|
|
1. Globalisering
We leven in een wereld die op vrijwel alle terreinen
bepaald wordt door processen van globalisering: een toename in contact
tussen mensen op het gebied van economie, cultuur, technologie en politiek.
We zien dat in ons dagelijks leven.
-
Veel mensen gaan naar de verste oorden op vakantie.
-
Het onderhouden van contacten over de hele wereld
is heel simpel geworden: zondag maakte ik het in de trein nog mee: een
vader stuurde via zijn mobiele telefoon een berichtje naar zijn dochter
in Bonaire: dat was de beste manier om contact te onderhouden, vertelde
hij erbij.
-
We kopen en gebruiken producten uit de hele wereld.
-
Tijdens hun studie gaan de meeste studenten momenteel
wel een poosje op stage naar het buitenland en daar komen geregeld ook
huwelijken met mensen van elders uit voort.
-
Op het internet zoeken mensen uit wat er bekend is
over hun ziekte, en als er elders in de wereld therapieën of medicijnen
zijn, dan zorgen ze er wel voor dat ze die krijgen.
-
Nieuwe technologische vondsten gaan razendsnel de
wereld over.
-
En dat geldt ook voor allerlei cultuuruitingen: van
muziek tot schilderijen en literatuur.
-
Via de media en internet kunnen we op de hoogte blijven
van gebeurtenissen en ontwikkelingen aan de andere kant van de aardbol.
-
En dat leidt ook tot grote migrantenstromen.
Het zijn dingen die we in zekere mate vroeger ook
wel zagen, maar de schaal van die verschijnselen is zo groot geworden,
dat je moet zeggen dat zaken echt structureel veranderd zijn. Er kunnen
nu dingen die vroeger onmogelijk waren, en dat biedt veel kansen maar brengt
ook risico's met zich mee. Dat betekent bijvoorbeeld dat in de politiek
zaken heel anders aangepakt moeten worden, maar ook dat de kerk voor een
aantal grote vragen wordt geplaatst.
Enkele centrale kenmerken
Ik wil op een paar van die ontwikkelingen wat
verder ingaan.
Men zegt wel eens: de dimensies van ruimte
en tijd zijn weggevallen als grens, doordat er snelle verbindingen
zijn gekomen, er e-mailverkeer is dat berichten in secondes over de wereld
stuurt.
Dat verandert de werkelijkheid op heel veel terreinen.
Een paar voorbeelden die zowel laten zien wat de mogelijkheden en wat de
risico's zijn.
-
Werk dat makkelijk uitbesteed kan worden, gaat naar
de plek met de laagste kosten; vanuit India worden onze bankafschriften
verwerkt en bedrijven bewaakt.
-
Er is een bijna onbegrensde mogelijkheid informatie
in te winnen, en informatie betekent macht. Maar niet iedereen heeft toegang
tot die informatie. Koffiehandelaren weten door satellieten vaak eerder
hoe de koffieoogst zal zijn dan de (arme) koffieboeren, en dat geeft ze
een machtspositie.
-
De geldhandel heeft sterk geprofiteerd van deze ontwikkelingen.
Inmiddels is de geldhandel in waarde al meer dan 20 keer zo groot als de
handel in goederen en diensten. Het gaat daarbij vaak maar om kleine koersverschillen,
die speculanten toch in hun voordeel kunnen gebruiken doordat ze snel en
met grote bedragen werken. De gevolgen daarvan zijn enorm: hele landen
kunnen erdoor in de problemen komen.
-
We kunnen tegenwoordig van minuut tot minuut op de
hoogte blijven van ontwikkelingen elders. We weten van het protest van
de monniken in Myanmar/Burma. Dat kán gunstig zijn doordat de staat
daar niet durft in te grijpen omdat men weet dat er meegekeken wordt. In
de milieu- en mensenrechtenbeweging wordt razendsnel gereageerd met protesten
bij misstanden.
Men spreekt wel over moderne samenleving als over
de netwerksamenleving (de socioloog Manuel Castells (1)).
Netwerken is een belangrijk begrip geworden: wie
kan netwerken, deel uitmaakt van een heleboel verschillende netwerken,
die zit goed en heeft macht en mogelijkheden. Zo'n netwerk moet je je voorstellen
als zo'n gehaakt boodschappennetje, maar dan driedimensionaal. De wereld
bestaat uit een groot aantal netwerken, op alle terreinen van het leven.
Castells zegt: "De industriële revolutie is indertijd mogelijk gemaakt
door fabrieken: doordat ondernemers de boeren en handwerkslieden van hun
tijd in één gebouw samenbrachten en de productie rationaliseerden.
Die structuurverandering leidde tot een nieuw kapitalisme en tot een nieuwe
organisatie van de samenleving. Netwerken zijn voor de huidige tijd wat
fabrieken voor de industriële revolutie waren. Eigenlijk zien we nu
het omgekeerde proces: de decentralisatie en de desintegratie van grote
verticale organisaties in zeer flexibele netwerken van kleine, verspreide
eenheden: individuen, bedrijven en bedrijfjes die veranderlijk zijn en
zich goed kunnen aanpassen aan gewijzigde omstandigheden. Zo'n netwerk
kan vaak veel effectiever werken dan een grote onderneming. ... De netwerkorganisatie
is mogelijk geworden doordat we nu de beschikking hebben over informatietechnologie.
Gecomputeriseerde gegevens die overal ter wereld in te voeren en op te
roepen zijn. Die technologie stelt ons in staat te werken als een eenheid
- terwijl we ons op verschillende plaatsen bevinden en vaak ook tot andere
organisaties behoren. Neem Benetton. Wat is Benetton? Een netwerk van activiteiten,
een multinational die uit een klein Italiaans familiebedrijf is gegroeid.
Het zijn 5.000 verkooppunten over de hele wereld, die twee taken hebben:
de Benetton-producten verkopen en verder niets, en informatie verstrekken
over de verkoop aan het hoofdkantoor. Welke kleuren lopen goed? Welke modellen?
Die informatie wordt meteen omgezet in productieorders, die ook weer een
netwerk ingaan: een los verband van kleine bedrijfjes in Turkije en Zuid-Italië
die de kleding produceren."
Met deze visie in je achterhoofd kun je een groot
aantal ontwikkelingen duiden.
-
Macht in onze samenleving. Je bent niet meer machtig
omdat je veel geld hebt of een hoge positie in de politiek of het bedrijfsleven,
nee, je bent machtig als je in veel netwerken zit en makkelijk kunt switchen.
Daarom neemt het bankwezen in deze tijd zo'n belangrijke positie in, want
overal is voor alle activiteiten wel geld nodig, zodat banken overal komen
en zo over belangrijke informatie beschikken.
-
Flexibiliteit is een levensvoorwaarde in de moderne
samenleving. Alles verandert snel, dus je moet snel op veranderingen kunnen
inspelen. Dat geldt voor bedrijven, en dat betekent: snel je productie
en je product kunnen aanpassen, zelfs de plaats van de productie als dat
lucratiever is, snel mensen ontslaan, e.d. En voor de werknemer betekent
het dat hij/zij ervoor moet zorgen op veel plaatsen inzetbaar te zijn.
De relatie tussen werkgever en werknemer komt onder druk te staan en zo
wordt iedere individu wordt bijna gedwongen een kleine ondernemer te worden.
Wie dat niet kan, om welke reden dan ook, komt niet meer aan de bak. Het
geldt ook voor regio's: als ze niets aantrekkelijks weten te bieden, kunnen
ze zomaar uit de gratie raken. Daarom komen landen onder de druk te staan
om bijvoorbeeld de sociale zekerheid af te zwakken, de minimumlonen te
verlagen, aan bedrijven belastingvoordelen te gunnen. Dat kan leiden tot
een tweedeling, tussen mensen, tussen bedrijven, tussen regio's en landen.
Survival of the 'flexiest'.
-
Door die netwerken en door die flexibilisering zie
je dat de samenleving steeds verder versplinterd raakt. Er zijn weinig
bindingen meer, de relaties worden losser. In de economie heeft een bedrijf
niet meer automatisch een band met een bepaalde regio of een land. Ook
de productie moet flexibel zijn en daarmee ook de werktijden. Maar dat
heeft weer gevolgen voor het gezinsleven. Maar je ziet ook dat de massamedia
zich steeds meer op bepaalde doelgroepen richten, en er komen er tegelijk
steeds meer van, zodat er op dat terrein van gezamenlijkheid nauwelijks
sprake meer is.
-
· Het is een samenleving waarin er steeds
meer te kiezen valt, waarin weinig vaste patronen meer zijn. Het heeft
gevolgen voor de identiteit van mensen. Er wordt wel gezegd: we hebben
niet meer één identiteit, maar een heleboel verschillende.
Ze zijn niet meer geïntegreerd in één geheel, maar staan
naast elkaar: werknemer, mantelzorger, moeder, buurvrouw maar ook gesprekspartner
via internet met mensen ver weg, kerklid, lid van een milieuorganisatie
maar ook automobilist en ga zo maar door. We switchen van het één
naar het ander. Vaak doen we in die verschillende rollen ook nog eens tegenstrijdige
dingen. Eigenlijk worden we daar ook bijna toe gedwongen door ons gefragmentariseerde
bestaan. En ieder stelt helemaal op zichzelf die eigen identiteit samen:
het is een heel individualistische samenleving geworden. Ieder zoekt wat
van zijn of haar gading is, ook in de kerk.
-
We zien ook dat die explosief toegenomen internationalisering
leidt tot verwestersing: westerse producten en gewoonten gaan de wereld
over en aloude waarden- en normensystemen worden aangetast. En vaak wordt
dat in andere culturen ervaren als een bedreiging van de eigen identiteit.
Je ziet dat dat bij ons soms leidt tot het weer sterker benadrukken van
de eigen streekidentiteit (streekproducten e.d.), maar zeker in landen
waar mensen het minder goed hebben kan het ook leiden tot fundamentalisme
en zelfs uitlopen op terrorisme.
-
De politiek komt eigenlijk steeds achter de globalisering
aanlopen. Als de economie internationaler wordt, moet de politiek dat ook
om nog enige invloed uit te oefenen. Dat proberen we nu in de EU. Maar
dat is een pijnlijk proces omdat we dus niet meer alles zelf kunnen beslissen
als land. En bovendien komt de besluitvorming steeds verder weg te liggen,
en krijgen mensen het gevoel dat ze dat niet meer kunnen beïnvloeden.
En tegelijk zijn er ook heel veel zaken die op een lokaal en regionaal
niveau geregeld worden (politie, cultuur, onderwijs). Castells: "Nationale
regeringen worden dus steeds meer bemiddelaars tussen supranationale en
lokale instellingen. Besturen komt neer op: je weg weten te vinden in het
netwerk. Politici en bestuurders kunnen geen bevelen geven; ze moeten leren
hoe ze door de netwerken kunnen navigeren. Ze moeten de verbanden doorzien,
proberen nieuwe verbindingen te leggen, mensen, bedrijven en instellingen
aan elkaar knopen. Doen ze dat niet, dan is hun rol uitgespeeld.'' Met
dat moeizame proces hebben we op het moment te maken, en populisten kunnen
op de onvrede en angst die dat veroorzaakt goed inspelen.
Op heel veel terreinen hebben de beschreven processen
gevolgen, positieve en negatieve, dat is wel duidelijk uit wat ik net beschreef.
Meer reizen, maar daardoor ook meer vervuiling. Lagere prijzen voor producten,
maar daardoor ook uitbuiting. Meer informatie, maar daardoor ook gevoelens
van machteloosheid. Negatieve gevolgen van globalisering zien we zowel
in de rijke als de arme landen.
2. Economische globalisering
Wat ik net schetste, is een heel breed beeld
van globalisering: cultureel, politiek, sociaal en economisch. Meestal
echter gaat het bij globalisering vooral over de economische globalisering,
omdat de effecten daarvan op het dagelijks leven van mensen over de hele
wereld zo groot zijn.
De heersende denklijn is: laat globalisering,
ook economische globalisering zijn gang gaan. Dat is uiteindelijk voor
iedereen het beste. In economische zin betekent dat: een pleidooi voor
een liberaal beleid, d.w.z. geen belemmeringen opwerpen voor de internationale
stromen van kapitaal, producten en mensen. Overigens niet helemaal consequent,
want het geldt niet voor mensen die elders willen gaan werken en leven.
Dat is het zogenaamde neoliberale denken over
de economie, waarin voorrang wordt gegeven aan ongebreidelde concurrentie
en het zeker stellen van winsten. De kernwoorden daarvan zijn: structurele
aanpassing van de economie aan de wereldmarkt, meer markt, privatisering,
nadruk op economische groei, liberalisering. Er wordt gesproken over 'de
tucht van de markt' die een gezonde uitwerking zou hebben. De aanhangers
van de neoliberale doctrine die hier gehanteerd wordt, zien dat als de
'normale' manier van denken, die logischerwijs door iedereen omarmd moet
worden en die de vrijheid een warm hart toedraagt. De vrije markt en het
begrip vrijheid in het algemeen worden hier als identiek beschouwd.
Je ziet die manier van denken terug in instellingen
als het IMF en de Wereldbank, en met een reeks uitzonderingen waar het
gaat om het nationale eigenbelang ook in veel landen, de VS voorop. En
die benadering wordt overal uitgedragen, en in veel gevallen ook opgelegd.
Denk bijvoorbeeld aan de landen van de Derde Wereld die, om in aanmerking
te komen voor hulp gedwongen zijn een dergelijk beleid te voeren: ze mogen
de eigen industrie niet beschermen, ze worden gedwongen de electriciteits-
en watervoorziening te privatiseren en dergelijke.
Er is één grote wereldmarkt waarop
bedrijven én landen met elkaar concurreren. Bedrijven zijn steeds
minder locaal gebonden en managers vergelijken hun salaris niet met dat
van hun buurman maar met die van managers uit de hele wereld. In het bedrijfsleven
zien we in het algemeen een tendens dat het meer zo wordt dat bedrijven
er zijn om 'aan' te verdienen (excessieve beloning topmanagers, verkoop
van onderdelen-hedge-funds, hoge winsten, 'shareholdersvalue') dan om 'in'
te verdienen (belangen van werknemers). Het gaat niet meer om het product
en het voortbestaan van het bedrijf, maar om het korte termijn financiële
belang.
Marktdenken
Ook bij ons zie je dat op allerlei terreinen
een marktbenadering wordt ingevoerd: in het onderwijs, de gezondheidszorg,
openbaar vervoer, nutsvoorzieningen.
Dat betekent twee dingen: werken op de manier
van de markt, met alle beperkingen van dien, maar ook dénken op
de manier van de markt.
-
Op de markt is niet in tel wat niet in geld vertaald
kan worden. Dat geldt voor het milieu, maar ook voor allerlei zaken waaraan
we in het intermenselijk contact behoefte hebben: aandacht, zorg.
-
Op de markt staan winst en eigenbelang voorop en
als die voorop staan, moet je soms dus mensen ontslaan.
-
Dan moet je gaan concurreren, moet je een bepaalde
doelgroep kiezen en andere verwaarlozen
-
en kun je je het niet veroorloven om ook een product
te bieden voor te kleine groepen of voor niet-kapitaalkrachtige groepen.
Dat betekent bij ons: naar kleine gemeenschappen geen openbaar vervoer
en in arme landen: naar kleine of arme gemeenschappen geen water of electriciteit.
Je zou kunnen zeggen: doordat onze samenleving ervoor
kiest op veel meer plaatsen marktwerking toe te laten, heeft het economisch
denken zich ook meester gemaakt van andere sectoren van het leven dan alleen
de economische sector.
We zien een economisering van het leven ontstaan:
met gevolgen voor het hele leven, hier en elders, en zelfs voor het normen
en waardenpatroon in onze eigen samenleving.
-
Een pleidooi voor volledig vrije handel, met als
gevolg dat landen niet de kans krijgen eerst intern een sterke economie
op te zetten voor ze de concurrentie aangaan. Ik denk dat Jan Gilhuis hier
wel meer over zal zeggen.
-
Geld is steeds belangrijker geworden, ook voor kinderen.
Er is een hele reclame-industrie ontstaan die zich op kinderen richt. Kinderen
zijn belangrijke consumenten geworden. Maar daarvoor moeten ze ook geld
hebben, en daardoor hebben scholieren en studenten bijbaantjes, die al
te vaak de studie in de weg staan.
-
Willens en wetens zijn en worden wij tot calculerende
burgers gemaakt. Denk aan de zorgverzekering: iedereen moest kiezen, en
niemand zat erop te wachten.
-
Het wordt - ook door de regering die we nu hebben
- voorgesteld dat we alleen maar te sturen zijn door prijsprikkels. Dat
mensen ook geleid zouden kunnen worden door solidariteit of door zorg,
wordt vergeten en dat je ook aan bewustwording zou kunnen doen, daar deinst
men voor terug want dat is bevoogdend, zegt men. Wat voor mensbeeld zit
daar achter, en wordt daarmee bevorderd?
-
Alles moet renderen, ook de natuur. Zo zie je dat
op allerlei plaatsen luxe bungalows gebouwd moeten worden, want anders
rendeert de grond te weinig voor de eigenaar.
-
Alle nadruk is op betaald werken gelegd. Vergeten
wordt dat opvoeden en zorg tijd en energie kosten. Dat heeft verregaande
gevolgen: voor kinderen en anderen die zorg nodig hebben. Maar ook op andere
terreinen: doordat er door tweeverdieners meer geld onder de mensen is,
stijgen de huizenprijzen. Banken verstrekken hypotheken op een dubbel inkomen,
en daardoor zitten mensen helemaal vast. En dan wordt geld en een hoog
inkomen nóg belangrijker voor mensen en krijg je de situatie die
je nu ziet dat mensen de nieuwe regeringsplannen alleen afmeten aan de
hand van de vraag of ze er zelf beter van worden.
-
Tot in de kerk aan toe zien we een economisch taalgebruik
zijn intrede doen ('de core-bussiness van de kerk', 'vraaggericht werken'
e.d.), maar het blijft vaak niet bij de taal alleen. We zien een economisering
van ons bestaan die ertoe leidt dat financiële overwegingen steeds
vaker uiteindelijk de doorslag geven in onze samenleving, ook bij zaken
als onderwijs, gezondheidszorg, milieu. De scheidsrechter over wat goed
of kwaad is in de economie, maar ook in andere terreinen van de samenleving,
is het geld geworden. En er wordt steeds vaker gestuurd op het geld, en
alles wordt omgerekend in geld. Er moet verdiend worden. Er moet geconsumeerd
worden. 'Gij zult begeren' is de stelregel van onze economie. Je bent gek
als je niet je financiële eigenbelang voorop zet. Een 'voor-wat-hoort-wat'
houding en een 'ieder-voor-zich' houding lijkt steeds vaker normaal te
worden.
Dat niet geld, maar onderling vertrouwen, aandacht,
zorg, de dingen die we gemeenschappelijk hebben, het cement van onze samenleving,
en óók van onze economie zijn, wordt maar al te vaak vergeten.
En daardoor worden die zaken ook niet gekoesterd, beschermd. Maar als dat
cement eenmaal verdwenen is, krijg je het niet zo gemakkelijk weer terug.
Ik denk dat daar voor de kerken een heel belangrijk aandachtspunt ligt
en zou daarover straks graag ook verder met u in gesprek willen gaan. Herkent
u het beeld dat ik hier schets in wat u zelf tegenkomt?
3. Kerken en globalisering
Maar eerst wil ik nog wat vertellen over hoe
de kerken met deze vragen omgaan. Onze kerken houden zich al heel lang
bezig met vragen op het terrein van de economie. De laatste 15 jaar is
dat steeds intensiever gebeurd, maar helaas klinkt daar maar weinig van
door in de plaatselijke kerken. Er vinden verspreid over de wereld oecumenische
bijeenkomsten plaats en in de verslagen daarvan tref je vaak de klacht
aan van kerken uit de Derde Wereld dat ze zo weinig horen van hun broeders
en zusters uit de rijke landen. 'We zijn één wereldwijde
gemeenschap als kerk, één van de oudste voorbeelden van globalisering,
een grensoverschrijdende gemeente, lichaam van Christus. Als één
lid lijdt, zo belijden wij, en jullie ook, lijden de anderen mee (1 Cor.12:26).
Waarom, zo vragen de kerken in landen die lijden onder economisch en politiek
onrecht, is het dan zo stil bij jullie, terwijl jullie het in zoveel opzichten,
in ieder geval materieel, beter hebben? Zijn jullie soms bezweken onder
de verleidingen van het huidige economische systeem, en zien jullie niet
meer wat het met andere mensen, dichtbij en verweg, doet? Hebben jullie
wel voldoende oog voor wat er gaande is, ook in jullie eigen samenleving:
een groeiende kloof tussen arm en rijk, mensen die buiten de boot vallen,
zorg
die onbereikbaar wordt, commercialisering van het hele leven, consumptie
als hoogste doel in het leven, leegloop van de kerken, milieuaantasting,
en ondanks de groeiende rijkdom gevoelens van onbehagen.
Ik wil proberen kort iets te vertellen over de
discussie over economische globalisering in twee internationale oecumenische
verbanden waar de Remonstrantse Broederschap deel van uitmaakt: de WARC
en de Wereldraad van Kerken.
De WARC
De WARC (World Alliance of Reformed Churches
(2)) besloot begin jaren '90 de aangesloten kerken te vragen om zich te
bezinnen op de wereldwijde economie. Het past in de traditie van de kerken
van de WARC dat ze dat op een heel diepgaande manier wilden doen. Niet
alleen goed kijken naar wat er precies in de wereld gebeurt, maar ook naar
wat de bijbel daarover zegt en hoe dat raakt aan het belijden van de kerk.
Er zijn door de WARC toen over de hele wereld bijeenkomsten georganiseerd
waarop men met elkaar over die onrechtvaardige situatie sprak en over wat
dat voor ons als gelovigen betekent. In 1995 bijvoorbeeld was er een WARC-bijeenkomst
in Manilla waar mensen uit de Derde Wereld vertelden over wat er in hun
landen gebeurt als ze de structurele aanpassingsprogramma's moeten uitvoeren
die het IMF en de Wereldbank ze voorschrijven. Alles wordt in dienst gesteld
van de groei van de economie, ook al blijkt dat vaak niet te werken. Kunstmatige
behoeften worden opgeroepen door reclame, er moet worden geprivatiseerd
en geliberaliseerd, en dat betekent zeker in de armste landen dat de weinige
bescherming die er was voor de armen, wegvalt. Er werd ook gesproken over
de 'commodificatie' van het leven: het hele leven wordt in feite handelswaar,
zelfs mensen worden handelswaar. Na een reeks van dergelijke bijeenkomsten
werd in 1997 in Debrecen tijdens een Algemene Vergadering (die eens in
de 7 jaar plaatsvinden) door de WARC gezegd: het bezig zijn met deze vragen
is voor ons als kerken niet zomaar iets dat we 'erbij' doen, nee, het heeft
te maken met ons geloof. Men wilde gaan toewerken aan het formuleren van
een belijdenis in relatie tot het economisch leven. Het grote voorbeeld
was de belijdenis die voortkwam uit de strijd van de belijdende kerk in
Duitsland ten tijde van het nazisme. Die kerk verzette zich tegen de rest
van de Duitse kerk die zich aansloot bij Hitler. De belijdende kerk zei
toen: 'wij verwerpen de valse leer als zouden er terreinen van het leven
zijn waarin we niet aan Christus maar aan andere meesters toebehoren'.
Daarbij gebruikte men het woord 'status confessionis': dat wil zeggen we
zijn in een situatie terecht gekomen waarin we door de omstandigheden gedwongen
zijn om ons uit te spreken vanuit ons geloof, een situatie waarin niets
doen en niets zeggen het verloochenen van ons geloof zou zijn. De Algemene
Vergadering van de WARC vroeg de lidkerken toen zich te begeven in een
'processus confessionis': een proces waarin men met elkaar zou gaan ontdekken
wat onze plichten en taken zijn als gelovigen in deze wereldverhoudingen.
Wat is het precies in situaties van onrecht dat
leidt tot de uitspraak dat het hier gaat om de kern van het belijden?
Je zou kunnen zeggen: zodra mensen middel worden
in plaats van doel, of zelfs geen middel meer omdat ze worden uitgesloten,
en de gemeenschap wordt verbroken, worden in feite door ons andere goden
aanbeden dan de God die Zijn volk uit Egypte bevrijdde.
Na weer heel veel bijeenkomsten van studie en
reflectie, kwam toen de volgende Algemene Vergadering in Accra bij elkaar
in juli 2004 en dat leidde tot de Accra-verklaring. Die verklaring heeft
inderdaad de vorm van een belijdenis, van vier bladzijden. Daarin onder
meer:
We geloven dat God een God
van gerechtigheid is. In een wereld van corruptie, uitbuiting en hebzucht
is God op een bijzondere manier de God van de behoeftigen, de armen, de
verschoppelingen en de misbruikten (Psalm 146: 7-9). God roept op tot rechtvaardige
verhoudingen met al het geschapene.
Daarom verwerpen wij iedere ideologie
of economisch regiem dat winst boven mensen laat gaan, geen zorg draagt
voor de hele schepping en dat de gaven van God die bedoeld zijn voor iedereen,
privatiseert. Wij verwerpen iedere leer die - in naam van het evangelie
- diegenen rechtvaardigt die zo'n ideologie ondersteunen of zich er niet
tegen verzetten.
Verworpen worden bijvoorbeeld: systemen van uitsluiting
van kwetsbare mensen en de vernietiging van de schepping (19), buitensporig
consumentisme, wedijverende hebzucht en het egoïsme van de neoliberale
wereldmarkt (21), ongebreidelde opeenstapeling van rijkdom en onbeperkte
groei (23), iedere theologie die beweert dat God alleen met de rijken is
en dat armoede een fout is van de armen; die menselijke belangen boven
de natuur laat gaan (27), iedere kerkelijke praktijk of leer die de armen
en de zorg voor de schepping niet tot haar opdracht rekent en die mistoestanden
goedkeurt (29).
Naast de belijdende tekst van Accra was er ook
een andere tekst over gerechtigheid en milieu, waarin ook een concreet
actieplan wordt gepresenteerd met onderwerpen als:
-
de thematiek in kerken aan de orde stellen en solidariteitsacties
houden;
-
levensstijl
-
ethische beleggingen
-
eerlijke handel
-
corruptie aanpakken
-
netwerken tussen onderzoeksinstellingen van de kerken
op economische en milieu gebied
-
acties op het terrein van milieu
-
gendergelijkheid
-
lobby op allerlei gebied bij de overheid (eerlijke
handel, belasting, kwijtschelding schulden, milieu, mensenrechten, acties
tegen criminele economische activiteiten e.d., lobby bij bedrijfsleven,
bij internationale organisaties
Zo is er natuurlijk nog veel meer, in allerhande
documenten.
Er is nogal wat kritiek op die verklaring gekomen,
vanwege de radicale bewoordingen en vanwege het gebruik van woorden als
'empire' en 'neoliberale ideologie'. Dat verzet kwam vooral uit West-Europa;
de kerken uit de VS waren er juist voorstander van. Uiteindelijk werd de
tekst toch unaniem aanvaard.
Maar tegelijk komen er toch vragen bij je op:
-
waarom is hij unaniem aanvaard? Uit innerlijke overtuiging,
of om anderen niet voor het hoofd te stoten, wetend dat papier geduldig
is?
-
spreekt het begrip 'belijden' nog wel aan, ook al
is daarmee niet bedoeld nieuwe leerstellingen te propageren?
-
zijn onze kerken niet te veel geïndividualiseerd,
zodat van een gezamenlijk oppakken van deze vragen geen sprake meer kan
zijn?
-
zijn wij in onze samenleving al niet teveel geïnfecteerd
door het economisch denken om er nog weerstand aan te bieden? Hebben we
er eigenlijk wel zoveel bezwaar tegen?
-
Een probleem is ook dat de meeste kerkleden - door
een veelheid aan oorzaken - weinig meer geïnteresseerd zijn in oecumenische
verbanden. De wereld globaliseert en de kerk - de eerste globaliseringsbeweging
- provincialiseert. Maar kun je kerk zijn zonder een levende relatie met
mensen buiten de kerk, dichtbij en verweg?
AGAPE-rapport en de Wereldraad-assemblee in
Porto Alegre
Ook binnen de Wereldraad is er veel aandacht
voor globalisering. Tijdens de Assemblee van Harare in 1998 noemde de Wereldraad
van Kerken 'globalisering' de belangrijke oorzaak van veel onrecht in onze
tijd. Met globalisering bedoelde men niet zozeer het - nog neutrale - ontstaan
van een wereldsamenleving, maar heel specifiek het economische en politieke
project van een wereldwijd opererend kapitalisme, dat gebaseerd is op een
neoliberaal economisch denken waarin alles draait om winst en competitie.
Dat leidde tot een aanbeveling:
'De logica van de globalisering moet
worden uitgedaagd door een alternatieve manier van leven en van gemeenschap
(...) Christenen moeten weerstand bieden tegen de eenzijdige overheersing
door economische en culturele globalisering'.
Dat zijn voor het spreken van de Wereldraad over
deze zaak kenmerkende woorden: het gaat om weertand bieden, om een alternatief
aan te dragen om structuren te transformeren.
Harare was de start voor een intensief bezinningsproces
dat gaandeweg de naam AGAPE kreeg. Dat is de afkorting van Alternatieve
Globalization Addressing People and Earth (letterlijk: alternatieve globalisering
die zich richt op mensen en de aarde) maar ook het bijbelse woord voor
de overvloedige genade en liefde van God. Het proces werd samengevat in
een boekje met dezelfde naam, waarin de uitkomsten van tientallen bijeenkomsten
over de hele wereld zijn verwerkt. De Wereldraad en de andere internationale
oecumenische organisaties (de WARC en de Lutherse Wereldfederatie) belegden
in het kader van het AGAPE-proces in samenwerking met regionale en nationale
raden van kerken over de hele wereld consultaties.
Wat opvalt in het hele document is dat daarin
enkele begrippen centraal staan, die in een Nederlandse vertaling eigenlijk
niet goed tot hun recht komen. Zo wordt er regelmatig gesproken over 'transformative
justice', wat we vertalen met veranderende en vernieuwende gerechtigheid.
Dit begrip wordt gebruikt om aan te geven dat wat nodig is niet maar enkele
verbeteringen in het systeem zijn, maar kwalitatieve veranderingen die
het systeem in de kern veranderen, doordat het anders gericht wordt. Op
dezelfde manier spreekt het document over 'transformative communities':
groepen mensen die het geloof leven (live the faith, ook een veel gebruikte
term), wat wil zeggen leven in de geest van de agape van God. Die
transformatie komen we ook tegen in het thema van de assemblee, de bede
'God, in Uw genade, vernieuw de wereld'.
Het AGAPE-document is praktische en concreter
dan het Accra-document (het is dan ook geen belijdenis); het heeft hoofdstukken
over handel, landbouw, schulden en milieu en het komt ook met een reeks
aanbevelingen (die weer dicht aanliggen tegen de aanbevelingen uit andere
documenten van de WARC).
De Accra-verklaring en het AGAPE-document kregen
allebei veel tegenstand van kerken uit West-Europa. Die vonden het allemaal
te radicaal en meenden dat het systeem minder slecht is dan het voorgesteld
wordt en dat we er met wat aanpassingen wel een goede draai aan kunnen
geven. De Accra-verklaring is uiteindelijk wel unaniem aanvaard, over het
AGAPE-document is eigenlijk geen besluit genomen. Dat is op zich niet zo
erg. Veel belangrijker is dat in de kerken over de problematiek die de
documenten aansnijden gesproken wordt, zoals wij dat vanavond doen. Dat
we ons gaan afvragen wat onze rol is in de wereldwijde economie, en hoe
we daar als gelovigen tegenaan kijken. In Porto Alegre was het motto: 'God
in Uw genade, vernieuw (transformeer) deze wereld'. En bij de bespreking
van het AGAPE-document werd dat ook vertaald in de bede: 'God, transformeer
ons'. We zullen het moeten hebben over onze transformatie.
Zie voorts:
de publicaties van Oikos over de thematiek op
www.stichtingoikos.nl
en op www.geloofwaardige-economie.nl
Greetje Witte-Rang
e-mail: witte.rang@hccnet.nl
26 september 2007
Noten
(1) Manuel Castells: The Information
Age: Economy, Society and Culture. Oxford. Volume I: The Rise of the
Network Society (1996); Volume II: The Power of Identity (1997); Volume
III: End of Millennium (1998)
(2) De Remonstrantse Broederschap
werd lid van de International Congregational Council, vanwege de verwantschap
die (in de hulpverlening van de Amerikaanse Congregationalisten aan Europa
na de oorlog) gevoeld werd met de congregationalisten die erin slaagden
vrijzinnigheid en orthodoxie in zich te verenigen. De Council fuseerde
in 1970 met de World Alliance of Reformed Churches (WARC), zodat vanaf
dat moment de Remonstranten ook deel uitmaakten van de WARC. |
|
|
|
|
|
|
|