Ouderlingenblad, september 2007, nummer 974

Dit is een eerste artikel in een reeks portretten van andere, kleinere kerken naast de PKN
De Remonstrantse Broederschap is een klein, typisch Nederlands, vrijzinnig protestants kerkgenootschap. Het kerkgenootschap heeft tegenwoordig een heel andere uitstraling, dan iemand op grond van de Dordtse leerregels (1619), onderdeel van het belijden van de Protestantse Kerk in Nederland, zou verwachten.
 

De Remonstrantse Broederschap

Uitgesproken vrijzinnig en ondogmatisch Het huidige kerkgenootschap is uitgesproken vrijzinnig en ondogmatisch. Leden stemmen bij hun toetreding slechts in met een beginselverklaring: De Remonstrantse Broederschap is een geloofsgemeenschap die, geworteld in het evangelie van Jezus Christus en getrouw aan haar beginsel van vrijheid en verdraagzaamheid, God wil eren en dienen. Nadrukkelijk wordt aanstaande remonstranten niet gevraagd om ondertekening van of instemming met een uitgebreidere geloofsbelijdenis, maar om zelf te verwoorden waar zij in geloven.
   
Huidige Broederschap
De Remonstrantse Broederschap is het tweede kerkgenootschap in Nederland dat vrouwen toeliet tot het predikantschap. Dat gebeurde in 1915, kort na de Doopsgezinden. Het heeft overigens wel decennia geduurd, voordat vrouwen in de praktijk met gelijke rechten hun ambt konden bekleden. Vanaf de oprichting in 1948 werd de Broederschap lid van de Wereldraad van Kerken, hoewel zij diens basisformule onbijbels en te dogmatisch vond. Met haar kerkorde van 1989 is de Broederschap het eerste kerkgenootschap dat onomwonden uitspreekt dat de inzegening van niet huwelijkse levensverbintenissen (tegenwoordig het homohuwelijk) op volstrekt gelijkwaardige manier met het huwelijk kan plaatsvinden.
Net als voor andere kerken kost het moeite om jongeren te binden aan de Broederschap. De kerk is redelijk vergrijsd. Maar opvallend is wel dat er sinds enige jaren een speciale jongerengemeente is, Arminius. Jongeren tussen de 18 en 35 kunnen lid worden van deze gemeente, die dezelfde rechten heeft als de andere 44 gemeenten. De jongerengemeente komt jaarlijks een aantal malen samen op het Conferentiecentrum de Hoorneboeg. Verder zijn er, op verschillende plaatsen, gesprekskringen.
   
Geloof en wetenschap stonden niet tegenover
elkaar
Geschiedenis vanaf 1850
Tot de tweede helft van de negentiende eeuw is de Broederschap gematigd orthodox. Maar onder invloed van de nieuwe bijbelwetenschappen en de opkomende natuurwetenschap koos zij tussen 1870 en 1880 een nieuwe koers. Theologisch ging zij mee met het modernisme, een stroming die nadruk legde op de menselijke ontstaansgeschiedenis van de bijbel, de autonomie van de mens (ook in geloofszaken) en de nadruk op het menselijke in de godsdienst. Dit betekende ook dat men de bijbelse wonderverhalen minder waarschijnlijk achtte. God was eerder kenbaar in de natuurwetten dan in het omzeilen daarvan door bovennatuurlijk optreden. Niet Christus stond centraal, maar de mens Jezus van Nazareth die een ethisch leermeester was. Geloof en wetenschap stonden niet tegenover elkaar, maar in zekere zin kon de wetenschap het geloof helpen. Een voorbeeld daarvan was de eerste leerstoel (1877) vergelijkende godsdienstwetenschap in Nederland, bezet door de remonstrantse theoloog C.P. Tiele (1830-1902): door het bestuderen van verschillende godsdiensten kwam je dichter bij de essentie.
Dit theologische modernisme (of vrijzinnigheid) had ook een belangrijke rol in de Hervormde Kerk. Doordat kerkenraden daar vanaf 1867 gekozen werden door lidmaten en niet meer alleen door notabelen, werd deze kerk orthodoxer. Voor vrijzinnigen, predikanten en gemeenteleden, was er minder plaats. Zij vonden vaak een ander geestelijk tehuis in de Remonstrantse Broederschap, die daardoor enorm groeide: van 3000 leden in 1850 tot 12000 in 1900. Deze toestroom leidde tot grote veranderingen. Rond 1890 was meer dan de helft van de predikanten van niet-remonstrantse opleiding! Ook de sociale gelaagdheid veranderde.
Doordat armere gemeenteleden niet konden overstappen – zij riskeerden daarmee diaconale steun mis te lopen – steeg het gemiddeld sociale niveau van remonstranten. De volksmond sprak al snel van een 'bontjassenkerk'.
Samen met de nadruk op eigen verantwoordelijkheid in het geloof en de 'verplichting' om zelf een belijdenis te schrijven bij toetreding, versterkte dit het beeld van een elitair kerkgenootschap. Ook al heeft de Broederschap dit nooit gezocht, bij de laatste volkstelling in 1970 bleek dat de Remonstrantse Broederschap van de kerken het grootste percentage gestudeerden onder haar leden had.
 
Arminius
Arminius
Beginperiode
Het is de zestiende eeuw. In de Noordelijke Nederlanden was het protestantisme enigszins verdeeld. Er waren rekkelijken en preciezen. De rekkelijken verhielden zich iets losser tot de toenmalige belijdenisgeschriften (Nederlandse Geloofsbelijdenis en Heidelberger Catechismus) dan de preciezen. Van de rekkelijken raakte Jacobus Arminius (1560?-1609) aan de Leidse theologische faculteit in discussie met zijn collega Franciscus Gomarus (1563-1641). Onderwerp: de leer van de predestinatie. Terwijl Gomarus voor de verkiezing tot de zaligheid alles God toerekende, hield Arminius rekening met een (zeer bescheiden) inbreng van de mens. Zoals de bedelaar op zijn minst zijn hand moet openen om een aalmoes te ontvangen, zo moet ook de mens zich openstellen voor Gods genade. Op de Synode van Dordrecht (1618-1619) werden de leerlingen van Arminius, die in 1610 middels een Remonstrantie hier ruimte voor vroegen, veroordeeld. De synode stelde een nieuw belijdenisgeschrift vast: de Dordtse leerregels of de Vijf Artikelen tegen de Remonstranten. Door de Staten werden de remonstranten verbannen uit de Republiek. In september 1619 richtten zij in Antwerpen, in ballingschap, hun Broederschap van Remonstranten op.
Deze naam, Remonstrantse Broederschap, bleef ook later gehandhaafd omdat het iets laat zien van het noodverband dat dit kerkgenootschap is. Nog lang betoogde men dat hun plaats was binnen de grote protestantse kerk van ons land en hoopte men op 'reparatie van grieven'. Vanaf ongeveer 1625 konden de remonstrantse predikanten weer terugkeren. In de jaren daarvoor hadden zij al heimelijk hun gemeenten in de Noordelijke Nederlanden bediend. Het zou tot 1795 duren tot de Remonstrantse Broederschap openlijk mocht bestaan. Tot die tijd werden de remonstrantse kerken als schuilkerken gebouwd, zoals de 'Rode Hoed' in Amsterdam. Er was een gedoogbeleid: iedereen wist waar remonstranten 'kerkten', als de overheid het echter niet hoefde te weten, was er geen probleem. Vandaar dat de kerken vanaf de straat niet herkenbaar waren.
 
De vrijheid
en autonomie werd een te groot goed geacht...
Zelfstandig voortbestaan
1993 besloot de Algemene Vergadering (=synode) van de Remonstrantse Broederschap het waarnemerschap bij het Samen-op-Weg-proces te beëindigen. Reden was vooral dat ook in de nieuwe kerkorde van de zich verenigende kerken de Artikelen tegen de Remonstranten werden opgenomen.
Natuurlijk speelde ook mee dat de ontwikkeling van de Remonstranten anders was gelopen dan die van de grotere zusterkerken. De vrijheid en autonomie van remonstranten werd een te groot goed geacht om op te offeren aan een – naar het oog van vele vrijzinnigen – te strak, dogmatisch keurslijf.
 
Nieuwe belijdenis
Nadat men zich in 1619 de maat genomen voelde, is er binnen de Remonstrantse Broederschap altijd ambivalentie geweest over vaste belijdenissen. Om aan buitenstaanders te verduidelijken waar remonstranten voor stonden, is in 1621 door S. Episcopius (1583-1643) een belijdenis opgesteld.
Zo kon iedereen lezen dat zij niet die ketters waren, waarvoor ze werden gehouden. Toen al werd daartegen geprotesteerd. Deze belijdenis zou formeel tot 1861 blijven gelden. In 1861 stelde de Algemene Vergadering voor het eerst een beginselverklaring op. In de jaren 1879 en 1928 volgden nieuwe formuleringen. De huidige beginselverklaring is in 1999 vastgesteld.
Ook al vonden remonstrantse theologen soms dat de in 1621 vastgestelde belijdenis onverenigbaar was met hun vrijheid en ondogmatische houding, toch ontstond er behoefte aan een gezamenlijke uitdrukking van het geloof. Daarom werd in 1940 een tweede belijdenis vastgesteld. Maar deze belijdenis raakte later in de vergetelheid.
In de jaren negentig kwam de behoefte op aan een nieuwe belijdenis. Door het Convent van remonstrantse predikanten in 2006 aangeboden aan de Algemene Vergadering is die toen als belijdenis van de Broederschap aanvaard. (De tekst van deze belijdenis vindt u hier.)
Vanzelfsprekend ging dat weer gepaard met de constatering dat geen remonstrant hieraan is gebonden. Zij wil niet meer zijn dan, zoals het in 1621 al werd geformuleerd, 'een staf om mee te gaan' en zeker geen 'stok om mee te slaan'. Kenmerkend voor de belijdenis is het antropologisch begin, dat wil uitspreken dat het geloof opkomt uit de mens en niet rechtstreeks van Boven.
 
Tjaard Barnard

(Dr. T.R. Barnard is predikant bij de Remonstrantse Gemeente Rotterdam. In 2006 promoveerde hij op een proefschrift over de geschiedenis van de Remonstrantse Broederschap in de periode 1850-1940.)
 
Inzicht
Een andere manier om inzicht te krijgen in waar remonstranten voor staan is een preekverzameling die recentelijk op de website van de Remonstrantse Broederschap is opgenomen. Bij het afscheid van de Algemeen Secretaris heeft een vijftigtal predikanten een korte preek ingestuurd. Deze collectie is hier te vinden.

 
 
Terug naar Dossier Remonstranten in de pers
 
naar boven


voor het laatst bijgewerk 27/09/2007