Remonstrantse Gemeente
Naarden - Bussum

Naar hoofdpagina
van Gemeente Naarden-Bussum
Zondag 23 maart 2008 (Pasen)

Lezingen:

Johannes 12: 20-27
Marcus 16: 1-9
 

Wie kennisneemt van het Paasevangelie moet wel constateren dat er een grote kloof gaapt tussen de wereld van toen en die van nu. De ‘moderne’ mens is niet snel geneigd zijn ‘wereldbeeld’ waarin een lichamelijke opstanding uit de doden door de meeste mensen als een absurde gebeurtenis beschouwd wordt, op te geven. Hij zal ernaar streven het verhaal zo uit te leggen dat het past in zijn wereldbeeld. Die onderneming was aanvankelijk  kenmerkend voor de vrijzinnigheid maar is tegenwoordig gemeengoed geworden. De vrijzinnigen in de 19e eeuw namen probleemloos het door de natuurwetenschappen - in die eeuw tot bloei gekomen - gestempelde wereldbeeld over. Ze verwierpen daarom met kracht de wonderen waarover in de bijbel verteld wordt. Het meest aanstootgevende wonder was in hun ogen de opstanding van Christus uit de doden. De opvatting dat Jezus schijndood zou zijn geweest had onder veel vrijzinnigen aanhang.Er zijn uitleggers die menen dat de curieuze passage in het evangelie naar Marcus waarin verteld wordt dat Pilatus, die, omdat het hem bevreemdde dat Jezus al dood zou zijn  een centurio naar Golgotha stuurt (Marcus 15: 44 en 45), bedoeld is om mensen die geopperd zouden hebben dat Jezus niet echt dood was, de mond te snoeren. 

Een andere verklaring die in vrijzinnige kring opgeld deed was dat het geloof in de opstanding van Christus terugging op visioenen van zijn leerlingen die naderhand om hun ervaringen kracht bij te zetten met verhalen kwamen van een leeg graf. Een moderne variant van die pogingen om te spreken over het Paasevangelie zonder het huidige wereldbeeld op te geven is de stelling dat dit evangelie op een aansprekende wijze onder woorden is gebracht als wij zeggen dat Jezus nog altijd voor ons van betekenis is. De kritische vraag die gesteld zou moeten worden is of al deze pogingen het Paasevangelie ‘aan te passen’ aan onze tijd het niet beroven van het schokkende en onthutsende karakter dat het volgens de verhalen toch gehad moet hebben.

In onze tijd wordt de bijbel ook als een literair document benadert. Als dit gebeurt is de vraag of de tekst naar een werkelijkheid verwijst niet aan de orde. De spanning tussen het verhaal en het moderne wereldbeeld speelt dus niet. Een imponerend voorbeeld van een dergelijke benadering is ‘Marcus’ van Bas van Iersel. (Tabor 1989) Als hij Marcus 16: 1-9 bespreekt laat hij zien hoeveel verwijzingen in dit gedeelte te vinden zijn die naar het begin van het evangelie.

In de uitspraak dat er ‘iets’ gebeurd moet zijn omdat anders onverklaarbaar is dat er na Jezus’ dood een hergroepering van zijn leerlingen heeft plaatsgevonden worden we geconfronteerd met een vorm van ‘ietsisme’ dat niet a priori  uitsluit dat ‘iets’ gebeurd is dat misschien wel op gespannen voet staat met wat als het ‘moderne’ wereldbeeld beschouwd wordt. 

Je zou de kritische vraag kunnen stellen waarom dat wereldbeeld  maatgevend zou moeten zijn. Degenen die dat doen menen dat je er toch in ieder geval rekening mee zou moeten houden dat een gebeurtenis als die welke in het Paasevangelie beschreven wordt, ook al is hij zonder analogie in de wereldgeschiedens, kan hebben plaatsgevonden. De kritische vraag die weer aan hen moet worden gesteld is wat de betekenis is van dit ‘rekening houden met’. Is het niet iets dat je alleen ‘in theorie’ doet en dus geen consequentie heeft in het eigen leven? 

Wij lijken voor het dilemma te staan dat wij of het Paasevangelie ‘aanpassen’ maar het dan beroven van iets dat essentieel ervoor lijkt te zijn namelijk het ‘ontzagwekkende’ karakter ervan of wij laten het in al zijn onbegrijpelijkheid staan maar vermogen dan niet in te zien wat wij er in ons leven mee aan zouden moeten.

In de preek wordt een poging gedaan het Paasevangelie zo ter sprake te brengen dat iets behouden blijft van zijn vermogen ‘alles op zijn kop te zetten’ en wel m.b.t. een klein onderdeel van het moderne wereldbeeld namelijk de overtuiging dat de autonome mens het middelpunt is. Dat dit zo zou zijn komt bijvoorbeeld tot uitdrukking in de veel gebruikte beeldspraak dat wij de dingen die wij in ons leven meemaken een plaats moeten geven. De metafoor lijkt uit te sluiten dat er in ons leven ook wel eens dingen zouden kunnen zijn die te groot zijn om door ons een plaats gewezen te krijgen. Dat het ‘ik’dat een plaats geeft aan wat het overkomen is nu juist daardoor al niet meer hetzelfde ‘ik’ is lijkt ook niet altijd beseft te worden. Kunnen wij God of Christus in ons leven een plaats geven of hebben wij als wij zeggen dat te doen de verhoudingen niet een beetje uit het oog verloren? ‘De wereld gaf hem slechts een graf’ zegt het lied (LvdK 195) maar het Paasevangelie zegt ‘ Hij is hier niet; zie de plaats waar zij Hem neergelegd hebben’. ‘Hij gaat ons voor’: wij zullen onze plaats moeten verlaten.

Zo wordt het Pasen in ons leven. Het Paasevangelie rekent af met de idee van een door ons geordend leven. Op nog radicalere wijze wordt in de beeldspraak van de graankorrel die alleen door te sterven tot bloei kan komen een vraagteken gezet achter de menselijke autonomie. Jezus spreekt in de eerste plaats over wat hij als zijn eigen zending ziet: de liefde van God naderbij brengen. Van die liefde is zijn bereidheid tot het brengen van het offer van zijn leven het meest indrukwekkende teken. Liefhebben is altijd ook te beschouwen als een wijze van ‘sterven’: liefhebben is namelijk voor een ander in ons leven plaats maken en hem tijd van ons leven geven, een ‘jezelf verlaten’ in de beweging die je naar de ander maakt. Liefde is een macht die in staat is ons te transformeren: wij krijgen een ander gezicht, we worden mild en genereus. Ook zo wordt het Pasen in ons leven. 

Naar boven                                                            neem contact op met de webmaster

bijgewerkt tot en met: 23/03/2008