![]() |
Remonstrantse
Gemeente |
Naar
hoofdpagina
van Gemeente Naarden-Bussum |
|||||||
| Zondag 11 mei 2008
(Pinksteren) Bevestiging nieuwe leden, verwelkoming nieuwe vrienden Lezingen:
|
|||||||||
| Over de uitstorting van de heilige Geest wordt geprofeteerd
in Joel 3: 1-5. Deze profetie ziet Lucas, de schrijver van het Boek Handelingen,
in vervulling gaan op de Pinksterdag. In deze profetie wordt God sprekend
ingevoerd en zegt Hij: ‘Ik zal mijn geest uitgieten over al wat leeft’.
(3:1) In vers 3 lezen we: ‘Dan zal ik tekenen geven aan de hemel en op
aarde: bloed en vuur en zuilen van rook’. In Handelingen 2: 1-13
is er van ‘bloed’ en ‘zuilen van rook’ geen sprake en lezen we alleen dat
aan de aanwezigen ‘een soort vlammen’ verschenen die zich ‘als vuurtongen
verspreidden en zich op een ieder van hen neerzetten’ en dat allen vervuld
werden van de heilige Geest. Het in 2: 1-13 beschrevene moet echter ook
gezien worden als een vervulling van de profetie die Johannes de Doper
in Lucas 3:16 doet namelijk dat hij ‘die meer vermag’ ‘ jullie (zal) dopen
met de heilige Geest en met vuur’.
Lucas 10:38-42 is een onderdeel van het gedeelte van het evangelie naar Lucas waarin de reis van Galilea naar Jeruzalem beschreven wordt. (Luc. 9:51-19: 27) In deze hoofdstukken wordt meer dan in de andere evangeliën aandacht besteed aan het werk dat een apostel heeft te doen en het lot dat hem staat te wachten. De lotgevallen van de apostelen is het thema van het boek Handelingen waarvan Lucas ook de auteur is. Hij heeft zijn beide boeken als een doorlopend verhaal bedoeld. De passage waarvan Lucas 10: 38-42 de afsluiting is begint in 9:51. In dit gedeelte speelt de ontvangst van de door Jezus uitgezonden boden een belangrijke rol. Het verhaal wil duidelijk maken dat het bij de ontvangst van de zendeling het gaat om het horen van het Woord. Zelfs het in het oosten als min of meer heilig beschouwde gebod van de gastvrijheid is hieraan ondergeschikt. In het verhaal van Maria en Martha is eeuwenlang de klassieke tegenstelling
gelezen tussen de vita contemplativa en de vita activa. De eerste achtte
men superieur aan de tweede. Onder de vita activa verstond men een leven
dat is beslag genomen wordt door de moeitevolle zorg die nodig is om het
eigen bestaan in stand te houden. De verhouding tussen beide wijzen van
leven is in de moderne tijd radicaal gewijzigd: wie gelooft in ‘vooruitgang’
en ‘ontwikkeling’ verwacht nu juist alles van de mens die zich actief inzet
en door zijn inzet wetenschap en techniek verder helpt. (Wie een krachtig
pleidooi wil lezen voor de vita contemplativa, waar het in de preek ook
zij het op bescheiden wijze voor zal worden opgenomen, leze ‘Rust en Beschaving’
van Josef Pieper, Aspekt, Soesterberg 2003)
De preek begint met een kleine meditatie over ‘zoeken en vinden’. Bij oppervlakkige beschouwing lijkt het zoeken betrekking te hebben op wat er niet meer of nog niet is en lijkt het vinden het einde van het zoeken te betekenen. Wie een ‘zoekende levenshouding’ voorstaat, een houding die garandeert dat ons leven in beweging blijft en ons behoedt voor gemakzucht en dogmatisme heeft daarom zijn aarzelingen bij het vinden. De bekende versregel van de dichter Rutger Kopland ‘wie gevonden heeft, heeft verkeerd gezocht’ wordt daarom nogal eens met instemming aangehaald. Het is de vraag of ‘zoeken’ en ‘vinden’ zo tegenover elkaar geplaatst zouden moeten worden. Beide staan bij nadere beschouwing toch in een spanningsvolle verhouding tot elkaar. Zoeken zonder een vermoeden van datgene waarnaar je naar zoekt kan toch eigenlijk geen zoeken genoemd worden. Waarschijnlijk moet je zelfs zeggen dat we pas dan ons ertoe zetten te gaan zoeken als we ergens door geraakt en getroffen zijn of m.a.w. in een heel bepaalde zin iets gevonden hebben dat ons intrigeert, verwondert en fascineert. Is daarvan geen sprake dan maakt het zoeken wat het zo opgevat ook betekenen moge rusteloze mensen van ons. Rusteloosheid maakt altijd ongelukkige mensen van ons. We ervaren op een pijnlijke wijze een afstand tot onszelf, de mensen en de dingen om ons heen die ons eenzaam maakt. Het is niet goed denkbaar hoe ons leven vruchtbaar zou kunnen zijn als de rust er niet de basis van is. Rust moet dan opgevat worden als a) een houding van ontvankelijkheid en gelatenheid waarin de dingen en de mensen voor ons van betekenis kunnen worden en b) een houding van aandacht (‘zoeken’) waarin wij stil staan bij wat van beteken is geworden. De kerk is de ruimte waarin wij stil staan bij de woorden van God. We zijn door deze woorden gefascineerd en verlangen ernaar deel te krijgen aan de werkelijkheid waar zij naar verwijzen. Het woord dat wordt verstaan verbindt ons met deze werkelijkheid, brengt ons bij onszelf en sticht gemeenschap. Dan wordt het Pinksteren in ons leven. |
|||||||||