelijk. Deze denkers zijn sceptici, jazelfs atheisten
in de dop.
Welnu: dit is mijns inziens een misvatting die
geen recht doet aan de auteurs die we zojuist besproken hebben.
Balthasar Bekker, Pierre Bayle en Christian Wolff,
en velen die zij vertegenwoordigen, waren gelovigen die probeerden
hun geloof in God te combineren met de absolute autoriteit van de rede.
Ze hadden kritiek, zware kritiek op de gangbare theologie maar dat wil
niet zeggen dat ze anti-kerks, laat staan anti-religieus waren. Geenszins.
Wederom speelt hier een rol het onvolledige, francocentrisch beeld van
de Verlichting. De Europese Verlichting in haar geheel, van de zeventiende
tot de achttiende eeuw, is nooit uit princiepe antikerks of antireligieus
geweest. Het Verlichtingsideaal van de triomferende rede is zelfs ontsproten
aan de geest van joodse en christelijke filosofen. En niet alleen het verlichtingsideaal.
Ook zeer concrete vooruitgangen konden dankzij de christelijke verlichte
denkers worden geboekt:
Balthasar Bekker is degene die de afschaffing
van de heksenvervolging mogelijk maakte.
Pierre Bayle is degene die de discussie rond
tolerantie en vrijheid van denken op het continent begon.
Christian Wolff is degene die het idee van een
wereldgemeenschap en internationaal volkenrecht als eerste vorm gaf.
Daarmee is voldoende bewezen, dunkt mij, dat christendom
en verlichting geen vijanden van elkaar zijn maar nauw met elkaar zijn
verstrengeld.
|
|
|
|
|
|
|
|