De Waalse Kerk wordt altijd een kerk genoemd, maar kapel zou een betere benaming zijn, want daarvan heeft het gebouw de kleinere omvang en de intimiteit. Bovendien is het bouwwerk zijn geschiedenis begonnen als kapel, vermoedelijk in 1525. In elk geval was er in 1530 een inwijding van de kapel én van het klooster, dat toen vermoedelijk bestond uit een zusterhuis, een kapel, een ziekenzaal, enkele woningen maar ook een bakkerij, een spinnerij en een bierbrouwerij. Al die gebouwen en gebouwtjes stonden in een soort carré tussen de Grote Kerkstraat, de Kleine Hoogstraat, de Speelmanstraat en de Bonte Papensteeg, alle in het hart van Leeuwarden: een vroom en toegewijd vierkant.
De kapel is in Leeuwarden bekend gebleven onder de naam Waalse Kerk,
al wordt er sporadisch nog een dienst in de Franse taal gehouden, zoals
dat vroeger wel het geval was.
Bijna vijf eeuwen oud, die kapel. Hierboven zijn wij teruggegaan tot
1525. Er kan nog een stapje verder terug worden gegaan. Het echte begin
was in 1507. Een jonge weduwe, Welmoed Hermans, vroeg en kreeg van het
stadsbestuur toestemming om een nieuwe kloostergemeenschap van Dominicanessen
te stichten. Er ontstond zo aan de Grote Kerkstraat een kloostercomplex,
dat ook door de bisschop van Utrecht en door de landsheer, Karel V, werd
erkend. De bewoonsters van het klooster wijdden zich aan gebed en meditatie,
in afzondering en zo weinig mogelijk afhankelijk van anderen. Vandaar de
bakkerij en spinnerij, vandaar ook de veestallen en de 'molkenzuster',
die zorgde voor de bereiding van melk en boter.
De in witte pijen gehulde zusters kregen de naam 'witte vrouwen'. Maar
ze werden ook de zingende zusters genoemd. Dat wijst op hun muzikale activiteiten.
Die waren in de kerk grotendeels voorbehouden aan de priesters of aan een
koor. Het volk zong niet of nauwelijks, want, zegt een rooms rijmpje later:
'de sangh is voor het koor, het volk behoort te bidden'. Dat muziek goed
stond aangeschreven in het Witte Vrouwen klooster blijkt uit het feit dat
er ( en dat is opmerkelijk vroeg ) een orgel moet zijn geweest en dat het
klooster zelfs een woning kende voor een organist.
In 1580 verstomde de zang van de zusters. De Hervorming won het pleit. De kerken gingen over in protestantse handen, en het klooster werd aan de zusters ontnomen. De kapel bleef leeg achter. Maar in de volgende eeuw kreeg ze weer een functie. Leeuwarden was toen niet alleen een hoofdstad maar ook een hofstad. De hofhouding van de Nassaus trok onder meer Frans sprekenden aan, die in ons land Walen werden genoemd. Omdat ze verlangden naar een evangelieverkondiging in hun eigen taal vroegen ze om een daartoe passende ruimte. Daartegen kon geen bezwaar zijn. De Walen waren ook calvinisten, hun verlangen was legitiem. En zo kreeg op verzoek van de Staten van Friesland de Waalse gemeente de kloosterkapel in bruikleen. Sindsdien heet ze de Waalse Kerk en bleef zo heten, ook nadat in 1888 de gemeente werd opgeheven.
De Remonstrantse Gemeente Leeuwarden maakt na haar oprichting gebruik
van de Waalse Kerk voor het houden van haar kerkdiensten.
Uiterlijke pracht heeft de kerk niet. Het meest opvallend is haar kleur,
oker, die de gevel doet oplichten uit de lange rij gevels aan de oostzijde
van de Grote Kerkstraat. Ook het interieur is eenvoudig.
Maar één kerkmeubel is bijzonder, het orgel uit 1740.
Het is gebouwd door Johan Michaël Schwartzburg en het is aan de kerk
ten geschenke gegeven. Door Maria Louise van Hessen-Kassel is er tot voor
kort altijd gezegd. Maar dat is onjuist. In de stukken wordt namelijk gesproken
over Hare Koninklijke Hoogheid. Die titel voerde Marijke Meu niet. Ze was
voorbehouden aan haar schoondochter, Anna van Hannover, dochter van de
Engelse koning George II. Anna huwde in 1734 de Friese stadhouder Willem
Carel Hendrik Friso. Ze verhuisde van het grote Engelse hof naar het zoveel
kleinere hof in Leeuwarden. Dat was wel wennen. Maar ze bracht in Leeuwarden
muzikale luister aan; een orgel voor de Waalse Kerk. Gedeputeerde Staten
lieten zich niet onbetuigd. Ze geven in 1742 Jaan Oenema opdracht het fraaie
rugstuk van het orgel te snijden, met de wapens van de prins en de prinses.
Kort daarna is ook de 'kraak' aangebracht, die sierlijke rococo lijnen
door het interieur trekt.
Bij de restauratie van de kerk in de jaren tachtig van de vorige eeuw
heeft het orgel zijn oorspronkelijke kleuren teruggekregen. Eind 2001 is
ook de restauratie van de orgelpijpen voltooid, zodat het orgel nu weer
bespeeld kan worden.