![]() |
Remonstrantse
Gemeente |
Naar
hoofdpagina
van Gemeente Naarden-Bussum |
|||||||
Teksten ter begeleiding bij de kerkdiensten in 2008
Van de
dienst is ook een cassettebandje beschikbaar; klik daarvoor hier.
|
|||||||||
| Zondag 13 januari 2008 (Doopdienst)
Lezingen: Jesaja 42: 1-8
In Jesaja 42:1 begint het eerste lied
van de dienaar. Verspreid over de hoofdstukken 42-55 vinden we er vier.
Ze hebben een belangrijke rol gespeeld in de vroeg-christelijke gemeente
omdat zij door de christenen op Jezus zijn betrokken. Wie Jesaja voor ogen
moet hebben gehad toen hij deze liederen schreef weten wij niet. Sommige
uitleggers menen dat de dienaar een ‘collectief’ is, een ‘rest’ van Israël
die beantwoordt aan de bestemming van het uitverkoren volk namelijk een
echte verbondspartner van God te zijn, andere veronderstellen dat de Jesaja
zichzelf bedoeld moet hebben. De meest interessante suggestie doet MartinBuber
in zijn boek ‘Het geloof der profeten’. Hij veronderstelt dat de profeet
niet zozeer een concrete gestalte voor ogen stond als wel dat het zijn
bedoeling was een weg te beschrijven, in zijn ogen de enige nog overgeblevene,
die tot heil zou leiden. Hij zou deze profetieën geschreven hebben
in de hoop dat er lezers zouden zijn die hen als een ‘scenario’ voor hun
eigen leven zouden lezen. Het is niet ondenkbaar dat Jezus deze woorden
zo gelezen heeft. We weten echter niet hoe Jezus over zichzelf gedacht
heeft en het is daarom evenzeer mogelijk dat het de christelijke gemeente
is die als haar geloof heeft uitgesproken dat in het optreden en het lot
van Jezus de woorden van Jesaja in vervulling gingen.
De doop van Jezus door Johannes heeft de christenen
in verlegenheid gebracht. Het gebeuren leek toch te suggereren dat Jezus
die tot Johannes kwam in hem zijn meerdere erkend zou hebben. Op alle mogelijke
manieren hebben de evangelisten geprobeerd dit beeld te nuanceren of te
ontkennen. Zo wekt in het evangelie naar Mattheus Johannes de indruk dat
hij liever door Jezus gedoopt zou willen worden (3:14) en wordt in het
evangelie naar Johannes in het midden gelaten of Johannes Jezus gedoopt
heeft. Een en ander maakt duidelijk dat er aan de historiciteit van de
doop van Jezus door Johannes niet getwijfeld hoeft te worden.
De evangelist die de gang van Jezus leven kent heeft in de doop waarmee het openbare optreden van Jezus begint terugkijkend een ‘samenvatting’ gezien van zijn levensweg. Hij brengt dat met de formulering dat Jezus om ‘Gods gerechtigheid te vervullen’ zich heeft laten dopen op een wat ingewikkelde manier onder woorden. Het woord ‘gerechtigheid’ kan in het N.T. op twee wijzen verstaan worden namelijk als ‘gave’ of als ‘eis’. In de eerste betekenis vinden we het in Rom. 1: 17 de beroemde tekst die Luther tot een nieuwe interpretatie van het evangelie bracht (vrij vertaald: in het evangelie openbaart God zijn genade waarmee Hij ons aanvaarden wil. Als we dat geloven staan wij in de ‘rechte’ verhouding tot God) Hier moet het woord in zijn tweede betekenis genomen worden: Jezus is als de dienaar een echte verbondspartner van God en vervult die rol op voorbeeldige wijze. Later, als in de theologie de gedachte van de ‘zondeloosheid’ van Jezus ontwikkeld wordt en de doop van Jezus problematisch wordt omdat Jezus een doop die bediend wordt ter vergeving van zonden (zie Marcus en Lucas; Mattheus noemt het niet!) toch niet nodig heeft komt de gedachte op dat Jezus zich laat dopen uit solidariteit met de mensheid. In de preek wordt nagedacht over een aspect van de doop van Jezus door Johannes dat nog niet aan de orde is geweest namelijk dat het ook verstaan is als een ‘ja’ van God tot Jezus (3:17) ‘Ja-zeggen’, ‘beamen’ is een van de meest fundamentele dingen die wij in ons leven kunnen (moeten?) doen. Wij moeten immers hoe dan ook onze houding bepalen m.b.t. wat ons gegeven is en ons overkomt. (En dat is in zekere zin ‘alles’) Het ‘ja’ staat altijd in een spanningsvolle relatie tot het ‘nee’. (a)Wij kennen de ambivalentie waarin het ‘ja’ en het ‘nee’ van gelijk gewicht blijven. Ambivalentie hoeft niet alleen maar negatief beoordeeld te worden; wel moet worden vastgesteld dat het de voortgaande beweging die ons leven zou kunnen zijn ernstig vertraagt. (b) Ieder ‘ja’ impliceert een ‘nee’ (het ‘ja’ tegen het kind is een ‘nee’ tegen onze bemoeizucht en zorg); c) ieder ‘ja’ heeft een ‘nee’ in zich opgenomen of een ‘nee’ (het ‘ja’ van de aanvaarding en vergeving); d) met het ‘ja’ tegen ons eigen leven hebben we ons eigen ‘nee’ overwonnen. Dit is een demonstratie van moed die voor de gelovige alleen mogelijk is op basis van de ervaring van het ‘ja’ van God tegen ons leven. |
|||||||||