|
Donderdag 1 juni 2006 - pagina 19
Dr. T. R. Barnard beschrijft geschiedenis Remonstrantse
Broederschap tussen 1850 en 1940
Een verstoten kind, een vrijzinnige
kerk
De Remonstrantse Broederschap vierde in 1919 haar
300-jarig bestaan. Daar hoorde herdenkingsdiensten bij, een tentoonstelling
van remonstrantse memorabilia, een gezamenlijk uitje naar Dordrecht. Maar
hoogtepunt was toch wel de gedenkrede van hoogleraar G.J. Heering, die
verwoordde wat iedereen dacht.
J. M. Stolk
„Onze Broederschap”, zei Heering, „heeft –ook
in de toekomst– een taak, evenredig aan haar gegroeide kracht en aan de
ernst der tijden, de taak om haar historisch beginsel van een Christendom,
in vroomheid beleefd, in vrijheid beleden, in te dragen in een wereld,
die, zonder het te weten, op dit beginsel wacht op haar redding en behoud.”
In 1919 staat de Remonstrantse Broederschap al
bijna aan het einde van een traject waarin haar karakter sterk veranderde:
van Schriftgericht naar modern, vrijzinnig en kritisch ten opzichte van
Bijbel, dogma’s en kerkelijke vormen. Hoe deze ontwikkeling plaatshad,
beschrijft de Rotterdamse remonstrantse predikant dr. T. R. Barnard in
zijn boek ”Van „verstoten kind” tot belijdende kerk. De Remonstrantse Broederschap
tussen 1850 en 1940”, waarop hij vorige week in Leiden promoveerde.
Barnard (1968, zie foto) studeerde theologie
in Leiden en was vervolgens van 1995-2000 assistent-in-opleiding aan het
Remonstrants Seminarium in Leiden. Daar schreef hij het grootste gedeelte
van zijn proefschrift, dat hij onlangs afrondde. Momenteel is dr. Barnard
een van de drie predikanten van de remonstrantse gemeente in Rotterdam,
met zo’n negenhonderd leden de grootste van het kerkverband.
Kathedraal
De Rotterdamse kerk, vanwege haar omvang „de
kathedraal” genoemd, hangt vol portretten van grote remonstrantse voorgangers
uit het verleden. In de consistorie hangt Arminius, centraal op de schoorsteenmantel,
daaromheen predikanten en hoogleraren als G. J. Heering, I. Hooykaas, H.N.
van Teutem en C. P. Tiele.
De geschiedenis van de Remonstrantse Broederschap
in er een van verandering en overgang, van opbouw en bloei, zegt dr. Barnard.
Rond 1850 is de Broederschap klein en verschillende theologische inzichten
bestaan naast elkaar. Er is een goede samenwerking, zeker op plaatselijk
niveau, met andere geloofsgenootschappen. Op landelijk niveau is er samenwerking
met de Hervormde Kerk, terwijl de opleiding in Amsterdam nauw verbonden
is aan die van de doopsgezinden.
Het karakter van de Broederschap verandert vooral
door de nieuwe theologische koers, ingezet door een jonge generatie theologen.
Ze zien hun kans schoon en verhuizen het Seminarium van Amsterdam naar
het meer vrijzinnige Leiden. „Je moet niet iets geloven dat je niet met
de rede in overeenstemming kunt brengen, is de gedachte. De moderne theologie
zoekt geloof dat nergens in tegenspraak is met de rede. Ze wilden het geloof
dus behouden, zuiveren van allerlei bijgelovigheid.”
Vanaf dat moment gaat de Broederschap zich nadrukkelijk
en doelbewust profileren als moderne gemeenschap. Hoe groot de groep orthodoxe
theologen en gemeenteleden is en hoe die op de koerswijziging reageren,
is niet bekend, zegt dr. Barnard. „Maar de nieuwe koers is een succes.
Veel modernen sluiten zich aan en voelen zich in de Broederschap thuis.
Nieuwe gemeenten worden gevormd, grotere kerken gebouwd; ze getuigen van
een groeiend bewustzijn.”
Hoe zien de remonstranten zichzelf in die periode?
„De Broederschap beschouwt zich als de ware voortzetting
van de Reformatie, zelfs als een tweede Reformatie. Remonstranten zijn
trots op hun achtergrond. De beginselen van de Reformatie, vrijheid van
geweten en ongebondenheid aan menselijke autoriteit, zouden vooral bij
hen bewaard zijn gebleven. Ze zagen het vrijzinnig christendom als het
enige, redelijke alternatief voor geloofsdwang en dogmatisch confessionalisme
in orthodoxere kerken en het atheïsme van de moderne tijd.”
In deze jaren groeit de Broederschap sterk, met
name door de komst van ontevreden hervormden: van 3000 in 1850 tot 12.000
in 1900. De Hervormde Kerk voerde in 1867 een nieuw kiesstelsel in, waarbij
mannelijke lidmaten de kerkenraadsleden kozen. Die bleken vaak orthodoxer
dan de notabelen. „Kerkenraden werden behoudender en dat veroorzaakte niet
zelden onenigheid met predikant. Veel vrijzinnige predikanten en gemeenteleden
gingen vervolgens over naar de Broederschap.”
De identiteit van de Broederschap veranderde
door de aanwas van nieuwe leden, die veelal moderner en anti-kerkelijker
waren dan de ‘oude’ remonstranten. Terwijl de nadruk eerst lag op verdraagzaamheid
en vrijheid in theologische standpunten, nu ontstond het beeld dat de Broederschap
vrijzinnig moest zijn.
Dat werd duidelijk in de kwestie-Haentjens. Dr.
Barnard. „Op Paasmorgen 1905 zei Haentjens in een preek dat Jezus waarlijk
was opgestaan. Hij kreeg daar zoveel kritiek op, dat hij ontslag nam. Haentjens
stelde wel de voorwaarde dat hij op viertal werd gezet en dat zijn gemeente
in Haarlem hem opnieuw zou kunnen beroepen. Dat gebeurde ook. In de orthodoxe
pers werd met dit voorval de draak gestoken. Terecht, denk ik.”
Bontjassen
De bron van nieuwe leden droogde op toen de vrijzinnigen
binnen de Hervormde Kerk zich beter gingen organiseren. Inmiddels was de
Remonstrantse Broederschap veranderd van een brede kerk met verschillende
opvattingen in een bloeiende partijkerk van vrijzinnige snit, met vooral
leden uit de hogere sociale klasse. „Wie afhankelijk was van de diaconie,
maakte niet zo snel de overstap naar een ander kerkverband. Het waren dan
ook vooral de rijkeren die overgingen – en al snel ontstond het beeld van
een bontjassenkerk.”
Hoe was de verhouding met de Hervormde Kerk
en de afgescheidenen?
„Over de verhouding met de afgescheidenen is heel
weinig bekend. Er zullen niet veel raakvlakken zijn geweest, hoewel sommige
kleine dorpsgemeenschappen vrij orthodox waren en het wel voorkwam dat
remonstranten overgingen tot een afgescheiden kerk.
De houding van de remonstranten ten opzichte
van de Hervormde Kerk is in de loop van de jaren sterk veranderd. Tot 1850
ziet de Broederschap zich vooral als een onderdeel van de moederkerk, als
„verstoten kinderen”, hervormden in ballingschap. Ze wachten eigenlijk
op het moment dat de Hervormde Kerk zo verdraagzaam is dat iedereen daar
een thuis kan vinden. De kerkelijke praktijk verschilt weinig met die van
vergelijkbare stromingen binnen de Hervormde Kerk.
In de periode van het modernisme neemt de Broederschap
afstand van de Hervormde Kerk om zo een aantrekkelijk alternatief te kunnen
zijn voor ontevreden hervormden. De remonstranten ervaren het woord ”kerk”
als negatief. Het zou teveel verwijzen naar een bovennatuurlijke, door
God gewilde instelling die het heil moet bemiddelen. Nee, de moderne Broederschap
is genootschap dat de christelijke godsdienst wil bevorderen. Ze presenteert
zich als een kerk van gelovige en nadenkende mensen, met Jezus als ethische
leermeester. Veel gemeenten schaffen kerkelijke plechtigheden als doop
en avondmaal af en veranderen de naam kerkenraad in bestuur.”
U signaleert in het begin van de twintigste
eeuw een nieuwe omkeer.
„Met de komst van de nieuwe seminariumhoogleraar
G. J. Heering kwam er meer aandacht voor de zwakke kanten van het modernisme,
zoals het te optimistische mensbeeld. De Remonstrantse Broederschap gaat
zich steeds vaker en nadrukkelijker uiten en daarmee sluit ze zich aan
bij een bredere tendens om het geloof te willen belijden. Er komt nieuwe
belangstelling voor liturgie, voor doop en avondmaal, voor de verbondenheid
van gelovigen.”
Hij slaat zijn boek open, bladert wat en wijst
op enkele foto’s van kerken die in die periode zijn gebouwd. Amsterdam,
Boskoop. „De slanke, hoge torenspitsen wijzen op de verticale verbinding
met God. Er komt meer aandacht voor sfeer, voor wijding. Oudere kerkgebouwen
moesten vooral ruimte bieden aan veel mensen. De preekstoel stond centraal,
want dáár werden de lezingen gehouden.”
De laatste stelling bij u proefschrift luidt:
„De naam Protestantse Kerk in Nederland en de aanduiding „protestantse
gemeente te…” tonen opvallend weinig respect voor de breedte van het Nederlands
protestantisme.” Welke plaats neemt de Remonstrantse Broederschap in in
kerkelijk Nederland?
„De naam Protestantse Kerk in Nederland vind ik
een miskenning van de breedte van de protestantse traditie. Er zijn immers
ook andere kerken die protestants willen zijn: remonstranten maar ook rechts-orthodoxe
kerken.”
De Remonstrantse Broederschap zal voorlopig geen
aansluiting zoeken bij de PKN, benadrukt hij. „Tot 1993 was de Broederschap
waarnemer in het Samen op Weg-proces. Maar toen in de conceptkerkorde ook
de Vijf artikelen tegen de Remonstranten waren opgenomen, hielden we het
voor gezien. We willen geen lid worden van een kerk die ons nadrukkelijk
onze ‘dwalingen’ voorhoudt. Toon respect voor andermans standpunten en
erken elkaar als medegelovigen.”
Dr. Barnard signaleert binnen de Remonstrantse
Broederschap twee theologische stromingen. De ene is vrijzinnig en legt
de nadruk op ethiek, de ander is –in de lijn van Heering– rechtsmodern
en heeft meer oog voor de goddelijke bedoeling met de mens. De predikant
voelt zich het meest aangetrokken tot de laatste lijn. „Er is meer dan
de Bergrede en het eigen ik.”
Maar hij waardeert de openheid én de verscheidenheid
in de Remonstrantse Broederschap. „In de jaren dertig zei een predikant
van de kansel: „Of God bestaat, ik weet het niet. U weet het ook niet.
Laten we ervan uitgaan dat het zo is.” Van zo’n uitspraak schrikt niemand
meer.”
Mede n.a.v. Tjaard Barnard: ”Van
„verstoten kind” tot belijdende kerk. De Remonstrantse Broederschap tussen
1850 en 1940”, door Tjaard Barnard; Amsterdam, 2006; 512 blz.; €
29,00.
|