Maart 2006 - pagina's 5 en 6

Een zakelijke dominee met voorliefde voor traditionele vormen

Tjaard Barnard is al zeven jaar lid van het bestuur. Thans is hij secretaris/penningmeester. Hij is predikant binnen de Remonstrantse Broederschap en vertelt over wat hem boeit in het werk van de B.N.P.

Achtergrond
Komend vanuit een remonstrants gezin ben ik in 1987 theologie gaan studeren in Leiden. Het werd deze universiteit omdat daar de remonstrantse predikantenopleiding is gevestigd. Eerlijk gezegd heb ik lange tijd getwijfeld over de studiekeuze. Moest het nu theologie of rechten worden? De belangstelling voor beide zaken is gebleven. In 1994 ben ik afgestudeerd met een hoofdvak vaderlandse kerkgeschiedenis, een onderzoek naar de kerkrechtelijke aspecten van de kwestie-Geelkerken. Veel mensen vonden het maar een rare keuze voor een remonstrant zo’n gereformeerd onderwerp. In de studententijd was ik ook al bezig met allerlei belangenbehartiging. Als student lid van het college van professor en curatoren van het Remonstrants Seminarium, lid van het faculteitsbestuur en –raad. Heel boeiend was het lidmaatschap van het universitaire college van beroep voor de examens.

Direct na het proponentsexamen, kreeg ik in augustus 2000 de gelegenheid om als aio een proefschrift voor te bereiden. Het moest gaan over remonstrantse ecclesiologie. Nu meer dan tien jaar later is het proefschrift af en ik hoop het volgende maand te verdedigen. Een dik boek van misschien wel 500 pagina’s over de geschiedenis van de Remonstrantse Broederschap tussen 1850 en 1940 bezien vanuit de vraag naar het remonstrantse zelfbeeld. Zoals bij elke kleine organisatie past, heeft ook de Broederschap vanuit een Calimero-gevoel zich telkens afgevraagd: waar staan we nu eigenlijk voor? 

Dissertatie
Rond 1850 was de Remonstrantse Broederschap zeer klein, zo’n 3000 zielen. Theologisch past zij bij de Groningers. Dan breekt het modernisme door. Enige predikanten, onder wie C.P. Tiele vormen een voorhoede die de aloude verdraagzame Broederschap in moderne richting wil sturen. Tegelijkertijd zien zij een markt. De veranderingen in het Algemeen Reglement in 1867 maken de positie van modernen in de Hervormde Kerk problematisch. Zou daar niet een markt liggen? De Broederschap vormt zich om tot een uitgesproken modern en vrijzinnig genootschap en groeit en bloeit. In 1900 zijn er 12000 leden, veelal malcontente hervormden. Tegelijkertijd is het genootschap hiermee wel heel vrijzinnig geworden. Het avondmaal wordt in veel gemeenten afgeschaft. In Groningen, bijna een Vrije Gemeente à la de Amsterdamse, wordt de doop niet meer bediend. Men is heel bewust vrijzinnig en in zekere zin antikerkelijk. Al die bovennatuurlijke dingen zijn voor een modern mens toch niet meer te geloven? De Broederschap presenteert zich als een redelijk alternatief tussen het ongeloof van het atheïsme en de orthodoxie van de letter die doodt. Deze remonstranten zijn apologeten van een denkend christendom.
Met de opkomst van het rechtsmodernisme verandert dat. Het al te optimistische mens- en wereldbeeld wordt, met de Eerste Wereldoorlog op het netvlies, problematisch. Is het monisme van de modernen niet te eenzijdig? Zou er niet ook een mystieke Christus zijn die al het ethische te boven gaat? Zo wordt onder leiding van G.J. Heering het rechtsmodernisme de heersende richting. De Broederschap aanvaardt een nieuwe beginselverklaring die afstand neemt van het al te vrijzinnige. Er ontstaan nieuwe liturgische formuleringen. In 1940 verschijnt een door het Convent van predikanten geschreven belijdenis. Dan wil de Broederschap weer volop kerk zijn.

Predikant
Dat is in een notendop waar ik me in tien jaar mee heb beziggehouden. Maar er is ook meer. Toen ik drie maanden aio was, kreeg ik een beroep in de remonstrantse gemeente Nieuwkoop, 120 mensen te bedienen in een kwart van de werktijd. Heel erg leuk en boeiend werk, maar niet zo geschikt om snel een proefschrift af te ronden. Maar wat nu na het aio-schap, de schoorsteen moet blijven roken? In 1999 kreeg ik een beroep naar de remonstrantse gemeente Rotterdam. Van oudsher de grootste gemeente binnen de kleine club. In de huidige tijd een van de weinige plekken met een voltijds aanstelling. (De Broederschap kent ongeveer 7000 leden in een 40-tal gemeenten.)  Daar ben ik met veel plezier aan het werk gegaan. Een klassieke gemeente die kerkt in een monumentaal kerkgebouw uit 1897, dat vol hangt met schilderijen van predikanten. In de kerkenraadskamer kijken 8 predikanten die ik bespreek in mijn dissertatie op me neer. Ook hier is het predikantswerk boeiend en inspirerend. Dat je als jong predikant met zoveel eerbiedwaardige voorgangers op je eigen manier mag proberen het oude verhaal levend en herkenbaar te maken. Hier kun je als predikant met voorliefde voor traditionele vormen nog verschijnen met een zwarte toga en dito baret!

Een zakelijke dominee
Naast het predikantschap dat het snelle promoveren in de weg zit, is er ook – heel gelukkig – het jonge gezinnetje dat zich uitbreidt. Er komen drie zonen. Gekscherend denk ik erover om in het proefschrift een opdracht op te nemen: ‘aan vrouw en kinderen, zonder wie dit proefschrift vijf jaar eerder verdedigd was…’. Maar laat ik eerlijk zijn, zonder hen zou het toch allemaal veel minder de moeite waard zijn geweest.
Wanneer je je eenmaal met kerkrecht hebt beziggehouden, geld je in domineesland als iemand die je voor juridische en zakelijke dingen kunt vragen. Ik word gevraagd om lid te worden van het bestuur van het remonstrantse pensioenfonds. Er is een juristencommissie die zich bezighoudt met kerkordelijke vragen en daarbij enige theologische deskundigheid wel kan gebruiken. Er is een eigen overlegstructuur over de traktementen. Overigens is het daar wel schrikken wanneer er een dominee verschijnt die kan rekenen en ook fel wil onderhandelen. De BNP probeert in het bestuur ook verschillende richtingen samen te brengen. Zo word ik in 2000 gevraagd als bestuurslid namens de kleine kerken. (Altijd maar weer zal ik blijven spreken over ‘kleinere’ kerken.)

Taak BNP
Nu ik dit stuk schrijf, kun je in de kranten lezen over armoede bij predikanten. Eerlijk gezegd valt dat natuurlijk wel mee. Met droge ogen kun je niet beweren dat predikanten het zo slecht hebben. Tegelijkertijd vind ik wel – en dat wordt bevestigd door onafhankelijke functiewaarderingen – dat predikanten te laag zijn ingeschaald. Wie kwalitatief goede predikanten verwacht, moet daar ook voor willen betalen. Dat de kerk arm is of de predikant een roeping heeft, moet toch geen argument zijn om maar te beknibbelen? Van de bakker hoop ik dat hij een roeping heeft om het lekkerste brood te bakken, maar toch krijg ik zijn rozijnenbrood, waarin hij zijn hele ziel en zaligheid heeft gelegd, niet mee als ik te weinig euro’s op de toonbank neerleg! Dit is voor mij een beeld waar de BNP voor moet staan. In onze kerkelijk moeilijke tijden moeten er goede predikanten zijn, hooggekwalificeerde deskundige en geïnspireerde mensen. Zij leven van de Geest, maar niet van de wind. Het mag dus ook wat kosten. Voor redelijke arbeidsvoorwaarden wil ik staan. Niet alleen maar omdat dat voor de portemonnee van de predikant zo belangrijk is, maar ook omdat we goede predikanten willen hebben en houden. Als je op de dag van je kerkelijk examens tekent voor je eigen faillissement, dan houd je als kerk geen goede predikanten meer over. Daarom moet de BNP vrijmoedig zijn werk doen. Opkomen voor behoorlijke traktementen en arbeidsvoorwaarden, zodat predikanten hun werk onbekommerd kunnen blijven doen.

Tjaard Barnard
  


naar boven


voor het laatst bijgewerkt: 06/06/2006