Begrafenis doorbreekt oude mythe

26 maart 2004

Door Ton Crijnen

De keuze voor de remonstrantse predikante Welmet Hudig-Semeijns de Vries van Doesburgh bij de uitvaart van prinses Juliana heeft orthodoxe protestanten geschokt. Een eeuwenlange traditie lijkt doorbroken. De geschiedenis van een mythe.

Orthodox-protestants Nederland is geschokt: een remonstrantse predikante leidt dinsdag de uitvaartdienst van prinses Juliana. Voor het Reformatorisch Dagblad was het woensdag zelfs opening krant. Begrijpelijk, want met het besluit om niet een hervormde (mannelijke) dominee te laten voorgaan in de dienst wordt een traditie van eeuwen 'ruw' doorbroken. En dat komt in die kringen hard aan. Verdwenen is de toonzetting waarmee men ooit Juliana's geboorte begroette: ,,Een betooning van Gods trouw aan Nederland'' (De Spiegel, 1909).

In één klap is het 'onverbrekelijk drievoudig snoer', gevormd door de schakels God, Nederland en Oranje, van zijn historische glans beroofd. Althans zo wordt dat in kringen van SGP en RD gezien. In deze mythische trits staat het begrip 'God' voor de hervormde kerk waarmee het Huis van Oranje eeuwenlang werd geïdentificeerd. Het is een opgelegd, maar historisch nauwelijks te rechtvaardigen symbool van nationale eenheid.
En al lijkt de tijd nog ver weg dat een katholiek, moslim of atheïst het ambt van erfelijk staatshoofd bekleedt, toch heeft Juliana met de door haar gekozen geestelijk voorgangster een belangrijke bijdrage geleverd aan een hoognodige discussie.
Een geseculariseerd staatsbestel als het onze biedt geen plaats meer voor een koningshuis waarvan de kroondrager, weliswaar niet grondwettelijk maar op grond van traditie, exclusief gekoppeld is aan één bepaalde geloofsrichting. Zelfs kan men de vraag stellen of een onder ministeriële verantwoordelijkheid vallende vorstin, die, zoals Beatrix, in toespraken blijk geeft van protestantse sympathieën, nog wel de nationale eenheid symboliseert die de enige legitimatie vormt voor het voortbestaan van de monarchie.
Tradities liggen immers niet voor alle eeuwigheid vast, maar dienen -willen ze de tand des tijds doorstaan- mee te evolueren met religieus-maatschappelijke ontwikkelingen. Dat geldt ook voor het koningschap, functionerend in een land waar de hervormde geloofstraditie binnenkort opgaat in een (protestants) kerkgenootschap dat slechts een kleine minderheid van de bevolking representeert. Een veelzeggend teken voor degenen die zich nu zo bedroefd voelen, vormden twee jaar geleden peilingen die lieten zien dat vijf van de zes Nederlandse protestanten uitstekend konden leven met een rooms-katholieke koningin (lees: Máxima).
Wat dat 'snoer' betreft -een uitvinding van de joods-christelijke Réveildichter Isaäc da Costa (1798-1860)- bleken zelfs de meest antipapistische Oranjes verstandig genoeg zich niet te bezondigen aan religieus exclusivisme. Dat zou ook gevaarlijk zijn geweest, want tot ver na 1700 vormden katholieken en andere niet-calvinisten de meerderheid van de bevolking. Regelmatig grepen de prinselijke stadhouders in ten gunste van religieuze gezindten die niet tot de heersende hervormde (toen nog gereformeerd geheten) kerk behoorden.
Dat begon al met Willem van Oranje die keurig 'hervormd' werd begraven, maar op religieus gebied bekendstond als superpragmaticus. Zoon Maurits greep weliswaar in ten faveure van de steile contraremonstranten (1618/19), maar ook hij nam roomsen en ander 'ketters' volk indien nodig in bescherming. Hij kerkte nog bij de remonstrantse predikant Wtenbogaert op het moment dat de contraremonstranten zich al hadden afgescheiden. En hij woonde samen met de rooms-katholieke Margaretha van Mechelen die hem drie bastaards schonk. De stadhouders Willem II, III en IV huwden anglicaanse prinsessen en richtten anglicaanse kapellen voor hen in. Geen van de Willems blonk uit door grote religieuze devotie.
In al die eeuwen beleden de Oranje-vorsten weliswaar de hervormde godsdienst, maar wettelijk vastgelegd was het nergens. Dat gebeurde pas bij de Grondwet van 1814. Een jaar later schrapte men die bepaling alweer omdat het katholieke België aan het koninkrijk werd toegevoerd. Zestien jaar lang regeerde een protestantse vorst (koning Willem I) over een land dat in meerderheid een ander geloofsovertuiging aanhing. Het lijkt een voorafspiegeling van ons eigen tijd.
Overigens stond Willem op het punt het drievoudig snoer al te verbreken nog voor dat het goed en wel door Da Costa (en Bilderdijk) geregen was. Nadat deze in 1831 had aangekondigd dat hij ,,de Kerk van Christus met Nederlands Volk en Nassaus Prinsenstam'' wilde verbinden met een ,,onverbrekelijk drievoudig snoer'', kondigde negen jaar later Willem -inmiddels weduwnaar geworden- aan dat hij zou hertrouwen met de katholieke gravin Henriëtte d'Oultremont. Zoals haar naam suggereert was ze Belgische. Door de ophef die dit besluit in Noord-Nederland wekte, zag de koning af van het huwelijk. Nog datzelfde jaar deed hij afstand van de troon en trouwde zijn geliefde alsnog.
Zoon Willem II mocht een minder grote cryptokatholiek zijn dan de volksmond beweerde, een diepgelovige protestant was hij evenmin. En hij nam een vrouw van Russisch-orthodoxen huize die ten paleize vrijelijk haar godsdienst mocht belijden en die de hervormde kerk ,,een stijlloos instituut'' vond.
Opvolger Willem III (1849-1890) toonde zich ogenschijnlijk ontvankelijk voor het protestantse protest tegen het herstel van de rooms-katholieke bisschoppelijke hiërarchie. Toch had het slechts weinig gescheeld of hij had een remonstrantse dominee (Abraham des Amorie van der Hoeven) bij zijn inhuldiging laten preken. De regering stak er een stokje voor. En bij Willems uitvaart was het de onvervalste hervormde hofpredikant Van Koetsveld die het laatste woord voerde.
Ook dochter Wilhelmina, bij haar leven eerder Waals dan hervormd aangelegd, werd keurig volgens de Oranje-traditie begraven (1962).
Hoe komt het dat het 'drievoudig snoer' pas nu, bij de uitvaart van prinses Juliana, is gebroken? Het wachten was op de secularisatie. In het nabije en verdere verleden waren het weliswaar de regenten en niet de dominees die de godsdienstpolitiek in dit land bepaalden, maar ze moesten terdege rekening houden met de invloed van de hervormde predikanten op het gewone volk. Niet voor niets laat onze geschiedenis regelmatig voorbeelden zien van monsterverbonden tussen Oranjehuis en predikantendom tegenover de heersende burgerlijke elite. Die tijd is definitief voorbij. De kerk heeft haar greep op het volk verloren.


naar boven


voor het laatst bijgewerkt: 27/03/2004