![]() |
|||||||||
|
|
|||||||||
Prettig leesbaar boek over de Remonstrantse Broederschapdoor Niels van Driel16 juni 2006 'Rome bouwt zijn kerkpaleizen en allerlei gestichten in grooten getale, als met onbeperkte middelen; de Christelijk Gereformeerden brengen tonnen gouds bijeen tot oprichting en onderhoud van kerken, pastorieën en tractementen; de Doleerenden doen in den jongsten tijd voor hen niet onder. Zullen wij tegenover dezen van onze onmacht doen blijken?' Zo roepen de remonstranten elkaar aan het einde van de negentiende eeuw op tot offerbereidheid. Ook hun Remonstrantse Broederschap is in die tijd een bloeiend gezelschap. Over de geschiedenis tussen 1850 en 1940 schreef de Rotterdamse predikant Tj.R. Barnard een fraai proefschrift vanuit het perspectief van het zelfbeeld van de remonstranten. Rond 1850 is het theologisch klimaat in de Broederschap gestempeld door de Groninger richting. De Groningers houden er een theologie op na die nogal eens wordt gekenschetst als gematigd orthodox, een typering die zij slechts danken aan de radicaliteit van de moderne theologie. Ook daar waar de Groningers oude theologische begrippen gebruiken, functioneren deze anders. Naast de hoofdstroom is er in de Broederschap ruimte voor enerzijds Réveilaanhangers en anderzijds vrijzinnige theologen. Barnard stelt dat het kerkelijk zelfbeeld van de Broederschap zich in deze tijd kenmerkt door een 'ballingschapsecclesiologie'. De remonstranten voelen zich hervormden in ballingschap. Zij noemen zich om die reden nadrukkelijk 'remonstrants-gereformeerd'. Zij menen dat het wenselijk is terug te keren naar de Nederlandse Hervormde Kerk, zodra zij daar welkom zijn. Beleidsmatig komt deze wens tot uiting in het zo mogelijk in stand houden van de bestaande gemeenten, maar af te zien van pogingen tot uitbreiding. Aanvaardbaar
Antidogmatisch
Vanaf de jaren zeventig verandert ook het zelfbeeld van de Broederschap sterk. Het gevoel komt op dat, nu de positie van het modernisme in de Hervormde Kerk precair is geworden, de Broederschap alsnog een belangrijke taak heeft: de opvang van vrijzinnig-hervormden. De theologische ommezwaai rechtvaardigt uiteindelijk het voortbestaan. Succes blijft niet uit. Telt de Broederschap in 1850 nog maar 3.000 leden, vijftig jaar later zijn het er 12.000. Nieuwe 'tempels voor den godsdienst' verrijzen. Omdat vooral de hogere sociale groepen overstappen, verandert de sociale samenstelling. Tal van gemeenten houden er niet eens een diaconie op na. Armen zijn er zo goed als niet. Het ontbreken van ondersteuning vormt tegelijk een belemmering voor de aansluiting van mensen in minder goede doen. Opvallend is ook dat op een gegeven moment meer dan de helft van het aantal voorgangers van hervormde herkomst is. Er komt een tijdschrift dat de vele nieuwe leden inzicht wil geven in de geschiedenis en het wezen van de Broederschap. De grenzen van de tolerantie komen in zicht zodra er sprake lijkt te zijn van orthodoxie. In dit verband merk ik op dat in dit boek het gebruik van voet- in plaats van eindnoten de voorkeur zou hebben verdiend. Pas uit een eindnoot die een paar honderd bladzijden verderop staat blijkt duidelijk dat Barnard vindt dat dr. A.H. Haentjens niet orthodox was geworden, zoals het bestuur van de Haarlemse gemeente hem verweet. De Remonstrantse Broederschap is in de laatste decennia van de negentiende eeuw een vrijzinnig partijgenootschap geworden dat beslist geen kerk wilde zijn. Barnard typeert de ecclesiologie in deze periode als zeer laag. Naar mijn indruk is het remonstrantse zelfbeeld in deze decennia met de term 'ecclesiologie' zelfs al te hoog gekwalificeerd. Ruischen
De Broederschap beschouwt zich niet meer als een geloofsgemeenschap van godsdienstige zoekers die met elkaar een verband stichten, maar als een gemeenschap van door God bij elkaar geroepenen, die Gods eeuwige waarheid krijgt verkondigd en zelf verkondigt. Her en der wordt de viering van het avondmaal weer ingevoerd. Nieuwe vergaderruimten hebben een nadrukkelijk kerkelijke uitstraling. De ontwikkelingen lopen in 1939 uit op het besluit om weer te gaan spreken van kerkenraad in plaats van bestuur en het jaar daarop in de formulering van een geloofsbelijdenis. De Broederschap wil een vrije kerk zijn: wel een belijdende kerk, maar niet gebonden aan een belijdenis. Barnard heeft de geschiedschrijving van het Nederlandse protestantisme verrijkt met zijn goeddeels prettig leesbare boek, dat het overigens heel goed met wat minder citaten had kunnen doen. Ook al is de Broederschap getalsmatig inmiddels een randverschijnsel geworden, nog altijd is dit kerkverband wat het wil zijn: een 'randstaatje' tussen cultuur en christendom. Van 'verstoten kind' tot belijdende kerk. De Remonstrantse Broederschap tussen 1850 en 1940 Tj.R. Barnard. Uitg. De Bataafsche Leeuw, Amsterdam 2006. 512 blz.
E 29,00
|
|||||||||
|
|
|||||||||
| naar boven | |||||||||
| naar overzicht 'Pers' | |||||||||
|
voor het laatst bijgewerkt: 19/06/2006 |
|||||||||