![]() |
Remonstrantse
Gemeente |
Naar
hoofdpagina
van Gemeente Naarden-Bussum Naar
de pagina van de
neem contact op met de webmaster |
|||||||
| VOLWASSENENCATECHESE II - achtergrondinformatie | |||||||||
|
18 september 2007 Jesaja In het boek Jesaja zijn drie profeten aan het woord: voor Jesaja 1 tot 40 is een profeet verantwoordelijk die in de 8e eeuw voor Christus leefde, voor Jesaja 40-55 één die de Deutero-Jesaja genoemd wordt en wiens optreden valt aan het einde van de Ballingschap (587-538) en een derde (Trito- Jesaja; Jesaja 56-66) die in het begin van de periode na de Ballingschap actief geweest moet zijn. De Jesaja van de hoofdstukken 1-40 is waarschijnlijk uit Jeruzalem afkomstig. Hij is vermoedelijk op een bepaalde wijze aan de tempel gelieerd geweest (zie het roepingsvisioen in Jesaja 6); hij was getrouwd (zie 8:3) en had kinderen (zie 7:3 en 8:3) Zijn roeping moet Jesaja beleefd hebben in het jaar 742 voor Christus in de tempel van Jeruzalem. In dat roepingsvisioen neemt het besef van de heiligheid van God een centrale plaats in. De boodschap van Jesaja doet in veel opzichten denken aan die van Amos (8e eeuw voor Christus, Noordrijk). Jesaja protesteert net als Amos tegen sociale misstanden (zie 5:8 en 10:2). Jesaja klaagt evenzeer over het gebrek aan gerechtigheid (zie 1:21; 5:7; 5:20)en ook hij bestrijdt de valse cultus (zie 1:11; 1:14 alsmede Amos 5: 21 e.v.). Ook Jesaja verwacht het oordeel van God over zijn volk. Het zijn de Assysiers die dat oordeel voltrekken (Jesaja 5: 25 e.v.). De dag van de Heer (zie 2: 10 e.v.) is zowel bij Amos als bij Jesaja een belangrijk thema. Bij beide klinkt de oproep om gerechtigheid te doen (zie 1:16). Twee thema’s in de profetieën
van Jesaja zijn nauw verbonden met Jeruzalem:
Ad a) zie bijv. Jesaja 10: 27-34 en vooral 10:32 en Jesaja 14: 24-32 en vooral 10:32; teksten die gelezen zouden moeten worden tegen de achtergrond van psalmen als psalm 46 en psalm 48, de zogeheten ‘Sionsliederen’). Ad b) zie bijv. Jesaja 7: 14 e.v. : de achtergrond van deze scène is de volgende: de koning van Israël, Pekach, wil samen met de koning van Syrië de koning van Juda, Achaz dwingen mee te doen met hun coalitie tegen Assyrië. Achaz wil Tiglath-Pileser, de koning van de Asyyriers te hulp roepen. Jesaja ontraadt hem dat en spreekt de beroemde woorden: ‘Alleen als jullie vertrouwen hebben, houden jullie stand’ of beter ‘vertrouwt ge niet, zo houdt ge niet’ (zie 7:9). Om Achaz in zijn geloof te sterken spreekt Jesaja in 7: 14 een beroemd geworden belofte uit. Achaz slaat echter geen acht op de woorden van Jesaja en mogelijk werd Jesaja daardoor ertoe gebracht geruime tijd niet meer in de openbaarheid op te treden (Jesaja 8:16?). Ongeveer 20 jaar na deze gebeurtenissen is Jesaja wederom actief in de nationale politiek. Asdod (een Filistijnse stad) probeert met steun van Egypte Juda dit keer ertoe te bewegen zich bij deze coalitie aan te sluiten. Jesaja spreekt zich daar tegen uit (zie 14:28-32 en hoofdstuk 18) Tien jaar later (705
voor Christus) keert Jesaja zich tegen de politiek van Hizkia die een bondgenootschap
met Egypte sluit (zie 28:14-22; en vooral 28:19 waar het thema van de onkwetsbaarheid
van Jeruzalem weer opduikt; zie ook 31:2: ‘Wee hun die naar Egypte gaan
om hulp, die hun heil zoeken bij de paarden, vertrouwen op een groot aantal
wagens en een overmacht aan ruiters. Voor de HEER hebben zij geen oog,
de Heilige van Israël zoeken zij niet. (…) De Egyptenaren zijn mensen,
geen goden, hun paarden zijn vlees, geen geest’ ).
Assyrië gaat over
tot een beleg van Jeruzalem. Egypte komt Juda niet te hulp maar (zie 37:
36) ‘een engel van de HEER trekt ten strijde en koning Sanherib van Assyrië
breekt het beleg op en keert voorgoed terug naar zijn woonplaats Ninivé.
VOLWASSENENCATECHESE II - achtergrondinformatie 16 oktober 2007 Enkele aantekeningen over de tweede Jesaja (‘Deutero-Jesaja’) De tweede Jesaja treedt bijna twee eeuwen na de eerste (Jesaja 1-40) op. Hij profeteert over het einde van de ballingschap (Jesaja 40: 2: ‘Spreek Jeruzalem moed in, maak haar bekend dat haar slavendienst voorbij is, dat haar schuld voldaan is…’) De tweede Jesaja spreekt over de onvergelijkbare grootheid van de God van Israël (40: 18: ‘ Met wie wil je God vergelijken, hoe is hij uit te beelden?’; 42: 8: ‘Ik deel mijn majesteit niet met een ander; 43: 11: ‘Ik, ik ben de HEER! Buiten mij is er niemand die redt; 44: 24: ‘Ik, de HEER, ben het die alles gemaakt heeft, de enige die de hemel heeft uitgespannen…’; 45: 6 en 7:’Ik ben de HEER, er is geen ander die het licht vormt en het donker schept, die vrede maakt en het onheil schept. Ik ben het, de HEER, die al deze dingen doet’ etc.) Het henotheisme (er zijn meerdere goden maar slechts één doet er werkelijk toe) en de monolatrie (er zijn meerdere goden maar slechts één wordt vereerd) worden door de tweede Jesaja verlaten. Hij is de eerste echte monotheïst. Over deze wending naar het monotheïsme merkt G. Theissen in zijn boek ‘De godsdienst van de eerste christenen’ het volgende op: ‘Gelet op de verwoesting van Jeruzalem, de deportatie van de maatschappelijke bovenlaag en de lange ballingschap was er slechts de mogelijkheid om ofwel de superioriteit van de zegevierende volken en hun goden te erkennen – ofwel vast te houden aan het geloof in JHWH door de aardse catastrofe te compenseren door een hemelse overwinning: van de andere goden werd gezegd dat zij niet bestonden. Niet zij hadden gezegevierd in de strijd tegen Israël maar de ene en enige God die zich van andere volken had bediend om Israël te straffen en die na voltrekking van het vonnis Israël weer zou leiden naar een nieuwe toekomst.’(p. 73) Het volk Israël, partner van die ene God, krijgt in de wereldgeschiedenis een eigen rol namelijk die van knecht. In Jesaja 40-55 vinden we vier ‘liederen van de knecht’: Jesaja 42: 1-7; Jesaja 49: 1-7; Jesaja 50: 4-11; Jesaja 52: 13-53:12. Wordt met de knecht
wel Israël bedoeld? Er is eindeloos getwist over de identiteit van
de knecht.
In een tijd waarin het
individualisme nog niet zo krachtig leefde als in onze tijd was de gedachte
van ‘representatie’ (de knecht representeert het volk, het volk de mensheid)
belangrijk en die gedachte maakte de tegenstelling ‘individu’ en ‘collectief’
minder scherp.
De knecht zal lijden
en dit lijden is plaatsvervangend en heeft als doel het verbond van God
en mens te herstellen. (In dezelfde tijd profeteert Jeremia over het nieuwe
verbond dat God sluiten zal met zijn volk ‘een ander verbond dan
ik met hun voorouders sloot…’ (Jeremia 32: 32) want God zal zijn wet in
hun binnenste leggen en hem in hun harten schrijven’(Jeremia 32:33)
De liederen van de knecht
hebben in het christendom een rol gespeeld die moeilijk overschat kan worden.
Een belangrijk moment
in Jezus’ leven is zijn doop door Johannes de Doper. Op het moment dat
hij gedoopt wordt klinkt er uit de hemel een stem (zie bijv. Marcus 1:11)
en wat die stem zegt zijn de woorden waarmee in Jesaja 42: 1 het eerste
lied van de knecht begint.
VOLWASSENENCATECHESE II - achtergrondinformatie 30 oktober 2007 Trito-Jesaja en Jeremia I I
De hoofdstukken 56-66 zijn niet van de hand van de profeet die ‘deutero-Jeasaja’ genoemd wordt. De auteur wordt ‘trito-Jesaja’ genoemd en hij zou zijn profetieën hebben uitgesproken kort na de beëindiging van de ballingschap. De profeet plaatst de teleurstellende werkelijkheid van zijn dagen tegen de achtergrond van het heil dat door zijn voorganger (deutero-jesaja) werd verkondigd. Hij polemiseert tegen
sykretistische gebruiken (zie o.a. 57: 3 e.v., 65: 3 e.v.) en het aanbidden
van andere goden (zie 65: 11 e.v.)
II
645? voor Christus-
582?
Zijn eerste optreden valt ten tijde van Josia (638-609) die in 621 voor Christus op grond van een inde tempel gevonden geschrift (Deuteronomium) een aantal ingrijpende hervormingen doorvoert. (zie II Koningen 22: 8 e.v. en II Koningen 23) Merkwaardigerwijze lezen we over deze hervormingen, die Jeremia moet hebben toegejuicht, niets in zijn geschriften. In deze tijd verliest het Assyrische rijk steeds meer van zijn invloed; in 625 verklaart Babylonië zich onafhankelijk. Ninivé valt in 612 (zie Sefanja 2:13 e.v.) Josia doet pogingen het oude Davidische Rijk te herstellen (Efraim hoorde sinds 722 bij het Assyrische rijk; mogelijk lezen we in Jeremia 30 en 31 de hoop van de profeet op het herstel van het oude rijk) maar laat het leven in de slag van Megiddo 609 waar zijn leger door farao Necho die ook wil profeteren van de verzwakte positie van de Assyriërs wordt verslagen. (II Koningen 23: 29: ‘Koning Josia ging de farao tegemoet maar werd bij het eerste treffen in Megiddo door hem gedood’). Farao Necho heeft het voorlopig voor het zeggen en zet een van de zonen van Josias, Joachaz op de troon maar vervangt hem drie maanden later door Jojakim die elf jaar zal regeren. Necho moet het echter afleggen tegen Nebukadnezar en wordt in 605 voor Christus door hem verslagen. Jojakim probeert enigszins een onafhankelijke koers te volgen en laat het na tol te betalen aan Nebukandnezar. In het jaar dat deze besluit in te grijpen sterft Jojakim. Hij wordt opgevolgd door Jojachin en deze besluit als Nebukadnezar met zijn leger voor de poorten van Jeruzalem staat zich aan hem over te geven om bloedvergieten te voorkomen (II Koningen 24:8-17). De Joodse geschiedschrijver
Flavius Josephus (37-100) die in het jaar 70 met de Romeinse veldheer Titus
voor de muren van Jeruzalem staat waar ene Johannes stand meent te moeten
houden tegen de Romeinse overmacht houdt als afgevaardigde van Titus de
volgende toespraak tot Johannes: ‘laat het schone voorbeeld van onze koning
Jojakim u opwekken om de stad te redden. Deze toch, toen de Babyloniërs
met een legermacht tegen hem optrokken, verliet uit eigen beweging de stad
en begaf zich vrijwillig met zijn familie in ballingschap, om niet de heilige
stad aan het vijandelijke geweld over te geven en deze tempel in vlammen
te zien opgaan. Daarom wordt zijn naam ook door alle joden in een heilig
lied vereerd en blijft zijn nagedachtenis, steeds van geslacht tot geslacht
verjongd, onsterfelijk tot op de laatste nakomelingschap. Een schoon voorbeeld.
Johannes, zelfs al is er gevaar aan verbonden het na te volgen’.
Jeremia die bij voortduring geprofeteerd had om zich aan Babylon te onderwerpen (zie bijv. Jeremia 27) en daarom gevangen gezet was, komt nu vrij. Gedalja wordt als gouverneur aangesteld (zie Jeremia 40 en 41). Gedalja resideert in Mizpa. Hij wordt vermoord door Ismaël die zijn heil zoekt in Ammon. Op weg naar Ammon waar hij met een aantal gevangenen heentrekt wordt hij aangevallen door aanhangers van Gedalja. De gevangenen worden bevrijd en willen bevreesd als zij zijn voor de straf van Nebukadnezar niets liever dan naar Egypte vluchten. Zij nemen Jeremia mee die een verklaard tegenstander van deze vlucht is (zie Jeremia 42) In Egypte zal Jeremia sterven. III
‘Jeremia, de man van het harde woord over stad en overheid, is ook de man, die twijfelt aan zijn opdracht. Men heeft wel gedacht dat hij niet geheel op ging in zijn profeetschap. Hij bleef teveel verbonden met het volk dat hij een hard oordeel aan moest zeggen, hij ging te zeer gebukt onder de tegenslagen en hij kon het gemis van de natuurlijke vreugden in gezin en vriendenkring niet dragen. Hij zou eigenlijk een gespleten persoonlijkheid bezeten hebben: hij was profeet maar telkens ook gewoon mens. Anderen noemen hem niet een gespleten mens, maar een die ten kosten van het profetische het subjectief -religieuze, het vroom -individuele in zijn leven telkens de overhand laat hebben. De monologen, de klaagzangen zouden een uitlaat zijn voor zijn onbehagen en verdriet.’(prof. dr. P.A. H. de Boer) Over geen andere profeet zijn we zo uitgebreid geïnformeerd over wat hij zelf heeft meegemaakt als over Jeremia. (zie Jeremia 37-45) Jeremia is een profeet
tegen wil en dank.(zie Jeremia 1:4 e.v.) Dat is iets dat hij met vele andere
profeten gemeen heeft.
Jeremia 32 is een bijzonder
hoofdstuk. Temidden van al het tumult moet Jeremia als losser optreden
en de akker van zijn oom in Anatot kopen. Elie Wiesel geïnspireerd
door André Neher schrijft n.a.v dit hoofdstuk het volgende: ‘De
bedoeling is zijn tijdgenoten en hun nakomelingen een les te leren: er
komt een tijd waarin men zich van de dood en van de doden moet afkeren;
men moet zich aan het leven vastklampen, het leven dat telt in minuten,
niet altijd in jaren en zeker niet in eeuwen; men moet vechten om niet
door de geschiedenis overweldigd te worden, maar standvastig, eenvoudig
en menselijk daarop te reageren. Middenin de nationale ramp moet men doorgaan
met leren en lesgeven, met brood bakken en verkopen, met bomen planten
en op de toekomst mikken. Men moet niet het einde van de tragedie afwachten
om met de opbouw en het herstel van het leven te beginnen, men moet dat
reeds doen terwijl men de tragedie ziet. De stad is belegerd? Mensen hongeren?
Kinderen zijn bang? En de profeet zit in de gevangenis? Het speelt geen
rol; hij ontmoet zijn oom, onderhandelt over een contract, betaalt en vermaant:
Od yibanu batim – ‘Maak je geen zorgen, broeders. Er zullen nog veel meer
huizen in dit verwoeste land worden herbouwd.’
VOLWASSENENCATECHESE II - achtergrondinformatie Bijeenkomst 9 januari 2008 I
Lezen: hoofdstuk 1 II
Zijn profetieën zijn rijk aan visioenen (8:3: ‘Hij strekte iets uit dat de vorm van een hand had en pakte me bij zijn haren beet. In dit goddelijk visioen tilde de geest me op, tussen hemel en aarde, en bracht me naar Jeruzalem etc.’ ), wonderlijke handelingen (4: 1 e.v.) en beelden. In hoofdstuk 16 wordt Israel een vondeling genoemd die door God gevonden wordt. Zij is bedoeld om zijn vrouw te worden maar is Hem bij voortduring ontrouw. In hoofdstuk 23 worden Israel en Juda als twee ontuchtige zusters, Ohola en Oholiba, ten tonele gevoerd. Ezechiël noemt zichzelf een wachter (33:1-9) en meent dat de mogelijkheid van omkeer voor iedere nieuwe generatie openstaat. (zie de bijzondere hoofdstukken 18 en 33) Er is ook de prediking
van het heil dat komen zal. Dat heil is dan wel te verstaan als een wonder
van godswege. Een beroemd hoofdstuk is Ezechiël 37: 1-14 waarin beschreven
wordt dat de Geest van God in de dode beenderen die Israel symboliseren
weer leven brengt.
Lezen: hoofdstuk 15, 16, 18, 23, 33, 36:16-37:14 III
Het boek Daniel is geschreven in de tijd van de Makkabeeën (2e eeuw voor Christus) maar gesitueerd in de tijd van de Ballingschap. Voor de goede verstaander hebben de dromen die Daniël in de hoofdstukken 7-12 heeft dus betrekking op gebeurtenissen die al hebben plaatsgevonden. Dat moest uiteraard het vertrouwen versterken dat die dromen dus ook waarheid zouden bevatten m.b.t. de komende gebeurtenissen. Zo symboliseert in hoofdstuk 7 het laatste dier het rijk der Seleuciden onder aanvoering van de gehate Antiochus Epiphanes. In de hoofdstukken 10-12
wordt wederom de geschiedenis vanaf de val van Babylon verteld tot aan
Antiochus Epiphanes.
De profetieën over de Mensenzoon in Daniël 7 hebben een belangrijke rol gespeeld in het vroege christendom. Lezen: de hoofdstukken
1-7.
VOLWASSENENCATECHESE II - achtergrondinformatie Bijeenkomst 30 januari 2008 Hosea
Het centrale thema in
de profetieën van Hosea is de ontrouw van Israel aan het verbond van
God en Gods teleurstelling daarover.
In de hoofdstukken 1-3
gaat het over het ongelukkige huwelijk van de profeet zelf. Zijn huwelijk
en de wijze waarop hij zich opstelt t.o.v. zijn ontrouwe vrouw wordt een
beeld voor de wijze waarop God zich tot zijn volk verhoudt.
De ‘toorn’ van God is niet zijn laatste woord. Hosea is de man die in het prachtige elfde hoofdstuk profeteert over Gods heilige liefde. Lezen: Hosea 1,
4 en 11
Joël
In het tweede deel wordt
beschreven hoe God zijn Geest op zijn volk uitstort. Het is een apokalyptische
tekst waarin een kosmische strijd wordt beschreven maar ‘nooit gaat Juda
ten onder’ (4: 20)
Lezen: geheel Amos
Een centraal thema in de profetieën van Amos is dat van de gerechtigheid. De cultus wordt op een geweldige manier gerelativeerd (zie bijv. 5: 21 e.v.); het gaat om het doen van gerechtigheid: 5: 24: ‘laat liever het recht stromen als water, en de gerechtigheid als een altijd voortvloeiende beek. Het boek begint met onheilsprofetieën over de buurtvolken van Israel (1 en 2) en vervolgt met dezelfde soort profetieën over Israel (3-6) Amos biedt met zijn profetieën maar weinig perspectief (zie bijv. 3: 12: ‘ zoals een herder uit de muil van een leeuw niet meer dan een paar botten weet te redden of een stukje oor, zo zal er ook niemand worden gered van de Israelieten die in Samaria maar op hun bedden hangen en achterover leunen op hun divans’) In de hoofdstukken 7-9
worden vijf visioenen beschreven. Erg opwekkend voor Israel zijn deze visioenen
niet.
Lezen: Amos 3, 5 en
8
|
|||||||||