Remonstrantse Gemeente
Naarden - Bussum

Naar hoofdpagina
van Gemeente Naarden-Bussum

Teksten ter begeleiding bij de kerkdiensten in 2008


Ds. F. Knoppers (telefoon 035 - 602 09 55) hanteert bij kerkdiensten regelmatig teksten met achtergrondinformatie.

Deze informatie staat hieronder opgenomen.

Van de dienst is ook een cassettebandje beschikbaar; klik daarvoor hier.


Zondag 2 maart 2008

Lezing: Johannes 9

Johannes 9 weerspiegelt de verhoudingen die er aan het einde van de eerste eeuw waren tussen ‘Joden’ en ‘Christenen’. In de tijd dat  Jezus optrad was er nog geen sprake van dat mensen die in Hem de Messias zagen uit de synagoge geworpen zouden worden. Pas om en nabij het jaar 90 na Christus wordt in het achttiengebed, het gebed dat Joden iedere ochtend bidden een tekst opgenomen waarin alle ketters vervloekt worden. Wel bestond er de ‘ban’ waardoor iemand 30 dagen de toegang tot de synagoge ontzegd kon worden. Maar onder de 24 redenen op grond waarvan een dergelijke sanctie kon worden toegepast vinden we weer niet wat in Johannes 9: 22 aan de orde is namelijk iemand ten onrechte aanzien voor de Messias. 

De door Johannes gebruikte formulering ‘de Joden’ klink ons onaangenaam in de oren. We moeten ons wel bedenken als  Johannes dit doet hij de Joodse leiders bedoelt. 

Het verhaal is knap gecomponeerd: in de houding van (aanvankelijk) de Farizeeën en later ‘de Joden’  is evenals in die van de blindgeborene een ontwikkeling waarneembaar. In vers 16 lezen we dat sommige (!) Farizeeën meenden dat degene die de blindgeborene genezen heeft niet van God kan komen en dat er verdeeldheid ontstaat. In vers 18 is er sprake van de Joden die niet wilden geloven dat hij blind geweest was, in vers 24 roepen ze hem op ‘God de eer te geven’. Een dergelijke handeling impliceert een schuldbelijdenis. (zie bijv. Jozua 7:19, I Sam.6: 5 etc.) In vers 28 wordt duidelijk dat ‘de Joden’ boos zijn. Het oordeel dat in vers 40 over hen wordt uitgesproken is hard: zij worden blind genoemd. 

Bij de blindgeborene is eveneens een ontwikkeling aan te wijzen: in vers  11 heeft hij het over ‘iemand die Jezus heet’ die hem genezen heeft, in vers 17 zegt hij van Jezus ‘Hij is een profeet’, in vers 32 spreekt hij uit dat het openen van de ogen van iemand die blindgeboren is, een gebeuren is dat ‘nog nooit vertoond’ (met als toevoeging ‘als die man niet van God kwam, zou hij dit toch niet hebben kunnen doen’)  is en in vers 35 e.v. legt Jezus hem de belijdenis in de mond m.b.t. de identiteit van zijn persoon: ‘Hij is de mensenzoon’ of m.a.w. Hij is het die van God komt.

In Johannes 9 staan twee vormen van geloof en zekerheid tegenover elkaar. Voor de blindgeborene is wat hem overkomen is beslissend: ‘een ding weet ik wel: ik was blind en nu kan ik zien’ (vers 25). Deze ervaring brengt hem tot geloof en aan deze ervaring ontleent hij zijn zekerheid. Zijn geloof is vitaal, strijdbaar en tegelijkertijd bescheiden. (‘één ding weet ik wel’) Daartegenover staat een geloof dat een ‘systeem’ geworden. Kenmerkend voor het systeem is dat ‘alles’ verklaard moet worden (zie vers 2: ‘hoe komt het dat hij blind was toen hij geboren werd? Heeft hij zelf gezondigd of zijn ouders?’ en dat ‘alles’ er in moet passen.  Zo is de genezing van de blindgeborene geen reden tot vreugde over wat hem overkomen is maar is een probleem omdat het niet binnen het systeem past. ‘Dat de ogen van iemand die blind geboren is geopend worden’ (vers 32) – dat is immers nog nooit vertoond. Dit geloof is allesbehalve vitaal (het is in de eerste plaats een zaak van geboden en verboden (zie vers 16)) en bescheiden. Het geeft een valse zekerheid  en is om de verkeerde reden strijdbaar. (namelijk zelfhandhaving; zie ook in dit verhaal de rol van het ‘establishment’ dat geroepen meent te zijn de zuiverheid van de godsdienst te handhaven) 

De Duitse theoloog Schleiermacher (1768-1834) heeft voor de gevestigde religies het beeld gebruikt van ‘sintels’. Ze zijn restanten van een vuur dat ooit gevlamd heeft. Maar, zegt Schleiermacher, het vuur kan altijd weer oplaaien. 

Het geloof van de blindgeborene is vitaal. Het wordt opgewekt en gevoed door wat hij zelf  heeft ondergaan. De ervaring onderscheidt zich van de beleving: de beleving is vluchtig en heeft geen consequenties. De ervaring daarentegen werkt door in ons leven. Ervaring is altijd evaring van wat wij in ons leven als nieuw ondergaan. Wij gaan door de ervaring met andere ogen kijken. Het is niet overdreven te zeggen dat zij van ons een ander maakt dan wij waren. Het gaat in het verhaal dat ons in Johannes 9 verteld wordt om een heel specifieke ervaring namelijk het zien van wie Jezus is. Het gevolg hiervan lijkt in dit verhaal zelfs op een buitengewoon krachtige wijze beschreven te worden: al de kerkvaders lazen in het gebeuren dat in vers 6 verteld wordt een toespeling op Genesis 2:7. Het gaat m.a.w. om een ‘opnieuw geschapen’ worden. Voor Johannes is Jezus de representant van Gods liefde en alleen de liefde is bij machte ons te herscheppen. 

Het geloof van de blindgeborene is strijdbaar. Strijdbaar niet in offensieve zin maar in zin van ‘hier sta ik, ik kan niet anders’ Het geloof van de blindgeborene is bescheiden. Er wordt alleen een beroep gedaan op de eigen ervaring.
De preek begint met een kleine beschouwing over de politieke deugd van de ‘prudentia’. De  prudentia maant tot bescheidenheid en zelfkritiek. 

Naar boven                                                            neem contact op met de webmaster

bijgewerkt tot en met: 05/03/2008