|

















| |
Actuele onderwerpen bij de tijd
- Tekst 1: Onderduikers in de Kerk aan de Laan
- Tekst 2: Uit het interview met Zilpa
- Tekst 3: Psalmen voor Pinksteren
|
Onderduikers in de Kerk aan de Laan
De vroegere Remonstrantse Kerk in het centrum van Den Haag aan de Laan is
tijdens de Duitse bezetting een ideale schuilplaats voor onderduikers
geweest. Soms zaten er meer dan twintig: Joden, knokploegers, Delftse
studenten, jongens die de Arbeitseinsatz ontdoken en zelfs twee deserteurs
uit de Wehrmacht. Het gebouw met al zijn gangen, zolders, kelders,
kruipruimten en grote kasten leende zich uitstekend om mensen te verstoppen.
Een van de beste schuilplaatsen was onder de vloer van de consistoriekamer.
In die vloer was onder leiding van Wim Pleijsier, de koster van de kerk, een
luik uitgezaagd dat van onder met schuiven klemmend kon worden gesloten.
Chiel Kleijn, de zoon van ds. F. Kleijn, had een ingenieuze constructie
bedacht om er voor te zorgen dat de vaste vloerbedekking ook werkelijk vast
lag en rimpelloos tegen de plint sloot. Met fretboortjes waren er gaatjes in
de vloer gemaakt, waardoor dunne touwtjes waren geregen die aan de onderkant
van de vloerbedekking waren gehecht. Na sluiting van het luik werden de
touwtjes aangetrokken en aan kikkers op de vloerbalken onder spanning
vastgezet. Behalve in de kerk zaten er ook onderduikers op Laan 22, het huis
boven de hoofdingang van de kerk dat verhuurd was aan mevrouw Carolien
Nonnekens.
Op nr. 20 woonde het kosters echtpaar Wim en Nel Pleijsier. Toen ds.
Kleijn met gezin voor de aanleg van de Atlantic Wall uit hun huis in het
Belgisch Park waren gezet, zijn zij op nr. 24 ondergebracht, dat toen
toevallig leegstond. In de nacht van 8 op 9 december is het bij een razzia
toch misgegaan. Door verraad en het feit dat het luik per ongeluk niet
gesloten was, is die avond een groep onderduikers gepakt. Wim Pleijsier,
zijn broer organist Carel Pleijsier en ds. Kleijn met zijn zoons werden
meegenomen. De groep werd eerst in een school vastgehouden, vervolgens
overgebracht naar de gevangenis aan de Casuaristraat, waarna de groep na een
kort verblijf in het Oranjehotel zonder ds. Kleijn op transport naar
Duitsland werd gesteld. Door subtiel relatiewerk kwam ds. Kleijn op 8 maart
1945 vrij. De zoons van ds. Kleijn wisten tijdens het transport te
ontsnappen en wachtten op een ander onderduikadres het einde van de oorlog
af. De anderen vonden na de capitulatie hun weg terug naar huis, vaak na een
barre voettocht van dagen.
Ds. Kleijn heeft zelf niet daadwerkelijk aan illegaal of ondergronds werk
meegedaan. Wel vervulde hij voor velen die daar wel actief bij betrokken
waren een vertrouwensfunctie en kon hij velen met steun en advies bijstaan.
Met de voorzitter van de Coza, mr. Westerouen van Meeteren,
vertegenwoordigde hij de Remonstrantse Broederschap in het landelijk Convent
van Kerken. Hier deed hij het voorstel om de Nieuwe Kerk op de Dam voor alle
joodse landgenoten en vluchtelingen open te stellen. Priesters in habijt en
predikanten in toga zouden de ingangen bewaken. Het voorstel kreeg geen
kans. Het kostte Kleijn wel enkele maanden opsluiting in Scheveningen, in
het “Oranjehotel”.
Enige tijd geleden kreeg ds. Goud van mevrouw Thome-Gibbes een verzoek om
informatie over de Kerk aan de Laan tijdens de Duitse bezetting. Haar
moeder, Zilpa Meibergen, had van eind 1942 tot medio 1943 als vijftienjarig
meisje in de Kerk aan de Laan ondergedoken gezeten. Het verslag dat mevrouw
Thome-Gibbes heeft gemaakt van haar interview met Frits Meibergen, de broer
van Zilpa, geeft een beeld van deze periode. Enkele gedeelten hieruit staan
hiernaast. Mevrouw Thome-Gibbes heeft onlangs stappen ondernomen om voor Wim
en Nel Pleijsier en voor ds. Kleijn postuum de Hasidei Umot Olam
onderscheiding te krijgen. Bij het lezen van het moedige optreden van mensen
als de Pleijsiers en ds. Kleijn tijdens de bezetting, wanneer het gaat om
vragen van leven en dood, vroeg ik me af hoe ik zou optreden in dergelijke
omstandigheden. De dagen rond 4 en 5 mei geven daar in het bijzonder
aanleiding toe. Met diepe bewondering gedenk ik dan al die mensen die zich
toen voor anderen hebben durven inzetten.
P.L. Slis
▲ |
|
Uit het interview met Zilpa
Uit het interview dat de dochter van Zilpa, mevrouw Thome-Gibbes, hield
met de oudere broer van Zilpa. “Toen we in het pakhuisje in de Oog in ’t
Zeilstraat ondergedoken zaten was Zilpa ruim vijftien jaar oud. Ze was een
levendig meisje. In het begin ging het prima, maar na korte tijd begon Zilpa
zich te vervelen. Ze wou naar buiten. Men zocht voor haar dan ook een ander
onderduikadres. Een plek waar ze ook kon werken en haar overmaat aan energie
gebruiken. Vermoedelijk door juffrouw Jasperse, onze hoedenmodiste, een
bezoekster van de Remonstrantse Kerk, kwamen we in contact met de koster van
die kerk, een jonge man genaamd Wim Pleijsier. Hij heeft ons geholpen. Zilpa
had het er best naar haar zin. Het hele complex, dus kerk annex kostershuis
was groot. Ze heeft daar huishoudelijk werk verricht. Bijvoorbeeld:
koperwerk poetsen, de roedes van de traplopers poetsen, vloeren en meubels
boenen, kleden kloppen enz. Dat vond ze niet erg. Door het werk ging de tijd
sneller voorbij. En de vrouw van de koster was erg aardig. Zondags zat ze in
de kerk.
Zilpa was niet bijzonder handig. Ze was heel bedroefd toen er door haar
schuld een gat in een kostbaar tapijt was gekomen. Wim Pleijsier stelde haar
onmiddellijk gerust, hij zei “Och, huil toch niet kind, het tapijt is niet
van mij, maar van een onderduiker die onder de vloer van de kerk zit”. Onder
de vloer zaten meerdere Joden, en ook twee Duitse Wehrmachtdeserteurs. Vaak
waren er ook studenten uit Delft, jongens die in de ondergrondse zaten. Het
enige dat Zilpa ons vertelde was dat er in de kerk ook andere Joden
ondergedoken zaten. Zij bleven daar niet lang, na een tijdje gingen ze naar
een andere onderduikplek. Wel had ze het over de twee Duitse deserteurs. De
één heette Dieter. Hij was een magere bleke, verlegen jongen van begin
twintig. Hij was heel vroom in zijn christelijk geloof. Hij wou, uit
principiële overtuiging, niet in het leger dienen. De andere heette Jozef,
hij had vrouw en kinderen thuis. Ook Zilpa moest vaak in de kelder zitten
vanwege de regelmatige razzia’s. Ze zat daar soms met meer dan twintig
jongens. Op een keer was ze boven bezig met huishoudelijke klusjes. De
jongste deserteur, Dieter, zat een etage lager. Hij hoorde stemmen van
Duitsers beneden. Als de bliksem kwam hij naar boven. Zonder iets te zeggen
pakte hij Zilpa bij de arm en trok haar een kast in. Gelukkig gingen de
Duitsers snel weg. Die twee werden later geplaagd door de andere jongens. Op
een ochtend kwam Nederlandse politie met W.A. mannen op bezoek. Zilpa had
het niet in de gaten. Ze kwam met een boodschappenmand de trap af. “Oh, kijk
eens”, riep een van de mannen. “En wie ben jij?”, vroeg zijn collega. “Ik
ben hier het dienstmeisje”, antwoordde ze zonder te aarzelen, “en ik heb nu
niet veel tijd. Ik moet voor mevrouw boodschappen doen. Straks hebben ze
niets meer in de winkels”. Ze keek de mannen recht in het gezicht. “Goed”,
zei de commandant, “maar je zorgt ervoor dat je binnen één uur hier terug
bent! Heb je mij begrepen?” “Vanzelfsprekend”, zei Zilpa en ging weg. Ze
kwam niet meer terug, maar vluchtte naar de buurvrouw op nr. 22 die ook veel
onderduikers had.”
|
|
▲
Psalmen voor Pinksteren
In de remonstrantse belijdenis van 2006 wordt Pinksteren voorop gesteld.
Nog voor Jezus in die belijdenis zijn intrede doet, komt de Geest ter
sprake. Het is, zo lezen we, de Geest die mensen bezielt tot wat heilig is
en goed. Over de effecten daarvan wordt vervolgens gezegd, dat de mensen
‘zingend en zwijgend, biddend en handelend, God eren en dienen’. Het valt op
dat in die opsomming het zingen de eerste plaats krijgt. In de bijbel is het
vooral in de psalmen dat gezongen wordt. Eén van de psalmen begint zo: “Een
loflied voor de Heer, heel mijn leven, een psalm, tot het laatst, voor mijn
God.” Dat wekt een onverstoorbaar vrome indruk, alsof de psalmdichter,
ongehinderd door twijfels en bedenkingen en tot het einde toe, door zal
gaan. Is die indruk juist? Ik geloof het niet. Wat de dichter doet, kan heel
anders worden uitgelegd. Hij zingt, inderdaad, en hij neemt zich voor te
blijven zingen. Hij stelt dus geen objectieve feiten vast en spreekt geen
voorgegeven zekerheden uit. Hij bidt en zingt in de hoop dat God zelf in hem
gaat zingen. “Het is goed onze God te zingen”, staat in een psalm. Een rabbi
legde dat als volgt uit: “Het is goed als de mens het zover brengt dat God
in hem zingt.” Aan het begin van een dienst zingen we dikwijls: ‘Tot U Heer
is ons hart gericht, hier zijn wij, open voor Uw licht.’ Is dat een
constatering van feiten? Meestal niet. Hoe vaak staan we werkelijk open voor
Gods licht? We beloven eeuwige liefde – maar die eeuwigheid duurt soms
ontnuchterend kort. We willen geloven en hopen, maar lopen tegen blinde
muren aan en sluiten onze harten toe. Liederen als deze moeten herhaald
worden. Ze moeten telkens opnieuw, zondag na zondag, gezongen worden, om het
licht welkom te heten en de Eeuwige zingend toe te laten in onze tijd. Een
betere manier valt misschien wel niet te vinden. Toen David op de vlucht was
voor zijn belagers en zich verborgen hield, zong hij in het duister van de
spelonk het morgenrood wakker. “Mijn hart, God, weet ik gerust: zingen mag
ik, tokkelen de snaren en het morgenrood zing ik wakker”. Zo zingen wij onze
harten open voor Gods Geest.ds. Johan Goud
|
▲
|
|