PREKEN

ds At Ipenburg (predikant RGZL 2004-2006)

 

 

 

Van God verlaten ...
Bij God is niets onmogelijk

Jullie wegen zijn niet mijn wegen, zo spreekt de Heer

"Jezus zag haar en riep haar" Een genezing op de sabbat.
Niets zal voor jullie onmogelijk zijn
Mystiek en het dagelijkse leven
De Bergrede
"En ze werden vervuld van de Heilige Geest."
Wie is de belangrijkste?
Volg de goede herder en luister naar zijn stem
De eerste zondag
Het gesprek bij de bron

De Papoeabijbel
Gods kleinheid en de grootheid van de mens

De doop van Jezus in de Jordaan en de tsunami

Preken in het Engels / Sermons in English
"Diversity"

What is the Meaning of Christmas?

 

 

Bij God is niets onmogelijk
Doopdienst, zondag 27 augustus 2006, Sint Janskerk, Maastricht
Lezingen: Gen 18: 1-15; Marcus 6: 32-44

Veel mensen ervaren de geboorte van hun kind als de meest bijzondere gebeurtenis in hun leven. Er is een nieuwe mens en dat is jouw kind. Je leefde er al naar toe sinds je wist dat je zwanger was. Het is een wonder. Je zou misschien wel de straat op willen gaan en dansen en iedereen toeroepen: Ik ben vader of ik ben moeder geworden, en mijn kind heet zo en zo. In de vreugde van zo’n ouderpaar willen we allemaal delen als vrienden en familie.

 Helaas is het hebben van een kind niet voor iedereen weggelegd. We leven wel in een moderne tijd, die individualistisch is, waar misschien vaak carrière voor het hebben van kinderen gaat. Toch blijkt dat wanneer je echt geen kinderen kan krijgen je dit ervaart als een zwaar noodlot. Iemand die dit ten deel viel zei erover:  Overal zie je kinderen, je ziet crèches en kleuterscholen met wachtende moeders, mensen praten over hun kinderen, je ziet kinderwagens – en jij bent er geen deel van en je bent voorgoed buitengesloten van dit geluk. Je voelt een gemis, een voortdurende pijn. Je voelt je een incompleet mens.  

Vanuit de dankbaarheid om de geboorte van hun kind ligt het besluit van deze ouders om het te laten dopen. Wat betekent de doop in onze moderne, geseculariseerde wereld. Wat wil je aan je kind geven als je het laat dopen? In de eerste plaats geef je, denk ik, aan dat de relatie met God belangrijk is in je verhouding als ouders tot je kind. Het kind is zelf gave van God, een klein wonder. Jezus zelf zegt, met nadruk:  “Laat de kinderen tot mij komen”. Hij stelt ons de kinderen tot voorbeeld. We moeten proberen zelf weer als een kind te worden. De doop geeft ook aan dat je het kind niet beschouwt als een privé bezit. Je hebt het te leen en je voedt het op tot zelfstandigheid. De doop is zelf een gave. God’s liefde is genade. Het is de basis en de grond van ons leven, net zo als de liefde van zijn vader en moeder dat is voor een kind.

De eigenlijke doop is het aanroepen van de naam van God, en het besprenkelen van het voorhoofd van het kindje met een klein beetje water. Het gaat niet om de hoeveelheid water. Ook bij een paar druppels gaat het om een echte doop. Met die doop krijg je deel aan de kerk van Christus. Dit is ruimer dan een individuele kerk, zoals de remonstrantse broederschap, de protestantse kerk of de rooms-katholieke kerk. Die zijn elk deel van de kerk van Christus. Wat al die kerken gemeenschappelijk hebben is die doop, zoals die zojuist heeft plaatsgevonden. . 

Wat kunnen we van een kind leren? Ik denk spontaniteit, directheid, eerlijkheid, aanvaarding en vertrouwen. Een kind is in feite niet in staat om zonder hulp van de ouders in het leven te staan. Hij heeft hen nodig voor zijn voeding, zijn onderdak, zijn kleding, zijn herstel wanneer hij ziek is. Het is zich die afhankelijkheid waarschijnlijk niet bewust, anders zou hij voortdurend bang zijn dat hem het allemaal afgenomen zal worden. De afhankelijkheid is deel van zijn werkelijkheid waar hij geen vragen bij heeft, die hij accepteert in vertrouwen. Kunnen wij ook een dergelijk geloofsvertrouwen hebben en geloven in de zorg en liefde van God die ons leidt en ons leven bepaalt? Kunnen we zo’n geloofsvertrouwen ook hebben met betrekking tot alles wat in de wereld gebeurt, de angst voor terroristische aanslagen, de oorlog in Libanon, Irak en Afghanistan?

De doopouders wilden graag in deze dienst aandacht voor twee bijbelgedeelten, die erg belangrijk voor hen zijn. Het eerste verhaal is de aankondiging van de geboorte van Isaac, wat ook de naam Isaac verklaart. Het tweede verhaal is dat van de wonderbare spijziging van 5.000 mensen.

Rondom de geboorte van Isaac vindt veel lachen plaats: lachen uit ongeloof en lachen uit dankbaarheid. De naam Isaac betekent dan ook “Hij lacht”. Dat wensen we Isaac ook toe dat hij veel zal lachen en gelukkig zal zijn.  

Even voor het eerst gelezen gedeelte uit de bijbel staat het verhaal dat God Abraham belooft dat zijn nageslacht zo talrijk zal zijn als de sterren aan de hemel en als het zand aan de zee. Maar Abraham is al een oude man. Toch gelooft hij God. Als teken van de belofte van God en van zijn geloof laat Abraham zich besnijden. Op de derde dag na de besnijdenis, wanneer hij ziek is en koortsig, terwijl hij uitrust voor zijn tent, op het heetste van de dag, ziet hij plotseling drie bezoekers, die eruit zien als Arabische nomaden staan. Hij staat snel op, gaat hen tegemoet en nodigt hen met aandrang uit om bij hem te komen rusten. Hij biedt aan een klein beetje water om de voeten te wassen en wat brood om weer fris te worden. Tegelijk vraagt hij Sarah om vers brood te maken, en hij vraagt zijn bediende om te zorgen voor verse melk en om het gemeste kalf klaar te maken. Als spoedig komen de bezoekers met de boodschap, waarvoor ze gekomen zijn. Sarah zal over een jaar bevallen van een zoon. Sarah, die door de tentdeur het gesprek volgt, lacht in zichzelf. Weten de bezoekers dan niet dat ze al veel te oud is om kinderen te krijgen? Zijn ze zo naief dat ze niet weten dat ze al jaren na de overgang is? Sarah kan natuurlijk niet vermoeden dat de bezoekers anders zijn dan ze lijken: een stel rondtrekkende nomaden. Toch is haar ongeloof haar te verwijten. Maar de bezoeker verwijt het Abraham. Misschien heeft Abraham  de belofte, die God hem enkel dagen daarvoor had gedaan, niet met Sarah gedeeld. Misschien ook was hij niet in staat Sarah te overtuigen.  De bezoeker vraagt aan Abraham waarom Sarah lacht en herhaalt zijn belofte, en zegt “Bij God zijn alle dingen mogelijk.” Dat is ook de dooptekst die de ouders Isaac willen meegeven in zijn leven. 

Na de geboorte, die op het beloofde tijdstip plaats vindt, lacht Sarah opnieuw, maar nu van blijdschap. Ze zegt: God heeft gemaakt dat ik lach, en ieder die het hoort zal; om mijnentwil lachen (Gen 21: 6).  

Het vervolg van dit verhaal is een verhaal wat daarmee sterk contrasteert. God kondigt het oordeel aan over Sodom en Gomorra. Hier is een andere wereld. Zo gastvrij als Abraham was voor de drie  vreemdelingen, zo ongastvrij zijn de bewoners van Sodom en Gomorra. Ze hebben het gebruik om vreemdelingen fysiek geweld aan doen, hen te verkrachten en te doden. Toch pleit Abraham voor hen. Door de belofte van een zoon hij heeft hij nu de ruimte om te pleiten voor hen die het oordeel is aangezegd. Inderdaad worden Lot en zijn gezin gered voor de steden vernietigd worden. 

Jezus gaat naar een stille plek aan de overkant van het meer van Genesaret. Mar een grote mensenmenigte volgt hem. Hij spreekt hen toe. Aan het eind van de middag suggereerden de leerlingen dat het beter was om de mensen naar huis te sturen, zodat ze nog op tijd eten konden kopen. Jezus reageert door te zeggen: “Geven jullie hen te eten.” Een onmogelijke opdracht om zomaar 5.000 mensen te voeden. De kosten zouden 200 denariën. Een denarie is een dagloon. Maar ze hadden alleen vijf broden en twee vissen. Jezus vraagt Gods zegen over de maaltijd en geeft de leerlingen de opdracht om vervolgens het brood en de vissen uit te delen. Er blijkt voor iedereen meer dan genoeg. Met de restanten kunnen nog 12 manden gevuld worden.  

Dit is een opdracht om hopeloos van te worden. Mission Impossible. Hoe kun je zoveel mensen voeden, terwijl er niet genoeg is. Hoeveel mensen hebben honger op de wereld? Hoeveel mensen moeten van minder dan 1 Euro per dag rondkomen? Na dit verhaal uit de bijbel is er geen excuus om niet te beginnen met delen.  Dat is geloof. Als je bereid om te delen wat je hebt, is er genoeg voor iedereen. Op wereldschaal, en ook in ons eigen land en streek, is dit zeker waar. De dankbaarheid om wat je als genade ervaart, geeft je ook de kracht en de bereidheid om te delen.  

Wat ons, die hier in deze kerk aanwezig zijn, bindt is ons geloof. We zijn als zodanig allemaal kinderen van Abraham.  Ook al zie je je leven als een dorre woestijn. Eens zal die woestijn bloeien als een roos. Als gelovigen zijn we niet meer de realist, maar geloven dat het onmogelijke werkelijkheid kan worden. Laten we met de woorden van de dooptekst van Isaac verder gaan in ons leven en zeggen “Bij God zijn alle dingen mogelijk.” :
Amen      

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Van God verlaten ...
Preek zondag 25 juni Ontmoetingskerk Geleen

 Een storm woedt op het meer. Een twaalftal vissers zit in het midden van die storm. De vissersboot dreigt te zinken. Dit zijn ervaren vissers, die wisten wat de risico’s waren van zo’n storm. Jezus slaapt voor in de boot en lijkt zich niet bewust van enig gevaar. Dit zijn geen gewone vissers. Het is de kleine groep mensen die ten nauwste betrokken is bij Jezus en zijn missie. Hiervoor hebben ze werk, hun vrienden, hun familie, alles wat hen lief is verlaten.  Maar hoe sterk is hun betrokkenheid? Stel dat Jezus  samen met  zijn discipelen daar in de storm vergaan was? We zouden geen Goede Vrijdag gehad hebben, geen Pasen, geen Pinksteren, geen evangelieën, Nieuwe Testament, geen kerk.

Job is in een soortgelijke situatie van dreiging, angst en levensgevaar en hij stelt de vraag of God hem kan redden uit zijn ellende.

Het boek Job behoort tot de wereldliteratuur. Als kind hield ik erg van sprookjes. In het kort verlopen die meestal als volgt: Er is een arm, maar eerlijk en natuurlijk knap meisje, die het welverdiende geluk heeft dat een prins op haar verliefd wordt. Ze gaat wonen in een paleis en dan eindigt het verhaal met de woorden: en ze leefden nog lang en gelukkig. Dit zit er bij ons heel diep in. In Amerika lezen we verhalen van krantenjongens die het tot miljonair brengen. Eind goed, al goed. In het verhaal van Job is het omgekeerde het geval. Hij begint als iemand die schatrijk is, en gezond, en geliefd, en trouw,  en rechtvaardig. Daarna valt hij tot de diepste diepte en raakt alles kwijt. Hij wordt straatarm, lijdt honger, wordt melaats en dan door iedereen verstoten. Hier beschrijft Job zijn vroegere situatie: Job 29: 11 Ieder die mij hoorde prees mijn woorden,

Ieder die mij zag had niets dan lof,
12 omdat ik de arme redde die om hulp riep, en de wees die in de steek gelaten was.
13 Ik werd gezegend door de stervende, in het hart van de weduwe bracht ik de vreugde terug.
14 Ik kleedde mij in gerechtigheid en deze kleedde mij, het recht was mij een mantel en een tulband.
15 Ogen was ik voor de blinde, voeten was ik voor de lamme.
16 Voor de behoeftigen was ik een vader, ik verdedigde de zaak van vreemdelingen.  

Job had alles: rijkdom, aanzien en een goed geweten. Hij had  een gelukkig huwelijk en kinderen waar hij trots op was. Dit vinden we zoals het hoort. Zo moet het zijn. Je bent eerlijk en trouw en je wordt daarvoor beloond door God en de mensen. Dit is in overeenstemming met ons gevoel van rechtvaardigheid.  

Maar dan wordt Jobs lot volkomen omgekeerd. Alles wat eens zijn identiteit bepaalde wordt hem afgenomen: zijn rijkdom, zijn bezit, zijn vrouw en zijn gezin en uiteindelijk ook zijn gezondheid. In plaats van dat de mensen hem eer bewijzen verachten ze hem. 

Dit is de mens. We zijn toch niet meer dan stof en as? Op Aswoensdag is het gebruik in de rooms-katholieke kerk om iedereen, na de werveling van carnaval, ene askruisje te geven en daarbij uit te spreken: “Mens, gedenk dat gij stof zijt en tot stof zult terugkeren.” Na de verkiezing van een paus verbrandt de kardinaal, die het hoogste in rang is, voor de ogen van de nieuwe paus een wollen draad. Dit is een symbolische handeling om de nieuwe paus er aan te herinneren dat de werkelijkheid vergankelijk is en dat alle uiterlijke schijn en de pracht en praal van de pausverkiezing eigenlijk nietig is

 Het menselijke leven is beperkt in tijd, broos en kwetsbaar. We ervaren ziekte en ongeluk. Waar is God dan? Waarom helpt hij ons niet, terwijl wij toch hem trouw zijn, naar de kerk gaan, zo rechtvaardig mogelijk proberen te leven, geld geven aan goede doelen, zoals de slachtoffers van de tsunami en van de aardbeving in Yogyakarta en Amnesty?  Er komt geen antwoord.
Job 30: 20 Ik roep u om hulp, maar u antwoordt niet; ik sta voor u, maar u wilt mij niet zien.
21 U bent wreed voor mij geworden, met al uw kracht hebt u zich tegen mij gekeerd. 
In de bijbel staan vaker verhalen van mensen die zich van God en mensen verlaten voelen. Zoals in Psalm 22 2
Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten? U blijft ver weg en redt mij niet, ook al schreeuw ik het uit.
3 ‘Mijn God!’ roep ik overdag, en u antwoordt niet, ’s nachts, en ik vind geen rust.  

Jezus zelf ervoer dat hij van God en mensen verlaten was aan het kruis.: Mattheus 27: 46 Aan het einde daarvan, in het negende uur, gaf Jezus een schreeuw en riep luid: ‘Eli, Eli, lema sabachtani?’ Dat wil zeggen: ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten?’  

Waarom laat God dit allemaal toe? Hij is toch goed? Leed verontmenselijkt. We staan ineens in een andere werkelijkheid en in een andere relatie met God. God is niet meer de gulle gever van alle goeds, waarvoor we hem dagelijks danken. Dit is een situatie waarin ons geloof zich moet bewijzen wat het waard is.

 Het antwoord op de vraag naar waar God dan is wordt in het boek Job God zelf in de mond gelegd. Het antwoord is dat we als mensen voor God met open vragen moeten leren leven en kunnen leven. We moeten moedig onze eigen beperktheid durven aanvaarden.

 God is niet de dictator, die alles onder controle heeft, alles weet en alles beïnvloedt. Hier is meer het beeld van God als een tuinman, die een tuin verzorgt waarin ook onkruid te vinden is. Het is het beeld van een herder, die zijn kudde hoedt. Of als een vader en moeder, die hun kind de vrijheid geven om zijn eigen weg te gaan, om de wereld in te gaan, om fouten te maken en daarvan te leren.

God bekommert zich om ons, ook lijkt hij afwezig. Onze gebeden en onze protesten naar God hebben zin. Er is troost, ook in onze pijn en onze zorgen.

 Uiteindelijk komt Job tot het inzicht dat God niet afhankelijk kan zijn van de situatie waarin hij zich bevindt.  Job 42

1 Nu antwoordde Job de HEER: 3 Wie was ik dat ik, door mijn onverstand, uw besluit wilde toedekken?
Werkelijk, ik sprak zonder enig begrip, over wonderen, te groot voor mij om te bevatten.
5 Eerder had ik slechts over u gehoord, maar nu heb ik u met eigen ogen aanschouwd.  

In de diepste nood, in het gevoel dat God hem verlaten heeft, ervaart Job terugkijkend, de aanwezigheid en de troost van God. Dat is de kracht van ons geloof.

AMEN

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Jullie wegen zijn niet mijn wegen – spreekt de Heer.
(Tekst: Jesaja 55: 8)b;
Lezingen: Jesaja 55: 1-11; Marcus 1: 1-11
Dienst in de Remontrantse Kerk, Hengelo, 8 januari 2006, Epifaniezondag

1. Inleiding
2. Het evangelie volgens Marcus
3. De doop van Jezus
4. De doop
5. Slot

1. Inleiding
Het is alweer twee weken geleden dat we kerstfeest vierde in deze kerk en in miljoenen andere kerken over de hele wereld. En vrijwel overal waren de kerken vol tot overvol. Ook werd er kerstfeest gevierd in kazernes, in supermarkten, op internationale vliegvelden, in cafés, restaurants en zelfs in casino’s. In de kerk bereidden we ons de vier zondagen van de advent voor op de komst van het Kerstkind. Nu, op deze zondag, keren we terug van de droom van kerstmis naar de gewone werkelijkheid van onze zondagse vieringen.
Toch is er ook vandaag wat te vieren. We vieren het doopfeest van Jezus. Ineens maken we een grote sprong in de tijd. Het lieve, kleine baby’tje, liggend in een kribbe in een stal in de stad Bethlehem, is een man geworden van 30. Hij heeft het besluit genomen om van zijn woonplaats Nazareth naar Johannes te gaan, de bekende boeteprediker, die zich ophoudt in de wildernis bij een doorwaadbare plaats in de Jordaan. Deze keer zijn er geen engelenkoren, geen herdertjes die bij nachte liggen, geen koningen die uit het oosten komen en die hun gaven van mirre, wierook en goud aan de voeten van het Kerstkind leggen. Ook zijn er geen arrenslees die met rinkelende belletjes door de sneeuw glijden.

In de oudste kerk dit feest het grote feest. Kerstmis was onbekend. Het is pas veel later in de westerse kerk ingevoerd. In de Oosterse kerk viert men nog steeds heel uitgebreid het doopfeest van de Heer. Men noemt het Epifanie, de verschijning van de Heer. Epifanie betekent: de verschijning of openbaring van Jezus als Messias. In de oudheid werd hetzelfde woord gebruikt om de troonsbestijging van vorsten, die als god werden vereerd te vieren. De doop, en niet de geboorte, is het echte begin van de missie van Jezus.

2. Marcus
Dit is niet het evangelie van Marcus, maar het evangelie volgens Marcus. Hij schrijft er boven: ‘Het begin van het evangelie van Jezus Christus, de Zoon van God.”Het is het oudste en het soberste evangelie van de vier die we hebben. Marcus geeft geen geboorteverhaal. De laatste woorden van het evangelie zijn over de vrouwen bij het lege graf op de paasmorgen; “Ze gingen naar buiten en vluchtten bij het graf vandaan, want ze waren bevangen door angst en schrik. Ze waren zo geschrokken dat ze tegen niemand iets zeiden.” Dat wil Marcus blijkbaar corrigeren en hij heeft de tijd genomen om de essentie van de boodschap, de goede boodschap, het evangelie van Jezus op te schrijven. Men denkt dat hij dit rond het jaar 60 geschreven heeft, dus vrij kort nadat het gebeurd is. Het is een sober evangelie, omdat hij veel als bekend verondersteld.

Marcus probeert aan te tonen dat wat er gebeurde in Palestina betreffende Jezus van Nazareth een continuïteit is met de woorden van de profeten, die ze honderden jaren daarvoor verkondigden. Van Jesaja, de koning der profeten naar Johannes de Doper is maar een stap. Er is geen inleiding, geen uitleg, geen geboorteverhaal van Johannes en ook niets over de familierelatie tussen Jezus, Maria en Johannes. Marcus beschrijft Johannes in zijn uiterlijke verschijning als een profeet zoals Elia, met een ruwe mantel van kameelhaar en een leren gordel. Hij leefde van sprinkhanen en wilde honing. Zo’n life-style is die van een man van God, een protest tegen de gevestigde orde, tot wie hij zich richtte met een oproep tot bekering. Dit is een enorm succes. Er staat: “Alle inwoners van Judea en Jeruzalem stroomden toe en lieten zich dopen in de rivier de Jordaan, terwijl ze hun zonden beleden.” De doop van Johannes is een doop van inkeer, van bekering en van vergeving van zonden. Dit was iets nieuws. De doop is wel bekend in het joodse geloof, maar deze is uitsluitend bestemd voor niet-joden die tot het joodse geloof willen overgaan. Joden, als kinderen van Abraham, zouden een dergelijke reiniging niet nodig hebben.

Johannes is, zo zegt hij van zichzelf, niet de Messias, niet Elia en ook geen profeet. Hij kondigt zich aan als een eenvoudige heraut, een bode. Hij kondigt de komst aan van iemand die groter is als hij. Hij is zelfs niet waardig om de riemen van de sandalen van die persoon los te maken. Voor het losmaken van de sandalen moet je voor iemand op je knieën. Dit werd gezien als een opperste vernedering. Dit kon men alleen aan de huisslaven vragen, maar zelfs niet aan hen wanneer die joods waren. Jezus gaat zelf wel op zijn knieën voor zijn leerlingen om hen de voeten et wassen voorafgaand aan het Laatste Avondmaal, en roept hen op hetzelfde te doen tegenover de minste van onze broeders en zusters.
Johannes de Doper kreeg een eigen aanhang van leerlingen, die ook na zijn terechtstelling door Herodes zijn leer bleven verspreiden. De beweging van de leerlingen van Johannes en die van Jezus hebben een tijdlang naast elkaar bestaan.
Wat doet Johannes? Hij is wegbereider. Profeten zoals Jesaja spraken erover dat God eens direct zou ingrijpen in onze geschiedenis om het kwaad een halt toe te roepen, zodat de stampende laars in de woorden van Amos niet meer dreunt en de met bloed bevlekte soldatenmantel zal verbrand worden. Er zullen geen onschuldige slachtoffers meer vallen. Geen Auschwitz meer en geen Srbenica. Geen Rwanda en geen Darfur. Gerechtigheid zal stromen als een bergbeek. God gaat zich bekommeren om zijn volk. Er komt een nieuw en eeuwigdurend verbond. Jesaja zegt, namens God; (Jesaja 55:3): “Ik sluit met je een eeuwigdurend verbond.”David zal een vorst zijn en heerser over naties. Zo spreekt de Heer, volgens Jesaja (55: 5)
“Ook jij zult een volk ontbieden
Dat je nog niet kenden,
En een volk dat jou nog niet kenden
Zal zich haasten om bij je te zijn.”

Naast Israël zullen andere volken zich tot de God van Israël keren – zoals wij dat doen nu in deze kerk, en miljoenen christenen over de hele wereld met ons.
Voor Johannes moet, wil dit gebeuren, ook het volk van Israël zich bewust worden van zijn zonde en zich bekeren en door de doop zich voor te bereiden op de komst van de Messias.

De joden van de eerste eeuw van onze jaartelling verwachtten een concreet koninkrijk, een herstel van de dynastie van koning David, toen Israël zich uitstrekte van Egypte tot de rivier de Eufraat. Maar zo spreekt God, door de profeet Jesaja: (55: 6).
“Mijn plannen zijn niet jullie plannen
En jullie wegen zijn niet mijn wegen
Want zo hoog als de hemel is boven de aarde,
Zo ver gaan mijn wegen jullie wegen te boven,
En mijn plannen jullie plannen.”

Jezus, dat is zeker, leefde uit de Torah en de profeten. Steeds verwijst hij bij alles wat hij doet aan de profeten van Mozes tot Maleachi. En hij zegt: “Dit is gebeurd omdat vervuld moest worden wat de profeten zeiden…” En dan blijkt het dat er en omkering is van waarden. De koning wordt een knecht, die zich als een slaaf hurkt voor zijn leerlingen om hen de voeten te wassen. Er is geen koning in onze zin van het woord. Geen Alexander de Grote, geen Caesar, geen Hadrianus, geen Napoleon. Er is een eenvoudige dorpstimmerman, die vanuit zijn timmerwerkplaats zich begeeft naar de rivier de Jordaan om zich door Johannes te laten dopen. Vervolgens verkondigt hij de komst van het koninkrijk van God, wat de consequenties ook zijn voor hem persoonlijk. En hij laat in zijn leven en werken dat koninkrijk al zien.

3. De doop van Jezus.
Waarom laat Jezus zich dopen? Heft hij behoefte om zijn zonde te belijden en zich te bekeren? De doop is een toegang tot een nieuw leven. Het is een opnieuw geboren worden. Nu, met deze doop, aanvaardt Jezus zijn opdracht. Jezus stelt zich met de doop op aan de kant van het volk. Hij is een met het volk. Zijn doop is ook een erkenning van Johannes als profeet.
Johannes doopt Jezus en toen Jezus uit het water kwam zag hij de hemel openscheuren en de geest als een duif op Jezus neerdalen. Dan volgt een stem uit de hemel:
“Jij bent mijn geliefde Zoon,
In jou vind ik vreugde.”
Ook hier weer is er de continuïteit met het Eerste Testament. God spreekt volgens Jesaja (42: 1):
“Hier is mijn dienaar
Hem zal ik steunen,
Hij is mijn uitverkorene,
In hem vind ik vreugde,
Ik heb hem met mijn geest vervuld…”
Dit is in de context van een beschrijving van de lijdende knecht van de Heer. De stem uit de hemel, na de doop van Jezus, verwijst ook naar Psalm 2: 7 waar God spreekt door de psalmdichter:
“Jij bent mijn zoon
Ik heb je vandaag verwekt. En “Vraag het mij en ik geef je de volken in bezit.” Dit is een verwijzing naar de Messiaanse koning, de zoon van David.
De geest daalt op Jezus neer zoals een duif, niet per se in de vorm van een
duif. De duif is een symbool van argeloosheid en oprechtheid. Het verwijst ook naar de duif als teken van hoop toen de duif in de ark van Noach, na de zondvloed terug kwam met een olijftak in zijn bek.
4. De doop
De meeste van ons hier in de kerk, zijn, naar ik aanneem, gedoopt. Wat betekent dat? Maakt het verschil? Wat gebeurt er met je als je gedoopt wordt? Ik denk dat de doop een teken is dat we als mensen niet bij brood alleen leven. Er is een andere werkelijkheid, die misschien nog belangrijker is als de gewone werkelijkheid. Er is God en hij is trouw. Je gaat na de doop verder met God in je leven. We krijgen met de doop de belofte dat God van ons houdt als een Vader en Moeder van zijn of haar kinderen.

We zoeken naar warmte, geluk, erkenning, liefde. Het lijkt allemaal vaak onbereikbaar. Steeds zijn er weer struikelblokken in onszelf of in anderen. Hoe ga je om met conflicten, met oneerlijkheid en onrechtvaardigheid, met ruzie, met achterklap. Ben je altijd bereid om te werken aan verzoening, aan het slaan van bruggen, aan het anderen vergeven wat ze jou aandoen en aan anderen vergeving vragen om wat jij hen aandoet?

5. Slot
Op weg van kerstmis naar Pasen komen vandaag de volgende vragen op ons af.
Wat is de betekenis van de doop van Jezus in de Jordaan?
Wie is Jezus?
Wie is Jezus voor mij?
Wat is zijn boodschap?
Hoe praktisch is die?
Wat is mijn missie in mijn leven?
Wat betekent mijn doop voor mij in mijn leven en de doop van mijn kinderen voor hen en voor mij?
Gods gedachten zijn niet onze gedachten en Gods plannen zijn niet onze plannen. Met de kerk van alle eeuwen hopen we en geloven we in een werkelijkheid die zich in Jezus geopenbaard heeft, een werkelijkheid van hoop, geloof en verzoening, die zich baan breekt in onze werkelijkheid – als een weg door de woestijn, als een pad door de wildernis.
Amen
 

 “En Jezus zag haar en riep haar… (Lukas 13: 12a)
Preek Marekerk, De Meern, zondag 9 oktober.2005, 21ste na pinksteren, wereldiakonaatszondag.

We vieren deze zondag Werelddiakonaatszondag. We vragen aandacht voor de nood van onze medechristenen en anderen in Afrika, Azië en Latijns-Amerika. Kerkinactie vraagt speciaal aandacht voor de vrouwen en kinderen  in Noord-Oeganda. Het is denk ik goed om in een kerkdienst stil te staan bij de nood in de wereld. 

Oeganda is 6 x zo groot als Nederland en heeft 25 miljoen inwoners. In het noorden, grenzend aan de Soedan, woedt al 20 jaar een wrede burgeroorlog. Het leger noemt zich the Lord’s Resistance Army, Gods Verzetsleger. Er zijn veel slachtoffers. Het LRA bedient zich van kindsoldaten. Er zijn naar schatting zo’n 20.000 kindsoldaten me geweld in het leger ingelijfd. Ze krijgen drugs zodat ze meer gehoorzaam worden. Meer dan 200.000 mensen hebben moeten vluchten naar de steden of naar speciale, versterkte, vluchtelingenkampen. Deze worden ook aangevallen omdat daar door hulporganisaties voedsel en andere noodzakelijke levensbehoeften worden verstrekt. Moeders raken hun kind kwijt, wat gekidnapt wordt door het LRA. Vrouwen worden ook regelmatig slachtoffer van seksueel geweld. Naast de burgeroorlog maakt ook AIDS veel slachtoffers. Bijna 1 miljoen mensen kwamen de afgelopen 15 jaar om in Oeganda. Er zijn naar schatting half miljoen mensen besmet met het HIV virus.

In veel landen in Afrika is het hetzelfde trieste verhaal. Een pater die met verlof terug is uit Zambia vertelde me dat wanneer hij een rouwdienst leidt op een kerkhof dat er ineens veel mensen met een kist met een dierbare overledene bij hem komen staan en hem vragen om een zegen. Hij heeft daar moeite mee omdat hij er niet steeds zeker van is of hij de naam goed heeft die hij op een papiertje krijgt aangereikt, of dat hij de naam bij de goede kist zegt. De mensen hebben geen geld voor een kerkdienst en alles wat daarbij hoort. In het ziekenhuis gebeurt het vaak dat familie en vrienden waken bij een terminaal zieke patiënt. Wanneer hij of zij overleden is maken ze zich snel uit de voeten. Er is zelfs geen geld voor een begrafenis. Het ziekenhuis moet dan de overledene, samen met andere,  begraven in een massagraf. Dit is een enorm contrast met de tijd dat wij in Zambia woonden in de jaren 70 en 80. Voor de dood had men veel ontzag en kosten noch moeite werden gespaard voor een goede begrafenis, waar iedereen bij aanwezig hoorde te zijn. Men trakteerde de aanwezigen op bier en maïspap. Er was een nachtwake met kerkkoren die de hele nacht bleven zingen. Het meest populaire radioprogramma was dat met de aankondigingen van overlijden, omlijst met treurmuziek. We kunnen ons dit soort situaties eigenlijk moeilijk voorstellen. Nu horen we dat wel en het is ook waar. Maar het is niet de hele waarheid. Voor de media geldt meestal: “Goed nieuws is geen nieuws.” In Afrika is er ook de vitaliteit en levenskunst, de openheid voor de magie van het leven zelf en van de natuur, de hechte familierelaties, het optimisme, de onderlinge hulp en vooral ook de kracht van het geloof. Terwijl hier de komende jaren veel kerken op de nominatie staan om te worden gesloten wegens gebrek aan belangstelling, bouwt men daar nieuwe kerken. Er zijn veel intredingen bij ordes. Deze zijn congregaties en ook de verschillende protestantse kerken zijn vaak heel actief waar het de ergste nood betreft in de gezondheidszorg, de zorg voor de Aids slachtoffers en hun nabestaanden,  in het onderwijs en de zorg voor meisjes en vrouwen.

Ieder die wel eens een Afrikaans kerkdienst heeft bijgewoond zal dat niet snel vergeten. Het is een groot feest waar je je geen moment verveelt, zelfs al ken je niet de taal. Het ene koor na het andere staat op en begint te zingen. De koorleden hebben vaak mooie toga’s of een uniform aan. Dan zie je de vrouwenvereniging van de kerk in hun mooie rode blouses en zwarte rok en met hun witte hoofddoek. Die vrouwen vormen de ruggengraat van het kerkelijke diaconale en pastorale werk. Ze bezoeken de zieken en weten waar nood is en geven dan direct hulp. Het mooie van de dienst is dat als de kerkgangers vinden dat de dominee te lang preekt ze spontaan een lied mogen inzetten. De dominee probeert nog even zijn zin af te maken, maar dat heeft weinig zin. Na het lied gaat de dominee gewoon verder met de preek. Meestal duurt zo’n dienst een uur of 2. Het zijn werelden van verschil: de wereld van de nood in Afrika, onze eigen vertrouwde wereld in Nederland en de wereld van de bijbel met de ons zo bekende verhalen.   De verhalen van de bijbel zijn ons vaak zo bekend dat ze niet meer spreken met de boodschap die oorspronkelijk bedoeld is.  

De vrouw in de synagoge die helemaal krom was.
De evangelist Lucas vertelt ons over een vrouw die helemaal krom gegroeid was en daar al 18 jaar aan leed. Het is het verhaal van een slachtoffer dat bevrijdt wordt. Dit vindt plaats in een synagoge en op de sabbat. Er is een duidelijke regel dat je op de sabbat niet mag werken: “Houdt de sabbat in ere, het is een heilige dag. Zes dagen lang kunt u werken en al uw arbeid verrichten, maar d e zevende dag is een rustdag, die gewijd is aan de Heer, uw God; da\n mag u niet werken … De Heer heeft de sabbat gezegend en heilig gemaakt.” (Exodus 20: 8-11). Dat laat aan duidelijkheid niets te wensen over. Maar hoe interpreteer je dit gebod? Hoe ga je met dit soort categorisch uitspraken om?  

Stel dat het Gods eerste zorg niet is dat we hem gehoorzamen, maar dat we ons verantwoordelijk voelen voor onze medemens, die in nood is, en dat we ons verantwoordelijk voelen voor heel Gods wonderbare schepping? Alle geboden, regels, wetten en de bijbel zelf zijn dan ondergeschikt aan dat doel: de liefde voor onze medemens, die een kind is van God, en die zorg en barmhartigheid nodig heeft. Wanneer we het niet zo zien, dan veranderen de middelen, de regels en wetten in een doel op zich. Dan krijg je het dilemma: kies je ervoor om direct de hulp te geven die nodig is òf kies je voor de regels die tussen jou en het slachtoffer instaan? Je verschuilt je achter regels om geen hulp te hoeven geven. 

Het gaat in het evangelie om de mens en om Gods schepping gaat. Dat heeft betekenis voor ons beeld van God. Wie zijn het die we in deze wereld het meeste hoogachten? Het zijn de rijken, de machtigen, de geleerden, de prinsen en prinsessen, de staatshoofden,  de bekende schrijvers, de kunstenaars, de tv iconen en de filmsterren? Zo was vroeger ons beeld van God. Hij was dat alles en nog veel meer. Hij is almachtig, eeuwig, onmetelijk, oneindig, onuitsprekelijk, verheven boven alles, alomtegenwoordig. Dit is waar, maar daarmee is toch niet alles gezegd.

Jezus geeft ons in het evangelie een ander beeld van God. God is soms de heer die op een rechtvaardige manier met zijn dienaren omgaat, die ze het loon geeft, en meer, waar ze recht op hebben, die ze verantwoordelijkheid geeft voor de talenten die hij hen heeft toevertrouwd, die ongehoorzame dienaren nog een tweede en derde kans geeft. Hij is goed en gastvrij, als in het verhaal van de maaltijd. Maar Jezus beeldt ook zonder schroom God af als een vrouw die haar rokken opschort en niet rust voordat ze de penning die ze kwijt was gevonden heeft. En als ze de penning dan eindelijk vindt, roept ze al haar vriendinnen en buurvrouwen bijeen om hen deelgenoot te maken van haar blijdschap over het verlorene wat ze terugvond. God is ook de vader die elke dag weer naar de weg gaat om uit te kijken of zijn zoon die weggelopen is weer terugkomt. En wanneer de zoon dan schuldbewust en met gebogen hoofd naar het ouderlijk huis terugkomt dan geeft de vader een groot feest voor zijn hele huishouden, want wie verloren was is teruggekomen. Bij deze modellen voor God staat niet de eer en de koninklijke waardigheid op de eerste plaats, maar de liefde en zorg voor wat verloren is, voor hen die lijden, voor hen die gebonden zijn en uitzien naar bevrijding. 

Jezus leert in de synagoge. Leren en doen zijn een. Er staat niet vermeld wat Jezus leerde, maar alleen wat hij deed! Blijkbaar is dat de les. Jezus ziet de vrouw staan. Waarschijnlijk heeft iedereen die vrouw met haar opvallende verschijning wel gezien. Maar ons kijken is toch een beetje wegkijken. Jezus kijkt haar aan en roept haar bij zich. Vervolgens bevrijdt Jezus haar. Hij legt zijn handen op haar en geneest haar. Dan looft en dankt de vrouw, die nu geheel rechtop staat, God. De les van Jezus is, denk ik, niet om je niet aan de regels te houden voor de sabbatsrust. Het verhaal besluit met een vrouw die de God prijst voor haar bevrijding en een menigte mensen in de synagoge, die zich verheugt over de machtige daden die Jezus doet. Wat zien we? We zien mensen die in de synagoge bidden en God danken, ze loven en prijzen Hem en ze zijn verheugd! Wat is er meer passend om te doen op de sabbat? 

Wanneer de overste van de synagoge probeert de orde te herstellen en de aanwezigen aanmaant om te wachten tot het eind van de sabbat om Jezus om genezing te vragen, reageert Jezus heel fel hierop. “Huichelaars, hypocrieten” zegt hij. Hij richt zich niet alleen tot de overste van de synagoge, omdat er sprake is van een meervoudsvorm. Jezus verwijt de mensen een dubbele agenda. Wanneer het om het eigen belang gaat dan gooien we het op een akkoordje en zijn  we mild. Natuurlijk zijn we breid om onze eigen os en ezel op de sabbat losmaken om hen naar water om te drinken te brengen. Maar als het om een vrouw gaat die 18 jaar lang gebonden is dan komen ineens de regels ter sprake waarbij de genezing uitgesteld moet worden. Jezus zegt: Hier is meer dan een os of een ezel. Dit is een vrouw, een mens, niet een object van zorg, maar een “dochter van Abraham.” Eerder gaf Jezus de tollenaar Zaccheüs al de status van zoon van Abraham. (Lukas 19: 9). 

Jezus schaft niet de wet af, maar geeft deze juist nieuwe inhoud en betekenis. Het gaat om onze houding ten opzichte van God en van de bijbel. Is het niet zo dat we vroeger meenden toch beter te zijn dan de anderen wanneer we ons strikt aan de zondagsrust hielden, wanneer de vrouwen met gedekte hoofden naar de kerkdienst gingen. Mar de kern van de wet  is: “Gij zult God liefhebben met heel je hart, hele je ziel en heel je verstand.” En dat wordt zichtbaar hoe we leven en wat we doen en nalaten.  

Hoe ver zijn de vrouwen van Noord Oeganda van ons vandaan? Hoe kunnen we iets laten blijken van onze steun en solidariteit?  Hoe kunnen we hen echt zien en hen roepen, ondanks alle regels en wetten die tusen ons en hen instaan?
Amen

Niets zal voor jullie onmogelijk zijn
Bijbellezing: Jeremia 7: 23-28 en Matheüs 17: 1-7

Ik las laatst in een discussiegroep op het internet de volgende stelling: “Het is nog nooit wetenschappelijk aangetoond dat er ooit een gebed tot God verhoord is. Waarom zou je dan bidden?” Daar komen dan vragen bij: Is God echt machteloos, wat geloven we eigenlijk, is het relevant, maakt het wat uit?

Hoe praat je je als christen hier uit? Eerder al was er een publieke discussie of een theorie van Intelligent Design zich zou kunnen en mogen opstellen naast en in plaats van de evolutietheorie. Ook dit riep veel discussie op. Verleden week hoorde ik op het pleidooi voor een studie van het zien van de kosmos als een Intelligent Design de reactie: “Sinds het wetenschappelijk niet is aan te tonen dat er een Intelligent Designer bestaat nemen we aan dat Hij/Zij niet bestaat.” Dat heeft verregaande implicaties. Geloof lijkt dan zinloos en machteloos.  

Zijn we als gelovigen, althans in Nederland,  echt vrij wild geworden? Een slinkende vergrijzende minderheid, die “nog niet zo ver is” dat ze de wetenschappelijke inzichten van het rationalisme en de verlichting kan beamen? Een schrijver van een ingezonden brief, in reactie op de discussie over de militante Islam, merkte op: “God is al dood. Nu Allah nog”.  Dat vond hij een goede ontwikkeling.
Staan we echt met lege handen in deze discussie. Hebben de woorden die we hier spreken, bidden en zingen nog enige betekenis?  

Haaks op deze gedachten staat het woord wat Jezus met nadruk tot zijn volgelingen zegt: “Niets zal voor jullie onmogelijk zijn.” Dit is de volkomen en volledige ontkenning van deze ideeën. Als je tegen iemand zegt: “Niets zal je onmogelijk zijn” - dan is dat goed nieuws. Dat nieuws heeft Jezus aan zijn leerlingen doorgegeven. Het blijkt echter een heel weerbarstige materie te zijn. In de bijbel lezen we elke keer weer hoe de geloofshelden die de discipelen zijn, elke keer falen. Daardoor komen ze ook dichterbij. Ze zijn in alle opzichten menselijk. Jezus heeft het over een andere werkelijkheid, waanneer hij spreekt over: “Niets zal voor jullie onmogelijk zijn.” Het woord van Jezus probeert ook al 2.000 jaar door te dringen in onze sociale en politiek werkelijkheid. Ook hier lijkt het alsof er elke keer een terugval is. Moeten we niet pessimistisch zijn over de waarde van Jezus’ uitspraak gezien alle oorlogen, natuurrampen, misdrijven, verontmenselijking, armoede en onrecht, wat nog steeds plaats vindt in onze wereld?

Maar geloof is dat je door Jezus gesterkt weet en dat je uitzicht houdt op een betere toekomst van vrede en rechtvaardigheid, maar tegelijk ook dat je oog krijgt hoe in het kleine en in het verborgene dit al begint te groeien. 

De gelezen tekst in het Mattheüs evangelie gaat over geloof en ongeloof als tegenstellingen.  Er is iemand die zijn zoon bij Jezus brengt. Hij zoekt naar genezing voor zijn zoon die al vanaf zijn geboorte “maanziek” is. Hij lijdt blijkbaar aan een soort vallende ziekte of epilepsie. Soms valt hij in het water en een andere keer bezeert hij zich door in het vuur te vallen. De vader heeft blijkbaar nooit  de hoop opgegeven dat zijn zoon een keer beter zal worden, ook tegen beter weten in. Hij is eerst naar de leerlingen gegaan. Deze waren niet in staat de jongen te genezen en gaven het blijkbaar toen maar op. De vader klaagt zijn nood bij Jezus. Dan gebeurt er iets wonderlijks. Jezus wordt heel boos. Het komt zelden voor in de evangeliën dat Jezus boos wordt. Het is een uitzonderlijke reactie. Jezus zegt: “O ongelovig en verworden geslacht, hoe lang moet ik bij u zijn?” In de nieuwe bijbelvertaling staat er: “Wat zijn jullie toch een ongelovig en dwars volk, hoe lang moet ik nog bij jullie blijven? Hoe lang moet ik jullie nog verdragen?” Dit is een uitzonderlijke reactie. Verwacht Jezus dat we te allen tijde in staat zijn een zieke te genezen? Verwacht hij dat we wonderen doen op commando?  

Wanneer je zo’n verhaal met gemeenteleden leest dan is soms de reactie dat ze kwaad worden op Jezus. “Deze uitval van Jezus is niet terecht. Wat verwacht hij eigenlijk van ons? Je doet je best. Je mag toch niet het onmogelijke van iemand eisen?” Een mogelijke andere reactie kan zijn: “Stel je hebt je kind of je partner door de dood verloren, betekent dat dan dat je te kort schiet als gelovige?” Het verhaal roept fundamentele vragen op van de inhoud van het evangelie, van het mandaat van Jezus van wat geloof eigenlijk is en hoe we geloofsgemeenschap zijn in relatie tot de wereld.  

Als we het verhaal van de maanzieke jongen in de context van het Mattheüs evangelie plaatsen dan zien we dat het staat na twee succesverhalen, namelijk de belijdenis van Petrus te Caesarea dat Jezus de Messias is en daarna de verheerlijking op de berg. Jezus gaat daar met drie discipelen: Petrus, Jakobus en zijn broer Johannes de berg op. Daar ontmoet Jezus Mozes en Elia. De Wet en de Profeten zijn vervuld in Jezus de Christus. Dit is een stralend ogenblik. Petrus wil het ogenblik vasthouden en biedt aan om drie tenten te plaatsen: een voor Mozes, een voor Elia en een voor Jezus. Dan dalen ze van de berg af en komen bij “het volk” en ze ontmoeten ongeloof. Dit is een groot contrast, van de droom, naar de harde werkelijkheid. Jezus had volgens Mattheüs (10: 8) eerder al de leerlingen uitgezonden en hen de macht gegeven om boze geesten uit te drijven. Deze macht is geen automatisme. Het is niet een eens en voor altijd. Het is gebaseerd op geloof, wat gevoed wordt door een gemeenschap die je inspireert, steunt en bemoedigd.   

Jezus verwijt “het volk” ongeloof en dat het dwars is. De mensen luisteren wel naar Jezus maar volgen hem eigenlijk niet met hun hart. Zijn woorden raken alleen maar de buitenkant. Geloof is cruciaal. Zonder geloof is de keten verbroken, die ons met Jezus en met zijn missie verbindt. Het mag de allerkleinste hoeveelheid geloof zijn, maar het moet er zijn. Wanneer er totale duisternis is dan kan het licht van een lucifer of een waxine lichtje al maken dat je tenminste iets kunt zien en dat je weet waar je bent. Dan heb je binnen de lichtcirkel, hoe klein die ook is, een plek die veilig en vertrouwd is. Zelfs met een geloof dat zo groot is als een mosterdzaadje breng je verandering te weeg. Je staat open voor de werkelijkheid van God, die andere wereld, met andere waarden, waar je kunt hopen op dingen die onmogelijk of hopeloos lijken. Zonder een minimum aan geloof is Jezus’ missie zinloos en mislukt. De fakkel wordt niet doorgegeven. Het licht dooft. Dat is de teleurstelling van Jezus dat de hoop verdwenen is, dat het geloof inactief geworden is, dat alles ophoudt, dat mensen het opgeven. 

Jezus dwingt vervolgens de boze geest de jongen te verlaten. Nu is het begrip “boze geest” geen moderne diagnose voor een bepaalde aandoening (tenminste niet in West Europa). Je kunt een “boze geest” ook definiëren als iets wat macht over je krijgt, zodat je je vrijheid van handelen kwijt bent. Je kunt af en toe iets te veel drinken en vervolgens merken dat je er niet meer buiten kan. Dat het je de baas geworden is. Dat kan ook gebeuren met drugs of met een andere verslaving van wat dan ook.

De leerlingen komen bij Jezus en vragen hem: “Waarom lukte het ons niet de jongen te genezen?” Jezus verwijt hen hun gebrek aan geloof. Het is een machteloos geworden geloof en een gebrekkig vertrouwen in de mogelijkheden van Gods wonderbare hulp. Jezus zegt hen dat wanneer ze maar een geloof zouden hebben zo klein als een mosterdzaadje dan zou dat geloof al een berg kunnen verzetten. Het gaat misschien hier niet alleen om de fysieke omvang van iemands geloof. Een mosterdzaadje staat bekend om zijn grote groeikracht. Het kan met zijn wortels zich nestelen in rotsen en door asfalt heen groeien.   

De wereld die we zien en ervaren is niet de wereld, die mogelijk is. Het is niet de wereld waarop we hopen: een wereld van vrede, gerechtigheid, menselijk geluk, wederzijds begrip, harmonie, voorspoed. Met de ogen van het geloof echter zien we ook die andere wereld: glimpsen van liefde en hoop, kleine dingen die grote veranderingen te weeg brengen. We kunnen kleine mosterdzaadjes zien ontkiemen. Zo’n mosterdzaadje zou geweest kunnen zijn de broederschap die de 25-jarige jongeman Roger in Taizé in 1940 een internationale, oecumenische gemeenschap stichtte. Nu telt de gemeenschap van Taizé een honderdtal broeders, katholiek en protestants, uit meer dan vijfentwintig landen. Honderdduizenden jongeren komen er elk jaar om zich te laten inspireren door de gemeenschap en door de muziek, door de sfeer en de spiritualiteit die men daar voorleeft. De liederen van Taizé worden over de hele wereld gezongen. Een klein mosterdzaadje, door Frère Roger in 65 jaar gelden geplant is een grote boom geworden. Er zijn vele van dit soort voorbeelden te vinden, ook in eigen kring of in de eigen geloofsgemeenschap. Een grote natuurramp treft New Orleans. Maar tienduizenden blijken bereid om hun leven en gezondheid te riskeren om mensen te redden en te helpen.  

15 jaar geleden beweerde Francis Fukuyama dat er een einde was gekomen aan de geschiedenis. Er zou geen verandering meer mogelijk zijn. Het politieke wereldsysteem was nu stabiel. Er is geen uitzicht meer op de transformatie, op een wereld van vrede en gerechtigheid. Het “democratisch kapitalisme” had gewonnen. Is dat zo? Moeten we de hoop opgeven dat armoede en onrecht eens voorbij zullen zijn?  

In zo’n situatie trad de profeet Jeremia op. Dit was bij het aantreden van koning Jojakim in 609 VC. Het land was bedreigd door Egypte, maar het volk voelde zich veilig omdat ze in Jeruzalem wonen waar de tempel is. Jeremia pleitte tegen deze valse zekerheden, tegen onrecht, tegen de vruchtbaarheidsriten, tegen kinderoffers. Hij pleitte voor een geloof in een betere wereld, voor het geloof dat mensen zich terug kunnen keren tot God, voor een goede verhouding met God, die leidt tot goede verhoudingen tussen de mensen, tot rechtvaardigheid. 

Er zijn mensen die blijven geloven dat wat volgens mensen onmogelijk is, mogelijk is bij God. Zo kreeg de vader van de zieke jongen eindelijk genezing voor zijn zoon, omdat hij bleef geloven in de mogelijkheid van genezing. Dit is niet de belofte dat alle zieken en alle ziektes genezen worden. Maar er is een oproep om ons niet bij de bittere werkelijkheid neer te leggen. Er is altijd uitzicht op een andere werkelijkheid, de werkelijkheid van het mosterdzaadje, wat bergen kan verzetten. In gebed, in viering, in woord en in daad kunnen we uitdrukking geven aan dit geloof.  

En wanneer we deze weg gaan, klinkt het woord van Jezus in onze oren:

“Heb goede hoop. Niets zal voor jullie onmogelijk zijn!”

Mystiek en het leven
Preek in de Cellebroederskapel, Citykerk, Basisgemeente, Maastricht, zondag 18 september 2005

In een gemeente als de Basisgemeente zoeken we God. We proberen in gebed, aanroeping, liederen, muziek, eucharistie en overdenking hem te benaderen. Het jaarthema is mystiek. Kunnen we door mystiek dichter bij God komen? Hoe passen we mystiek in in ons leven? Wat is mystiek? Het woordenboek geeft ons de volgende definitie.
Een mysticus of mystica is iemand die op een overweldigende wijze de tegenwoordigheid ervaart van iets dat hem of haar overstijgt. Dit overstijgende is veel 'werkelijker' dan al wat wij doorgaans voor werkelijk aanzien. De 'gewone werkelijkheid' wordt als het ware transparant voor een 'andere, uiteindelijke werkelijkheid'. De mysticus voelt tijdens zo'n ervaring zijn 'ikheid' verdwijnen. Zijn opgeslotenheid in zichzelf wordt opgeheven.

Tot de kern van de mystiek behoort:
• het leeg worden,
• het ontvangen van iets dat buiten je ligt
• en toch helemaal bij je hoort.
Betekent dit dat we ons op moeten sluiten in een cel, zoals de Cellebroeders? Moeten we een contemplatief leven gaan leiden als kloosterlingen in kloosters waarvan Maastricht er eens zeer velen had? We sluiten ons dan af voor de buitenwereld, waar er allerlei afleiding is. We concentreren ons op het vinden van Go in gebed, meditatie, contemplatie, zang en viering.
Er zijn ook in ons gewone leven ervaringen die lijken op die van de mystiek. Je kunt denken aan ervaringen die je soms hebt wanneer je in de natuur bent, in een bos wandelt, op een heuvel over een landschap uitkijkt, wanneer je langs het strand van de zee loopt. Ineens kun je overweldigd worden door een geluksgevoel, een soort totaal ervaring van de werkelijkheid waar je zelf deel van uitmaakt, maar waar je in opgaat.
Je kunt dat gevoel van geluk ook soms hebben bij een glimlach van je kind of je kleinkind of in een gebaar van liefde en vertrouwdheid van je moeder of vader of je levenspartner.
Al dit soort ervaringen geven aan dat de wereld niet is wat ze is. Dat er een andere werkelijkheid is. Dit soort ervaringen waar je boven je zelf uitstijgt kunnen je inspireren om je leven richting te geven. Ieder mens heeft een ebstemming, een levensdoel. Dat hoeft niet iets sensationeels te zijn, zoals het stichten van een klooster, zoals Frère Roger dat deed 60 jaar geleden in Taizé. Het kan heel bescheiden zijn. Gewoon iets voor iemand betekenen. Dit soort momenten waarbij je boven jezelf uitstijgt kunnen je helpen om dat helder te krijgen, je te verzoenen met wie je bent en met wat je doet.
We hebben om te leven dromen nodig. Religie is zo’n droom van eerlijkheid, rechtvaardigheid, recht, liefde, hoop en menselijkheid.
Wanneer we kijken naar onze levenservaringen die zo’n gevoel het dichtst benaderen dan denk je aan verliefdheid. Je bent verliefd. Al je aandacht is geconcentreerd op die geliefde persoon. Je wilt alles voor die persoon doen. Je schrijft brieven, waarin je al je gevoelens uit. Dan wordt je liefde beantwoord. In de aanwezigheid van je geliefde vergeet je tijd en plaats. Je wilt zo veel mogelijk in elkaars aanwezigheid zijn. Er is iemand die je vertrouwt, begrijpt en steunt. Dan beloof je elkaar eeuwige trouw. Voor minder ga je niet. Het gaat om een totale commitment. Uiteindelijk zal zo’n verliefdheid zich omzetten in liefde, in een duurzame relatie tussen twee mensen, die samen in het leven staan, in mogelijk later de vorming van een gezin, de kinderen groot brengen, in samen oud worden en in dankbaarheid terugkijken op de lange weg die je samen gegaan bent.
We hoorden drie persoonlijke ervaringen van de leden van de voorbereidingscommissie, van gebeurtenissen waarbij zij ineens even zich uit hun gewone bestaan getrokken voelden.
Die bijzondere ervaringen zijn niet het doel. We willen liever met beide benen op de grond blijven staan. Maar we willen aan de andere kant ook niet ophouden met dromen. Ieder van ons heeft een levensopdracht. Ook voor het leren en doen van die levensopdracht hebben we elkaar nodig. Op onze reis door het leven hebben we nodig: inspiratiebronnen, reisgenoten en medepelgrims.
Even brak dit bij Rob door. Toevallig was er niemand op de plek waar anders veel bussen stoppen 200 km van Santiago de Compostella. Dat is de plek waar mensen honderden jaren lang hun last mochten afleggen om bevrijd naar Santiago te gaan. De plek was verlaten. Je stapt ineens in een metafoor. De stenen staan voor alle problemen van alle mensen. Vele eeuwen ballen samen tot een moment. Je stijgt uit boven tijd en plaats en je ziet als vanaf een berg het landschap van je leven. Dat is even God ervaren.
Je hebt een verlies en wil eigenlijk rouwen en niet verder gaan. Dan ineens, door een plotselinge gebeurtenis, zie je plotseling alles in een ander licht. Droefheid wordt blijdschap en hoop. Een andere werkelijkheid breekt tot je door Hier zie je de hand van God.
Je bent in een motorprauw in een ver land. De nacht valt. Je hebt het gevoel dat je langzaam de eeuwigheid invaart. Water en land worden een. Sterren beginnen te stralen waar eerst nog het blauw van de dag was. Dit was er al eer ik er was. Ik ben er om dit te ervaren. Het is tegelijk ervaring en herinnering. (het verhaal)
Met een dergelijke eenvoud van ons hart zijn we open voor het mysterie. Dan zien we in een flits die andere werkelijkheid. Het is alsof je door het donker loopt in een onbekend landschap. Alleen als er een bliksemflits is zie je een heel kort ogenblik waar je bent. Dan is het weer donker, maar je weet de richting waar je heen moet in het duister.
Huub Oosterhuis spreekt over een dergelijke geloofservaring in het gedicht Zien
Zien
Dit dat ja nee voortjagend voortgedreven
Niet kunnen willen toch zo moeten leven
Overal nergens niemand op het spoor.
Dan jij. Ik hoor je stem. Ik zie – soms even. (1972).
Dit is een bescheiden geloof dat geen behoefte heeft aan de zekerheid van dogma’s of kerkelijke structuren.
In de tweede brief aan de Corinthiërs in hoofdstuk 12 vertelt Paulus over een bijzondere mystieke ervaring. Hij wordt als het ware in de derde hemel opgenomen. Hij hoort hemelse muziek. Hij ervaart het hoogste geluk. Hij spreekt er bescheiden over in de derde persoon, als betrof het iemand anders. En toch gaat het volgens hem niet om het bereiken van de derde hemel of het luisteren naar hemelse muziek. Paulus kiest als het erom gaat voor “beledigingen, nood, vervolgingen en ellende”. In dit gewone leven ligt zijn taak en levensopdracht. Hier is pijn. Hij spreekt over een bepaalde ziekte die hij heeft als over een doorn in het vlees, een engel van satan. Maar zijn zwakheid is geen excuus om iets niet te doen. In zijn eigen persoonlijke zwakheid vindt hij juist de kracht om door te gaan, “zodat de kracht van Christus in mij zichtbaar wordt.” Zegt hij. Vers 10: “Omdat Christus mij kracht schenkt, schep ik vreugde in mijn zwakheid: in beledigingen, nood, vervolging en ellende. In mijn zwakheid ben ik sterk.” Juist daar waar we zwak zijn en onze zwakte erkennen staan we open voor Gods genade. Het bewust zijn van onze zwakheid bevrijdt ons van de verleiding om God uit eigen kracht te willen bereiken. We moeten ons dan wel op God verlaten.
Er is uitzicht op een andere werkelijkheid. Maar hièr is onze taak en onze levensopdracht.
Moge God onze kracht zijn in onze zwakheid.
 

De Bergrede

Tekst: Deuteronomium 11: 18-28; Matheüs 7 vers 15-29. De Johanneskerk, Amersfoort, zondag 29 mei 2005

Ruim drie weken geleden, op 5 mei, vierde Nederland de bevrijding van ons land van de Nazi's. We herdachten met dankbaarheid dat ons land al 60 jaar gespaard is gebleven voor oorlog. Bovendien zijn we dankbaar voor een welvaart die in de geschiedenis ongekend is. Wanneer je vanuit de wereld naar Nederland, en andere West-Europese landen, kijkt dan lijkt het alsof we leven in op een eiland van welvaart en zorg. Veel dingen zijn inmiddels voor ons zo vanzelfsprekend dat er nauwelijks waarde aan hechten, zoals bijvoorbeeld het feit dat er onbeperkt en betrouwbaar drinkwater uit de kraan komt of dat als we ziek zijn er kosten noch moeiten gespaard worden om ons weer op de been te helpen.

Hoe is dit zo gekomen? Heeft ons christelijke geloof een bijdrage geleverd aan de vrede en voorspoed? Ik vrees dat we dit als kerk niet op ons conto kunnen schrijven. Bij een bezoek aan de synagoge in Amersfoort liet de rabbijn een eeuwige vlam zien ter herdenking aan de joodse slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog. Hij zei letterlijk: “Wij als joden hebben de afgelopen 2000 jaar nog niet gemerkt dat Jezus de Messias is en dat zijn vrederijk gekomen is.”

 In de Bergrede is er een tegenstelling tussen velen en weinigen, tussen de nauwe poort en de wijde poort, tussen de smalle weg en de brede weg en tussen de rots en het zand waarop iemand zijn huis kan bouwen. Er zullen er weinigen zijn die ingaan door de smalle poort. Aan de andere kant zegt Jezus ook: “Gaat de hele wereld door. Onderwijst alle volken”. Dit is een opdracht zonder grenzen, een universele opdracht. “De mensenzoon is gekomen voor velen”, zegt Jezus en ook: “In het huis van mijn vader zijn vele woningen”. In de openbaringen staat: Rond de troon staat een schare uit alle volken, stammen en staten, een menigte die niemand tellen kan.

 In de tekst lijkt het alsof we voor een duidelijke keuze worden geplaatst: “Kies de brede weg zoals velen doen of de smalle weg en de nauwe poort waardoor maar weinigen gaan”. Er is een plaat van gemaakt waar je een klein groepje kerkmensen ziet voortploeteren met een bijbel in hun hand op een smalle bergweg op weg naar Jeruzalem op de top van de berg. Aan de andere kant zie je een grote groep, goed geklede mensen, gezellig pratend en drinkend, naar de hel wandelen in de diepte. Kunnen we de wereld wel zo mooi in tweeën delen: tussen aan de ene kant mensen die naar de kerk gaan, mensen zoals wij, die gedoopt zijn, actief zijn in de kerk met aan de andere kant de wereld, die er maar een beetje op los leeft en zich aan God noch gebod stoort? Ik denk dat het niet zo simpel is.

 De weg
De weg is een manier van leven. Het gaat om een innerlijke beleving van wat je doet. De mensen van de brede weg niet de zondaren, de mensen buiten de kerk. Jezus heeft het hierbij over mensen die iedereen als vrome mensen zou beschouwen: de schriftgeleerden en Farizeeën. Jezus heeft geen kritiek op alle schriftgeleerden en Farizeeën. Nicodemus bijvoorbeeld was een schriftgeleerde en ook een volgeling van Jezus. Jezus heeft kritiek op de schriftgeleerden in zoverre zij hun geloof richten op uiterlijkheden, op het nakomen van verplichtingen, op een bepaalde manier van kleden, op hun bindende uitleg van de wetten.

 De smalle weg is de weg van Jezus. Het gaat er hierbij om dat je jezelf durft geven, dat je jezelf ter discussie durft te stellen. Jezus gebruikt vaak het beeld van opnieuw geboren worden. Dat is een radicale manier om je zelf, je oude zelf, op te geven. Als resultaat van die geboorte wordt je “een nieuw mens.” De weg wordt daarom een smalle weg genoemd omdat die moeilijk is. Het is de weg van de zelfverloochening, van de bereidheid om een stapje terug te doen, van proberen de wijste en verstandigste te zijn als er een conflict is – op je werk, in je gezin, met je levenspartner. Deze manier van leven gaat in tegen onze natuurlijke reactie. Die is meer van: Je laat je toch niet op je kop zitten. Dat moet je niet pikken. Of: Ik zou de vakbond inschakelen. Je moet voor jezelf opkomen. Onze rechten in onze rechtstaat zijn prachtig en het is belangrijk dat dat ze er zijn. Voor de Bergrede gaat het om de intentie, de instelling waarmee je iets doet.

 De vruchten
Het resultaat van het volgen van “de weg” zijn de vruchten. In de bijbel is het beeld van de vrucht vaak het beeld wat voor het handelen wordt gebruikt. De vrucht is ergens het resultaat van. Een boom heeft tijd nodig om te groeien en is geworteld in de grond. Er is voorgroei regen en verzorging nodig. In deze beeldspraak gaat het niet concrete prestaties, zoals bij sport of een schoolexamen. Zelfs gaat het niet om prestaties op het geestelijke vlak. Men kan profeteren, wonderen doen, zieken genezen, boze geesten uitdrijven, allemaal in de naam van Jezus, kortom men kan een model gelovige zijn en toch te kort schieten. De vrucht is iets wat verwijst naar de innerlijke instelling. Het gaat om de mate waarin je gericht bent op de ander. De mate waarin je openstaat voor de ander, waarin je hem of haar de ruimte geeft, een ruimte om te leven.

 Het is niet onze stijl om “valse” profeten te veroordelen. We zeggen graag dat overal wel wat inzit. We willen ons graag tolerant opstellen. Het gaat hier om een type profeten die uiterlijk erg goed werk lijken te doen. Maar bij een zorgvuldige bestudering van hun vruchten, dat wil zeggen van hun innerlijke motivatie, kom je er erachter dat er iets niet klopt. Uiteindelijk kan dan de schade groot zijn. Jezus waarschuwt met klem voor wolven die zich voordoen als schapen om de schapen te verslinden.

 De rots
Bij de rots is ook sprake van een duidelijke tweeslag. Er zijn twee mensen die een huis bouwen. Het verschil tussen de ene bouwer en de andere is pas te merken als de stormen en stortregens komen. Dan blijft het ene huis staan, terwijl het ander op drijfzand blijkt gebouwd te zijn. In de bijbel wordt Jezus zelf vaak de rots genoemd. Jezus noemt Petrus de rots na zijn belijdenis dat Jezus de Messias is. Hiermee benoemt Jezus Petrus niet tot de eerste paus. Die belijdenis van Petrus is de rots, waarop je kunt bouwen. De rots is ook het verlangen naar gerechtigheid, naar een wereld die vrede kent. Het besef dat de wereld niet is zoals God die wil met alle honger, al het menselijke lijden, de vluchtelingenstromen enzovoort. Alles wat je doet om het lot te verbeteren van de slachtoffers is bouwen op de rots. Bouwen op de rots is als je de Bergrede als richtsnoer neemt in je leven.

Vaak krijg je het idee dat er twee werelden zijn. De ene wereld is de wereld van de zondagmorgen, van de preek, van de kerkdienst, van het lezen in de bijbel. Wat daar gebeurt staat ver af van de werkelijkheid op je werk en in je gezin op de maandagmorgen. De principes van de bijbel zijn prachtig, maar erg praktisch lijken ze niet. Toch is dit misschien niet zo. De bekende Benedictijn Anselm Grün geeft op basis van het evangelie en de regel van Benedictus praktische aanwijzingen die je kunt gebruiken als manager of in de psychotherapie met titels als Bezielend leidinggeven, Goed met jezelf omgaan, Innerlijke rust, Je eigen levensweg: Wonden uit je jeugd veranderen in nieuwe kansen, Spiritualiteit van het gezonde leven, en Op andere gedachten komen, Positief leren denken.

Ook bij conflicten kan het helpen om simpele adviezen van het evangelie uit te proberen, zoals het stapelen van vurige kolen op iemands hoofd, dat wil zeggen dat je beleefd en vriendelijk blijft ook als iemand je een rotstreek geleverd heeft. Als je dat doet dan zorg je er in ieder geval voor dat het conflict niet verder escaleert.

Gezag
Jezus spreekt met gezag. Jezus zegt: “Er staat geschreven, maar ik zeg u … “ Jezus gaat direct tot de kern. Hij stelt zich niet afhankelijk op van geleerden en hun pogingen tot exegese van heilige teksten. Jezus is ook consistent. Zoals hij leert zo leeft hij ook. Bij Mattheüs staat steeds: “Dit alles is geschied opdat vervuld werd het woord van de profeet … “ De Bergrede is een revolutionaire omwenteling in de religie, en wil een nieuwe betekenis geven aan de oude teksten, zoals we die in Deuteronomium gelezen hebben.

 In Deuteronomium staat dat je de wet aan je slapen moet binden, zoals orthodoxe joden nu nog doen en ook dat je de wet aan je deurposten moet bevestigen. De Bergrede is de oproep om de wet in je hart op te nemen, om je intenties te toetsen aan de Wet van God. 

De Bergrede lijkt een softe tekst. Het spreekt aan: reinen van hart, zachtmoedigen, treurenden, barmhartigen en vreedzamen. In feite is het een religieuze revolutie die de wereld op zijn kop zet. Het is een tekst die het Rijk van God dichterbij brengt. De wereld is beter af nu zo velen zich, geïnspireerd door de Bergrede, inzetten voor hun medemens, voor een betere wereld, voor een wereld zoals God die wil.  

 Wij hier als kerk verbonden met alle mensen in de wereld die zich christenen noemen, zijn deel van de beweging van de Bergrede. Het werk is nog niet af. De Bergrede is een oproep: God roept ons broeders en zusters tot de daad!

AMEN

“Diversity.”
Reflection at the International Students' Celebration
Sudsay 22 May 2005 in the Sint Janskerk (Church of Saint John ), Ecumenical Chaplaincy Maastricht University

Diversity: “A variety, an ethnic variety, as well as socio-economic and gender variety and a difference or discrepancy,” so says the dictionnary.

I think that we usually do not reflect on diversity, but on unity. We are here together and form a unity with a similar purpose. In religion we also look for a unity. We confess that God is One. There are religions where it is quite wrong and even sinful to disagree. If you have a different opinion you are expelled. In the past you could even be persecuted, like happened with so many groups that were labelled heretics.

We could mention the Cathars, the Hussites, the Jews in Western Europe, the Muslims in Spain and so on. Also political disagreement was (an still is) suppressed with persecutions. Communists or people labelled as communists were persecuted by the millions in Indonesia only 40 years ago. The same happened in Cambodia to anybody who seemed to disagree with the Khmer Rouge, even if only by his or her personal appearance, like the wearing of glasses. Even more recently Muslims and Christians were killed and their houses of prayer and even their hospitals and schools and universities destroyed on Ambon in East Indonesia only because of their religious identity.

Is this what God wants from us: that we are looking for the pure truth and if we have found the truth are we supposed to enforce it on other people? Is God in need of such good willing God fearing helpers who are willing to kill and murder to achieve his aim that the truth and his Kingdom will prevail on earth as it is in Heaven?

All the evidence is that the opposite is true. Not the victims, but the persecutors, are in the wrong. This is off course very easily said here in the Sint Janskerk, in open and tolerant Holland . You can not say it in numerous large and populous countries, where you have learnt for your own survival not to disagree, not to look too different, to suppress your longing for diversity.

We are here to celebrate “diversity.” To celebrate that we are different, not withstanding the many things we also have in common. Can we and should we have religions and ways of life that encourage diversity and that cultivate tolerance for diversity?

We want to argue that this is the case. The source of the enforcement of consensus, the suppression of diversity and the persecution of dissent is a human way to approach reality. If we listen carefully to the Holy Scriptures, to what God has revealed to us in Nature, and through the prophets we learn that for God diversity is the norm. I read n the paper of yesterday that a laboratory in Korea ahs managed to make a break through in the cloning of human stem cells. It is the production of human cells that are all the same. However, when we look to nature we can only see diversity. There is a meaning here. It is clear that the purpose of science is to explore and discover, to find regularities and scientific laws, to reduce complex looking phenomena to more simple cause and effect relations, that have a measure of predictability. If we look to the evolution theory as an example. It “explains” the origin and the variety of species by a simple and uniform mechanism of the selection of the strongest or fittest to survive with regard to the environment in which the species lives. The theory claims that it is able to explain why in the end there are cells in the human body that have specialized to become an eye or nails or a heart or veins. This is off course a good and proper thing to do. Science should advance, using its accepted methods and procedures. Science will also help us through technology to make nature serve us better and to make life more comfortable. However, it would be wrong for me and for you as candidate scholars to assume that science has the final word in relation to the understanding of reality. We could reflect on diversity “an sich”, in itself, without doing efforts to reduce it to something else.

God created diversity! He wants not uniformity, he does not want clones, he wants us, in our individuality, with our strong points and our weaknesses, and he loves us because of it. Some religious scholars argue that God felt lonely being God. So he created a multitude of things, living beings and human. He created the world in all its fullness. He created whales, ants, mosquitoes, butterflies, snails, viruses, monkeys, starts and plants, fire, light, human beings, men women, children, Blacks, Red Indians, Inca's, Tibetans, top-sportsmen and - women, top-models, presidents, emperors, gardeners, mothers and fathers, philosophers, bicycle-makers, chaplains, criminals, cosmonauts, physiotherapists and so on, and so on. And nothing is the same. Look to the leaves of only one tree. I tell you not a single leave is completely identical with another leaf on that same tree. Human can make things, like cars, aeroplanes, dishwashers, computers, tea cups, but most of these items are produced in series, and are all identical. God creates which means that everything is and has to be different.

Islam teaches us that diversity is a fact of nature and it makes the nature beautiful. God has created this whole universe with diversity. God says in the Qur'an:
See you not that Allah sends down rain from the sky? With it We then bring out produce of various colors. And in the mountains are tracts white and red, of various shades of color, and black intense in hue. And so amongst men and crawling creatures and cattle, are they of various colors. Those truly fear Allah, among His Servants, who have knowledge: for Allah is Exalted in Might, Oft-Forgiving. (35:27-28)

There is diversity among human beings. They have variety of genders, colors and languages and multiplicity of races and tribes. These diversities are considered natural and are called “God's signs” in the Qur'an (30:20-22). They are indicative of God's creative power and wisdom and are good and healthy since they endow human life with richness and beauty. God wants human beings to derive benefit from this diversity and not to allow it to generate unhealthy schisms and divisions in their ranks.

God says in the Qur'an:
And from amongst His signs is this that He created you from dust; and then behold you are humans scattered far and wide. Among His signs is this that He created for you mates from among yourselves that you may dwell in tranquility with them, and He has put love and mercy between you. Verily in that are signs for those who reflect. And among His signs is the creation of the heavens and the earth and the variations in your languages and colours; verily in that are signs for those who know. And among His signs is the sleep that you take by night and by day, and the quest that you make for livelihood out of His bounty; verily in that are signs for those who hearken... (30:20-23).

The diversities of races, families and tribes also have a healthy and constructive purpose, viz. that “you may know each other”. In the words of the Qur'an:
O people, We have created you from a male and a female and made you into races and tribes so that you may know each other. Surely the most honoured of you in the sight of God is the one who is the most righteous of you” (49:13).

Instead of enabling human beings to know each other better, there is no reason why these diversities should create barriers, or cause animosities among human beings.

In addition to these natural diversities there are others that are part of the human societies and cultures. There are diversities of viewpoints. The Qur'an recognizes the individuality of each human being as well as the individuality of their groups and communities.

…To each among you have We prescribed a Law and an Open Way . If Allah had so willed, He would have made you a single People, but (His plan is) to test you in what He has given you; so strive as in a race in all virtues. The goal of you all is to Allah; it is He that will show you the truth of the matters in which ye dispute. (al-Ma'idah 5:48)

Islam does not consider all viewpoints correct or of equal value. However, it is also well recognized in Islam that very often the differences of opinions (ikhtilaf) are also a token of God's mercy. If God had so willed, says the Qur'an, He could have forced people to come together to one point, but he did not do so. God did send His Prophets and Messengers from time to time so that the right path might be made clear through them. As regards the final judgment as to who followed the truth and who did not, that will be made known on the Day of Judgment by God Himself. In keeping with this principle, God forbade His Prophets and the believers from having recourse to coercion in religion. “There is no compulsion in religion”, said the Qur'an (2:256).

In the Holy Bible we have read the story of the Tower of Babel . Here human beings wanted to be like God and to establish a unity of the human race to become powerful as God. But God created diversity among them in languages. That is why we have now at last count over six thousand known languages used on Earth. We are grateful for the existence of Chinese, English, Spanish, French, Arabic, Russian and Hindi. But also for Marind Anim, Sentani, Zulu, Khoisan, Bemba, Xhosa, Burushaski, Geez, Ainu, Mandaic and so on and so on. Each of these languages expresses reality in a different way. It expresses different points of view and a different world view. But each languages gives us in our feeling a complete picture of reality.

The maximum number of languages a person can learn is limited. This teaches us modesty. We are not able to know everything.

In the Bible in the Letter of Paul to the Corinthians chapter 12 verse 14 to 26 we read again a strong plea for tolerance of diversity, a diversity wanted by God:
14 Now the body is not made up of one part but of many. 15 If the foot should say, "Because I am not a hand, I do not belong to the body," it would not for that reason cease to be part of the body. 16 And if the ear should say, "Because I am not an eye, I do not belong to the body," it would not for that reason cease to be part of the body. 17 If the whole body were an eye, where would the sense of hearing be? If the whole body were an ear, where would the sense of smell be? 18 But in fact God has arranged the parts in the body, every one of them, just as he wanted them to be. 19 If they were all one part, where would the body be? 20 As it is, there are many parts, but one body.

21 The eye cannot say to the hand, "I don't need you!" And the head cannot say to the feet, "I don't need you!" 22 On the contrary, those parts of the body that seem to be weaker are indispensable, 23 and the parts that we think are less honourable we treat with special honour. And the parts that are unpresentable are treated with special modesty, 24 while our presentable parts need no special treatment. But God has combined the members of the body and has given greater honor to the parts that lacked it, 25 so that there should be no division in the body, but that its parts should have equal concern for each other. 26 If one part suffers, every part suffers with it; if one part is honoured, every part rejoices with it.

The appeal of the Apostle Paul here is again on tolerance, on the accepting of diversity, on the interdependency of us with the whole of reality.

Let us be ambassadors of diversity. Let us celebrate diversity in our lives. Make us tolerant for other opinions and views. Let us also be happy with us as we are. We have the right to be as we are.

"En ze werden verrvuld van de Heilige Geest."
Doopsgezinde Kertk Heerlen, pinksterzondag 15 mei 2005
Lezingen: Ezechiël 11: 17-20 en Handelingen 2: 1-24

We zijn, zo zegt men wel eens, een kleine, bedreigde gemeente van remonstranten en doopsgezinden in Zuid-Limburg. We horen soms stemmen die beweren dat we geen toekomst hebben. Over een paar jaar is het afgelopen. We hebben te maken met “vergrijzing”. Een aantal van ons is inderdaad door de hoge leeftijd aan huis gebonden en men is helaas niet meer in staat samen met ons de viering bij te wonen. Is het echt zo hopeloos?

“En – zo staat er in Handelingen – wij allen horen hen in onze eigen taal spreken over Gods grote daden.” Voor precies datzelfde zijn we hier vanmorgen bij elkaar. Niet om te horen over de grote daden van mensen, van politici, wereldleiders, zoals Bush die verleden week in Margraten was, sportmensen, popsterren, van de koningin, van prinsen en prinsessen. Hier horen we over de grote daden van God! Hier, in deze dienst in Heerlen op de zondag van Pinksteren van het jaar 2005 zetten we de lijn voort die begon op die allereerste pinksterdag van het jaar 34.

We lezen dat de leerlingen aanvankelijk na de kruisiging van Jezus zich verschanst hadden op een bovenkamer met de deur op slot. Ze zijn bang om net als hun meester gearresteerd te worden en terechtgesteld. Er is geen hoop meer dat het werk van Jezus voortgezet wordt. Het is een aflopende zaak. Dan is er Pasen en de ontmoeting met de opgestane Heer. Hij belooft een plaatsvervanger, de Heilige Geest. Hij belooft dat overal waar zelfs maar twee of drie in Zijn naam bijeen zijn Hij in hun midden zal zijn. Die tekst is vaak ironisch gebruikt als een soort bemoediging als er weer eens te weinig mensen in een kerkdienst zijn of bij een gemeenteavond zijn. Dit is ten onrechte, want het gata niet om de aantallen. Het gaat erom dat die Geest aanwezig is. Over die Geest van Pinksteren willen we vanmorgen nadenken. Wie is de Geest en wat doet hij met ons?

Jezus en de Geest
Als we teruggaan naar de hele periode van zeven weken na de opstanding dan zien we een volledige transformatie. De angstige leerlingen willen, ook zonder de directe aanwezigheid van Jezus, zijn werk voorzetten. Ze zijn daarbij bereid om elke risico te nemen. Dat is trouwens ook hun kracht. Toen Jezus persoonlijk bij hen was konden we de verantwoordelijkheid aan hem overlaten. Ze konden hem vragen problemen direct op te lossen, zoals toen er ruzie was wie van de leerlingen de belangrijkste was. Of ze konden hem direct een vraag stellen naar de betekenis van een gelijkenis. Of ze vroegen hem, zoals vermeld staat in Handelingen 1: Wanneer gaat u het koningschap over Israël herstellen? De Hemelvaart van Jezus heeft de leerlingen verweesd achtergelaten. Ze staan nu op eigen benen. Waar halen ze de moed en de inspiratie vandaan om het werk van Jezus voort te zetten? Jezus heeft beloofd dat ze gedoopt zullen worden met de Heilige Geest. Ze zullen de kracht krijgen om getuigen van Christus te worden in zo belooft Jezus“in Jeruzalem, in heel Judea en Samaria, tot aan de uiteinden van de aarde” (1, 8).

Dat is een kosmopolitische visie. Dit aspect van Pinksteren heeft me altijd enorm aangesproken. We zullen er straks van zingen in het lied over de ware Kerk des Heren, die “één volk vormt dat God toebehoort, “één doop, één Geest, één Woord. “Eén naam is aller zegen, één brood is aller spijs.” Dan denk je automatisch aan de zendingsverhalen, waar je als kind zo van genoot, van christenen, broeders en zusters in Afrika, in Indonesië, in India. Er zijn steeds mensen geweest die vaak met gevaar voor eigen leven alles achter zich lieten, bewogen door de geeest van pinksteren, en die zich inzetten voor medemensen die sterk verschillen van ons in taal, cultuur, gewoonten en mentaliteit.

We zijn hier bijeen in de kerk. Erbuiten is de wereld, die tegenwoordig vaak antikerkelijk is. Religie zo horen we is achterlijk en achterhaald. Het predikt geweld en haat. Het zou beter voor de wereld zijn als alle religies afgeschaft werden. We zijn kinderen van de verlichting en aan religie ontgroeid. We zijn voor vrijheid en tolerantie, voor een wereldbeschouwing gericht op de mens en het geluk van de mens. Dat was in de tijd van de apostelen in de Romeins-Hellenistische wereld van de eerste eeuw eigenlijk niet anders.

Dan komt plotseling de verandering. In het huis waar men zich bevindt: hoort men een geluid als van een hevige windvlaag en ziet men iets als “tongen van vuur.” Het gaat echter niet in de eerste plaats om de uiterlijke verschijnselen. Het gaat om een transformatie, om de nieuwe geest die gaat heersen. Vuur en wind zijn in de bijbel steeds voorboden voor de komst van God. In Psalm 104: 4 staat

“u maakt van de winden uw boden,
van vlammend vuur uw dienaren.”

Nu op die eerste Pinkstermorgen stuurt God weer zijn boden en dienaren naar de mensheid. De leerlingen geven luid blijk van hun blijdschap hierover. Ze spreken in vreemde talen. Omstanders denken aan dronkenschap. Het nieuwe is niet de extase, maar de nieuwe interpretatie die de apostelen geven aan de oude overgeleverde teksten. Dezen worden zo uitgelegd dat ze op Jezus van toepassing zijn. Dat zien we aan de preek van Petrus, terwijl hij vervuld is van de Heilige Geest. Hij gebruikt de profeet Joel en twee psalmen om wat er gebeurd is voor de toehoorders begrijpelijk te maken.

Wat er die pinksterdag gebeurde is de vervulling van vele profetieën van het Oude Testament. Ik geef drie voorbeelden:

Jesaja 2: 2 en 3
2 Eens zal de dag komen dat de berg met de tempel van de HEER rotsvast zal staan, verheven boven de heuvels, hoger dan alle bergen. Alle volken zullen daar samenstromen, 3 machtige naties zullen zeggen:
‘Laten we optrekken naar de berg van de HEER ,
naar de tempel van Jakobs God.
Hij zal ons onderrichten, ons de weg wijzen,
en wij zullen zijn paden bewandelen.'

Jeremia 29: 11-14
11 Mijn plan met jullie staat vast – spreekt de HEER . Ik heb jullie geluk voor ogen, niet jullie ongeluk: ik zal je een hoopvolle toekomst geven. 12 Jullie zullen mij aanroepen en tot mij bidden, en ik zal naar jullie luisteren. 13 Jullie zullen mij zoeken en ook vinden, als jullie mij tenminste met hart en ziel zoeken. 14 Ik zal me door jullie laten vinden – spreekt de HEER – en ik zal in je lot een keer brengen. Ik zal jullie samenbrengen uit alle volken en plaatsen waarheen ik je verbannen heb – spreekt de HEER – en je laten terugkeren naar Jeruzalem, waaruit ik je heb laten wegvoeren.

Daniël 7: 13-14
13 In mijn nachtelijke visioenen zag ik dat er met de wolken van de hemel iemand kwam die eruitzag als een mens. Hij naderde de oude wijze en werd voor hem geleid. 14 Hem werden macht, eer en het koningschap verleend, en alle volken en naties, welke taal zij ook spraken, dienden hem . Zijn heerschappij was een eeuwige heerschappij die nooit ten einde zou komen, zijn koningschap zou nooit te gronde gaan.

In Ezechiël lezen we over de belofte van God over een terugkeer uit de ballingschap.
17 toch zeg ik hun dit: Ik zal jullie weghalen bij die volken, ik zal jullie terugbrengen uit de landen waarover jullie verspreid zijn en ik zal jullie je land teruggeven! 18 Dan zullen zij daarheen terugkeren en alle afschuwelijke afgoden uit het land verwijderen. 19 Dan zal ik hen eensgezind maken en hun een nieuwe geest geven; ik zal hun versteende hart uit hun lichaam halen en hun er een levend hart voor in de plaats geven. 20 Dan zullen ze mijn wetten gehoorzamen en mijn regels in acht nemen. Zij zullen mijn volk zijn en ik zal hun God zijn.

“Ik zal jullie je land teruggeven” zo profeteert Ezechiël. Zojuist, tien dagen geleden, hebben we gevierd dat we 60 jaar geleden ons land weer terug kregen na vijf jaar bezetting door de Nazi's. In Israël viert men op 14 mei ook de bevrijding die echo's oproept van de profetische boodschap. In de nacht van vrijdag 14 op 15 mei, de avond voor de Sabbath, verklaarde de staat Israël zich onafhankelijk. In de verklaring staat dat het land open zal zijn voor immigratie van joden uit alle landen … Het land zal gebaseerd zijn op vrijheid, rechtvaardigheid en vrede zoals verkondigd door de Hebreeuwse profeten. Er zal geen onderscheid zijn naar religie, ras of geslacht.

( THE STATE OF ISRAEL will be open to the immigration of Jews from all countries of their dispersion; will promote the development of the country for the benefit of all its inhabitants; will be based on the precepts of liberty, justice and peace taught by the Hebrew Prophets; will uphold the full social and political equality of all its citizens, without distinction of race, creed or sex; will guarantee full freedom of conscience, worship, education and culture; will safeguard the sanctity and inviolability of the shrines and Holy Places of all religions; and will dedicate itself to the principles of the Charter of the United Nations .)

Het land, de wereld, bewogen door de geest van Pinksteren en het opnieuw ervaren van de realiteit van de beloften van de bijbelse profeten, wordt weer zoals God het bedoeld heeft toen hij de wereld en ons schiep. Er staat: “En Hij zag dat het goed was.

Ezechiël profeteert dat God zich weer zal wenden naar zijn volk dat Hem verlaten heeft.
God zal zich uit alle talen en uit alle naties een nieuw volk scheppen. En Hij zal hun God zijn en Hij zal bij hen zijn (11, 20).

Pinksteren is het begin van een beweging van God in de wereld. Met kerstmis werd het woord vlees. Dat wil zeggen: In Jezus ervaren we het werk van God. Jezus was ween Galileër, zoon van de dorpstimmerman van Nazareth in een tijd dat Palestina leed onder een Romeinse bezetting en een wrede koning Herodes. Het was concreet en historisch. Geleidelijk aan begrepen de leerlingen zijn boodschap, ook al bleven ze tot het laatst een aards koninkrijk verwachten, waarbij de Romeinen uit het land verdreven zou worden en Jezus de troon van David en Salomo weer in zou nemen. Met Pinksteren is er een tweede beweging van God de wereld in. Het is Gods Geest in ons. Hierdoor zien we niet alleen Christus in de minste van onze broeders en zusters aan wie we en weldaad bewijzen. Christus is in ieder van ons.

Op die allereerste pinksterdag geven de leerlingen vervuld van de Heilige Geest luid uiting aan datgene waarmee ze vervuld zijn. Ze verkondigen aan de hele wereld, en iedereen hoort dit in zijn of haar eigen moedertaal de grote daden van God. De apostelen verkondigen wat God tot stand bracht in Jezus en hoe daarmee de profetieën vervuld zijn. Die profetieën gelden ook voor het pinkstergebeuren. De apostelen verlaten hun huis. Ze spreken in het openbaar. Ze richten zich tot de wereld en hebben een taak in de wereld en voor de wereld. We kunnen zeggen dat dat wat de Geest is voor de Kerk de Kerk wordt voor de wereld.

En we zijn met velen. Wij zijn deel van die grote wereldwijde gemeenschap van christenen, van Batakkers en Toraja's, van Bemba en Dalits, van Kopten en Ethiopiërs, van Polen en Russen. We zijn deel van de beweging van God naar de mensen en naar de wereld toe, begonnen op die allereerste pinksterdag in Jeruzalem. Vervuld van de Heilige Geest stijgen we uit boven onszelf en verkondigen we de grote daden van God.

Amen

Wie is de belangrijkste?
Preek in de Oecumenische Viering ter opening van Koninginnedag 30 april 2005 in de Sint Janskerk, Maastricht
Lezing: Mattheüs 20: 20-28

Deze dienst is een oecumenische viering ter opening van Koninginnedag 2005. Het is een bijzondere Koninginnedag, omdat we vandaag tevens het 25-jarig regeringsjubileum vieren van onze koningin.

De Stichting Oranje Comité Maastricht is van mening, dat het passend is dat de feestelijkheden van vandaag voorafgegaan worden door een viering met gebeden, liederen, muziek, een preek en de zegen van de Allerhoogste. Een eerste vraag zou kunnen zijn: Komen kerk en overheid hier niet te dicht bij elkaar? Er is in Nederland al sinds 1795 een scheiding van kerk en staat. De vrijheid van godsdienst is een van de pilaren van onze huidige samenleving.

Ik vind het zelf een mooi gebaar om op een feestelijk moment als deze ruimte te geven aan een moment van bezinning en reflectie. We zoeken samen naar gemeenschappelijke uitgangspunten, naar waarden. Ik vind het erg waardevol dat de viering oecumenisch is en dat pastoor en dominee in een goede samenwerking deze dienst voorbereiden en leiden.

Koninginnedag, zoals ik het al als klein kind al heb meegemaakt, is een feest voor iedereen. Niemand wordt buitengesloten. Er is iets voor kinderen en ouderen, voor burgers en militairen, voor katholieken en protestanten, en natuurlijk worden ook moslims en joden en mensen van andere religies van harte uitgenodigd mee te doen aan de feestelijkheden.

In goed onderling overleg besloten pastoor Eyssen en ik de bijbeltekst over de zonen van Zebedeüs te kiezen voor deze viering. De tekst gaat over het wezenlijke van het regeren. Het gaat ook over de verhouding tussen de kerk en de waarden waar die voor staat en de wereldlijke regeringen.

Het lijkt alsof er in de tekst een duidelijke scheiding is tussen de wereld, tussen het politieke rijk en het Rijk van God, zoals Jezus dat predikt. Het verhaal begint met het nederige verzoek van een moeder (ze knielt voor Jezus) om een speciale positie voor haar twee zonen, Johannes en Jacobus. Wat is er mooier dan de liefde van een moeder en haar wens dat haar kinderen het goed doen? De moeder is niet de eerste de beste. Naar alle waarschijnlijkheid is het Salome, de zuster van de moeder van Jezus. Salome behoorde tot de trouwe volgelingen van Jezus. Ze was net als de moeder van Jezus, Maria Magdalena en Maria, de vrouw van Kleopas, aanwezig bij de kruisiging van Jezus op Golgotha. Hier was overigens ook Johannes, blijkbaar als enige van de leerlingen bij. Johannes en Jacobus behoorden tot de binnenste kring van de leerlingen. Waarom zouden ze niet een officiële positie kunnen krijgen in het ebstel van Jezus? De moeder vraagt of haar zoons ter linker – en ter rechterzijde mogen zitten wanneer Jezus in zijn koninkrijk zal zijn. Dat is in het oude Oosten de positie van Grootvizier of plaatsbekleder en de positie van Thesaurier (links). Jezus reageert op het verzoek met een tegenvraag: “Kunnen jullie de beker drinken die ik zal moeten drinken?” De broers antwoorden vol zelfvertrouwen: “Ja, dat kunnen wij!” Jezus zegt dan dat zij inderdaad de beker zullen drinken die hij zal drinken, maar dat het niet aan hem is om de plaats ter linker- of ter rechterzijde te bepalen. De beker waar Jezus op zinspeelde is de beker van het lijden door vervolging. In d e Hof van Gethsemane bidt Jezus tot de vader: “Vader, als het mogelijk is, laat deze beker dan aan mij voorbijgaan.” Toen, in de Hof der Olijven, waar Jezuas dat bad, waren alle disiciplen aanwezig, ook Jacobus en Johannes, maar ze sliepen, omdat ze te moe waren. Toen Jezus aan het kruis hing hingen naast hem niet Jacobus en Johannes aan het kruis, maar twee misdadigers! Jacobus en Johannes hebben uiteindelijk wel de beker moeten drinken. Jacobus was een van de eerste martelaren voor het geloof. Hij werd in het jaar 44 onthoofd door koning Agrippa I. Johannes heeft veel vervolging te verduren gehad in zijn leven en werd uiteindelijk naar het eiland Patmos verbannen.

De overige leerlingen zijn woedend op Johannes en Jacobus. Ze zijn jaloers en zouden eigenlijk voor hen zelf wel zo'n belangrijke positie willen hebben. Jezus legt dan de harde werkelijkheid van de waarden van de wereld naast de waarden van het Rijk van God. Hij zegt: “Jullie weten dat heersers hun volken onderdrukken en dat leiders hun macht misbruiken.” Het wordt gezegd als een constatering. Er zijn overigens verschillende landen in de wereld waar je met een dergelijke uitspraak over de regering of het staatshoofd je in de gevangenis belandt op beschuldiging van hoogverraad. Gelukkig is er in Nederland een dusdanige grote mate van vrijheid van meningsuiting dat ik daarvoor niet hoef te vrezen. Tegenover de waarden van de wereld plaatst Jezus de waarden van het Rijk van God. Hier gelden de volgende twee regels:

(1) wie wil heersen moet dienen,

(2) wie de eerste wil zijn zal jullie dienaar moeten zijn.

Leiden is volgens Jezus niet heersen, de baas spelen over anderen, je macht voor jezelf aanwenden, mensen onderdrukken, maar leiden is juist de belangen van anderen laten prevaleren, jezelf wegcijferen, kortom dienen.

Wanneer hedendaagse politieke leiders zich dienaar noemend dan is dat veelal geen valse bescheidenheid, maar een bepaalde manier waarop ze hun ambt willen invullen geïnspireerd door het evangelie van Jezus.

Paus Johannes Paulus II zei in een interview in 1994 dat hij boven de titels Summus Pontifex, opperpriester, of “Heiligheid” de voorkeur geeft aan de titel die al sinds Gregorius de Grote bij pausen in gebruik is: “Servus Servorum Deï,” dienaar van de dienaren van God. Hij voegt hieraan toe en nu citeer ik hem letterlijk en elke christen die hier in deze kerk aanwezig is kan zich hierdoor gesterkt voelen: “Welbeschouwd betekent christen heel wat meer dan bisschop ook als het gaat over de bisschop van Rome.” Voor elke christen geldt dat hij of zij is “Christianus alter Christus”: Een christen is een tweede Christus.

Op woensdag 30 april 1980, precies 25 jaar geleden, legde de 42 jarige Beatrix voor het hele Nederlandse volk, in de Nieuwe Kerk te Amsterdam, de volgende verklaring af: “Het ambt van Koning is niet verworven. Het is een functie waar geen mens om vragen zou. Het is een last en zelfbeperking. Maar uit plicht en geweten en in een vast geloof dat God mijn leven leidt aanvaard ik de verantwoordelijkheid.” Ze vervolgt: “Niet macht, persoonlijke wil of aanspraak op erfelijk gezag, maar slechts de wil de gemeenschap te dienen, kan inhoud geven aan het hedendaagse koningschap.” Beatrix neemt bij de troonsaanvaarding niet Napoleon of Alexander de Grote of een andere grote politiek leider als voorbeeld, maar in feite neemt ze als voorbeeld voor leiderschap de eenvoudige timmermanszoon uit Nazareth in Galilea, Jezus Messias.

Voor haar is er dus niet zo'n duidelijk onderscheid tussen geloof en politieke, tussen kerk en wereld. Politiek en samenleving kunnen niet zonder mensen die een dergelijke houding ten toon spreiden, mensen die weten dat heersen en leiden betekent de ander dienen. Dat geldt in feite voor alle verbanden waar mensen actief zijn: het gezin, de werksituatie en ook de kerk. Er zijn steeds volop mogelijkheden om de nederigheid te oefenen, om elkaar ruimte te geven, om begrip op te brengen voor elkaar, om ten opzichte van de andere de minste te willen zijn.

Ik denk dat ook de recent gedecoreerden en degenen hier aanwezig die in het verleden hun decoratie kregen dit begrepen hebben. Ze hebben de decoratie verdiend door onder meer het opofferen van vrije tijd, het zich zelf wegcijferen, ze hebben zich ingezet voor kwetsbare groepen in de samenleving.

Laten we allen, in dit jubileumjaar, voor het begin van de grootscheepse viering van Koninginnedag en het regeringsjubileum van onze koningin ons vast voornemen om als uitgangspunt te nemen, in ons werk en in ons gezinsleven, om niet van macht of persoonlijke uit te gaan, maar van de wens om onze naaste en de gemeenschap te dienen.

Amen

De goede herder.
"Volg de goede herder en luister naar zijn stem"
- Protestantse Kerk, Beek (L) 24-4-2005
Lezingen: Eerste lezing: Nehemia 9: 6-15; Tweede lezing: 1 Petrus 2: 19-25; Evangelielezing: Joh 10: 1-16
Tekst: Joh 10: 11 “Ik ben de goede herder”

Inleiding
Onlangs heeft de Remonstrantse Gemeente in Rotterdam een mooi initiatief genomen. Het is de volle kerkactie. Het uitgangspunt, waar ik het van harte mee eens ben, is dat het prettiger is om naar een dienst te gaan in een volle kerk dan in een halflege kerk. Hoe krijg je nu een volle kerk. Het is de ambitie van de Rotterdamse gemeente om een keer per jaar dit te realiseren door een oproep te doen aan alle voormalige gemeenteleden die nu elders ter kerke gaan, zoals Wim Hollander, om met Pinksteren op zondag 15 mei naar Rotterdam te gaan. Ik stel voor dat onze gemeente bij dit initiatief aansluit en ook probeert met Pinksteren en volle kerk te krijgen.

In Rome is de zorg niet of ze wel of niet een volle kerk krijgen. De zorg is en dat nu al voor d e tweede keer in een korte periode hoe zorg je dat de toestroom van gelovigen hanteerbaar blijft. Men heeft al verklaard dat niet alleen de kerk vol is maar dat heel Rome vol is! Honderdduizenden Duitse pelgrims zijn al naar Rome vertrokken om bij d wijding van hun paus aanwezig te zijn, zolas bij de begrafenis van paus Johannes Paulus II maar liefst 5 % van het hele Poolse volk in Rome was.

In de massamedia is e r volop aandacht voor deze gebeurtenissen. Het is dan ook een media event van de hoogste orde. We zien de pracht en praal van de Sint Pieter en het Vaticaan met de Sixtijnse kapel. We zien de stoet van kardinalen in hun rode gewaden, de bisschoppen in het paars en daarna de staatshoofden koningen, prinsen, regeringsleiders. Verder kaarsen, wierook, muziek, grote koren en plechtige rituelen, allen heel zorgvuldig uitgevoerd. Er wordt enorm veel symboliek in een ritueel geplaatst wat slechts enkele uren duurt.

Hier steekt onze dienst in Beek maar mager tegen af. Toch zijn wij hier geïnspireerd door hetzelfde verhaal, wij noemen ons geworteld in hetzelfde evangelie als wat klinkt op het Sint Pietersplein en in de Sint Pieter. Zowel de paus Benedictus XVI als de voorganger als wij hier bidden tot dezelfde god en bewijzen eer aan dezelfde Messias. We hebben de zelfde doop gemeenschappelijk. Misschien is de veelvromigheid wel iets positiefs, terwijl we tezelfdertijd ook d eenheid zien in de verscheidenheid.

Er is nog iets gemeenschappelijks met de gebeurtenissen in Rome. Ook hier werd iemand in het ambt bevestigd. Het ritueel kan in vergelijking met dat in Rome niet soberder. Een eenvoudig voorlezen van de verantwoordelijkheid, een eenvoudig ja op de gestelde vraag en het toewensen van God zegen op de nieuwe taak. Samen zongen we daarna het bescheiden lied dat we hopend at we als gelovigen, als volgelingen van Jezus enig licht brengen in de duisternis om ons heen, zoals een kaarsje dat doet in de nacht.

De bisschop van Roem noemt zich ook herder van alle gelovigen. Wat houdt dat heerserschap in? Er zijn veel beelden van Jezus. Een veel voorkomend beeld is Jezus die vrijwel naakt aan het kruis hangt. In Rome zie je dat afgebeeld op gouden crucifixen op een staf of als borstkruis, in marmer, in goud of zilver, in hout of op linnen. Als protestanten hebben we in de 16 de eeuw al een einde gemaakt aan deze vorstelling. Ook in deze kerk zie je geen kruis. Andere beelden van Jezus zijn misschien nog belangrijker. Na de kruisiging van Goede Vrijdag komt onvermijdelijk het hoogfeest van Pasen. Jezus is ook de opgestane, de overwinnaar. In deOOste3rse kerk zie je hem veel vaker zo afgebeeld. Ook in Afrika en Azië zie je Jezus vaker afgebeeld als de verrezene, bij de Hemelvaart, of aanwezig bij de wonderbare visvangst, en ook als goede herder4 met een schaapje op zijn schouders of reikend naar een schaap dat in de doornen verstrikt is en dreigt in een afgrond te vallen.

Jezus als rondtrekkende rabbi zegt dat hij in een traditie staat. Daarover lezen we bij Nehemia. Nehemia is de landvoogd, aangesteld door de Perzische koning Arthaxerxes, om de teruggekeerde joden in Juda te helpen. Om het volk moed in te spreken herhaalt Nehemia het oude verhaal van Gods beloften aan Abraham, Izaäk en Jacob, aan de uittocht uit Egypte en aan de intocht in het Beloofde Land. God blijft trouw, ook al zijn de mensen dat niet. Dan gaat het volk aan het werk om Jeruzalem te herbouwen en ook om een nieuwe tempel te bouwen ter vervanging van de tempel van Salomo die vernietigd was in de oorlog.

Jezus legt in het Johannes evangelie zijn missie uit met behulp van de gelijkenis van de goede herder. Spreekt dat beeld ons nog aan? Er zijn in Nederland bijna geen herder meer. Ik geloof dat er nog een 30 tal is. We kennen de herder vooral uit de bijbel en de liederen, zoals die we in deze dienst zingen. Ik denk dat we niet per se met een concrete Nederlandse herder gesproken hoeven te hebben om het beeld te kunnen begrijpen. Schapen zijn van nature erg afhankelijk van hun herder. Ze kunnen zich zelf niet verdedigen tegen een wolf of een dief en rover, zoals een paard dat kan doen door met zijn achterbenen te slaan of een rund dat kan doen door met zijn hoorns te dreigen. De herders staan aan de basis van het joodse volk als natie. Zowel Abraham, Izaak en Jacob als David waren herders. David begon als herder voordat hij tot het hoogste ambt werd geroepen. Maar er was continuïteit. Hij was de herdersvorst. Als herder was hij breid om zijn leven in te zetten voor de bescherming van de aan hem toevertrouwde schapen voor een leeuw of een wolf. Zin trouw als herder maakte hem geschikt voor zijn functie als koning. Als koning heeft hij hart voor het volk, hij is rechtvaardig en onbaatzuchtig. Hij zorgt voor de zwakken, voor de weduwe, de wees en de vreemdeling