![]() |
Remonstrantse
Gemeente |
Naar
hoofdpagina
van Gemeente Naarden-Bussum |
|||||||
Teksten ter begeleiding bij de kerkdiensten in 2008
Van de
dienst is ook een cassettebandje beschikbaar; klik daarvoor hier.
|
|||||||||
| Zondag
3 februari 2008
Zondag van het Werelddiaconaat Lezing: Lucas 10: 25-37 De gelijkenis van de Barmhartige Samaritaan is een van de bekendste verhalen uit de bijbel. Men maakt vaak een onderscheid tussen‘gelijkenissen’,‘parabels’ en ‘voorbeeldvertellingen’. Bij een gelijkenis moet je bijvoorbeeld denken aan Marcus 4: 30-32 waar Jezus het Koninkrijk van God vergelijkt met het zaadje van een mosterdplant. Dat is het kleinste van alle zaden op aarde maar als het na het zaaien opschiet wordt het het grootste van alle planten. In een gelijkenis wordt gebruik gemaakt van een doodgewoon door iedereen waar te nemen gebeuren. In een parabel daarentegen wordt een uiterst ongewoon gebeuren verteld. Te denken valt bijvoorbeeld aan de gelijkenis van arbeiders in de wijngaard (Mattheus 20: 1-16) waarin verteld wordt dat de arbeiders ‘van het elfde uur’ evenveel uitbetaald kregen als die ‘van het eerste uur’. Een parabel daagt uit tot een stellingname van de hoorder. De derde categorie, die van de ‘voorbeeldvertellingen’ vinden we alleen in het evangelie naar Lucas. Tot deze categorie hoort de gelijkenis van de Barmhartige Samaritaan. Wie is mijn naaste? In Leviticus 19:18 (‘Heb je naaste lief als jezelf’) wordt de volksgenoot bedoeld maar gezien Leviticus 19: 34 (‘Behandel vreemdelingen die bij jullie wonen als geboren Israëlieten’) en Deuteronomium 10:19 (‘Ook u moet vreemdelingen met liefde behandelen, want u bent zelf vreemdelingen geweest in Egypte’) werd de vreemdeling die in Israël woonde ook tot de naaste gerekend. In de tijd van Jezus had de reikwijdte van het begrip vermoedelijk een beperking ondergaan en werden alleen de proselieten als naasten beschouwd. In bepaalde groeperingen, die van de Farizeeën en de Essenen bijvoorbeeld, gold het gebod van de naastenliefde zelfs niet voor bepaalde volksgenoten. (bij de Essenen aangeduid als ‘zonen van de duisternis’) De Samaritanen werden in de tijd van Jezus als tweederangsburgers beschouwd. Hun naam hebben zij te danken aan de landstreek Samaria. Na de val van het Noordrijk in 722 voor Christus werd een gedeelte van het volk door de Assyriërs weggevoerd en vermengde de overgebleven bevolking zich met mensen die naar Samaria waren gedeporteerd. Dat was de reden waarom minachting hen ten deel viel. Zelf beschouwden zij zich als de ‘Shamerim’ (‘de getrouwen’) die trouw gebleven waren aan het geloof dat Mozes verkondigd had. Voor de Samaritanen hadden alleen de eerste vijf boeken van de bijbel (traditioneel toegeschreven aan Mozes) gezag. Toen de inwoners van het Zuidrijk na het einde van de Babylonische Ballingschap (589-537 voor Christus) met de wederopbouw begonnen van de verwoeste tempel boden de Samaritanen aan daaraan mee te werken. Dat werd echter geweigerd. De Samaritanen hadden een tempel op de berg Gerizim. Tot op de dag van vandaag zijn de Samaritanen (hun aantal is heel klein) daar waar eens hun tempel stond te vinden. N.a.v. de gelijkenis van de Barmhartige Samaritaan wordt in de preek bij twee zaken stil gestaan. In de eerste plaats bij de perspectiefwisseling die zich in het verhaal voordoet. De vraag waarmee de gelijkenis begint is die van de schriftgeleerde: ‘wie is mijn naaste?’ (10: 29) Nadat Jezus de gelijkenis verteld heeft vraagt hij echter aan de schriftgeleerde (10: 36): ‘wie van deze drie is volgens u naaste geworden van het slachtoffer van de rovers?’. De strekking van de gelijkenis lijkt dus te zijn dat we zelf naaste moeten worden i.p.v. ons bezig te houden met de theoretische vraag wie onze naaste is. De liefde tot de naaste is een van de basiswaarden van het christendom. De andere is het ‘afzien van status’ (traditioneel ‘ootmoed’ genoemd), een waarde die tot uitdrukking komt in uitspraken als ‘wie van jullie de belangrijkste wil zijn, zal de anderen moeten dienen, en wie van jullie de eerste wil zijn, zal ieders dienaar moeten zijn’. (Marcus 10: 43 en 44) Het basisverhaal van het christendom is een verhaal van ‘afzien van status’. (zie bv. Phil. 2: 5 e.v.) Het ‘afzien van status’ kan de liefde tot de naaste de kwaliteit van barmhartigheid (waarin voor ons ook nog altijd iets doorklinkt van een beweging van ‘je neerbuigen’) geven. Het is niet zonder reden dat wij spreken over de gelijkenis van de Barmhartige Samaritaan. Door naaste te worden deed hij afstand van een status die hij t.o.v. de man aan de kant van de weg meende te bezitten en misschien juist door naaste te worden weer bevestigde. ‘Status’ is een onvermijdelijke
categorie in het samenleven van mensen. Het wordt toegekend op grond van
onderlinge vergelijking. Het is opvallend dat in de vroeg-christelijke
gemeente de reikwijdte van het gebod van de naastenliefde weer beperkt
lijkt te worden t.g.v. een liefde die de gelijkwaardigheid van de mensen
op het oog heeft. (zie het mooie boek van Gerd Theissen, De godsdienst
van de eerste christenen, Agora Kampen, 2000, p. 101 e.v.) In de viering
van de maaltijd van brood en wijn gaat het om beide vormen van liefde.
|
|||||||||