Homepage Breda

Remonstrantenlezingen 2007-2008
Remonstrantse Gemeente Breda

 

Het Evangelie van Judas

  
Lezing in de serie Jezus in meervoud door Christiane Berkvens-Stevelinck op dinsdag 11 december 2007

Inleiding
In deze reeks lezingen Jezus in meervoud wordt er gekeken naar minder gangbare gedachten over de persoon van Jezus van Nazareth. Nieuwe perspectieven … of hele oude perspectieven die terugkomen…?
Bram Moerland en Hein Stufkens behandelen dit onderwerp in een brede kader. Ik richt me vanavond op een onderwerp dat in deze serie niet mocht ontbreken: het vorig jaar met veel publiciteit aangekondigde ‘nieuwe’ Evangelie van Judas.
Ik zal eerst vertellen hoe deze tekst plotseling, na 1900 jaar – u hoort het goed – boven water is gekomen om vervolgens de inhoud ervan te bekijken.

Verandert het Evangelie van Judas onze kijk op Judas, die wij kennen als de verrader van Jezus? Verandert het misschien onze kijk op Jezus zelf?
Wat zegt het Evangelie van Judas en aanverwante teksten over het geloof van de eerste christenen? Kan het iets betekenen voor mensen van vandaag? 

Het Evangelie van Judas
Sinds de jaren zeventig van de voorgaande eeuw gonsde het van de geruchten: men zou het Evangelie van Judas, een evangelie uit de 2e eeuw na Christus, ergens in Egypte teruggevonden hebben. Wat was het geval?

In 1970 vond men ergens bij de Nijl een codex, een manuscript in boekvorm, bestaande uit vier gnostische geschriften (ik kom zo op de definitie van Gnosis en gnostiek terug). Het manuscript kwam terecht bij een juwelier in Cairo. Het zou vervolgens zijn geroofd en naar Europa verscheept maar dat is vrijwel zeker een fabeltje. In 1983 kwam het weer boven water bij dezelfde juwelier in Caïro. Die probeerde het manuscript voor 3 miljoen dollars in Europa te slijten. Enkele geleerden keken ernaar maar keken niet goed: ze misten de vermelding ‘evangelie van Judas’. Hadden ze dat wel gezien, was de prijs zeker niet te hoog gevonden want men zocht al eeuwenlang naar dit verloren geschrift. Volgden 15 jaar van intriges, berovingen en vernielingen die alle kenmerken van een jongensboek hebben. Totdat de Zwitserse galeriehoudster Frieda Nussberger-Tchacos het manuscript en de beroofde vellen aankocht. Sindsdien heet het manuscript de codex Tchacos. In 2000 kwam vast te staan dat op een folio van het manuscript inderdaad ‘evangelie van Judas’ stond. Er was geen twijfel meer mogelijk. Het Evangelie van Judas was teruggevonden! De geleerden kregen de mogelijkheid om de tekst te bestuderen en op 6 april 2006 volgde dan de wereldlijke onthulling, op televisie, magistraal door National Geographic geënsceneerd als breaking news.

Gnosis en gnostiek (met dank aan Bram Moerland)
Waarom zijn de meeste ‘gewone’ christenen zo lang onkundig gebleven van het bestaan van dit soort geschriften in het algemeen en van het Evangelie van Judas in het bijzonder? Dat was tot voor kort een algemeen verschijnsel.
Wie weet dat er een 40-tal evangeliën in de eerste eeuwen na Christus in omloop waren? Wij gebruiken er maar 4, die van het canon, vastgesteld in de 4e eeuw!
Sinds de vondst van de gnostische bibliotheek van Nag Hammadi in 1945, is het gnostische evangelie van Thomas wél bekend (Bram Moerland heeft er net een nieuwe vertaling, met uitleg, van gepubliceerd), en ook nog een paar andere teksten (het evangelie van Maria Magdalena, bij voorbeeld) maar het evangelie van Judas? Wie, buiten de specialisten, had daarvan gehoord? Niemand.
Dat is niet verwonderlijk: reeds in de 2e eeuw werden gnostische teksten door de kerkelijke hiërarchie met argwaan gekeken en flink bestreden. Kerkvader Irenaeus, bisschop van Lyon, spreekt met minachting over het Evangelie van Judas als een uiterst gevaarlijk ketters geschrift. Men haalde deze teksten gewoon uit de roulatie. Waarom? Omdat in deze teksten, Jezus een heel andere rol en betekenis krijgt toegemeten dan in het traditionele kerkelijke christendom. In deze teksten, maken we kennis met een gnostische Jezus.
Wat wil dat zeggen?

De gnostiek stelt dat de mens vergeten is wie hij werkelijk is. Daar moet hij aan herinnerd worden. Daarvoor moet de mens zichzelf leren kennen, de ware werkelijkheid leren inzien. Zelfkennis is belangrijker dan geloof in een waarheid opgelegd van buitenaf.
De gnosis heeft twee varianten: een filosofische variant – de zogeheten ‘heidense’ variant, waarin geestelijke vrijheid en persoonlijke ontplooiing een grote rol spelen en een christelijke variant. In de heidense gnostiek, die in de antieke wereld van groot belang was, speelt de mythische figuur van Hermes Trismegistos het hoofdrol (hij is de inwijder van de mens op zoek naar zijn ware Zelf). In de christelijke gnostiek, die in wezen een omzetting is van de heidense gnostiek eerst in joodse beelden en later in christelijke beelden, wordt deze rol behouden aan Jezus.
Evangeliën zoals die van Thomas en Judas, behoren tot de christelijke gnostiek. Deze stroming werd in 325, bij het concilie van Nicea, definitief opzij geschoven door wat het mainstream christendom zou worden en nog steeds is. Voortaan was de enige waarheid, die elke christen hoorde te geloven:

Jezus is de eniggeboren Zoon van God, zelf ook God, die met zijn lijden boet voor de zonden van de mensheid.
Andere perspectieven, vooral gnostische perspectieven, werden door de kerk en door de Romeinse keizers fel en vrij effectief bestreden. Waarom?
Omdat ze benadrukten dat de mens zich eerst moet vrijmaken van elke geestelijke slavernij. De kennis, de gnosis, kan de mens alleen in zichzelf vinden. Daar komt geen kerkelijke hiërarchie aan te pas. De mens is zijn eigen wetgever en zijn eigen rechter. Niemand kan hem opleggen wat hij dient te geloven of te doen.
Deze vrijgevochten houding, die in de antieke wereld veel aanhang had, en later in de vrijzinnigheid gestalte zou krijgen, gaf natuurlijk grote problemen in de jonge christelijke kerk die probeerde orde op zaken te stellen en een duurzame eenheid te vormen, gekoppeld aan de politieke macht van de Romeinse keizer. Alles wat daar niet bij paste, werd streng veroordeeld. Gnostiek werd weggezet als een dwaling van een beperkt aantal mensen, als een zware ketterij. Het werd vakkundig weggewerkt.
Met de vondst van steeds meer gnostische evangeliën in de 20ste eeuw is het moeilijk geworden om de christelijke gnostiek alleen maar als zijdelingse ketterij te blijven beschouwen. Volgens een aantal geleerden, is het zelfs niet onmogelijk dat de christelijke gnostiek wel eens het oorspronkelijke christendom zou kunnen zijn, en het geloof in de kerkelijke verzoeningsleer een latere zienswijze. (Moerland).
Pikant daarbij is dat de gnostiek in onze tijd opnieuw populair is geworden. Maar is het zo verwonderlijk, in een samenleving die het individu centraal stelt en steeds minder geneigd is opgelegde dogma’s als enige waarheid aan te nemen?
Volgens de gnostiek is de mens verdwaald, is de mens zichzelf niet (meer). Hij draagt weliswaar in zich een goddelijke vonk maar is het contact met die vonk kwijt. De mens leeft in duisternis. Dankzij een boodschapper, iemand die ‘de goede boodschap’ brengt, kan de mens opnieuw de weg naar het licht vinden, contact maken met zijn goddelijke vonk. In de christelijke gnostiek, is Jezus de boodschapper. Hij leert de mens zich zijn ware natuur te herinneren, zijn ware gedaante terug te krijgen. In een gnostisch evangelie zegt Jezus:
Mens, sta op en herinner jezelf.
In de christelijke gnostiek is de opstanding dus geen lijfelijke opstanding maar een geestelijke opstanding: de mens wordt herboren als degene die hij in werkelijkheid is. De wonderen die Jezus verricht zijn geen lijfelijke wonderen maar het herstel van de ware identiteit, de ontdekking van het ware zelf.

Waar komt de christelijke gnostiek vandaan?
De christelijke gnostiek, waar het Evangelie van Judas toe behoort, is van oorsprong een joodse protestbeweging tegen de wraakzuchtige God uit het Oude Testament, Yahwe. Jezus wordt daarin gepresenteerd als degene die Yahwe ontmaskert als zijnde de Heer van het kwade, de demiurg. De demiurg is een lage God die een wereld geschapen heeft waar het kwade vrijspel heeft en waar de mensen in angst leven. Terwijl de hoogste God – de Allerhoogste – onzichtbaar en onuitsprekelijk, een God van liefde is, waar geen duisternis vat op kan krijgen. Dit vindt men overigens terug en in de Kabbalah en in de christelijke mystiek (kijk ook naar een aantal liederen van Oosterhuis: Gij, onuitsprekelijke…). Van deze God van licht en liefde draagt de mens onbewust een vonk in zich. Als de mens bewust wordt van zijn goddelijke oorsprong, wordt hij verlost van het kwade en hervindt hij zijn oorspronkelijke goddelijkheid. Dat is voor gnostici de betekenis van de verlossing. (als je deze gedachte volgt, krijgt de zin van het Onze Vader: verlos ons van het kwade, een heel andere betekenis).
In het evangelie van Judas, blijkt alleen Judas rijp te zijn voor deze bewustwording. Jezus wijdt Judas in, als enige, in de ware kennis. Vanuit deze hogere kennis, levert Judas Jezus aan zijn vijanden zodat Jezus verlost kan worden van zijn tijdelijke gebrekkige wereldlijke gedaante. Jezus kan dan terugkeren naar de volmaakte geestelijke wereld waar hij hoort. Maar, voorspelt Jezus, Judas zal slechts haat en hoon oproepen bij de mensen die zijn kennis niet hebben.

De mythe van Seth
De tekst van het Evangelie van Judas, waar wij een aantal fragmenten gaan doornemen, is niet eenvoudig te begrijpen. Om te beginnen zijn er heel wat gaten in de korte tekst (16 ff.). Maar het grootste probleem is dat het evangelie van Judas uitgaat van antieke veronderstellingen die ons wezensvreemd zijn. Centraal staat de Sethiaanse mythe, de mythe van Seth, een afwijkend Scheppingsverhaal. Het grappige is dat in de bijbelcanon zoals wij die kennen, een aantal elementen van deze antieke mythe wel degelijk opgenomen zijn. Alleen wij herkennen ze niet als zodanig.

Wat vertelt de mythe van Seth, die centraal staat in het Evangelie van Judas?
Ik zal het samenvatten. In de antieke wereld, wordt alles ‘verticaal’ gezien. De platte aarde waarin wij wonen staat tussen de hemel boven (die vaak uit verschillende opgestapelde hemelen bestaat) en de onderwereld beneden (idem dito, denk aan de hel van Dante).

Er bestaat sinds de eeuwigheid een zuiver goddelijke wereld (helemaal boven). Het is de enige werkelijke wereld. Daar heerst de Allerhoogste God: onzegbaar, onzichtbaar, onkenbaar, onbereikbaar. Alles wat men over deze God zou kunnen zeggen, doet hem onrecht aan.
Maar deze Allerhoogste God heeft de behoefte om zichzelf kenbaar te maken.
Dat doet hij door zich in zelfstandige manifestaties te openbaren (sefiroth in de joodse traditie, hypostases n de christelijke traditie).
Deze manifestaties, aeonen genoemd, zijn eeuwige goddelijke krachten. God vormt, met deze goddelijke krachten, de volmaakte werkelijkheid, de PLEROMA.
Nu heeft een van deze goddelijke manifestaties, SOPHIA, een breuk in deze perfecte wereld geslagen en is zelf aan het scheppen gegaan.
In de mythe van Seth, brengt SOPHIA een wangedrocht ter wereld: JALDABAOTH, oftewel Yahweh, de Schepper van de zichtbare wereld zoals wij die kennen, een wereld waar het kwade heerst. In deze wereld schept Yahwe Adam en Eva, de eerste (onvolmaakte) mens.
Deze mens bestaat uit een vergankelijk lichaam en uit een onvergankelijke kern. Maar de mens heeft geen weet meer van deze ware kern. Hij kent zichzelf niet!
Dan komt uit de geestelijke, volmaakte wereld, een gestalte die de mens het licht komt brengen, de ware kennis, de GNOSIS, het goddelijke inzicht.

Dat is de mythe van Seth die, zoals we zullen zien, een essentiële rol in het Evangelie van Judas speelt.

Het Evangelie van Judas
De tekst begint met:

Het geheime verslag
Van de Openbaring
Die Jezus openbaarde
In een gesprek met Judas Iskariot

Het gesprek duurt acht dagen ( in de gnostiek ontvouwt de goddelijke wereld zich in 8 dagen) en heeft plaats 3 dagen voor Pasen, dus net voordat Judas Jezus overlevert.

Toen Jezus op aarde verscheen
Deed hij tekenen
En grote wonderen
Voor het heil van de mensheid
En terwijl sommigen wandelden
Op de weg der gerechtigheid,
En anderen in hun overtreding,
Werden de twaalf discipelen geroepen.

(12 staat voor de 12 stammen van Israel, voortgekomen uit de 12 zonen van Jakob. Judas komt uit Judea. Hij wordt de 13e discipel genoemd want zijn plaats wordt later ingenomen door Matthias. Vandaar de slechte reputatie van het getal 13)
Meermaals verscheen Hij aan Zijn discipelen
Niet zoals Hij was
Maar Hij werd in hun midden aangetroffen
Als een kind.
Elders in gnostische teksten verschijnt Jezus als een oude man, als een vrouw, als een onbekende, zoals op weg naar Emmaus. De Christusgehalte neemt verschillende gedaanten aan en wordt door iedereen van binnenuit herkend.
Op een dag treft Jezus zijn leerlingen aan terwijl zij aan het bidden zijn.
Zij spreken het dankgebed voor het eten uit, de eucharistie. Jezus hoort het gebed en schiet in de lach (Je zou het evangelie van Judas het evangelie van de lachende Jezus kunnen noemen, want hij lacht er constant).
De discipelen zijn geschokt:

Meester,
Waarom lacht U ons uit om ons dankgebed?
Wij hebben immers gedaan wat betamelijk is?

Ik lach jullie niet uit, antwoordt Jezus, jullie weten niet beter. Waar Jezus om lacht is om de zinloosheid van dat gebed, dat volgens hem slechts uiterlijk is en niets betekent. De God die de discipelen danken is niet de Allerhoogste God, de echte onkenbare God, maar de demiurg, de slechte Schepper van de gebrekkige wereld waarin wij leven: Yahwe.

Dan zeggen de leerlingen: Meester, U bent de Zoon van onze God.

Maar dat is een foute belijdenis, want de God die de discipelen bedoelen is niet de Allerhoogste, de onkenbare die Jezus heeft gestuurd. Jezus wordt dan ook kwaad:

Vanwaar kennen jullie Mij?
Waarlijk,
Ik zeg jullie:
Geen enkel geslacht van de mensen
Die bij jullie zijn
Zal Mij kennen.

De discipelen zijn woedend: ze doen zo hun best om de religieuze regels te volgen en om te verstaan wat hun rabbi zegt, en het is nog niet goed. Ze mopperen en lasteren Jezus in hun hart omdat hij hen in verwarring brengt, hun zekerheden doet wankelen. Deze ergernis is ook te lezen in de canonische bijbel: meer dan eens ergeren de mensen zich aan Jezus.
Jezus verwijt zijn discipelen vervolgens, en meer dan eens, hun gebrek aan inzicht. En hij vraagt degenen die menen in staat tot inzicht te komen, naar voren te stappen. Ik… ik… ik  Dat kunnen ze allemaal, zeggen ze.
Maar wat blijkt: alleen Judas durft het echt:

Alleen Judas Iskariot durfde dat wel.
Hij was in staat om voor Jezus te staan.
Maar hij kon Hem niet in de ogen zien
En wendde zijn gelaat af.

[Jezus komt van de goddelijke wereld, het goddelijke kun je niet echt zien]
Dan spreekt Judas een geloofsbelijdenis uit:

Ik weet wie U bent
En vanwaar u bent gekomen.
U bent uit het onvergankelijke Rijk van Barbelo (God in 4)
En ik ben niet waardig
Om de Naam uit te spreken
Van degene die U gezonden heeft.

Dan zegt Jezus tegen Judas:

Ga terzijde staan van die anderen
En ik zal je de geheimenissen van dat Rijk vertellen.
Voor jou is het mogelijk het te bereiken,
Maar je zult er veel verdriet om hebben.

In een ander gesprek met al de discipelen, vertelt Jezus dat hij op weg is naar een ander en groot geslacht, in een andere, geestelijke wereld. Jezus moet weer lachen want, zegt hij, niemand van hier kan zich zelfs alleen maar indenken hoe het boven is. Daar heeft de niet verlichte mens geen woord en geen beeld voor. Wederom raken de discipelen in verwarring.

Weer in een ander gesprek, vertellen de discipelen aan Jezus dat ze een visioen hebben gehad: ze zagen 12 priesters voor een altaar, die onder het uitspreken van een Naam, hun eigen vrouw en kinderen opofferden en misdrijven plegen dat het een lieve lust was (onder anderen slapen met andere mannen trouwens, wat zoveel wil zeggen als met andere stammen mengen, denk aan het verhaal van de Samaritaanse vrouw). Jezus wordt heel fel.

Waarlijk, ik zeg jullie:
Al die priesters
Die bij dat altaar staan
Roepen mijn Naam aan.


Zij hebben bomen geplant
Die geen vruchten voortbrengen
In mijn Naam
En op schandelijke wijze.

Deze priesters zijn niet alleen hypocriet maar ook volkomen onwetend. Zij hebben geen enkele gnosis, geen enkele kennis.
Dit soort kritiek is wel bekend uit joodse geschriften en richt zich dan op de joodse decadente tempeldienst (rond de 1e eeuw, met orgieën enz.). Maar hier gaat deze kritiek over tot christelijke rituele offerandes.
En dan als een klap op de vuurpijl, zegt Jezus:

Degenen die jullie de offeranden
Bij het altaar hebben zien ontvangen
  –  dat zijn jullie zelf!

Met andere woorden: jullie aanbidden de verkeerde God – Yahwe, de demiurg - en niet de Allerhoogste. Jullie hebben het licht nog niet in jezelf gevonden, die goddelijke vonk, dat stukje geestelijke inzicht, en jullie doen allerlei zinloze godsdienstoefeningen die geen enkel nut of betekenis hebben. Daarom leven jullie in een gebroken wereld waar het kwade, het geweld en de onrecht zegevieren. Pas in de komende wereld, komt een nieuw geslacht – het geslacht van Seth – dat wél inzicht heeft en het goddelijke in zichzelf herkent. In dat Rijk heerst het goede, de vrede en de gerechtigheid (wat wij het Koninkrijk Gods noemen). Sommigen krijgen wel de kennis om tot die Rijk toe te treden: degenen die kennis – gnosis – hebben (die van de boom der kennis hebben geproefd). Die worden verlost van deze wereld en treden tot de goddelijke wereld toe. Judas zal er een van zijn. Maar het zijn er bar weinig!
Dat de discipelen daar behoorlijk door getergd raken, is makkelijk te begrijpen.

Het tweede deel van het Evangelie van Judas behandelt de inwijding van Judas in de geheimen van de kennis, in de gnosis.
Judas vertelt dat hij een visioen heeft gehad. De 12 discipelen waren hem aan het stenigen. In de verte zag hij een onmetelijk groot huis, met een tuin op het platte dak, en een ontelbaar menigte mensen. Judas droomt dat hij schreeuwt tegen Jezus, die daar was:

Neem mij op, samen met die mensen
Waarop Jezus hem antwoordt (nog steeds in zijn droom):
 Judas, je ster heeft je op een dwaalspoor gebracht.
 Geen mens van sterfelijke geboorte is waardig
 Het huis, dat jij gezien hebt, binnen te gaan.
Hier hebben we dus een herhaling van het verhaal van de dood van Mozes. Mozes mocht het beloofde land van buitenaf in de verte zien, maar hij mocht er niet in. Zo ook Judas: hij is een van de weinige mensen die het Koninkrijk heeft mogen aanschouwen, maar ook hij zal er niet inkomen. Dat kan namelijk alleen een mens die van het hogere geslacht van Seth is. Maar alleen al het aanschouwen van het Koninkrijk zal genoeg zijn om de jaloezie van de andere discipelen op te roepen. Judas zal inderdaad door hen worden vervolgd en gedood.
Jij zult vervloek worden door de andere geslachten én je zult overheen heersen
(doordat je kennis hebt en zij niet).
Dan begint de grote inwijding van Judas. Jezus vertelt hem de gnostische mythe van de verborgen goddelijke Rijk, waar een grote onzichtbare geest over heerst. De Allerhoogste God, die geen Naam heeft.
Deze God roept dan tot aanschijn naast hem

Een grote engel,
De lichtende goddelijke Zelfverwekte (Autogenes)
Kwam te voorschijn uit de wolk.

Om Autogenes (die ook ‘de Zoon, of Anthropos, de hemelse mens wordt genoemd) te dienen, verschijnen andere engelen.
Autogenes schept vervolgens vier werelden, vier aeonen die worden beheerst door 4 grote lichten.
In de eerste aeon, Harmozel genoemd, wordt ADAMAS (de onbreekbare) tot aanschijn geroepen, de hemelse Adam, de archetype van de goddelijke mens. En Adamas brengt voort SETH, de verlichte, de gnosticus, hij die weet wat het betekent mens te zijn, de zoon des mensen. Dit is de joodse mythe van Seth, maar hier, in het Judasevangelie, wordt het christelijk ingevuld. Jezus is Seth, de zoon van Adamas, de perfecte prototype van de mens, de zoon des mensen. Hij is bij machte anderen de geheimen van de bovenwereld door te geven.
Over de andere aeonen – het zijn er 12 in totaal – stap ik nu heen. Getallensymboliek speelt hier een grote rol, zoals in de Kabbalah.
Na 5000 jaar, spreekt een van de grote lichten:

 Laat iemand regeren over de chaos en de onderwereld
Eerst verschijnt dan SOPHIA, vergezeld door haar engel SAKLAS.
Sophia schept ene NEBRO, ook Jaldabaoth en Yahwe genoemd, die op zijn beurt de vergankelijke wereld waarin wij leven schept, een wereld die een afspiegeling is van de geestelijke onvergankelijke wereld (denk aan de grot van Plato) maar zelf gebrekkig is.
Saklas nu schept Adam en Eva, naar zijn beeld en gelijkenis. Dat wil zeggen dat ze een onvergankelijk goddelijke kern in zich hebben, gehuld in een vergankelijk lichaam. Dit is, voor het begrip van het evangelie van Judas, van het allergrootste belang. Want Judas ‘levert’ het lichaam van Jezus aan zijn belagers zodat zijn geest terug kan keren naar de echte geestelijke wereld waar hij vandaan komt. Judas is hier dus geen verrader maar de enige die Jezus werkelijk heeft begrepen.

Gedurende zijn inwijding in de geheimen van de gnosis, bekommert Judas zich om het lot van de ‘gnosislozen’,van de mensen die hun geestelijke oorsprong niet bewust zijn. Jezus kondigt aan de voltooiing van de huidige wereld, waar de mensen voortdurend in de fout gaan en waar het kwade regeert.
Judas is er niet gerust op en vraagt:

Wat zullen degenen die in Uw Naam gedoopt zijn doen?

De eerste christelijke gemeenten bestonden uit joden, Er werd gedoopt ‘in de Naam’. Jezus wordt vaak ‘de Naam’ genoemd. Een toespeling op het tetragram, de vierletters van de onuitsprekelijke Naam van God. Ín de Sethiaanse gnosis betekent de doop het binnenkomen in de onsterfelijkheid. De gedoopte staat uit zijn vergankelijk lichaam op en treedt binnen in het onvergankelijke en eeuwige leven. Hij wordt bekleed met de eeuwige Christus. (denk aan Paulus en aan de nieuwe mens).

Dan lacht Jezus een laatste keer, om de onwetendheid van de mensen. Judas is degene die alle andere discipelen zal overtreffen, want, zegt Jezus:

Want jij zult offeren de mens die mij draagt

(door de uiterlijke gedaante van Jezus op te offeren wordt de innerlijke Christus bevrijd)
Reeds is je hoorn verheven,
(dat is psalmen taal, een symbool van triomf)
Je toorn ontstoken,
 (de overlevering zal plaatsvinden)
Je ster is opgegaan
en je hart is sterk!

Jezus komt nu bij het slot van de inwijding van Judas. Hij spreekt over ‘de laatste dingen’, over de definitieve overwinning van de onvergankelijke wereld op de lagere wereld. Op dat moment wordt Judas ter hemel opgenomen (als Elia, Elisa, Jezus en later Mohammed):

Judas hief zijn ogen op
En hij zag de lichtende wolk
En hij ging haar binnen.

Deze gedaanteverandering vormt het einde van de inwijding van Judas. Nu is hij bewust geworden van zijn geestelijke kern. Wat van hem nog op de aarde rondloopt is zijn lichamelijke omhulsel. 

Dan komt het einde van het verhaal. De hogepriesters zien dat Jezus ergens naar binnen is gegaan om te bidden. Buiten staat Judas.

De hogepriesters naderden tot Judas en zeiden tot hem:
‘Wat doe jij hier?
Jij bent Jezus’ ware discipel!’
Judas antwoordde hen overeenkomstig hun wens.
En hij ontving enig geld.
En hij gaf hem aan hen over.

  – Het evangelie van Judas –
Conclusie
Na een algemene inleiding, hebben we de tekst van het evangelie van Judas nu doorgenomen en ik kan me voorstellen dat er allerlei vragen bij u zijn gerezen. Ik zal straks na de pauze zo goed mogelijk proberen deze vragen te beantwoorden.
Twee vragen wil ik alvast zelf stellen:
  • vertelt het evangelie van Judas iets nieuws over Jezus?
  • hoe zou de persoon van Judas, traditioneel gezien als de verrader maar in het evangelie van Judas gepresenteerd als de enige vriend die Jezus echt begrijpt, nog anders geïnterpreteerd kunnen worden?
Nieuwe woorden van Jezus
Het zou best kunnen zijn dat drie fragmenten uit het evangelie van Judas nieuwe of anders geformuleerde woorden van Jezus bevatten.
Sprekend over de priesters die in de tempel verkeerde offers aan de verkeerde God brengen, zegt Jezus:

En zij hebben bomen geplant die geen vruchten voorbrengen, in mijn Naam, en op schandelijke wijze.

[Codex Tchacos 39]
Een dergelijke uitspraak kennen we uit Marcus 11: 12-14 en Matthaeus 21: 18-19, waarin een onvruchtbare vijgenboom wordt vervloekt. Maar hier is de kritiek nog duidelijker gericht op een hypocriete vorm van tempeldienst. Zo duidelijk was het nog niet verteld.

Tweede uitspraak: 

Een bakker kan niet de gehele schepping onder de hemel voeden.

 [Codex Tchacos 41-41]
Waarschijnlijk is dit een antiek spreekwoord, dat wordt toegepast op Jezus. Een gewone bakker, die gewoon brood bakt, kan niet de hele schepping voeden. Jezus, die het brood van leven uitdeelt –geestelijk voedsel – kan dat wel. In de canonieke evangeliën, wordt deze korte uitspraak in bewerkte vorm (en dus vermoedelijk latere vorm) verteld in de wonderbare vermenigvuldiging van het brood.

En als laatste:

Het is onmogelijk om zaad te zaaien op een rots en daarvan vrucht te oogsten.

[Codex Tchacos 43-44]
Het beeld kennen we uit de gelijkenissen van Matthaeus, Marcus en Lucas, maar hier wordt gezegd: zonder hoger inzicht, komt het zaad op de rots terecht, blijft het leven onvruchtbaar. Mensen die geen kennis van hun ware aard hebben, de gnosislozen, zullen nooit vrucht voortbrengen.

Deze ‘woorden van Jezus’ zijn hier hele korte vermeldingen. Pas later worden dergelijke zinnen uitgewerkt tot verhalen, tot gelijkenissen bij voorbeeld. Dat betekent dat het helemaal niet onmogelijk is dat wij hier met meer oorspronkelijke gedachten, oudere gedachten van Jezus, te maken hebben dan in de canonische evangeliën.

Interpretatie en psychoanalyse
Bij de bestudering van de bijbelse en aanverwante teksten zoals het evangelie van Judas, houdt men niet alleen rekening met de geschiedenis en met de taal maar ook met, bij voorbeeld, met een mogelijke diepere betekenis van het verhaal. Met behulp van de psychoanalyse, bij voorbeeld, komt het mythische aspect van de tekst aan de orde.
Een dergelijke interpretatie kan men ook loslaten op het evangelie van Judas.
Ik kom hierop door een artikel van Bram Moerland getiteld Ego, Schaduw en Zelf, volgens Jung.
Jung stelt dat iedere mens een Schaduw bij zich draagt. Deze Schaduw ontstaat door delen van ons Zelf weg te stoppen. En dat doen we door de minder aangename kanten van onze persoonlijkheid ‘slecht’ te noemen en zoveel mogelijk te verstoppen, te verdonkeremanen. Met als consequentie een amputatie van de helft van ons Zelf. Alleen onder dat etiket ‘slecht’ kunnen heel mooie eigenschappen schuil gaan, zegt Jung.
Wie zijn of haar Schaduw wegmoffelt, mist iets, is niet meer heel. Daar moet een (Jungiaanse) therapie aan te pas komen.
In een vaak pijnlijke confrontatie met de negatieve etiketten die we onszelf hebben opgedrongen, vindt dan een soort magische transformatie plaats. Je vermeende slechte kanten blijken juist hele mooie kanten van jouw eigen wezen te zijn. Dan spreekt men van een helende transformatie.
Zo zou je het evangelie van Judas ook kunnen lezen: Judas vertegenwoordigt de ‘slechte’ kanten van Jezus: een vergankelijk lijfelijk omhulsel die van zijn geestelijke kern geen weet heeft. Judas is de Schaduw van Jezus, zijn alter ego met slechte kanten. En om heel te worden, moet Jezus over zijn Schaduw heen stappen, zich zijn Schaduw eigen maken om weer heel te worden.
Dat lijkt u wellicht nog vreemder dan wat u tot nu toe hebt gehoord. Maar het is helemaal niet nieuw. Al in de eerste eeuwen circuleerden verhalen waarin niet Jezus maar Judas - het vergankelijke lichaam van Jezus - aan het kruis stierf, terwijl Jezus naar de onvergankelijke wereld was teruggekeerd.

Ik hoop u met deze lezing geïntroduceerd te hebben in de fascinerende wereld van het Judasevangelie die pas nu, 1900 jaar na dato, ons inwijdt in de gedachten van vroege geloofsgenoten.

 
Terug naar de homepage van de remonstrantse gemeente Breda
naar boven


voor het laatst bijgewerkt: 08/01/2008