Start Omhoog Nieuws Kerkdiensten Trouwen en dopen Sitemap
Actualiteiten

Toespraak
 

Overige informatie

Archief
Belijdenis 2006
Bibliotheek
Contactpagina
Diaconie
Intenties
Jongeren
Kenmerken
Liturgie
Nieuwsbrief
Pastoraal team
Tijdredes
Adres en route
Belangrijke links

 


 

Toespraak t.g.v. 10-jarig jubileum Uytenbogaertcentrum

Van Marjoleine de Vos
Marjoleine de Vos (1957) is dichter, neerlandica en redacteur van NRC-Handelsblad. Ze publiceerde o.a. de dichtbundels Zeehond graag (Amsterdam 2000) en Kat van sneeuw (Amsterdam 2003), en het essay Godsbeelden (Delft 2003). In Uytenbogaert-verband trad ze diverse malen op; bijdragen van haar hand verschenen in de Uytenbogaertpublikaties Een verbeelde God: Dertien literaire ontwerpen (Zoetermeer 2001) en Dichterlijke vereeuwigingen: Vijf dichters over tijd en eeuwigheid (Nijmegen 2002).

‘WAT ITHAKA’S BEDUIDEN’ (naar aanleiding van tien jaar Uytenbogaertcentrum, 3 april 2005)

Soms lijken er in de wereld wel vooral vragen te bestaan. Allerlei vragen. De grote bekende vragen als: waarom is er iets en niet veeleer niets? Heeft lijden een zin? Wat betekent van iemand houden? Is er een god? Maar ook miljoenen deelvragen: hoe moet ik bidden? Wat heeft kunst mij te zeggen? Wat staat er eigenlijk in dit ene gedicht? Is vergeving mogelijk? Wanneer is eerlijkheid mooi en wanneer is het bot? Kunnen we onszelf kennen? Nu ja, ik zal hier niet mee doorgaan want dan zitten we hier vanavond nog en u weet het zelf ook wel: er zijn ontzaglijk veel vragen. De meeste ervan zijn best te beantwoorden, maar nooit definitief. Ook dat weet u, want het Uytenbogaertcentrum specialiseert zich nu juist in zulke vragen, in vragen die men steeds opnieuw wil stellen en beantwoorden. Dat maakt die vragen niet zinloos, integendeel, ze behoren juist tot de meest zinvolle en ze komen dan ook niet voor niets steeds weer terug in de poëzie, de filosofie, in theologie en religie. De antwoorden bestaan vaak niet uit iets dat lijkt op een definitie. Tot de mooiste antwoorden horen overwegingen, beelden, nieuwe vragen en voorstellingen van hoe het zou kunnen zijn. De dichteres Christine D’haen schreef eens: ,, Alle mythologieën en alle religies zijn waar (al is de ene beter dan de andere). Het zijn gedachten en beelden: zo stelt de mens zich voor dat de antwoorden op zijn vragen zouden kunnen zijn. Als de Beelden verdwijnen, verdwijnen alle rijke zielsinhouden waaruit wij leven.” Zo is het. Op zoek naar de waarheid vind je de waarheid niet. Maar je vindt wel van alles: schoonheid, inzicht, verhalen, geschiedenis, voorstellingen, troost en troosteloosheid. Hoeveel armer zou ons leven zijn als we de Waarheid (de echte, met een hoofdletter) ineens meenden aan te treffen en er niet langer naar hoefden te zoeken! Al heeft Jezus dan gezegd dat hij de waarheid was, hij zei tegelijkertijd dat hij de weg en het leven was. Die drie dingen horen bij elkaar. Er is een weg af te leggen, nu eenmaal, we noemen het leven, en we zoeken de waarheid. Misschien is die waarheid van Jezus het feit dat hij een weg was of wilde zijn, de weg tot God, die al even onkenbaar is als de waarheid, of die de waarheid is, en dus onvindbaar. Er is niets mooiers dan dit zoeken en vragen. Dat weet het Uytenbogaertcentrum heel goed: dat er geen kist met goud staat aan het einde van de weg, dat de graal onvindbaar is, maar dat het zoeken precies is waar het om gaat. Als je de programma’s van het Uytenbogaertcentrum weer eens terugziet, een mogelijkheid die ons bij dit jubileum geboden wordt, dan zie je hoe ijverig en hoe precies er de afgelopen tien jaar gezocht is, hoeveel kronkelwegen er bewandeld zijn, hoe men zich steeds weer uitputte in het stellen van nieuwe onbeantwoordbare vragen en steeds weer ijverig kwam aandragen met mooie antwoorden in de vorm van filosofieën, dagboeken, gedichten, schilderijen, hemelse muziek of hersenkrakende theorieën. Je ziet, als je terugkijkt, dat het Uytenbogaertcentrum eigenlijk helemaal niets wíl vinden. Omdat het Uytenbogaertcentrum snapt dat daar niets aan zou zijn, als het al mogelijk zou zijn, wat niet zo is. Het mooie van deze reis is dat je wel vordert maar nooit aankomt. Of als je aankomt, ergens, is dat niet bij wat je je had voorgesteld.

De Griekse dichter Kaváfis heeft een beroemd gedicht geschreven dat deze houding, de reis die het leven is, heel goed laat zien. Het heet Ithaka, ik lees het u voor:

ITHAKA ( K.P. Kavafis-gedichten).

Als je de tocht aanvaardt naar Ithaka
wens dat de weg dan lang mag zijn,
vol avonturen, vol ervaringen.
De Kyklopen en de Laistrygonen,
de woedende Poseidon behoef je niet te vrezen,
hen zul je niet ontmoeten op je weg
wanneer je denken hoog blijft, en verfijnd
de emotie die je hart en lijf beroert.
De Kyklopen en de Laistrygonen,
de woeste Poseidon zul je niet treffen
als je ze niet in je eigen geest meedraagt,
je geest hun niet gestalte voor je geeft.

Wens dat de weg dan lang mag zijn.
Dat er veel zomermorgens zullen komen
waarop je, met grote vreugde en genot
zult binnenvaren in onbekende havens,
pleisteren in Phoenicische handelssteden
om daar aantrekkelijke dingen aan te schaffen
van parelmoer, koraal, barnsteen en ebbehout,
ook opwindende geurstoffen van alle soorten
opwindende geurstoffen zoveel je krijgen kunt;
dat je talrijke steden in Egypte aan zult doen
om veel, heel veel te leren van de wijzen.

Houd Ithaka wel altijd in gedachten.
Daar aan te komen is je doel.
Maar overhaast de reis in geen geval.
’t Is beter dat die vele jaren duurt,
zodat je oud zult zijn wanneer je bij het eiland
het anker uitwerpt, rijk aan wat je onderweg verwierf,
en niet verwachtend dat Ithaka je rijkdom schenken zal.
Ithaka gaf je de mooie reis.
Was het er niet, dan was je nooit vertrokken,
verder heeft het je niets te bieden meer.

En vind je het er wat pover,
Ithaka bedroog je niet.
Zo wijs geworden, met zoveel ervaring,
zul je al begrepen hebben wat Ithaka’s beduiden.

Er staan allemaal ware en juiste dingen in dit gedicht, bijvoorbeeld: ,,overhaast de reis in geen geval”. Dat spreekt: als de reis is afgelopen, is ook het leven min of meer afgelopen, reis en leven zijn één. Maar ook betekent het: kijk niet steeds naar het doel dat je wilt bereiken, let ook op de weg ernaartoe. Wat de reis oplevert is niet vooral dat hij ten einde komt, maar vooral dat hij een reis is. Wie kleine kinderen heeft, verlangt er soms naar dat ze groter zullen zijn, maar beter is het te genieten van dat ze klein zijn zolang het duurt. Zoals het ook onze opgave is om te genieten van onze jeugd als we jong zijn, en niet te denken: was ik maar oud genoeg voor een brommer; van onze middelbare leeftijd zonder te verlangen dat het pensioen met bijbehorend Zwitserlevengevoel aanbreekt; van de ouderdom zonder te hopen dat we op een ochtend dood wakker worden – elk moment kan de moeite waard zijn, maar je merkt het niet als je haast hebt, dan snel je overal aan voorbij. De reis biedt heerlijke geuren en kleurrijke steden, maar de reis biedt, hopelijk, want het gaat hier helemaal om een wens, ook veel wijsheid, op te doen in Egypte bij de wijzen. Die wensvorm is erg mooi aan dit gedicht – wens dat de reis lang mag zijn, dat er vele zomermorgens zullen zijn. Iedereen begrijpt dat het niet anders dan een wens kan zijn, niemand heeft nu eenmaal zelf helemaal voor het zeggen hoe zijn of haar leven zal verlopen. Je kunt ook zeggen: die wens doet er evenmin toe, het gaat toch zoals het gaat. Maar zo lijkt de dichter het niet te zien, hij spoort ons aan tot wensen en dus tot gretigheid, nieuwsgierigheid, ontvankelijkheid. Wie wenst dat hij ,,met grote vreugde en genot” Phoenicische havens zal binnenvaren, die heeft zin in de reis, zin in het leven, die zal in staat zijn zich open te stellen voor wat het ook maar is dat die Phoenicische havens te bieden hebben. Kaváfis gaat daar zelfs nogal ver in, hij beweert doodleuk dat je allerlei monsters - de Kyklopen en de Laistrygonen, beiden mensenetende reuzen - niet zult tegenkomen als je denken maar hoog blijft. Waarschijnlijk bedoelt hij daarmee dat sommige narigheid in de mens zelf zit, en niet van buiten komt, maar ja, we weten allemaal dat er niet alleen maar mooie morgens, rijkdommen en wijsheid op onze weg liggen. Dus of het werkelijk zo zal zijn dat we de woedende Poseidon niet op onze weg tegen zullen komen als ons voelen maar verfijnd blijft, dat weet ik nog niet zo zeker. Maar op de reis langs Egyptische wijzen en uitheemse geuren die het Uytenbogaertcentrum ons laat maken zullen we geen Kyklopen, Laistrygonen of een woedende Poseidon aantreffen. Hier worden leven en cultuur, vragen en de eeuwige beelden van waaruit wij leven, met hun rijke zielsinhouden voortdurend in leven gehouden en getoond.

Onlangs had ik een kort telefoongesprek met een vriendin die op reis ging naar Australië. Ze zag er tegenop, ze maakte zich zorgen over wat er met haar man en kinderen zou kunnen gebeuren en dat zij dan zo ver weg was, ze was een beetje bang voor wat haar te wachten stond. Allemaal heel gewoon en begrijpelijk en ik zei tegen haar: ,,Misschien moet je psalm 139 nog een keer lezen, dat helpt zo vaak, met die mooie regels:

Al verhief ik mij op de vleugels van de dageraad, al ging ik wonen voorbij de verste zee, ook daar zou uw hand mij leiden, zou uw rechterhand mij vasthouden.”

,,Ja”, zei ze, ,,je neemt inderdaad zoveel meer mee als je weggaat.” Dat was het hele gesprek en het was precies goed. En toen ik had opgehangen dacht ik aan de avond dat Willem Jan Otten hier, in de reeks Dichterlijke revelaties, over die psalm sprak, en hoe die psalm daarna voor altijd bij mij is gebleven, zoals goede gedichten voor altijd bij je blijven. Het gaat er niet om of je echt, letterlijk, gelooft dat er een instantie is die je altijd ziet en je troost en behoedt – het gaat om het beeld van zo’n instantie, zoals uitgedrukt in deze regels. Zoals het er niet toe doet of er ooit een Adam is geweest die alle dieren een naam gaf, maar wel dat alles een naam heeft, dat overal woorden voor zijn gevonden, sterker nog: dat door de woorden van alles in het leven wordt geroepen. Wie iets anders zegt, maakt het ook anders. Dat is ook één van de dingen die hier in al die jaren naar voren is gebracht, wat het woord kan en betekent, het woord met een kleine letter en het woord met een grote letter. Daar wordt hier nooit krampachtig verschil tussen gemaakt, de overgangen zijn vloeiend, de vragen horen tot elk gebied. Ik denk dat het velen van u vergaan is zoals het mij hier soms vergaan is, je bezoekt een avond en je maakt een reis vanwaar je ,,parelmoer, koraal, barnsteen en ebbenhout” meeneemt. Het is hier geen rijke en weelderige toestand, het gebouw ligt ver weg en ziet er simpel uit.

En vind je het er wat pover, Ithaka bedroog je niet. Zo wijs geworden, met zoveel ervaring, zul je al begrepen hebben wat Ithaka’s beduiden.

En ja, we hebben begrepen wat Ithaka’s betekenen. En we zeggen het de dichter na: het Uytenbogaertcentrum gaf je de mooie reis.

Artikel Johan Goud tgv 10-jarig bestaan Uytenbogaertcentrum

Een droevige lach om elk systeem.

Nu we het tienjarig bestaan van het Uytenbogaertcentrum vieren, wil ik deze rubriek graag een keer besteden aan dit belangrijke onderdeel van mijn werk. Een volledig overzicht over die tien jaar (onder de titel ‘Spiritualiteit en cultuur’) is op het bureau te verkrijgen. Op dit moment ben ik nog vol van het minisymposium van 13 maart. Het thema luidde: ‘De prijs en de waarde van vrijzinnigheid’.

Over de prijs werd indrukwekkend gesproken door de vrijzinnige moslim prof Aboe Zaïd – een kleine, bescheiden man, groot van geest. In het Egypte van de negentiger jaren werd hij vanwege zijn religieuze inzichten gerechtelijk vervolgd. Die lijdensweg eindigde als volgt: “In hoger beroep werd Abu-Zayd gescheiden van zijn vrouw. Als overweging werd onder andere genoemd, dat Abu-Zayd het bestaan van engelen en duivels, waarnaar in de Koran expliciet wordt verwezen, loochende. Ook had hij bepaalde Koran-voorstellingen van hemel en hel als mythisch bestempeld en de tekst van de heilige Koran als menselijk beschreven en mensen ertoe opgeroepen om hun verstand te gebruiken en zo de begrippen die uit een letterlijke lezing van de Koran waren ontsproten, te vervangen door moderne, meer menselijke en progressieve begrippen. Deze uitspraak in hoger beroep werd enige maanden daarna door het Hooggerechtshof bevestigd. De scheiding werd voltrokken. Abu-Zayd en zijn vrouw moesten hun land verlaten, en daarmee hun studenten en collega’s. Dat was de prijs die betaald moest worden.” (geciteerd uit de door symposium-voorzitter H.J.Adriaanse vertaalde en samenge-vatte toespraak van Aboe Zaïd). In 2002 werd hem de Freedom of Worship Award toegekend.

Rabbijn Soetendorp memoreerde ook kort de prijs die hij in joodse kring soms voor zijn liberale, matigende inbreng moet betalen. Maar in zijn voordracht kwam vooral de grote waarde van liberaliteit en vrijzinnigheid naar voren. Hij onderstreepte het belang van dialoog tussen de wereldgodsdiensten – op dit moment bovenal die tussen jodendom en islam – en de noodzaak om gezamenlijk lessen voor de toekomst te trekken: een eind te maken aan de wereldwijde armoede, een fatsoenlijke wereld te creëren en het behoud van de aarde te dienen. Samen met anderen ontwierp hij het ‘Earth Charter’; binnenkort zullen hij en een vooraanstaande moslim een internationale Vredesprijs ontvangen.

Het spreekt vanzelf dat mijn eigen inbreng, die van die van een vrijzinnig christen in het liberale Nederland, bescheiden moest blijven. Ik haal hier aan hoe ik mijn ‘karakteristiek van vrijzinnig christendom’ begon: “Bladerend door de lekedichtjes van de remonstrantse dichter De Genestet stuitte ik op een gedicht dat hij in zijn laatste levensjaar schreef. Het kritiseert de vrijzinnige zekerheid van een hooggeleerde beschouwing: ‘Mensenvrijheid, Godsbestuur, / De orde en de wijsheid der natuur, / Goed en kwaad, het doel van ’t leven… / Hij zette alles wonderbaar / Uit elkaar en in elkaar.’ Het slot van dat gedicht gaat als volgt: ‘En ik dacht, wie ’t kwalijk neem’: / Wijsheid moog ten hemel streven, - / ’t Schijnt me, of ’t raadselvolle leven / Droevig lacht met elk systeem!” Die slotregels troffen me en brachten me tot deze relativerende opmerking vooraf. Er is een tegenstelling die fundamenteler is dan die tussen orthodox en vrijzinnig. Die fundamentelere tegenstelling duidt De Genestet hier aan met de woorden: ‘ ’t Schijnt me, of ’t raadselvolle leven / Droevig lacht met elk systeem.’ Het is de tegenstelling tussen zekerheid – van orthodoxe of van vrijzinnige makelij, dat maakt niet uit – en echte openheid, tussen de globale visie en de zorg voor de andere mens, tussen het systeem en het raadselvolle leven. Die droevige lach van het raadselvolle leven wil ik hier vooropstellen.

ds Johan Goud

 

 
De website is het laatst bijgewerkt op 06 februari 2010                                                                                         http://www.uytenbogaert.nl   
Ontwerp: www.raymondfokkens.nl