Oorlog past een christen niet

door Willem Bouwman

23 augustus 2003

De zondeval van het christendom door G.J. Heering

In 1928 verscheen De zondeval van het christendom, waarin de auteur warme woorden wijdde aan dienstweigering en de afschaffing van de dienstplicht. Op zedelijke gronden verkoos hij ontwapening boven bewapening. Hij meende dat het christendom al zestien eeuwen dwaalde door de oorlog te aanvaarden: de zondeval van het christendom.

De auteur was Gerrit Jan Heering, remonstrants theoloog en sinds 1917 hoogleraar aan het Remonstrants Seminarium in Leiden. Hij was een erudiet mens, een studeerkamergeleerde met een verfijnde stijl van schrijven, cum laude gepromoveerd op Onderzoek naar het wezen van het zedelijk oordeel (1906). Heering was een man van de gewijde stilte. Graag wandelde hij alleen in de natuur om Gods aanwezigheid te ervaren. Soms zag men hem wandelen met vier anderen, collega-hoogleraren van de Leidse universiteit, met wie hij een wandelclubje vormde die ze 'de Beentjes' noemden. Een van 'de Beentjes' was de historicus Johan Huizinga.
Heering hield van vormen en manieren. Zijn goede vriend ds. J.J. Buskes noemde hem een 'aristocraat van de geest', die graag een zekere afstand schiep en die zich door Buskes nimmer tutoyeren liet. Een grotere kloof tussen een schrijver en zijn boek was nauwelijks denkbaar, want De zondeval van het christendom was een radicaal, geruchtmakend en aanstootgevend boek, dat van hoog tot laag gelezen werd, van de collega-theologen tot de landarbeider op Texel die het avonden lang bestudeerde, en een Amsterdamse communistengroep die een winter lang hetzelfde deed. Om zover te komen had Heering een lange weg bewandeld.


Innige herinneringen
Gerrit Jan Heering werd geboren op 15 maart 1879 in Pasuruan, de een na jongste in het gezin van ds. Pieter Heering, dominee van de Protestantse Kerk in Nederlands-Indië. Na terugkeer in Nederland werd vader Heering remonstrants predikant te Meppel en Den Haag, waar hij vermaard was om zijn prediking. Gerrit Jan Heering schreef in 1954 een autobiografisch werkje, Hoe ik tot mijn geloof kwam, een warm, vroom en welgeschreven geschrift, met innige herinneringen aan zijn ouders. "Mijn vader, predikant in Den Haag, was een ernstig man, die zich wist in hoger dienst, streng voor zichzelf en streng voor anderen, een strengheid, getemperd door humor en een gevoelig besef voor schoonheid – in natuur, in muziek en letteren. En mijn moeder was een buitengewoon warme ziel, die niet anders kon dan de mensen liefhebben."
Heering koesterde z'n leven lang eerbied voor zijn vader, zonder hem in alles te volgen. Vader Heering was een oud-modernist, een aanhanger van de moderne theologie uit de negentiende eeuw, die de Bijbel vertolkte volgens de jongste inzichten van de wetenschap. Het mensbeeld was optimistisch. Door kritisch en redelijk te denken zou de mens zich aan domheid en duisternis ontworstelen en een schone tegemoet gaan. Zonde, schuld en verzoening waren begrippen uit een tijd die reeds lang verstreken was. 
Rond 1900 kwam het oud-modernisme in de crisis. Het redelijke denken bleek minder betrouwbaar dan haar verkondigers hadden betoogd. Op allerlei levensgebieden kwamen oude zekerheden ten val. De kwantummechanica van Max Planck en de relativiteitstheorie van Einstein stelden de natuurkunde van Newton ter discussie. De Traumdeutung van Sigmund Freud liet zien welke irrationele krachten de menselijke ziel beheersten. In de filosofie stelde Henry Bergson de intuïtie tegenover de rede. Ook in Nederland maakten optimisme en zelfvertrouwen plaats voor teleurstelling en onzekerheid, zeker in de betere standen, waar het oud-modernisme een willig oor gevonden had. Men was geschokt door de komst van het kabinet-Kuyper in 1901 en de spoorwegstaking van 1903, die het land aan de rand van de revolutie bracht. De liberale redelijkheid leek verjaagd door calvinisme en socialisme.
De kentering der tijden tekende zich af in het leven van Gerrit Jan Heering. Hij was een gevoelig mens met een grote levensernst, die zich als gymnasiast onwaardig vond om dominee te zijn. Zijn geloof was doorleefd en op een vrijzinnige manier bevindelijk, de vrucht van een vrome huisgodsdienst. "Elke morgen las mijn vader voor uit de bijbel of uit een godsdienstig dagboek, aan tafel bogen de hoofden zich in gebed, eerst uitgesproken, later zwijgend, en nooit gingen we slapen, voordat wij aan moeders schouder gebeden hadden, (…): woorden van dankbaarheid en overgave en een bede om reiniging."
Zulk doorleefd geloof schuurde langs het harde rationalisme dat hem als student te Leiden onderwezen werd door de hegeliaan G.J.P.J. Bolland, destijds de grootste filosoof van Nederland. Volgens Bolland was godsdienst slechts een 'gevoelvolle voorstelling' van wat door de rede gekend en begrepen werd. Heering voelde zich beter thuis bij P.D. Chantepie de la Saussaye, die godsdienstwijsbegeerte en ethiek doceerde. Bij zijn ambtsaanvaarding in 1899 waarschuwde Chantepie tegen overschatting van de wetenschap. "Wij behoren tot een geslacht, dat van de waan der wetenschap grotendeels teruggekomen zich weer tot de godsdienst wendt." Wetenschappelijke twijfel diende plaats te maken voor goddelijke openbaring, en Heering beaamde dat.

Sombere kijk
Dit inzicht vond steeds meer weerklank onder de oud-modernen. Vooral de jongeren onder hen lieten zich liever leiden door 'de behoeften des harten' dan door het verstand. Ze vonden de ouderen rationalistisch en intellectualistisch, met een antwoord op alle vragen, maar gespeend van doorleefd geloof. De jongeren ontdekten dat de wereld onder de doem van het kwaad en de zonde lag en hadden een sombere kijk op de toekomst. Oude woorden als verlossing en verzoening kregen een nieuwe glans. Minachtend spraken de ouderen van 'malcontenten', want ze vonden de jongeren vaag en tegenstrijdig; ze begrepen niet wat hen bezielde. De oudtestamenticus B.D. Eerdmans, een van de malcontenten, wist dat wel: "Men wilde koren, melk en honing in plaats van (…) het manna der moderne theologie. En men voelde, half onbewust misschien, dat deze theologie voorbijging aan waar de ziel naar kreet.'
De spanning tussen malcontenten en oud-modernen bereikte een hoogtepunt met een brochure van G.J. Heering, Zonde en schuld naar christelijk besef uit 1912. Heering, inmiddels gepromoveerd bij Chantepie de la Saussaye en predikant te Dordrecht, omschreef de zonde als "onze aangeboren verwerpelijkheid", tot ergernis van de oud-modernen, die de aangeboren slechtheid van de mens verwierpen. Zij snoven bij Heering de geur van zondeval en erfzonde.
Heering verantwoordde zich op de Vergadering van Moderne Theologen in 1913, met een rede over de plaats van de zonde in de vrijzinnige dogmatiek. Tegenover de zonde stelde hij niet de deugd, zoals de oud-modernen deden, maar de genade. Hij verwierp de oud-moderne gedachte dat geloofswaarheden wetenschappelijk gerechtvaardigd moesten worden en hij bedacht nieuwe namen voor malcontenten en oud-modernen: rechts-modernen en links-modernen, waarmee beide partijen gelijkwaardig bevonden werden. Spoedig kregen de rechts-modernen de overhand, dankzij G.J. Heering en K.H. Roessingh. Zonde, genade en Gods openbaring in Christus waren hun kernbegrippen.
Orthodox waren ze niet. Heering verwierp de reformatorische verzoeningsleer, omdat de vergeving der zonden de mens passief en zorgeloos zou maken. Wel vond hij dat de mens verdorven is en verzoening nodig heeft, en dat het Evangelie vergiffenis belooft aan wie berouw toont. Het kruis van Christus noemde hij 'een groot en diep mysterie'. "Daarom hebben wij er altijd over nagedacht, maar er zelden over gesproken (…)."
Toch was Christus meer dan een historische figuur of een bijzonder mens. Hij bood verlossing van het kwaad en wie niet met Hem rekende, riep Gods oordeel over zich. Daarbij dacht Heering vooral aan de moderne oorlog, 'het moderne Rijk van de Antichrist'. "De wereld ongehinderd afglijdend naar dit Rijk, naar die hel van zonde en leed, waarlijk het schijnt zoo", schreef hij in de inleiding van De zondeval van het christendom (derde druk, 1933). Hij zag nog hoop: "Christus lééft, God zij dank, Hij lééft. En dáárom zal de wereld niet ongehinderd vermilitariseerd worden.

Het podium op
Heerings zicht op de donkere kanten van het mensdom werd verscherpt door de Eerste Wereldoorlog. Volgens zijn vriend en opvolger G.J. Sirks ervoer hij de oorlog "als de groteske en jammerlijke manifestatie van haast alle kwaad, waartoe mens en volkeren in staat zijn". Verontwaardiging over het krijgsgeweld dreef hem na lang aarzelen de studeerkamer uit, het podium op, om de afzijdigheid van de kerk te hekelen. Heering vond oorlog een aantasting en miskenning van alle heilige waarden en een 'volledige verloochening van de heilige Waarheid'. Vermaard werd zijn rede op de algemene vergadering van de Remonstrantse Broederschap: 'Het sociale element in onze godsdienstprediking', later uitgegeven als De kerk als maatschappelijk geweten (1922). Het was een oproep aan de kerk om zich op te werpen als maatschappelijk geweten, het begin van een nimmer verstomde discussie over politieke prediking.
Heering werd fel bekritiseerd maar gaf geen voet. "De schuwheid der vrijzinnig godsdienstigen heeft nu lang genoeg geduurd, tot schade van godsdienst en samenleving beide. Wij moeten zedelijke volkspolitiek bedrijven." Met zijn Leidse collega's en geestverwanten K.H. Roessingh en H.T. de Graaf stond hij aan de wieg van het 'Genootschap voor zedelijke volkspolitiek' (1922), bedoeld om de politieke lauwheid van de vrijzinnigen te doorbreken. Hij was een van de oprichters van de vereniging 'Kerk en Vrede' (1924), een groep christenen tegen oorlog en bewapening. Van 1924 tot 1935 was hij voorzitter van Kerk en Vrede en commentator van het verenigingsblad Militia Christi.
Om alle vragen omtrent het christen-pacifisme te beantwoorden, schreef Heering in 1928 De zondeval van het christendom. Met die zondeval bedoelde hij de keuze van de oude kerk voor het krijgsbedrijf van de christelijke keizer Constantijn (ca 280-337).Voorheen hadden christenen de oorlog verworpen, sinds Constantijn aanvaardden ze de oorlog en juichten ze hem zelfs toe. "Nà dien zondeval hebben wij dan ook met een op dit punt ontaard Christendom te maken, dat telkens en telkens gedwongen wordt zijn ontaarding te toonen."
Volgens Heering zei het Nieuwe Testament 'nee' tegen de oorlog en hadden Luther en Calvijn de Bijbel hierin misverstaan. Teksten uit het Oude Testament zeiden hem minder, omdat hij een opgaande lijn in de Bijbel zag – "een voortgaande en steeds vollere openbaring van Gods wezen en bedoeling" -, waardoor de visie van het Nieuwe Testament de doorslag gaf. Heering was ervan overtuigd dat het Nieuwe Testament de oorlog afwees. Daarom was ontwapening vereist en de dienstplicht laakbaar.
Heerings boek bracht veel teweeg en wekte fel verzet. In de tweede druk van De zondeval gaf Heering een uitvoerig antwoord aan de bestrijders, onder wie de Kamper theoloog S. Greijdanus, die protesteerde tegen Heerings visie op het Oude Testament. B.D. Eerdmans, oudtestamenticus in Leiden, vond de titel verkeerd, omdat christenen reeds voor Constantijn zich tooiden met het wapenkleed. Heering liet zich door niemand overtuigen en signaleerde met vreugde hoe zijn boek twijfel had gezaaid, tot in het weekblad de Reformatie toe. Daar schreef ds. G. Brillenburg Wurth dat er misschien geen verzoening tussen christendom en oorlog meer mogelijk was, gezien de gruwelen van de Eerste Wereldoorlog.
De zondeval van het christendom werd vier maal herdrukt, in 1929, 1933, 1953 en 1981, en vertaald in het Frans, Engels, Deens en Duits. Het werd de bijbel van het christen-pacifisme, maar kon niet voorkomen dat Europa zich weldra in een nieuwe wereldoorlog stortte. Heering zal het aankomen en bleef geestelijk overeind, omdat hij Gods Rijk bleef verwachten. "Geen mensenmachten en geen duistere krachten kunnen die komst tegenhouden", schreef hij vlak voor zijn sterven op 18 augustus 1955, de dag van zijn gouden huwelijksjubileum.

(Bovenstaande bijdrage verscheen in het Nederlands Dagblad in de rubriek Boekomslag, een serie over betekenisvolle geschriften in de geschiedenis van het Nederlandse protestantisme)
 


naar boven
naar overzicht 'Pers'


voor het laatst bijgewerkt: 28/03/2004