|
|
ArtikelenALLES WENT, BEHALVE WAT MOOI ISJohan Goud ‘Kijk me niet zo aan met die ogen van u’, die zin uit een beroemd verhaal van de schrijver Dostojewski herinnerde ik me. Ik stond voor een klein schilderij uit de 16de eeuw. Een portret van een man met een ovaalvormig gelaat, een krans van doornen op zijn hoofd gedrukt, zijn polsen met een touw samengebonden, een stok in de ene, een takkenbos in de andere hand. Bloeddruppels en tranen over zijn wangen naar beneden lopend, een uitdrukking in zijn ogen van groot verdriet, van verbijstering ook, alsof hij me een vraag zou willen stellen. Natuurlijk beeldde dit kleine kunstwerk de gepijnigde Jezus uit en was zijn geschiedenis me door en door bekend. Maar door wat het liet zien, raakte die geschiedenis me alsof ik er nog nooit van gehoord had. Het maakte me los van wat ik allang meende te weten en bracht me dichtbij de verlatenheid van die lijdende man. De directheid van zijn blik heeft me niet meer losgelaten. Wat gebeurde op dat moment tussen mij en dat schilderijtje ‘uit het atelier van Jan Mostaert (ca. 1520)’ zoals een kunsthistoricus er droogweg bij had geschreven? Was het de schoonheid van compositie, het spel van vormen, de keuze van kleuren, de subtiele werking van het licht? Dat alles zal zeker een rol hebben gespeeld, het schilderijtje was mooi - en toch is ‘mooi’ het woord niet. De voorstelling raakte me, dat was het eerder. Ze raakte me dieper dan ik begrijpen kon en keerde veel later terug in een tekst die ik over Jezus schreef: ‘het gelaat van God dat ons aanziet en verontrust’. In het moderne denken over kunst zijn andere begrippen dan die van schoonheid en harmonie belangrijk geworden. Misschien is het beter te zeggen: We zijn anders gaan denken over schoonheid, over wat mooie dingen mooi maakt. Zo spreekt men bijvoorbeeld wel over de kracht van het vormeloze en onbegrensde, of over de ervaring van het sublieme en verhevene. De filosoof Kant zocht zijn voorbeelden van dat laatste vooral in overweldigende natuurverschijnselen: een storm, een aardbeving, een vulkaanuitbarsting. Zulke verschijnselen doorbreken de ordeningen die we door onze verbeelding en ons verstand aanbrengen. Ze zijn niet te bevatten. Ze vertegenwoordigen een oerkracht die angst, huiver, maar ook ontzag in ons oproept. Eigenlijk zou je kunnen zeggen dat veel kunst van onze eigen tijd deze zelfde ervaringen in ons wil wekken. Ze voert onophoudelijk strijd tegen alles wat te voorspellen en te verwachten is. Daarom worden de dingen vervormd en onherkenbaar gemaakt, in fragmenten ontleed en op een andere manier in elkaar gezet, of maken ze plaats voor een abstractie die alleen nog maar ‘anders’ is. Het woordje ‘mooi’ krijgt op deze manier een andere betekenis dan iets dat je gevoel voor proporties en harmonie bevestigt. Misschien past dat wel bij een tijd waarin ‘schoonheid haar gezicht heeft verbrand’, zoals iemand na de tweede wereldoorlog schreef. Een werk van de Duitse beeldhouwer Joseph Beuys (gest. 1986) laat dat zien. Hij heeft zuilachtige blokken basalt, resten van vulkanisch gesteente, door een ruimte verspreid. Ze liggen daar schijnbaar ordeloos, alsof ze de overblijfselen van een verdwenen beschaving zijn, die door een alles vernietigende explosie in de expositiezaal zijn beland. ‘Het eind van de twintigste eeuw’, noemde Beuys dit werk. Die blokken in een verder lege en stille ruimte zijn op een vreemde manier mooi. De kunstenaar heeft holtes in de blokken aangebracht, ‘wonden’ noemde hij ze. Ongetwijfeld dacht hij daarbij aan de talloze wonden die het geweld van de geschiedenis – de grote en de kleine – in ons slaat. Hij heeft die holtes daarna weer, zo goed en zo kwaad als het ging, dicht gemaakt, met klei, vilt en het weggeslagen basalt. Wie de stilte na de explosie die in die ruimte hangt op zich laat inwerken, kan door dat haast onhandige herstelwerk ontroerd worden. Misschien schiet hem een psalmregel door het hoofd, over Eén die geneest wie gebroken zijn en die hun diepe wonden verzorgt. Het verschil tussen de zestiende- en de twintigste-eeuwse schoonheid is, als het erop aankomt, zo groot niet. Beslissend is in beide gevallen of degene die kijkt, oprechte aandacht weet op te brengen. Een kunstwerk verwacht niet zozeer kijkers die al weten wat zij mooi en belangrijk vinden. Het zoekt mensen die met een hoge mate van ontvankelijkheid kunnen kijken. Wie echt van kunst geniet, is een open plek geworden waarop iets nieuws kan gebeuren. Kunstwerken kenmerken zich door wat de dichter Rilke eens een ‘oneindige eenzaamheid’ noemde: alleen een aandacht die de intensiteit van liefde benadert, zal ze volgens hem kunnen bereiken en omvatten. Geldt trouwens precies hetzelfde niet voor veel méér dan kunstwerken alleen? Theologen hebben de bijzondere aandacht die nodig is bij het zien van wat mooi en verrassend is, op allerlei manieren getypeerd. Sommigen spraken over het gevoel voor het oneindige, anderen over de onvoorwaardelijke betrokkenheid die opgeroepen wordt, nog weer anderen over het vermoeden van een volmaakte wereld dat erdoor gewekt wordt. De theoloog Moltmann schreef een boek over de vreugde van het onbekommerd spelen en vrij zijn. Het christendom heeft, vindt hij, teveel accent gelegd op de zwaarte, de zwarigheid, de verantwoordelijkheid. Het zou eens beter moeten gaan begrijpen wat de bijbel bedoelt met de heerlijkheid van God. God is niet alleen de Gebieder, de strenge Heerser, maar ook een God die zich in pracht en schoonheid ontvouwt. Daarom roept hij niet alleen tot verantwoordelijkheid en naastenliefde op, maar ook tot bewondering en lofzang. Naast de ethiek is er plaats voor de esthetiek, naast de moraal moet er ruimte zijn voor het spel en voor het plezier in al wat mooi is. En daarom vraagt Moltmann opnieuw aandacht voor de visioenen van het geluk en van het vrij zijn in de bijbel en in de kerkelijke traditie. De christelijke kunst kent al heel lang de voorstelling van de opstandingsdans: de verheerlijkte Christus voert in zijn wapperende mantel de verlosten in reidans omhoog naar de Vader. Intussen wist men zowel vroeger als nu dat een visioen geen werkelijkheid is. En dat een lange weg moet worden afgelegd voor die opstandingsdans, de dans van het definitief bevrijde leven, mogelijk is. Bovenal is het een weg van ontwenning. Een rabbi zei eens dat dat bedoeld werd door de goddelijke stem die, uit de brandende braamstruik, Mozes opdroeg: ‘Trek je sandalen uit.’ Het betekent volgens hem: ‘Doe de gewendheid af die om je voet zit. Dan zul je bemerken dat de plaats waarop je staat heilige grond is. In iedere fase van ontwikkeling kun je, overal en altijd, Gods heiligheid vinden.’ Gewendheid betekent dat ervaringen gewoon zijn geworden en je niet meer tot iets nieuws prikkelen. Misschien denk je dat je al weet wat heilig en onaantastbaar is: een overgevoeligheid of een vooroordeel, gedachten over jezelf, over wat mooi is en wat niet, over God. Het afdoen van je sandalen betekent volgens die rabbi dat je zulke gedachten loslaat. Pas dan zul je kunnen ontdekken, dat de plaats waarop je stáát heilige grond is. De heiligheid blijkt zich elders te bevinden dan je dacht, maar verrassend dichtbij. Soms moeten we onze gewendheid loslaten, ons gevoel dat we onszelf en de anderen en de wereld kennen. In sommige gevallen is het - en dat kan, inderdaad, in iedere ontwikkelingsfase gebeuren - onontkoombaar. Het kind dat voor het eerst naar school moet, de jongere die verliefd wordt, de oudere die scheiden moet van zijn partner of zijn werk, de bejaarde die haar eigen vertrouwde huis verlaten moet – ze maken allen een periode door die hen uit het lood slaat, die hen desoriënteert, hen voor even of langere tijd hulpeloos maakt. Toch is ook in die situaties van gedwongen ontwenning het woord van de rabbi toepasbaar. Ook dan kun je die ontwenning om zo te zeggen voor eigen rekening nemen. Ook dan kun je besluiten om zélf je sandalen uit te trekken. Om zelf afstand te doen van je ingesteld zijn op wat bekend en vertrouwd was - en te ontdekken dat de plaats waarop je staat, heilige grond is. Je staat al op de heilige berg. Maar doe je schoenen uit. Een belangrijk kenmerk van die weg werd aangeduid door het schilderij uit de school van Mostaert en de basaltblokken van Beuys. In beide gevallen werden wonden getoond en gezien en werd om genezing gevraagd. De schoonheid die ontwent is te vinden bij wat laag wordt geacht en door niemand wordt gezien. God is neergedaald. Zijn hoogheid en grootheid zijn midden in deze wereld vol laagheid en kleinheid aan te treffen. Zijn verhevenheid staat naast de verslagenen van hart. God is bij wie arm van geest zijn, bij wie verdriet hebben, bij wie zachtmoedig zijn. Juist in het kleine is het grote, in het lelijke is het mooie, in het lage is het hoge te vinden. Maar we zullen – op onze weg van ontwenning – onze ogen en oren opnieuw moeten instellen. We zullen ze aan een nieuwe scherpte, die van Gods ogen en oren, moeten wennen.
Johan Goud (55) is remonstrants predikant van het Uytenbogaertcentrum in Den Haag, docent in Kampen en bijzonder hoogleraar in Utrecht.
|
De website is het laatst bijgewerkt op
17 juli 2008
http://www.uytenbogaert.nl
|