Actualiteiten


 

Overige informatie

Artikelen

Christendom onderwezen aan Moslims

Ervaringen op de Islamitische Universiteit in Rotterdam

Johan Goud


In de zomer van 2005 waarin ik dit schrijf, wordt het publiek klimaat vergiftigd door gruweldaden waarvan de daders beweren dat ze bevolen werden door de Koran, Allah en de Profeet. Het proces tegen de moordenaar van Theo van Gogh rakelt de weerzinwekkende feiten weer op, er worden zelfmoordaanslagen uitgevoerd in Israel (Netanya), in Irak (Bagdad) en, het meest spectaculair, in de Londense Underground. In Engeland, waarvan gedacht werd dat het zoveel beter dan Nederland voorbereid was en zoveel beheerster zou reageren, blijkt men de in Leeds geboren en getogen daders niet van tevoren gekend te hebben en vinden aanslagen op moslims en moskeeën plaats. Dat brengt me terug naar de herfst van 2004 en de reacties in ons eigen land op de ‘slachting’ – zoals de geloofsheld het zelf bij voorkeur noemde – van Van Gogh. Commentaren van atheïstische zijde probeerden aannemelijk te maken dat van religie in het algemeen en de islam in het bijzonder nu eenmaal niets beters te verwachten valt. In de samenleving als geheel ging – ondanks het aandringen op evenwichtigheid van de kant van politici – een islam-vijandige stemming heersen.

De cursus

Ik herinnerde me in die herfst een vraag die de rector van de Islamitische Universiteit Rotterdam me een jaar eerder had gesteld. Voelde ik ervoor om op zijn universiteit een cursus christendom te komen geven? Ik had er op dat moment geen tijd voor en probeerde iemand anders te vinden. Maar misschien zou ik die cursus alsnog kunnen geven? Bij navraag bleek dat inderdaad mogelijk. We maakten afspraken voor colleges in het voorjaar van 2005, van telkens vier uur op de maandagochtenden. Ik schreef een studiehandleiding. De cursus zou gaan over de bronnen van het geloof, het vroege christendom, stromingen binnen het christendom, de christelijke feesten, de oecumene en de dialoog met andere godsdiensten. De studenten moesten flink wat lezen: het Marcus-evangelie, en hoofdstukken uit boeken van E.G.Hoekstra, Th.M.van Leeuwen en E.P.Meijering. Een bijzonder onderdeel was het werkstuk dat ze moesten schrijven over een kerkelijke gemeenschap in de eigen woonplaats of buurt: “typeer het karakter van die gemeenschap en van haar activiteiten, spreek met de voorganger of andere representatieve leden van de gemeenschap, beschrijf het geloof dat de betreffende gemeenschap uitdraagt, probeer het te plaatsen binnen wat u van het christendom weet.”

De colleges werden door in totaal ca. vijfentwintig studenten één of meer malen bezocht. Ongeveer tien studenten hebben de cursus met een werkstuk en een mondeling tentamen afgerond (en de helft van deze studenten slaagde daarvoor). Op enkelingen na spraken ze behoorlijk tot goed Nederlands. Moslims en als zodanig door kleding en haardracht herkenbaar, waren ze allemaal. In tal van andere opzichten, o.a. door de landen waaruit ze afkomstig waren en hun vooropleiding, waren ze echter zeer verschillend. De vooropleiding varieerde, om twee uitersten te noemen, van ‘zoiets als een mavo’ in Marokko tot een gymnasium in Duitsland. Ook hun reacties op de aangeboden stof liepen zeer uiteen. Er waren enkele studenten, door de rector al aangekondigd, die een kritische en polemische (of moet ik schrijven: missionaire ?) houding ten toon spreidden: ‘de Koran is het echte woord van God’, ‘de Koran bevat zowel de joodse als de christelijke bijbel en completeert de openbaring’, ‘Jezus is geen voorbeeld dat nagevolgd kan worden zoals dat voor de Profeet geldt’, enzovoort. Er waren goddank ook studenten die weetgierig waren, tot op zekere hoogte onbevangen en bereid zich open te stellen voor deze hun vreemde religieuze wereld. Zij stemden in met mijn reactie op de critici: op een universiteit kun je niet volstaan met het bestuderen van maar één enkel boek. Diametraal tegenover deze geïnteresseerde groep staand, maar verschillend ook van de kritische groep, waren de studenten die zich bovenal onverschillig betoonden. Zij kwamen één keer, lieten hun afkeuring of verveling merken en keerden niet terug. Wat zich in hun hoofden wel of niet afspeelde, weet ik dus niet.

De studenten aan het woord

In dit artikel zullen vooral de studenten zelf aan het woord komen. Het spreekt vanzelf dat ik daarvoor hun toestemming heb gevraagd. De verslagen die ze schreven van hun bezoek aan een kerk, geven een beeld van het christendom, gezien door de ogen van gelovige, jonge moslims. Voor het merendeel van hen was het hun eerste kennismaking met de praktijk van het christendom.

Suat, een student die voortdurend op discussie uit was, bezocht de katholieke kerk Het Steiger in Rotterdam. De voorganger sprak over Jezus Christus als ‘onze Heer’. Ik als moslim heb daar natuurlijk grote moeite mee. De moslims accepteren door de autoriteit van de Glorieuze Koran dat Jezus, de zoon van Maria (vrede zij met hem) wonderbaarlijk geboren is, dat hij de Christus ofwel de Messias is, dat hij blinden en lepralijders genas met Gods toestemming en dat hij doden tot leven wekte met Gods toestemming. We houden van hem als zijnde één van de rechtschapen dienaren en profeten van de Almachtige en volgen zijn voorbeeld op. Maar dat hij god zou zijn of één of andere goddelijke kracht of status zou hebben is volgens de Islam godslastering. Dat is ook de reden waarom ik niet antwoordde toen tijdens de mis een vrouw naar mij liep (met wie ik later ook sprak) en me aanraakte op mijn schouder en zei: ‘Vrede van Jezus Christus’. Naar mijn mening hoor je te zeggen zoals o.a. Jezus zelf groette ‘Shalom alaikum’ oftewel zoals wij zeggen ‘Selamun Aleykum’ wat ‘Vrede van God Almachtig zij met u’ betekent.

Bahara gaf een aandoenlijke beschrijving van een doopdienst in de Protestantse kerk in Naaldwijk. Toen kwam de dominee binnen. Hij had lange zwarte kleren aan met een groene sjaal eroverheen en begon de dienst met een openingswoord. Daarna kwam het moment van stilte, gingen ze staan en bidden en nog een keer staan bidden. Toen kwam het moment dat de babies met witte jurkjes aan door een familielid werden binnengedragen en aan de ouders gegeven. En hij begon ze een voor een te dopen (het kleine mensenkindje). Het doopwater werd door twee broers uitgegoten. De voorganger heeft alle vier ouders die hun kind gingen dopen gevraagd of ze het wilden, ze hebben allemaal ja geantwoord. Daarna vroeg hij de zegen van God, en deed hij drie keer een beetje water op hun hoofd. Op verzoek van de ouders stond iedereen op om een lied te zingen, en daarna mochten de babies weer terug naar aparte kamers en ook alle andere kinderen gingen mee.

Hayati schreef een nauwkeurig verslag van zijn bezoek aan de Christelijke Gereformeerde kerk in Koog aan de Zaan. Hij waardeerde zeer dat hier op basis van bewijs uit de Schrift geredeneerd werd en beschreef zijn discussie met de voorganger: Hoe wordt over God gedacht en over Jezus Christus? Dat God Soeverein, Almachtig, Allerhoogste is. En dat Jezus, de Heilige Geest en de Vader één God zijn. In teksten in de bijbel lezen wij dat zij de ene God zijn. (Ik heb hier tegenin gebracht: “Kunnen die teksten niet antropomorfe teksten zijn, zoals bijvoorbeeld ‘de hand van God’, waarmee we de macht van God bedoelen? Kan het niet zijn dat als ‘Zoon van God’ gezegd wordt, daarmee de liefde tussen God en zijn Profeet wordt bedoeld?”) Nee, het is duidelijk, als we de bijbel helemaal lezen, dat zij God zijn. (Ik heb nog een ander bezwaar naar voren gebracht: “Maar hoe kan God in een mens zijn? Als wij zeggen dat God in een mens is, dan begrenzen wij God en begrenzing betekent gebrek of tekort. Maar wat gebrekkig is kan geen God zijn. Want als wij over God spreken, veronderstellen we toch dat Hij de beste eigenschappen heeft en geen gebrek kent?”) We kunnen God niet begrijpen, het is een mysterie voor ons.

Objectief en grondig was het verslag dat de studentes Nezahat en Ayse schreven over hun bezoek aan een Vrijgemaakt Gereformeerde kerk in Rotterdam.

Bij ons bezoek aan de kerk is ons vooral opgevallen, dat de kerk vrij somber en kaal is. In tegenstelling tot de rooms-katholieke kerken zijn er geen beelden, vanwege het mogelijke misbruik, legt de predikant ons uit. In de kerk staat de preekstoel centraal, want de lezing en de verkondiging van Gods woord vormen het middelpunt van de liturgie. De bijbel wordt letterlijk als Gods woord beschouwd. Ze vroegen de predikant ook of het geloof aan anderen wordt verkondigd en noteerden het volgende antwoord: Wij willen datgene, wat voor ons de grootste rijkdom is, graag delen met anderen. Daarom spreken wij graag over ons geloof in God en Jezus Christus met atheïsten en ook met mensen die andere godsdiensten aanhangen, zoals Hindoes en Moslims. (…) Missionaris of zendeling zijn houdt niet in wat anderen zich er vaak bij voorstellen. Er gebeurt niets stiekems en er worden geen mensen onder druk gezet om zich te bekeren. De bedoeling is slechts om in gesprek te zijn met anderen, door te luisteren naar hen en door te vertellen wat wijzelf geloven en waarom. God kan het zijne ermee doen.

Tenslotte

Het leverde bijzondere en indringende ervaringen op, deze bijeenkomsten in een lokaal van de Islamitische universiteit. Vermoedelijk gold dat wederzijds. Ik merkte dat bijvoorbeeld aan de verraste reactie van studenten op mijn opmerking dat ze, na het volgen van deze cursus, meer van het christendom zouden weten dan vele Nederlanders. De betekenis van de term ‘secularisatie’ leek op dat moment tot hen door te dringen. Ik zelf noteerde aan het eind van een collegedag dat een gevoel van vreemdheid me tijdens de terugreis overviel. Alsof de Nederlanders om mij heen ‘allochtonen’ waren geworden. Ik denk dat we, over en weer, zulke ervaringen nodig hebben om deze samenleving wat beter te kunnen maken dan ze nu is.


Prof.dr Johan F. Goud (1950) is remonstrants theoloog en doceert aan de Universiteit Utrecht en de Theologische Universiteit Kampen

 

 

 
De website is het laatst bijgewerkt op 23 augustus 2009                                                                                         http://www.uytenbogaert.nl   
Ontwerp: www.raymondfokkens.nl