|
|
Diaconaat in de traditie van de kerk,
een korte schets
De wortels van het Diaconaat liggen in het
NT. Daar komen we de woorden tegen als diakonia, diakonos en diakonein.
Het gaat in deze griekse woorden steeds om dienst. Vanouds was een diakonos
een huisbediende. De jonge kerk heeft deze woordgroep gekozen om een wezenlijk
kenmerk van haar functioneren aan te geven.
Het woord diakonia is als het ware van de straat
opgeraapt en gemaakt tot een kernwoord in de christelijke traditie.
Het dienen van Jezus zelf is uitgangspunt. De
kern van het christelijk geloof is immers de liefde. Dat betekent, zegt
Jezus: God liefhebben boven alles en je naaste als jezelf.
Het dienen blijft tot het wezen van de chr. Kerk
behoren. Uitgedrukt in een beeld: diakonia is niet in de eerste plaats
een partje van de kerkelijke sinaasappel maar veel eerder het sap dat smaak
geeft aan het geheel.
Of zoals een franse bisschop zei: een kerk die
niet dient, dient tot niets
Het handboek voor Diaconiewetenschap geeft de
volgende omschrijving:
“Diaconaat is het handelen vanuit de kerken
en andere door het evangelie geïnspireerde groepen en bewegingen
dat gericht is op het voorkomen, opheffen, verminderen dan wel mee uithouden
van met name sociaal- maatschappelijke nood van mensen en op het scheppen
van rechtvaardigen verhoudingen”.(p. 13)
Uitgangspunt is het evangelie, zoals dat onlosmakelijk
verbonden is met het OT.
Met als kernwoorden: barmhartigheid en gerechtigheid.
In de Thora wordt veel gesproken over de zorg
voor de weduwen, de wees en de vreemdeling. De profeten nemen geen blad
voor de mond. Denk maar aan de profeet Amos. Voor deze grote schriftprofeet
ligt het kriterium voor ware godsdient in het recht doen aan de armen.
Als dit niet gebeurt gaat liturgie vals klinken. Dat is de kritische boodschap
van Amos tot op vandaag.
In het NT zijn de werken van barmhartigheid bron
van inspiratie geweest voor het diaconaat:
In Mtt. 25 spreekt Jezus over het voeden van
de hongerigen, te drinken geven aan wie dorst heeft, het kleden van de
naakten, opnemen van de vreemdeling, bezoeken van de zieken en het troosten
van wie gevangen zijn. Vanuit de joodse traditie is in de ME het begraven
van de doden nog toegevoegd. We spreken daarom van de 7 werken van Barmhartigheid.
Hiernaast heeft het verhaal van de Barmhartige
Samaritaan altijd model gestaan voor het diaconaat. In 1 Tim.3 schrijft
Paulus wat ervan een diaken wordt verwacht: een diaken moet zich waardig
gedragen, oprecht, niet hebzuchtig en met een zuiver geweten.
In de brief van Paulus aan de gemeente in Rome
wordt de vooraanstaande vrouw Febe als eerste diaken genoemd. Zij heeft
veel mensen daadwerkelijk geholpen. Het kan ons verbazen hoe de geschiedenis
van de kerk de vrouw uit het ambt van diaken heeft weggeschreven. (aldus
de fem. theologe Schüssler Fiorenza).
DE VROEGE KERK
In navolging van de eerste grote kerkvader Irenaeus
(bisschop van Lyon in 178) leest de kerk in Handelingen 6 de instelling
van de dienst van de diakenen.
De moeder- gemeente in Jeruzalem kiest 7 mannen.
Zij helpen bij de viering van de maaltijd. De apostelen zullen zich vooral
bezighouden met het Woord en gebed.
Vanaf het begin is de diakonia een opdracht van
de gemeente als geheel, als ook van de leden afzonderlijk. De diakonia
van de gemeente wordt gestimuleerd en georganiseerd door de diakenen. (Handboek
voor Diac. p.123v.)
Het diaconaat van de vroege kerk richt zich op
alle mensen. Met name de inzet van weduwen is voor de kerk van grote betekenis
geweest. Een kerkorde uit 230 na Chr. spreekt van weduwen als kerkelijke
functionarissen. Haar taak is vaak de directe hulp aan vrouwen: huisbezoek
en verzorgen van de zieken. Zij functioneren al gauw als medewerksters
van de bisschop. De diaconessen worden door de bisschop bevestigd.
In de loop van de eeuwen verdwijnen de diaconessen
geleidelijk achter de kloostermuren. Soms komen zij weer tevoorschijn in
een middeleeuwse beweging als die van de begijnen, die zich vooral inzetten
voor de ziekenzorg.
De centrale plaats van de diakonia deed de kerk
groeien.
Er is wel gezegd dat het christendom de wereld
heeft veroverd door een geloof dat in liefde werkzaam was ten opzichte
van vreemdelingen, gevangenen, verdrukten en armen. Dat geldt zeker voor
het vroege christendom.
De christenen zetten zich in voor elkaar en hun
naaste. Zij bleven op hun post en ontfermden zich over die getroffen waren,
waar heidense priesters allang vetrokken waren van de plek van onheil.
Denk aan de vele epidemieën.
Bovendien vormden de christenen een sterke en
warme gemeenschap, ook dat trok mensen van buiten. Wie ervoor koos om christen
te worden stelde zich evenwel bloot aan de grote vervolgingen.
Uit die tijd is bv. Laurentius bekend als martelaar
en diaken. (3e eeuw na Chr). Uit de overlevering weten we dat de diaken
in de tijd van Laurentius: vooral tafeldienaar was tijdens de eucharistie
viering. Rechterhand van de bisschop. De diaken wordt ook schatbewaarder
genoemd. Hij heeft de verantwoordelijkheid over de rijkdommen van de kerk.
De schatten van de kerk bestaan ook uit geestelijk voedsel. Laurentius
onderricht de dopelingen en geneest vele blinden door handoplegging. Hij
wordt gevangen genomen op bevel van de keizer. De diaken is een aantrekkelijke
gevangene. Hij heeft immers de sleutel tot de schatten van de kerk
in handen. Wanneer de vervolger Laurentius beveelt om hem de schatten van
de kerk te tonen, vraagt de diaken om 3 dagen uitstel. Deze tijd gebruikt
Laurentius om de armen, kreupelen, lammen en blinden van de stad te verzamelen.
Na 3 dagen zegt hij tegen de keizer: “Kijk, dit zijn de eeuwige schatten,
die nooit minder worden maar altijd in aantal toenemen”. Met deze woorden
geeft Laurentius de schatten van de kerk aan de keizer. Hiermee tekent
hij tegelijk zijn eigen doodvonnis: de diaken wordt gegrepen en onderworpen
aan allerlei martelingen om uiteindelijk een triomfantelijke dood te sterven
op het gloeiende rooster…
De marteldood was voor de christenen uit de periode
voor Constantijn geen angstdroom maar een overwinning, verzekerd van de
nabijheid van Christus.
Een ander markant figuur uit de vroege kerk is.
Antonius Abt. Hij wordt beschouwd als de eerste woestijnvader en de vader
van de monniken. In een teruggetrokken leven van stilte en ascese, ging
de nood van de naaste toch niet aan hem voorbij.
Als in 308 de vervolgingen echt losbarsten, worden
veel christenen gevangen genomen. Zij moeten dwangarbeid verrichten in
de mijnen. Antonius verlaat zijn kluizenaarsbestaan en geeft geestelijke
hulp aan de christenen in de mijnen. Rond het werk van Antonius verschijnen
de eerste kloosters. Het geven van aalmoezen en verlenen van daadwerkelijke
hulp is hoofddoel van de monniken rond de heilige Antonius. Navolging van
Christus en liefde tot de naaste was de drijfveer in zijn leven.
Actie en contemplatie gaan ook hier al hand in hand.
VANAF 313. DE KERK ALS STAATSKERK
In deze periode van de geschiedenis is het
de bisschop die het diaconaat organiseert. De diaken staat de bisschop
ter zijde maar raakt zijn zelfstandigheid kwijt.
Het werk van de diaken blijft evenwel niet beperkt
tot de liturgie. Hij maakt de tafel klaar, leest de psalmen, leidt de voorbeden
en zendt de gemeente weg. Maar de diaken begeleidt ook de dopeling. Hij
bezoekt de zieken en de gevangenen en zorgt voor de administratie.
Vanaf de derde eeuw ontwikkelt het ambt van diaken
zich langzamerhand tot een voorstadium van het priesterschap.
“Deze verschuivingen zijn mede in gang gezet
toen de kerk zich aanpaste bij de heerstende maatschappij structuren, de
gelijkheid van de ambten was niet meer vol te houden. De hiërarchische-
patriarchale structuren gingen het winnen van de meer androgyne
patronen van gelijkheid van allen, kenmerk van de vroegste kerk. Toen dat
gebeurd was, werd de opdracht voor de diaken, die juist die gelijkheid
moest bewaken, niet alleen overbodig, maar zelfs ongewenst.”
De diaken gaat als kelner de tunnel in om er
als assistent van de bisschop, als bijna priester weer uit te komen. Keurig
geclericaliseerd. De diaconie is uitgehold tot liefdadigheid zonder solidariteit.
De kerk is tot het establishment gaan behoren.
Dat bracht zelfgenoegzaamheid met zich mee en een groeiende behoefte aan
macht. In de ME is tussen pausen en keizers regelmatig strijd omtrent die
macht over de wereld. In die fase krijgt de kerk veel rijkdom en groeit
verweg van de armen. Juist tegen deze machtskerk in ontstaan sprituele
en diaconale tegenbewegingen en later de Reformatie.
De ME
De adel en ook de kerk verloren steeds meer hun
invloed. Temidden van veel maatschappelijke onrust verliest de kerk helemaal
de verantwoordelijkheid voor de armen en de zieken.
Ook het geestesleven maakt een revolutionaire
tijd door. De spiritualiteit was tot dan toe van bovenaf bepaald. De bisschop,
en de kloosters waren de bronnen van het geestelijk leven. Ook hier
kwam verandering in. Naast en tegenover adel, clerus en boeren ontstaat
nu een volksbeweging. Hierin groeit het verzet tegen elke vorm van macht.
Men gaat in deze kringen op zoek naar de zuiverheid van de vroege kerk.
Zij willen arm leven, onthecht. Wat zij overhouden gaat naar de armen toe.
Deze nieuwe groepen noemen zich penitenten. Ook Fransiscus van Assisi
behoorde tot een van deze groepen.
De REFORMATIE
Op twee punten keert de Reformatie zich tegen
de situatie van de diaconie in de ME.. Ten eerste tegen de liefdadigheid
voor het eigen zielenheil. Ten tweede brengt de Reformatie de diaconie
terug in de gemeente. De positie van de diaken verandert dus opnieuw. Hij
gaat vanuit de liturgie weer de wereld in naar de mens in nood. Mn. De
reformator Bucer wijst opnieuw op de diaconale verantwoordelijkheid van
de gemeente. De diaken krijgt een plaats in het kerkelijk bestuur en is
niet meer de helper van de bisschop.
Financiële hulp staat naast het verzorgen
van de zieken als voornaamste taak van de diaken.
De kerk leunt in deze periode met haar diaconaat
sterk tegen de overheid aan. Deze relatie is sindsdien niet meer van de
agenda van de Nederlandse kerken geweest en leidde regelmatig tot conflicten.
Is de overheid of de kerk verantwoordelijk voor
de ondersteuning van de armen? Of beiden?
DE 17e en 18e EEUW
In deze tijd is er meer aandacht voor de eigen
binnenkant dan voor de sociale werkelijkheid. Om de ziel bekommert men
zich meer dan om de arme. Armoede en zonde liggen in elkaars verlengde,
dus armoede is eigen schuld. God geeft immers rijkdom en armoede.
Baptisten en Quakers zijn uitzonderingen op deze
benadering. Zij geven tienden, willen vrijlating van gevangenen en herziening
van de wetten. Deze radicale groepen zijn zeer betrokken op sociale gerechtigheid.
19e EEUW
In de 19e eeuw komt er verandering in het diaconaat.
In Duitsland ontstaat de Innere Mission, in Nederland het Reveil
genoemd. Zending en diaconaat zijn verbonden met elkaar. Er is een herleving
van de diacones. In Nederland ontstaat een hernieuwde inzet voor de mensen
in nood. Er is nu ook aandacht voor scholing en educatie. Het werk van
William Booth trekt internationaal de aandacht. Oprichter Van het Leger
des Heils.
Als gevolg van de industriële revolutie
veranderen in deze tijd de verhoudingen in de samenleving. Armoede krijgt
een ander gezicht en een andere oorzaak. Het wordt een structureel verschijnsel
dat in de groeiende steden massale proporties aanneemt. Het christendom
wordt aangeklaagd, oa. door Karl Marx. De armen worden het proletariaat
en daar heeft de kerk nog geen antwoord op, geen visie. Wel breiden de
diaconale activiteiten zich uit, onder de naam vrij diaconaat.
Het gaat om persoonlijke initiatieven. Heldering
(- 1850), predikant in de Betuwe, richt zich in de strijd tegen de armoede
: als remedie komt hij op voor werkverschaffing en zelfhulp. Het christendom
mist, volgens hem, de ware sociale bewogenheid. Het kerkelijk diaconaat
staat op een laag pitje. De mens is niet in staat tot iets goeds, is het
argument tot deze laksheid en angst voor heiligheid uit de werken, zoals
bij de RK.
De kerk heeft in de 19e eeuw nog geen bemoeienis
met het maatschappelijk leven.
Wel geven de zg. doorgangshuizen die Heldring
opzet in Hoederloo en Zetten een nieuw gezicht aan het diaconaat. Het ideaal
is: heropvoeden van jonge mensen die ontspoord zijn. Het is het begin van
het maatschappelijk werk.
20e EEUW
Het diaconaat krijgt een steeds grotere plaats
in de kerk. Er komt nu meer aandacht voor de gemeente als draagster van
het diaconaat en de term “diaconale gemeente”doet haar intrede.
Na WO II vindt de uitbouw plaats van het stelsel
van sociale zekerheden en sociale voorzieningen. De overheid krijgt hierbij
een eigen verantwoordelijkheid.
Het accent voor het binnenlands diaconaat komt
nu meer te liggen op allerlei vormen van immateriële hulpverlening.
Zo zijn er in die tijd veel diaconieën betrokken bij het opzetten
van instellingen voor maatschappelijk werk, gezinszorg, bejaardenwerk etc.
De verzorgingsstaat wordt opgebouwd. De eis van de gerechtigheid krijgt
hiermee gaande weg meer vorm in structuren en wetgeving. Diaconale bureaus,
provinviaal en landelijk ondersteunen de plaatselijke gemeenten bij hun
diaconale taak. Er verschijnen serieuse publicaties oa. De gemeente en
haar diaconaat van D.J. Karres.
Er is bij de Raad van kerken een aparte
sectie voor het diaconaat.
De diaken krijgt een bredere taak.
Het tweede Vaticaans Concilie (1962- 1965) is
voor de RK kerk baanbrekend.
Op veel terreinen van het maatschappelijk leven
is nu het diaconaat zichtbaar geworden. Voor gevangenen, militairen, zieken,
ouderen worden priesters en predikanten vrijgesteld met een bijz. opdracht.
De kerk gaat zich bezighouden met vredeswerk, kerk en samenleving, de economie
van het genoeg en de milieuproblematiek. De oecumenische samenwerking heeft
zich verbreed en verdiept. Vanuit de Assemblee in Vancouver van de WvK-
start het zg. Conciliair Proces. Met inzet voor vrede, gerechtigheid en
heelheid van de schepping.
De ontwikkelingen in de samenleving in
relatie met de overheid hebben ook invloed op de kerk en haar diaconaat.
In de geschiedenis van de kerk is de relatie met de overheid een voortdurend
agendapunt.
De Armenwet van 1854 legt de eerste verantwoordelijkheid
voor de armenzorg bij de kerken met de overheid als achterhoede.
De Algemene Bijstandswet van 1 jan. 1965
draait de volgorde om. De eerste verantwoordelijkheid voor de armen ligt
vanaf nu bij de overheid. Hiermee is een einde gekomen aan diaconaat oude
stijl, als liefdadigheid.
Er komt steeds meer nadruk te liggen op een streven
naar gerechtigheid. Dat heeft gevolgen voor de inzet voor de armen. De
Werkgroep Arme Kant van Nederland van de Raad van Kerken, is daar een duidelijk
voorbeeld van.
Het vrije diaconaat krijgt een nieuw aandachtsveld
in het werelddiaconaat. Op dit terrein is nog veel te doen en te leren.
Het werelddiaconaat heeft bijgedragen aan een
andere visie op diaconaat: waar veel meer sprake is van wederkerigheid
en solidariteit. Dat het rijke deel van de wereld deel is van het probleem
van de armoede, is vooral door dit werk duidelijk geworden. Van hieruit
is ontwikkelings- samenwerking gekoppeld aan werelddiaconaat.
Daarbij plaatsen de migrantenkerken ons nadrukkelijk
voor de werkelijkheid van de multiculturele samenleving.
TEN SLOTTE
Overzien wij het geheel van de traditie van het
diaconaat dan kunnen we zeggen dat alle mensen die bij het diaconaat betrokken
zijn hun werk enten op de Barmhartige Samaritaan (Luc.10: 25- 37). Net
als hij richten zij zich op een mens in nood en zijn zij ook ergens met
ontferming bewogen.
Jurjen Beumer zegt het zo: een diaken is niet
een kerkelijk functionaris maar het is iemand die getrokken wordt naar
diegene die in nood is. Daarin zijn principieel alle gelovigen diaken.
Het is iemand die Jezus volgt in zijn neerwaartse beweging, naar de plek
waar mensen vertrapt en vergeten worden en hij of zij is propagandist van
deze beweging. “Ik ben niet gekomen om te heersen maar om te dienen.”(
Jurjen Beumer, De spiritualiteit van het gewone leven, p. 93v.)
Het scheppen van rechtvaardige verhoudingen impliceert
dat diaconie zich ook richt op de samenleving. Het bewerkstelligen van
gerechtigheid betekent diaconale inzet om structurele oorzaken van armoede
te bestrijden. Diaconaat is daarmee ook kritisch naar de samenleving, zowel
plaatselijk als wereldwijd. Gerechtigheid doen is een fundamentele opdracht
voor het diaconaat van de gemeente, tegelijk wordt de mens in nood niet
over het hoofd gezien omdat gerechtigheid en barmhartigheid bij elkaar
horen.
Ik wil graag afsluiten met een klein citaat van
prof. Catharine Halkes, aangehaald in het handboek voor Diaconiewetenschap:
“Voor mij is het niet zo dat de kerk diaconaat
doet, maar dat daar waar gerechtigheid vermeerderd wordt in denken en doen,
kerk geschiedt. Dus diaconaat maakt de kerk”. (p.187) Ikzelf meen dat we,
binnen de traditie van de chr. Kerk, de stuctuur van de gemeente nodig
hebben.
En laten we daarbij niet vergeten dat diaconaat
kwetsbaar is. Want het gaat om kwetsbare mensen. Het kan zomaar uit beeld
raken als de mensen elkaar niet meer in het oog hebben.
T. Geels
Utrecht 3 februari 2006
|
|
|
|
|
|
|
|