|
PREKEN
ds At Ipenburg (predikant RGZL 2004-2006) |
|
|
|
Van
God verlaten ...
Preken in het
Engels / Sermons in English
Bij God is niets onmogelijk
Veel mensen ervaren de geboorte van hun kind als de meest bijzondere gebeurtenis in hun leven. Er is een nieuwe mens en dat is jouw kind. Je leefde er al naar toe sinds je wist dat je zwanger was. Het is een wonder. Je zou misschien wel de straat op willen gaan en dansen en iedereen toeroepen: Ik ben vader of ik ben moeder geworden, en mijn kind heet zo en zo. In de vreugde van zo’n ouderpaar willen we allemaal delen als vrienden en familie. Helaas is het hebben van een kind niet voor iedereen weggelegd. We leven wel in een moderne tijd, die individualistisch is, waar misschien vaak carrière voor het hebben van kinderen gaat. Toch blijkt dat wanneer je echt geen kinderen kan krijgen je dit ervaart als een zwaar noodlot. Iemand die dit ten deel viel zei erover: Overal zie je kinderen, je ziet crèches en kleuterscholen met wachtende moeders, mensen praten over hun kinderen, je ziet kinderwagens – en jij bent er geen deel van en je bent voorgoed buitengesloten van dit geluk. Je voelt een gemis, een voortdurende pijn. Je voelt je een incompleet mens. Vanuit de dankbaarheid om de geboorte van hun kind ligt het besluit van deze ouders om het te laten dopen. Wat betekent de doop in onze moderne, geseculariseerde wereld. Wat wil je aan je kind geven als je het laat dopen? In de eerste plaats geef je, denk ik, aan dat de relatie met God belangrijk is in je verhouding als ouders tot je kind. Het kind is zelf gave van God, een klein wonder. Jezus zelf zegt, met nadruk: “Laat de kinderen tot mij komen”. Hij stelt ons de kinderen tot voorbeeld. We moeten proberen zelf weer als een kind te worden. De doop geeft ook aan dat je het kind niet beschouwt als een privé bezit. Je hebt het te leen en je voedt het op tot zelfstandigheid. De doop is zelf een gave. God’s liefde is genade. Het is de basis en de grond van ons leven, net zo als de liefde van zijn vader en moeder dat is voor een kind. De eigenlijke doop is het aanroepen van de naam van God, en het besprenkelen van het voorhoofd van het kindje met een klein beetje water. Het gaat niet om de hoeveelheid water. Ook bij een paar druppels gaat het om een echte doop. Met die doop krijg je deel aan de kerk van Christus. Dit is ruimer dan een individuele kerk, zoals de remonstrantse broederschap, de protestantse kerk of de rooms-katholieke kerk. Die zijn elk deel van de kerk van Christus. Wat al die kerken gemeenschappelijk hebben is die doop, zoals die zojuist heeft plaatsgevonden. .
Wat kunnen we van een kind leren? Ik denk
spontaniteit, directheid, eerlijkheid, aanvaarding en vertrouwen.
Een kind is in feite niet in staat om zonder hulp van de ouders in
het leven te staan. Hij heeft hen nodig voor zijn voeding, zijn
onderdak, zijn kleding, zijn herstel wanneer hij ziek is. Het is
zich die afhankelijkheid waarschijnlijk niet bewust, anders zou hij
voortdurend bang zijn dat hem het allemaal afgenomen zal worden. De
afhankelijkheid is deel van zijn werkelijkheid waar hij geen vragen
bij heeft, die hij accepteert in vertrouwen. Kunnen wij ook een
dergelijk geloofsvertrouwen hebben en geloven in de zorg en liefde
van God die ons leidt en ons leven bepaalt? Kunnen we zo’n
geloofsvertrouwen ook hebben met betrekking tot alles wat in de
wereld gebeurt, de angst voor terroristische aanslagen, de oorlog in
Libanon, Irak en Afghanistan? Rondom de geboorte van Isaac vindt veel lachen plaats: lachen uit ongeloof en lachen uit dankbaarheid. De naam Isaac betekent dan ook “Hij lacht”. Dat wensen we Isaac ook toe dat hij veel zal lachen en gelukkig zal zijn. Even voor het eerst gelezen gedeelte uit de bijbel staat het verhaal dat God Abraham belooft dat zijn nageslacht zo talrijk zal zijn als de sterren aan de hemel en als het zand aan de zee. Maar Abraham is al een oude man. Toch gelooft hij God. Als teken van de belofte van God en van zijn geloof laat Abraham zich besnijden. Op de derde dag na de besnijdenis, wanneer hij ziek is en koortsig, terwijl hij uitrust voor zijn tent, op het heetste van de dag, ziet hij plotseling drie bezoekers, die eruit zien als Arabische nomaden staan. Hij staat snel op, gaat hen tegemoet en nodigt hen met aandrang uit om bij hem te komen rusten. Hij biedt aan een klein beetje water om de voeten te wassen en wat brood om weer fris te worden. Tegelijk vraagt hij Sarah om vers brood te maken, en hij vraagt zijn bediende om te zorgen voor verse melk en om het gemeste kalf klaar te maken. Als spoedig komen de bezoekers met de boodschap, waarvoor ze gekomen zijn. Sarah zal over een jaar bevallen van een zoon. Sarah, die door de tentdeur het gesprek volgt, lacht in zichzelf. Weten de bezoekers dan niet dat ze al veel te oud is om kinderen te krijgen? Zijn ze zo naief dat ze niet weten dat ze al jaren na de overgang is? Sarah kan natuurlijk niet vermoeden dat de bezoekers anders zijn dan ze lijken: een stel rondtrekkende nomaden. Toch is haar ongeloof haar te verwijten. Maar de bezoeker verwijt het Abraham. Misschien heeft Abraham de belofte, die God hem enkel dagen daarvoor had gedaan, niet met Sarah gedeeld. Misschien ook was hij niet in staat Sarah te overtuigen. De bezoeker vraagt aan Abraham waarom Sarah lacht en herhaalt zijn belofte, en zegt “Bij God zijn alle dingen mogelijk.” Dat is ook de dooptekst die de ouders Isaac willen meegeven in zijn leven. Na de geboorte, die op het beloofde tijdstip plaats vindt, lacht Sarah opnieuw, maar nu van blijdschap. Ze zegt: God heeft gemaakt dat ik lach, en ieder die het hoort zal; om mijnentwil lachen (Gen 21: 6). Het vervolg van dit verhaal is een verhaal wat daarmee sterk contrasteert. God kondigt het oordeel aan over Sodom en Gomorra. Hier is een andere wereld. Zo gastvrij als Abraham was voor de drie vreemdelingen, zo ongastvrij zijn de bewoners van Sodom en Gomorra. Ze hebben het gebruik om vreemdelingen fysiek geweld aan doen, hen te verkrachten en te doden. Toch pleit Abraham voor hen. Door de belofte van een zoon hij heeft hij nu de ruimte om te pleiten voor hen die het oordeel is aangezegd. Inderdaad worden Lot en zijn gezin gered voor de steden vernietigd worden. Jezus gaat naar een stille plek aan de overkant van het meer van Genesaret. Mar een grote mensenmenigte volgt hem. Hij spreekt hen toe. Aan het eind van de middag suggereerden de leerlingen dat het beter was om de mensen naar huis te sturen, zodat ze nog op tijd eten konden kopen. Jezus reageert door te zeggen: “Geven jullie hen te eten.” Een onmogelijke opdracht om zomaar 5.000 mensen te voeden. De kosten zouden 200 denariën. Een denarie is een dagloon. Maar ze hadden alleen vijf broden en twee vissen. Jezus vraagt Gods zegen over de maaltijd en geeft de leerlingen de opdracht om vervolgens het brood en de vissen uit te delen. Er blijkt voor iedereen meer dan genoeg. Met de restanten kunnen nog 12 manden gevuld worden. Dit is een opdracht om hopeloos van te worden. Mission Impossible. Hoe kun je zoveel mensen voeden, terwijl er niet genoeg is. Hoeveel mensen hebben honger op de wereld? Hoeveel mensen moeten van minder dan 1 Euro per dag rondkomen? Na dit verhaal uit de bijbel is er geen excuus om niet te beginnen met delen. Dat is geloof. Als je bereid om te delen wat je hebt, is er genoeg voor iedereen. Op wereldschaal, en ook in ons eigen land en streek, is dit zeker waar. De dankbaarheid om wat je als genade ervaart, geeft je ook de kracht en de bereidheid om te delen.
Wat ons, die hier in deze kerk aanwezig
zijn, bindt is ons geloof. We zijn als zodanig allemaal kinderen van
Abraham. Ook al zie je je leven als een dorre woestijn. Eens zal
die woestijn bloeien als een roos. Als gelovigen zijn we niet meer
de realist, maar geloven dat het onmogelijke werkelijkheid kan
worden. Laten we met de woorden van de dooptekst van Isaac verder
gaan in ons leven en zeggen “Bij God zijn alle dingen mogelijk.” :
Van
God verlaten ... Een storm woedt op het meer. Een twaalftal vissers zit in het midden van die storm. De vissersboot dreigt te zinken. Dit zijn ervaren vissers, die wisten wat de risico’s waren van zo’n storm. Jezus slaapt voor in de boot en lijkt zich niet bewust van enig gevaar. Dit zijn geen gewone vissers. Het is de kleine groep mensen die ten nauwste betrokken is bij Jezus en zijn missie. Hiervoor hebben ze werk, hun vrienden, hun familie, alles wat hen lief is verlaten. Maar hoe sterk is hun betrokkenheid? Stel dat Jezus samen met zijn discipelen daar in de storm vergaan was? We zouden geen Goede Vrijdag gehad hebben, geen Pasen, geen Pinksteren, geen evangelieën, Nieuwe Testament, geen kerk. Job is in een soortgelijke situatie van dreiging, angst en levensgevaar en hij stelt de vraag of God hem kan redden uit zijn ellende. Het boek Job behoort tot de wereldliteratuur. Als kind hield ik erg van sprookjes. In het kort verlopen die meestal als volgt: Er is een arm, maar eerlijk en natuurlijk knap meisje, die het welverdiende geluk heeft dat een prins op haar verliefd wordt. Ze gaat wonen in een paleis en dan eindigt het verhaal met de woorden: en ze leefden nog lang en gelukkig. Dit zit er bij ons heel diep in. In Amerika lezen we verhalen van krantenjongens die het tot miljonair brengen. Eind goed, al goed. In het verhaal van Job is het omgekeerde het geval. Hij begint als iemand die schatrijk is, en gezond, en geliefd, en trouw, en rechtvaardig. Daarna valt hij tot de diepste diepte en raakt alles kwijt. Hij wordt straatarm, lijdt honger, wordt melaats en dan door iedereen verstoten. Hier beschrijft Job zijn vroegere situatie: Job 29: 11 Ieder die mij hoorde prees mijn woorden, Ieder die mij zag
had niets dan lof, Job had alles: rijkdom, aanzien en een goed geweten. Hij had een gelukkig huwelijk en kinderen waar hij trots op was. Dit vinden we zoals het hoort. Zo moet het zijn. Je bent eerlijk en trouw en je wordt daarvoor beloond door God en de mensen. Dit is in overeenstemming met ons gevoel van rechtvaardigheid. Maar dan wordt Jobs lot volkomen omgekeerd. Alles wat eens zijn identiteit bepaalde wordt hem afgenomen: zijn rijkdom, zijn bezit, zijn vrouw en zijn gezin en uiteindelijk ook zijn gezondheid. In plaats van dat de mensen hem eer bewijzen verachten ze hem. Dit is de mens. We zijn toch niet meer dan stof en as? Op Aswoensdag is het gebruik in de rooms-katholieke kerk om iedereen, na de werveling van carnaval, ene askruisje te geven en daarbij uit te spreken: “Mens, gedenk dat gij stof zijt en tot stof zult terugkeren.” Na de verkiezing van een paus verbrandt de kardinaal, die het hoogste in rang is, voor de ogen van de nieuwe paus een wollen draad. Dit is een symbolische handeling om de nieuwe paus er aan te herinneren dat de werkelijkheid vergankelijk is en dat alle uiterlijke schijn en de pracht en praal van de pausverkiezing eigenlijk nietig is Het menselijke
leven is beperkt in tijd, broos en kwetsbaar. We ervaren ziekte en
ongeluk. Waar is God dan? Waarom helpt hij ons niet, terwijl wij
toch hem trouw zijn, naar de kerk gaan, zo rechtvaardig mogelijk
proberen te leven, geld geven aan goede doelen, zoals de
slachtoffers van de tsunami en van de aardbeving in Yogyakarta en
Amnesty? Er komt geen antwoord. Jezus zelf ervoer dat hij van God en mensen verlaten was aan het kruis.: Mattheus 27: 46 Aan het einde daarvan, in het negende uur, gaf Jezus een schreeuw en riep luid: ‘Eli, Eli, lema sabachtani?’ Dat wil zeggen: ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten?’ Waarom laat God dit allemaal toe? Hij is toch goed? Leed verontmenselijkt. We staan ineens in een andere werkelijkheid en in een andere relatie met God. God is niet meer de gulle gever van alle goeds, waarvoor we hem dagelijks danken. Dit is een situatie waarin ons geloof zich moet bewijzen wat het waard is. Het antwoord op de vraag naar waar God dan is wordt in het boek Job God zelf in de mond gelegd. Het antwoord is dat we als mensen voor God met open vragen moeten leren leven en kunnen leven. We moeten moedig onze eigen beperktheid durven aanvaarden. God is niet de dictator, die alles onder controle heeft, alles weet en alles beïnvloedt. Hier is meer het beeld van God als een tuinman, die een tuin verzorgt waarin ook onkruid te vinden is. Het is het beeld van een herder, die zijn kudde hoedt. Of als een vader en moeder, die hun kind de vrijheid geven om zijn eigen weg te gaan, om de wereld in te gaan, om fouten te maken en daarvan te leren. God bekommert zich om ons, ook lijkt hij afwezig. Onze gebeden en onze protesten naar God hebben zin. Er is troost, ook in onze pijn en onze zorgen. Uiteindelijk komt Job tot het inzicht dat God niet afhankelijk kan zijn van de situatie waarin hij zich bevindt. Job 42 1 Nu antwoordde Job
de HEER: 3 Wie was ik dat ik, door mijn onverstand, uw besluit wilde
toedekken? In de diepste nood, in het gevoel dat God hem verlaten heeft, ervaart Job terugkijkend, de aanwezigheid en de troost van God. Dat is de kracht van ons geloof. AMEN
Jullie
wegen zijn niet mijn wegen – spreekt de Heer.
“En Jezus zag haar
en riep haar…”
(Lukas 13: 12a) We vieren deze zondag Werelddiakonaatszondag. We vragen aandacht voor de nood van onze medechristenen en anderen in Afrika, Azië en Latijns-Amerika. Kerkinactie vraagt speciaal aandacht voor de vrouwen en kinderen in Noord-Oeganda. Het is denk ik goed om in een kerkdienst stil te staan bij de nood in de wereld. Oeganda is 6 x zo groot als Nederland en heeft 25 miljoen inwoners. In het noorden, grenzend aan de Soedan, woedt al 20 jaar een wrede burgeroorlog. Het leger noemt zich the Lord’s Resistance Army, Gods Verzetsleger. Er zijn veel slachtoffers. Het LRA bedient zich van kindsoldaten. Er zijn naar schatting zo’n 20.000 kindsoldaten me geweld in het leger ingelijfd. Ze krijgen drugs zodat ze meer gehoorzaam worden. Meer dan 200.000 mensen hebben moeten vluchten naar de steden of naar speciale, versterkte, vluchtelingenkampen. Deze worden ook aangevallen omdat daar door hulporganisaties voedsel en andere noodzakelijke levensbehoeften worden verstrekt. Moeders raken hun kind kwijt, wat gekidnapt wordt door het LRA. Vrouwen worden ook regelmatig slachtoffer van seksueel geweld. Naast de burgeroorlog maakt ook AIDS veel slachtoffers. Bijna 1 miljoen mensen kwamen de afgelopen 15 jaar om in Oeganda. Er zijn naar schatting half miljoen mensen besmet met het HIV virus. In veel landen in Afrika is het hetzelfde trieste verhaal. Een pater die met verlof terug is uit Zambia vertelde me dat wanneer hij een rouwdienst leidt op een kerkhof dat er ineens veel mensen met een kist met een dierbare overledene bij hem komen staan en hem vragen om een zegen. Hij heeft daar moeite mee omdat hij er niet steeds zeker van is of hij de naam goed heeft die hij op een papiertje krijgt aangereikt, of dat hij de naam bij de goede kist zegt. De mensen hebben geen geld voor een kerkdienst en alles wat daarbij hoort. In het ziekenhuis gebeurt het vaak dat familie en vrienden waken bij een terminaal zieke patiënt. Wanneer hij of zij overleden is maken ze zich snel uit de voeten. Er is zelfs geen geld voor een begrafenis. Het ziekenhuis moet dan de overledene, samen met andere, begraven in een massagraf. Dit is een enorm contrast met de tijd dat wij in Zambia woonden in de jaren 70 en 80. Voor de dood had men veel ontzag en kosten noch moeite werden gespaard voor een goede begrafenis, waar iedereen bij aanwezig hoorde te zijn. Men trakteerde de aanwezigen op bier en maïspap. Er was een nachtwake met kerkkoren die de hele nacht bleven zingen. Het meest populaire radioprogramma was dat met de aankondigingen van overlijden, omlijst met treurmuziek. We kunnen ons dit soort situaties eigenlijk moeilijk voorstellen. Nu horen we dat wel en het is ook waar. Maar het is niet de hele waarheid. Voor de media geldt meestal: “Goed nieuws is geen nieuws.” In Afrika is er ook de vitaliteit en levenskunst, de openheid voor de magie van het leven zelf en van de natuur, de hechte familierelaties, het optimisme, de onderlinge hulp en vooral ook de kracht van het geloof. Terwijl hier de komende jaren veel kerken op de nominatie staan om te worden gesloten wegens gebrek aan belangstelling, bouwt men daar nieuwe kerken. Er zijn veel intredingen bij ordes. Deze zijn congregaties en ook de verschillende protestantse kerken zijn vaak heel actief waar het de ergste nood betreft in de gezondheidszorg, de zorg voor de Aids slachtoffers en hun nabestaanden, in het onderwijs en de zorg voor meisjes en vrouwen. Ieder die wel eens een Afrikaans kerkdienst heeft bijgewoond zal dat niet snel vergeten. Het is een groot feest waar je je geen moment verveelt, zelfs al ken je niet de taal. Het ene koor na het andere staat op en begint te zingen. De koorleden hebben vaak mooie toga’s of een uniform aan. Dan zie je de vrouwenvereniging van de kerk in hun mooie rode blouses en zwarte rok en met hun witte hoofddoek. Die vrouwen vormen de ruggengraat van het kerkelijke diaconale en pastorale werk. Ze bezoeken de zieken en weten waar nood is en geven dan direct hulp. Het mooie van de dienst is dat als de kerkgangers vinden dat de dominee te lang preekt ze spontaan een lied mogen inzetten. De dominee probeert nog even zijn zin af te maken, maar dat heeft weinig zin. Na het lied gaat de dominee gewoon verder met de preek. Meestal duurt zo’n dienst een uur of 2. Het zijn werelden van verschil: de wereld van de nood in Afrika, onze eigen vertrouwde wereld in Nederland en de wereld van de bijbel met de ons zo bekende verhalen. De verhalen van de bijbel zijn ons vaak zo bekend dat ze niet meer spreken met de boodschap die oorspronkelijk bedoeld is.
De vrouw in de synagoge die
helemaal krom was. Stel dat het Gods eerste zorg niet is dat we hem gehoorzamen, maar dat we ons verantwoordelijk voelen voor onze medemens, die in nood is, en dat we ons verantwoordelijk voelen voor heel Gods wonderbare schepping? Alle geboden, regels, wetten en de bijbel zelf zijn dan ondergeschikt aan dat doel: de liefde voor onze medemens, die een kind is van God, en die zorg en barmhartigheid nodig heeft. Wanneer we het niet zo zien, dan veranderen de middelen, de regels en wetten in een doel op zich. Dan krijg je het dilemma: kies je ervoor om direct de hulp te geven die nodig is òf kies je voor de regels die tussen jou en het slachtoffer instaan? Je verschuilt je achter regels om geen hulp te hoeven geven. Het gaat in het evangelie om de mens en om Gods schepping gaat. Dat heeft betekenis voor ons beeld van God. Wie zijn het die we in deze wereld het meeste hoogachten? Het zijn de rijken, de machtigen, de geleerden, de prinsen en prinsessen, de staatshoofden, de bekende schrijvers, de kunstenaars, de tv iconen en de filmsterren? Zo was vroeger ons beeld van God. Hij was dat alles en nog veel meer. Hij is almachtig, eeuwig, onmetelijk, oneindig, onuitsprekelijk, verheven boven alles, alomtegenwoordig. Dit is waar, maar daarmee is toch niet alles gezegd. Jezus geeft ons in het evangelie een ander beeld van God. God is soms de heer die op een rechtvaardige manier met zijn dienaren omgaat, die ze het loon geeft, en meer, waar ze recht op hebben, die ze verantwoordelijkheid geeft voor de talenten die hij hen heeft toevertrouwd, die ongehoorzame dienaren nog een tweede en derde kans geeft. Hij is goed en gastvrij, als in het verhaal van de maaltijd. Maar Jezus beeldt ook zonder schroom God af als een vrouw die haar rokken opschort en niet rust voordat ze de penning die ze kwijt was gevonden heeft. En als ze de penning dan eindelijk vindt, roept ze al haar vriendinnen en buurvrouwen bijeen om hen deelgenoot te maken van haar blijdschap over het verlorene wat ze terugvond. God is ook de vader die elke dag weer naar de weg gaat om uit te kijken of zijn zoon die weggelopen is weer terugkomt. En wanneer de zoon dan schuldbewust en met gebogen hoofd naar het ouderlijk huis terugkomt dan geeft de vader een groot feest voor zijn hele huishouden, want wie verloren was is teruggekomen. Bij deze modellen voor God staat niet de eer en de koninklijke waardigheid op de eerste plaats, maar de liefde en zorg voor wat verloren is, voor hen die lijden, voor hen die gebonden zijn en uitzien naar bevrijding. Jezus leert in de synagoge. Leren en doen zijn een. Er staat niet vermeld wat Jezus leerde, maar alleen wat hij deed! Blijkbaar is dat de les. Jezus ziet de vrouw staan. Waarschijnlijk heeft iedereen die vrouw met haar opvallende verschijning wel gezien. Maar ons kijken is toch een beetje wegkijken. Jezus kijkt haar aan en roept haar bij zich. Vervolgens bevrijdt Jezus haar. Hij legt zijn handen op haar en geneest haar. Dan looft en dankt de vrouw, die nu geheel rechtop staat, God. De les van Jezus is, denk ik, niet om je niet aan de regels te houden voor de sabbatsrust. Het verhaal besluit met een vrouw die de God prijst voor haar bevrijding en een menigte mensen in de synagoge, die zich verheugt over de machtige daden die Jezus doet. Wat zien we? We zien mensen die in de synagoge bidden en God danken, ze loven en prijzen Hem en ze zijn verheugd! Wat is er meer passend om te doen op de sabbat? Wanneer de overste van de synagoge probeert de orde te herstellen en de aanwezigen aanmaant om te wachten tot het eind van de sabbat om Jezus om genezing te vragen, reageert Jezus heel fel hierop. “Huichelaars, hypocrieten” zegt hij. Hij richt zich niet alleen tot de overste van de synagoge, omdat er sprake is van een meervoudsvorm. Jezus verwijt de mensen een dubbele agenda. Wanneer het om het eigen belang gaat dan gooien we het op een akkoordje en zijn we mild. Natuurlijk zijn we breid om onze eigen os en ezel op de sabbat losmaken om hen naar water om te drinken te brengen. Maar als het om een vrouw gaat die 18 jaar lang gebonden is dan komen ineens de regels ter sprake waarbij de genezing uitgesteld moet worden. Jezus zegt: Hier is meer dan een os of een ezel. Dit is een vrouw, een mens, niet een object van zorg, maar een “dochter van Abraham.” Eerder gaf Jezus de tollenaar Zaccheüs al de status van zoon van Abraham. (Lukas 19: 9). Jezus schaft niet de wet af, maar geeft deze juist nieuwe inhoud en betekenis. Het gaat om onze houding ten opzichte van God en van de bijbel. Is het niet zo dat we vroeger meenden toch beter te zijn dan de anderen wanneer we ons strikt aan de zondagsrust hielden, wanneer de vrouwen met gedekte hoofden naar de kerkdienst gingen. Mar de kern van de wet is: “Gij zult God liefhebben met heel je hart, hele je ziel en heel je verstand.” En dat wordt zichtbaar hoe we leven en wat we doen en nalaten.
Hoe ver zijn de vrouwen van Noord Oeganda van ons vandaan? Hoe
kunnen we iets laten blijken van onze steun en solidariteit? Hoe kunnen we hen
echt zien en hen roepen, ondanks alle regels en wetten die tusen ons en hen
instaan?
Niets zal voor jullie onmogelijk zijn
Ik las laatst in een discussiegroep op het internet de volgende stelling: “Het is nog nooit wetenschappelijk aangetoond dat er ooit een gebed tot God verhoord is. Waarom zou je dan bidden?” Daar komen dan vragen bij: Is God echt machteloos, wat geloven we eigenlijk, is het relevant, maakt het wat uit? Hoe praat je je als christen hier uit? Eerder al was er een publieke discussie of een theorie van Intelligent Design zich zou kunnen en mogen opstellen naast en in plaats van de evolutietheorie. Ook dit riep veel discussie op. Verleden week hoorde ik op het pleidooi voor een studie van het zien van de kosmos als een Intelligent Design de reactie: “Sinds het wetenschappelijk niet is aan te tonen dat er een Intelligent Designer bestaat nemen we aan dat Hij/Zij niet bestaat.” Dat heeft verregaande implicaties. Geloof lijkt dan zinloos en machteloos.
Zijn we
als gelovigen, althans in Nederland, echt vrij wild geworden? Een slinkende
vergrijzende minderheid, die “nog niet zo ver is” dat ze de wetenschappelijke
inzichten van het rationalisme en de verlichting kan beamen? Een schrijver van
een ingezonden brief, in reactie op de discussie over de militante Islam, merkte
op: “God is al dood. Nu Allah nog”. Dat vond hij een goede ontwikkeling. Haaks op deze gedachten staat het woord wat Jezus met nadruk tot zijn volgelingen zegt: “Niets zal voor jullie onmogelijk zijn.” Dit is de volkomen en volledige ontkenning van deze ideeën. Als je tegen iemand zegt: “Niets zal je onmogelijk zijn” - dan is dat goed nieuws. Dat nieuws heeft Jezus aan zijn leerlingen doorgegeven. Het blijkt echter een heel weerbarstige materie te zijn. In de bijbel lezen we elke keer weer hoe de geloofshelden die de discipelen zijn, elke keer falen. Daardoor komen ze ook dichterbij. Ze zijn in alle opzichten menselijk. Jezus heeft het over een andere werkelijkheid, waanneer hij spreekt over: “Niets zal voor jullie onmogelijk zijn.” Het woord van Jezus probeert ook al 2.000 jaar door te dringen in onze sociale en politiek werkelijkheid. Ook hier lijkt het alsof er elke keer een terugval is. Moeten we niet pessimistisch zijn over de waarde van Jezus’ uitspraak gezien alle oorlogen, natuurrampen, misdrijven, verontmenselijking, armoede en onrecht, wat nog steeds plaats vindt in onze wereld? Maar geloof is dat je door Jezus gesterkt weet en dat je uitzicht houdt op een betere toekomst van vrede en rechtvaardigheid, maar tegelijk ook dat je oog krijgt hoe in het kleine en in het verborgene dit al begint te groeien. De gelezen tekst in het Mattheüs evangelie gaat over geloof en ongeloof als tegenstellingen. Er is iemand die zijn zoon bij Jezus brengt. Hij zoekt naar genezing voor zijn zoon die al vanaf zijn geboorte “maanziek” is. Hij lijdt blijkbaar aan een soort vallende ziekte of epilepsie. Soms valt hij in het water en een andere keer bezeert hij zich door in het vuur te vallen. De vader heeft blijkbaar nooit de hoop opgegeven dat zijn zoon een keer beter zal worden, ook tegen beter weten in. Hij is eerst naar de leerlingen gegaan. Deze waren niet in staat de jongen te genezen en gaven het blijkbaar toen maar op. De vader klaagt zijn nood bij Jezus. Dan gebeurt er iets wonderlijks. Jezus wordt heel boos. Het komt zelden voor in de evangeliën dat Jezus boos wordt. Het is een uitzonderlijke reactie. Jezus zegt: “O ongelovig en verworden geslacht, hoe lang moet ik bij u zijn?” In de nieuwe bijbelvertaling staat er: “Wat zijn jullie toch een ongelovig en dwars volk, hoe lang moet ik nog bij jullie blijven? Hoe lang moet ik jullie nog verdragen?” Dit is een uitzonderlijke reactie. Verwacht Jezus dat we te allen tijde in staat zijn een zieke te genezen? Verwacht hij dat we wonderen doen op commando? Wanneer je zo’n verhaal met gemeenteleden leest dan is soms de reactie dat ze kwaad worden op Jezus. “Deze uitval van Jezus is niet terecht. Wat verwacht hij eigenlijk van ons? Je doet je best. Je mag toch niet het onmogelijke van iemand eisen?” Een mogelijke andere reactie kan zijn: “Stel je hebt je kind of je partner door de dood verloren, betekent dat dan dat je te kort schiet als gelovige?” Het verhaal roept fundamentele vragen op van de inhoud van het evangelie, van het mandaat van Jezus van wat geloof eigenlijk is en hoe we geloofsgemeenschap zijn in relatie tot de wereld. Als we het verhaal van de maanzieke jongen in de context van het Mattheüs evangelie plaatsen dan zien we dat het staat na twee succesverhalen, namelijk de belijdenis van Petrus te Caesarea dat Jezus de Messias is en daarna de verheerlijking op de berg. Jezus gaat daar met drie discipelen: Petrus, Jakobus en zijn broer Johannes de berg op. Daar ontmoet Jezus Mozes en Elia. De Wet en de Profeten zijn vervuld in Jezus de Christus. Dit is een stralend ogenblik. Petrus wil het ogenblik vasthouden en biedt aan om drie tenten te plaatsen: een voor Mozes, een voor Elia en een voor Jezus. Dan dalen ze van de berg af en komen bij “het volk” en ze ontmoeten ongeloof. Dit is een groot contrast, van de droom, naar de harde werkelijkheid. Jezus had volgens Mattheüs (10: 8) eerder al de leerlingen uitgezonden en hen de macht gegeven om boze geesten uit te drijven. Deze macht is geen automatisme. Het is niet een eens en voor altijd. Het is gebaseerd op geloof, wat gevoed wordt door een gemeenschap die je inspireert, steunt en bemoedigd. Jezus verwijt “het volk” ongeloof en dat het dwars is. De mensen luisteren wel naar Jezus maar volgen hem eigenlijk niet met hun hart. Zijn woorden raken alleen maar de buitenkant. Geloof is cruciaal. Zonder geloof is de keten verbroken, die ons met Jezus en met zijn missie verbindt. Het mag de allerkleinste hoeveelheid geloof zijn, maar het moet er zijn. Wanneer er totale duisternis is dan kan het licht van een lucifer of een waxine lichtje al maken dat je tenminste iets kunt zien en dat je weet waar je bent. Dan heb je binnen de lichtcirkel, hoe klein die ook is, een plek die veilig en vertrouwd is. Zelfs met een geloof dat zo groot is als een mosterdzaadje breng je verandering te weeg. Je staat open voor de werkelijkheid van God, die andere wereld, met andere waarden, waar je kunt hopen op dingen die onmogelijk of hopeloos lijken. Zonder een minimum aan geloof is Jezus’ missie zinloos en mislukt. De fakkel wordt niet doorgegeven. Het licht dooft. Dat is de teleurstelling van Jezus dat de hoop verdwenen is, dat het geloof inactief geworden is, dat alles ophoudt, dat mensen het opgeven. Jezus dwingt vervolgens de boze geest de jongen te verlaten. Nu is het begrip “boze geest” geen moderne diagnose voor een bepaalde aandoening (tenminste niet in West Europa). Je kunt een “boze geest” ook definiëren als iets wat macht over je krijgt, zodat je je vrijheid van handelen kwijt bent. Je kunt af en toe iets te veel drinken en vervolgens merken dat je er niet meer buiten kan. Dat het je de baas geworden is. Dat kan ook gebeuren met drugs of met een andere verslaving van wat dan ook. De leerlingen komen bij Jezus en vragen hem: “Waarom lukte het ons niet de jongen te genezen?” Jezus verwijt hen hun gebrek aan geloof. Het is een machteloos geworden geloof en een gebrekkig vertrouwen in de mogelijkheden van Gods wonderbare hulp. Jezus zegt hen dat wanneer ze maar een geloof zouden hebben zo klein als een mosterdzaadje dan zou dat geloof al een berg kunnen verzetten. Het gaat misschien hier niet alleen om de fysieke omvang van iemands geloof. Een mosterdzaadje staat bekend om zijn grote groeikracht. Het kan met zijn wortels zich nestelen in rotsen en door asfalt heen groeien. De wereld die we zien en ervaren is niet de wereld, die mogelijk is. Het is niet de wereld waarop we hopen: een wereld van vrede, gerechtigheid, menselijk geluk, wederzijds begrip, harmonie, voorspoed. Met de ogen van het geloof echter zien we ook die andere wereld: glimpsen van liefde en hoop, kleine dingen die grote veranderingen te weeg brengen. We kunnen kleine mosterdzaadjes zien ontkiemen. Zo’n mosterdzaadje zou geweest kunnen zijn de broederschap die de 25-jarige jongeman Roger in Taizé in 1940 een internationale, oecumenische gemeenschap stichtte. Nu telt de gemeenschap van Taizé een honderdtal broeders, katholiek en protestants, uit meer dan vijfentwintig landen. Honderdduizenden jongeren komen er elk jaar om zich te laten inspireren door de gemeenschap en door de muziek, door de sfeer en de spiritualiteit die men daar voorleeft. De liederen van Taizé worden over de hele wereld gezongen. Een klein mosterdzaadje, door Frère Roger in 65 jaar gelden geplant is een grote boom geworden. Er zijn vele van dit soort voorbeelden te vinden, ook in eigen kring of in de eigen geloofsgemeenschap. Een grote natuurramp treft New Orleans. Maar tienduizenden blijken bereid om hun leven en gezondheid te riskeren om mensen te redden en te helpen. 15 jaar geleden beweerde Francis Fukuyama dat er een einde was gekomen aan de geschiedenis. Er zou geen verandering meer mogelijk zijn. Het politieke wereldsysteem was nu stabiel. Er is geen uitzicht meer op de transformatie, op een wereld van vrede en gerechtigheid. Het “democratisch kapitalisme” had gewonnen. Is dat zo? Moeten we de hoop opgeven dat armoede en onrecht eens voorbij zullen zijn? In zo’n situatie trad de profeet Jeremia op. Dit was bij het aantreden van koning Jojakim in 609 VC. Het land was bedreigd door Egypte, maar het volk voelde zich veilig omdat ze in Jeruzalem wonen waar de tempel is. Jeremia pleitte tegen deze valse zekerheden, tegen onrecht, tegen de vruchtbaarheidsriten, tegen kinderoffers. Hij pleitte voor een geloof in een betere wereld, voor het geloof dat mensen zich terug kunnen keren tot God, voor een goede verhouding met God, die leidt tot goede verhoudingen tussen de mensen, tot rechtvaardigheid. Er zijn mensen die blijven geloven dat wat volgens mensen onmogelijk is, mogelijk is bij God. Zo kreeg de vader van de zieke jongen eindelijk genezing voor zijn zoon, omdat hij bleef geloven in de mogelijkheid van genezing. Dit is niet de belofte dat alle zieken en alle ziektes genezen worden. Maar er is een oproep om ons niet bij de bittere werkelijkheid neer te leggen. Er is altijd uitzicht op een andere werkelijkheid, de werkelijkheid van het mosterdzaadje, wat bergen kan verzetten. In gebed, in viering, in woord en in daad kunnen we uitdrukking geven aan dit geloof. En wanneer we deze weg gaan, klinkt het woord van Jezus in onze oren: “Heb goede hoop. Niets zal voor jullie onmogelijk zijn!” Mystiek en
het leven
Ruim drie weken geleden, op 5 mei, vierde Nederland de bevrijding van ons land van de Nazi's. We herdachten met dankbaarheid dat ons land al 60 jaar gespaard is gebleven voor oorlog. Bovendien zijn we dankbaar voor een welvaart die in de geschiedenis ongekend is. Wanneer je vanuit de wereld naar Nederland, en andere West-Europese landen, kijkt dan lijkt het alsof we leven in op een eiland van welvaart en zorg. Veel dingen zijn inmiddels voor ons zo vanzelfsprekend dat er nauwelijks waarde aan hechten, zoals bijvoorbeeld het feit dat er onbeperkt en betrouwbaar drinkwater uit de kraan komt of dat als we ziek zijn er kosten noch moeiten gespaard worden om ons weer op de been te helpen.
Vaak krijg je het idee dat er twee werelden zijn. De ene wereld is de wereld van de zondagmorgen, van de preek, van de kerkdienst, van het lezen in de bijbel. Wat daar gebeurt staat ver af van de werkelijkheid op je werk en in je gezin op de maandagmorgen. De principes van de bijbel zijn prachtig, maar erg praktisch lijken ze niet. Toch is dit misschien niet zo. De bekende Benedictijn Anselm Grün
geeft op basis van het evangelie en de regel van Benedictus praktische aanwijzingen die je kunt gebruiken als manager of in de psychotherapie met titels als Bezielend leidinggeven, Goed met jezelf omgaan, Innerlijke rust, Je eigen levensweg: Wonden uit je jeugd veranderen in nieuwe kansen, Spiritualiteit van het gezonde leven, en Op andere gedachten komen, Positief leren denken.
Ook bij conflicten kan het helpen om simpele adviezen van het evangelie uit te proberen, zoals het stapelen van vurige kolen op iemands hoofd, dat wil zeggen dat je beleefd en vriendelijk blijft ook als iemand je een rotstreek geleverd heeft. Als je dat doet dan zorg je er in ieder geval voor dat het conflict niet verder escaleert.
In Deuteronomium staat dat je de wet aan je slapen moet binden, zoals orthodoxe joden nu nog doen en ook dat je de wet aan je deurposten moet bevestigen. De Bergrede is de oproep om de wet in je hart op te nemen, om je intenties te toetsen aan de Wet van God.
De Bergrede lijkt een softe tekst. Het spreekt aan: reinen van hart, zachtmoedigen, treurenden, barmhartigen en vreedzamen. In feite is het een religieuze revolutie die de wereld op zijn kop zet. Het is een tekst die het Rijk van God dichterbij brengt. De wereld is beter af nu zo velen zich, geïnspireerd door de Bergrede, inzetten voor hun medemens, voor een betere wereld, voor een wereld zoals God die wil.
“Diversity.”
Diversity: “A variety, an ethnic variety, as well as socio-economic and gender variety and a difference or discrepancy,” so says the dictionnary. I think that we usually do not reflect on diversity, but on unity. We are here together and form a unity with a similar purpose. In religion we also look for a unity. We confess that God is One. There are religions where it is quite wrong and even sinful to disagree. If you have a different opinion you are expelled. In the past you could even be persecuted, like happened with so many groups that were labelled heretics. We could mention the Cathars, the Hussites, the Jews in Western Europe, the Muslims in Spain and so on. Also political disagreement was (an still is) suppressed with persecutions. Communists or people labelled as communists were persecuted by the millions in Indonesia only 40 years ago. The same happened in Cambodia to anybody who seemed to disagree with the Khmer Rouge, even if only by his or her personal appearance, like the wearing of glasses. Even more recently Muslims and Christians were killed and their houses of prayer and even their hospitals and schools and universities destroyed on Ambon in East Indonesia only because of their religious identity. Is this what God wants from us: that we are looking for the pure truth and if we have found the truth are we supposed to enforce it on other people? Is God in need of such good willing God fearing helpers who are willing to kill and murder to achieve his aim that the truth and his Kingdom will prevail on earth as it is in Heaven? All the evidence is that the opposite is true. Not the victims, but the persecutors, are in the wrong. This is off course very easily said here in the Sint Janskerk, in open and tolerant Holland . You can not say it in numerous large and populous countries, where you have learnt for your own survival not to disagree, not to look too different, to suppress your longing for diversity. We are here to celebrate “diversity.” To celebrate that we are different, not withstanding the many things we also have in common. Can we and should we have religions and ways of life that encourage diversity and that cultivate tolerance for diversity? We want to argue that this is the case. The source of the enforcement of consensus, the suppression of diversity and the persecution of dissent is a human way to approach reality. If we listen carefully to the Holy Scriptures, to what God has revealed to us in Nature, and through the prophets we learn that for God diversity is the norm. I read n the paper of yesterday that a laboratory in Korea ahs managed to make a break through in the cloning of human stem cells. It is the production of human cells that are all the same. However, when we look to nature we can only see diversity. There is a meaning here. It is clear that the purpose of science is to explore and discover, to find regularities and scientific laws, to reduce complex looking phenomena to more simple cause and effect relations, that have a measure of predictability. If we look to the evolution theory as an example. It “explains” the origin and the variety of species by a simple and uniform mechanism of the selection of the strongest or fittest to survive with regard to the environment in which the species lives. The theory claims that it is able to explain why in the end there are cells in the human body that have specialized to become an eye or nails or a heart or veins. This is off course a good and proper thing to do. Science should advance, using its accepted methods and procedures. Science will also help us through technology to make nature serve us better and to make life more comfortable. However, it would be wrong for me and for you as candidate scholars to assume that science has the final word in relation to the understanding of reality. We could reflect on diversity “an sich”, in itself, without doing efforts to reduce it to something else. God created diversity! He wants not uniformity, he does not want clones, he wants us, in our individuality, with our strong points and our weaknesses, and he loves us because of it. Some religious scholars argue that God felt lonely being God. So he created a multitude of things, living beings and human. He created the world in all its fullness. He created whales, ants, mosquitoes, butterflies, snails, viruses, monkeys, starts and plants, fire, light, human beings, men women, children, Blacks, Red Indians, Inca's, Tibetans, top-sportsmen and - women, top-models, presidents, emperors, gardeners, mothers and fathers, philosophers, bicycle-makers, chaplains, criminals, cosmonauts, physiotherapists and so on, and so on. And nothing is the same. Look to the leaves of only one tree. I tell you not a single leave is completely identical with another leaf on that same tree. Human can make things, like cars, aeroplanes, dishwashers, computers, tea cups, but most of these items are produced in series, and are all identical. God creates which means that everything is and has to be different. Islam teaches us that diversity is a fact of nature and it makes the nature beautiful. God has created this whole universe with diversity. God says in the Qur'an: There is diversity among human beings. They have variety of genders, colors and languages and multiplicity of races and tribes. These diversities are considered natural and are called “God's signs” in the Qur'an (30:20-22). They are indicative of God's creative power and wisdom and are good and healthy since they endow human life with richness and beauty. God wants human beings to derive benefit from this diversity and not to allow it to generate unhealthy schisms and divisions in their ranks. God says in the Qur'an: The diversities of races, families and tribes also have a healthy and constructive purpose, viz. that “you may know each other”. In the words of the Qur'an: Instead of enabling human beings to know each other better, there is no reason why these diversities should create barriers, or cause animosities among human beings. In addition to these natural diversities there are others that are part of the human societies and cultures. There are diversities of viewpoints. The Qur'an recognizes the individuality of each human being as well as the individuality of their groups and communities. …To each among you have We prescribed a Law and an Open Way . If Allah had so willed, He would have made you a single People, but (His plan is) to test you in what He has given you; so strive as in a race in all virtues. The goal of you all is to Allah; it is He that will show you the truth of the matters in which ye dispute. (al-Ma'idah 5:48) Islam does not consider all viewpoints correct or of equal value. However, it is also well recognized in Islam that very often the differences of opinions (ikhtilaf) are also a token of God's mercy. If God had so willed, says the Qur'an, He could have forced people to come together to one point, but he did not do so. God did send His Prophets and Messengers from time to time so that the right path might be made clear through them. As regards the final judgment as to who followed the truth and who did not, that will be made known on the Day of Judgment by God Himself. In keeping with this principle, God forbade His Prophets and the believers from having recourse to coercion in religion. “There is no compulsion in religion”, said the Qur'an (2:256). In the Holy Bible we have read the story of the Tower of Babel . Here human beings wanted to be like God and to establish a unity of the human race to become powerful as God. But God created diversity among them in languages. That is why we have now at last count over six thousand known languages used on Earth. We are grateful for the existence of Chinese, English, Spanish, French, Arabic, Russian and Hindi. But also for Marind Anim, Sentani, Zulu, Khoisan, Bemba, Xhosa, Burushaski, Geez, Ainu, Mandaic and so on and so on. Each of these languages expresses reality in a different way. It expresses different points of view and a different world view. But each languages gives us in our feeling a complete picture of reality. The maximum number of languages a person can learn is limited. This teaches us modesty. We are not able to know everything. In the Bible in the Letter of Paul to the Corinthians chapter 12 verse 14 to 26 we read again a strong plea for tolerance of diversity, a diversity wanted by God: 21 The eye cannot say to the hand, "I don't need you!" And the head cannot say to the feet, "I don't need you!" 22 On the contrary, those parts of the body that seem to be weaker are indispensable, 23 and the parts that we think are less honourable we treat with special honour. And the parts that are unpresentable are treated with special modesty, 24 while our presentable parts need no special treatment. But God has combined the members of the body and has given greater honor to the parts that lacked it, 25 so that there should be no division in the body, but that its parts should have equal concern for each other. 26 If one part suffers, every part suffers with it; if one part is honoured, every part rejoices with it. The appeal of the Apostle Paul here is again on tolerance, on the accepting of diversity, on the interdependency of us with the whole of reality. Let us be ambassadors of diversity. Let us celebrate diversity in our lives. Make us tolerant for other opinions and views. Let us also be happy with us as we are. We have the right to be as we are.
"En ze werden verrvuld van de Heilige Geest."
We zijn, zo zegt men wel eens, een kleine, bedreigde gemeente van remonstranten en doopsgezinden in Zuid-Limburg. We horen soms stemmen die beweren dat we geen toekomst hebben. Over een paar jaar is het afgelopen. We hebben te maken met “vergrijzing”. Een aantal van ons is inderdaad door de hoge leeftijd aan huis gebonden en men is helaas niet meer in staat samen met ons de viering bij te wonen. Is het echt zo hopeloos? “En – zo staat er in Handelingen – wij allen horen hen in onze eigen taal spreken over Gods grote daden.” Voor precies datzelfde zijn we hier vanmorgen bij elkaar. Niet om te horen over de grote daden van mensen, van politici, wereldleiders, zoals Bush die verleden week in Margraten was, sportmensen, popsterren, van de koningin, van prinsen en prinsessen. Hier horen we over de grote daden van God! Hier, in deze dienst in Heerlen op de zondag van Pinksteren van het jaar 2005 zetten we de lijn voort die begon op die allereerste pinksterdag van het jaar 34. We lezen dat de leerlingen aanvankelijk na de kruisiging van Jezus zich verschanst hadden op een bovenkamer met de deur op slot. Ze zijn bang om net als hun meester gearresteerd te worden en terechtgesteld. Er is geen hoop meer dat het werk van Jezus voortgezet wordt. Het is een aflopende zaak. Dan is er Pasen en de ontmoeting met de opgestane Heer. Hij belooft een plaatsvervanger, de Heilige Geest. Hij belooft dat overal waar zelfs maar twee of drie in Zijn naam bijeen zijn Hij in hun midden zal zijn. Die tekst is vaak ironisch gebruikt als een soort bemoediging als er weer eens te weinig mensen in een kerkdienst zijn of bij een gemeenteavond zijn. Dit is ten onrechte, want het gata niet om de aantallen. Het gaat erom dat die Geest aanwezig is. Over die Geest van Pinksteren willen we vanmorgen nadenken. Wie is de Geest en wat doet hij met ons? Jezus en de Geest Dat is een kosmopolitische visie. Dit aspect van Pinksteren heeft me altijd enorm aangesproken. We zullen er straks van zingen in het lied over de ware Kerk des Heren, die “één volk vormt dat God toebehoort, “één doop, één Geest, één Woord. “Eén naam is aller zegen, één brood is aller spijs.” Dan denk je automatisch aan de zendingsverhalen, waar je als kind zo van genoot, van christenen, broeders en zusters in Afrika, in Indonesië, in India. Er zijn steeds mensen geweest die vaak met gevaar voor eigen leven alles achter zich lieten, bewogen door de geeest van pinksteren, en die zich inzetten voor medemensen die sterk verschillen van ons in taal, cultuur, gewoonten en mentaliteit. We zijn hier bijeen in de kerk. Erbuiten is de wereld, die tegenwoordig vaak antikerkelijk is. Religie zo horen we is achterlijk en achterhaald. Het predikt geweld en haat. Het zou beter voor de wereld zijn als alle religies afgeschaft werden. We zijn kinderen van de verlichting en aan religie ontgroeid. We zijn voor vrijheid en tolerantie, voor een wereldbeschouwing gericht op de mens en het geluk van de mens. Dat was in de tijd van de apostelen in de Romeins-Hellenistische wereld van de eerste eeuw eigenlijk niet anders. Dan komt plotseling de verandering. In het huis waar men zich bevindt: hoort men een geluid als van een hevige windvlaag en ziet men iets als “tongen van vuur.” Het gaat echter niet in de eerste plaats om de uiterlijke verschijnselen. Het gaat om een transformatie, om de nieuwe geest die gaat heersen. Vuur en wind zijn in de bijbel steeds voorboden voor de komst van God. In Psalm 104: 4 staat “u maakt van de winden uw boden, Nu op die eerste Pinkstermorgen stuurt God weer zijn boden en dienaren naar de mensheid. De leerlingen geven luid blijk van hun blijdschap hierover. Ze spreken in vreemde talen. Omstanders denken aan dronkenschap. Het nieuwe is niet de extase, maar de nieuwe interpretatie die de apostelen geven aan de oude overgeleverde teksten. Dezen worden zo uitgelegd dat ze op Jezus van toepassing zijn. Dat zien we aan de preek van Petrus, terwijl hij vervuld is van de Heilige Geest. Hij gebruikt de profeet Joel en twee psalmen om wat er gebeurd is voor de toehoorders begrijpelijk te maken. Wat er die pinksterdag gebeurde is de vervulling van vele profetieën van het Oude Testament. Ik geef drie voorbeelden: Jesaja 2: 2 en 3 Jeremia 29: 11-14 Daniël 7: 13-14 In Ezechiël lezen we over de belofte van God over een terugkeer uit de ballingschap. “Ik zal jullie je land teruggeven” zo profeteert Ezechiël. Zojuist, tien dagen geleden, hebben we gevierd dat we 60 jaar geleden ons land weer terug kregen na vijf jaar bezetting door de Nazi's. In Israël viert men op 14 mei ook de bevrijding die echo's oproept van de profetische boodschap. In de nacht van vrijdag 14 op 15 mei, de avond voor de Sabbath, verklaarde de staat Israël zich onafhankelijk. In de verklaring staat dat het land open zal zijn voor immigratie van joden uit alle landen … Het land zal gebaseerd zijn op vrijheid, rechtvaardigheid en vrede zoals verkondigd door de Hebreeuwse profeten. Er zal geen onderscheid zijn naar religie, ras of geslacht. ( THE STATE OF ISRAEL will be open to the immigration of Jews from all countries of their dispersion; will promote the development of the country for the benefit of all its inhabitants; will be based on the precepts of liberty, justice and peace taught by the Hebrew Prophets; will uphold the full social and political equality of all its citizens, without distinction of race, creed or sex; will guarantee full freedom of conscience, worship, education and culture; will safeguard the sanctity and inviolability of the shrines and Holy Places of all religions; and will dedicate itself to the principles of the Charter of the United Nations .) Het land, de wereld, bewogen door de geest van Pinksteren en het opnieuw ervaren van de realiteit van de beloften van de bijbelse profeten, wordt weer zoals God het bedoeld heeft toen hij de wereld en ons schiep. Er staat: “En Hij zag dat het goed was. Ezechiël profeteert dat God zich weer zal wenden naar zijn volk dat Hem verlaten heeft. Pinksteren is het begin van een beweging van God in de wereld. Met kerstmis werd het woord vlees. Dat wil zeggen: In Jezus ervaren we het werk van God. Jezus was ween Galileër, zoon van de dorpstimmerman van Nazareth in een tijd dat Palestina leed onder een Romeinse bezetting en een wrede koning Herodes. Het was concreet en historisch. Geleidelijk aan begrepen de leerlingen zijn boodschap, ook al bleven ze tot het laatst een aards koninkrijk verwachten, waarbij de Romeinen uit het land verdreven zou worden en Jezus de troon van David en Salomo weer in zou nemen. Met Pinksteren is er een tweede beweging van God de wereld in. Het is Gods Geest in ons. Hierdoor zien we niet alleen Christus in de minste van onze broeders en zusters aan wie we en weldaad bewijzen. Christus is in ieder van ons. Op die allereerste pinksterdag geven de leerlingen vervuld van de Heilige Geest luid uiting aan datgene waarmee ze vervuld zijn. Ze verkondigen aan de hele wereld, en iedereen hoort dit in zijn of haar eigen moedertaal de grote daden van God. De apostelen verkondigen wat God tot stand bracht in Jezus en hoe daarmee de profetieën vervuld zijn. Die profetieën gelden ook voor het pinkstergebeuren. De apostelen verlaten hun huis. Ze spreken in het openbaar. Ze richten zich tot de wereld en hebben een taak in de wereld en voor de wereld. We kunnen zeggen dat dat wat de Geest is voor de Kerk de Kerk wordt voor de wereld. En we zijn met velen. Wij zijn deel van die grote wereldwijde gemeenschap van christenen, van Batakkers en Toraja's, van Bemba en Dalits, van Kopten en Ethiopiërs, van Polen en Russen. We zijn deel van de beweging van God naar de mensen en naar de wereld toe, begonnen op die allereerste pinksterdag in Jeruzalem. Vervuld van de Heilige Geest stijgen we uit boven onszelf en verkondigen we de grote daden van God. Amen Wie is de belangrijkste? Deze dienst is een oecumenische viering ter opening van Koninginnedag 2005. Het is een bijzondere Koninginnedag, omdat we vandaag tevens het 25-jarig regeringsjubileum vieren van onze koningin. De Stichting Oranje Comité Maastricht is van mening, dat het passend is dat de feestelijkheden van vandaag voorafgegaan worden door een viering met gebeden, liederen, muziek, een preek en de zegen van de Allerhoogste. Een eerste vraag zou kunnen zijn: Komen kerk en overheid hier niet te dicht bij elkaar? Er is in Nederland al sinds 1795 een scheiding van kerk en staat. De vrijheid van godsdienst is een van de pilaren van onze huidige samenleving. Ik vind het zelf een mooi gebaar om op een feestelijk moment als deze ruimte te geven aan een moment van bezinning en reflectie. We zoeken samen naar gemeenschappelijke uitgangspunten, naar waarden. Ik vind het erg waardevol dat de viering oecumenisch is en dat pastoor en dominee in een goede samenwerking deze dienst voorbereiden en leiden. Koninginnedag, zoals ik het al als klein kind al heb meegemaakt, is een feest voor iedereen. Niemand wordt buitengesloten. Er is iets voor kinderen en ouderen, voor burgers en militairen, voor katholieken en protestanten, en natuurlijk worden ook moslims en joden en mensen van andere religies van harte uitgenodigd mee te doen aan de feestelijkheden. In goed onderling overleg besloten pastoor Eyssen en ik de bijbeltekst over de zonen van Zebedeüs te kiezen voor deze viering. De tekst gaat over het wezenlijke van het regeren. Het gaat ook over de verhouding tussen de kerk en de waarden waar die voor staat en de wereldlijke regeringen. Het lijkt alsof er in de tekst een duidelijke scheiding is tussen de wereld, tussen het politieke rijk en het Rijk van God, zoals Jezus dat predikt. Het verhaal begint met het nederige verzoek van een moeder (ze knielt voor Jezus) om een speciale positie voor haar twee zonen, Johannes en Jacobus. Wat is er mooier dan de liefde van een moeder en haar wens dat haar kinderen het goed doen? De moeder is niet de eerste de beste. Naar alle waarschijnlijkheid is het Salome, de zuster van de moeder van Jezus. Salome behoorde tot de trouwe volgelingen van Jezus. Ze was net als de moeder van Jezus, Maria Magdalena en Maria, de vrouw van Kleopas, aanwezig bij de kruisiging van Jezus op Golgotha. Hier was overigens ook Johannes, blijkbaar als enige van de leerlingen bij. Johannes en Jacobus behoorden tot de binnenste kring van de leerlingen. Waarom zouden ze niet een officiële positie kunnen krijgen in het ebstel van Jezus? De moeder vraagt of haar zoons ter linker – en ter rechterzijde mogen zitten wanneer Jezus in zijn koninkrijk zal zijn. Dat is in het oude Oosten de positie van Grootvizier of plaatsbekleder en de positie van Thesaurier (links). Jezus reageert op het verzoek met een tegenvraag: “Kunnen jullie de beker drinken die ik zal moeten drinken?” De broers antwoorden vol zelfvertrouwen: “Ja, dat kunnen wij!” Jezus zegt dan dat zij inderdaad de beker zullen drinken die hij zal drinken, maar dat het niet aan hem is om de plaats ter linker- of ter rechterzijde te bepalen. De beker waar Jezus op zinspeelde is de beker van het lijden door vervolging. In d e Hof van Gethsemane bidt Jezus tot de vader: “Vader, als het mogelijk is, laat deze beker dan aan mij voorbijgaan.” Toen, in de Hof der Olijven, waar Jezuas dat bad, waren alle disiciplen aanwezig, ook Jacobus en Johannes, maar ze sliepen, omdat ze te moe waren. Toen Jezus aan het kruis hing hingen naast hem niet Jacobus en Johannes aan het kruis, maar twee misdadigers! Jacobus en Johannes hebben uiteindelijk wel de beker moeten drinken. Jacobus was een van de eerste martelaren voor het geloof. Hij werd in het jaar 44 onthoofd door koning Agrippa I. Johannes heeft veel vervolging te verduren gehad in zijn leven en werd uiteindelijk naar het eiland Patmos verbannen. De overige leerlingen zijn woedend op Johannes en Jacobus. Ze zijn jaloers en zouden eigenlijk voor hen zelf wel zo'n belangrijke positie willen hebben. Jezus legt dan de harde werkelijkheid van de waarden van de wereld naast de waarden van het Rijk van God. Hij zegt: “Jullie weten dat heersers hun volken onderdrukken en dat leiders hun macht misbruiken.” Het wordt gezegd als een constatering. Er zijn overigens verschillende landen in de wereld waar je met een dergelijke uitspraak over de regering of het staatshoofd je in de gevangenis belandt op beschuldiging van hoogverraad. Gelukkig is er in Nederland een dusdanige grote mate van vrijheid van meningsuiting dat ik daarvoor niet hoef te vrezen. Tegenover de waarden van de wereld plaatst Jezus de waarden van het Rijk van God. Hier gelden de volgende twee regels: (2) wie de eerste wil zijn zal jullie dienaar moeten zijn. Leiden is volgens Jezus niet heersen, de baas spelen over anderen, je macht voor jezelf aanwenden, mensen onderdrukken, maar leiden is juist de belangen van anderen laten prevaleren, jezelf wegcijferen, kortom dienen. Wanneer hedendaagse politieke leiders zich dienaar noemend dan is dat veelal geen valse bescheidenheid, maar een bepaalde manier waarop ze hun ambt willen invullen geïnspireerd door het evangelie van Jezus. Paus Johannes Paulus II zei in een interview in 1994 dat hij boven de titels Summus Pontifex, opperpriester, of “Heiligheid” de voorkeur geeft aan de titel die al sinds Gregorius de Grote bij pausen in gebruik is: “Servus Servorum Deï,” dienaar van de dienaren van God. Hij voegt hieraan toe en nu citeer ik hem letterlijk en elke christen die hier in deze kerk aanwezig is kan zich hierdoor gesterkt voelen: “Welbeschouwd betekent christen heel wat meer dan bisschop ook als het gaat over de bisschop van Rome.” Voor elke christen geldt dat hij of zij is “Christianus alter Christus”: Een christen is een tweede Christus. Op woensdag 30 april 1980, precies 25 jaar geleden, legde de 42 jarige Beatrix voor het hele Nederlandse volk, in de Nieuwe Kerk te Amsterdam, de volgende verklaring af: “Het ambt van Koning is niet verworven. Het is een functie waar geen mens om vragen zou. Het is een last en zelfbeperking. Maar uit plicht en geweten en in een vast geloof dat God mijn leven leidt aanvaard ik de verantwoordelijkheid.” Ze vervolgt: “Niet macht, persoonlijke wil of aanspraak op erfelijk gezag, maar slechts de wil de gemeenschap te dienen, kan inhoud geven aan het hedendaagse koningschap.” Beatrix neemt bij de troonsaanvaarding niet Napoleon of Alexander de Grote of een andere grote politiek leider als voorbeeld, maar in feite neemt ze als voorbeeld voor leiderschap de eenvoudige timmermanszoon uit Nazareth in Galilea, Jezus Messias. Voor haar is er dus niet zo'n duidelijk onderscheid tussen geloof en politieke, tussen kerk en wereld. Politiek en samenleving kunnen niet zonder mensen die een dergelijke houding ten toon spreiden, mensen die weten dat heersen en leiden betekent de ander dienen. Dat geldt in feite voor alle verbanden waar mensen actief zijn: het gezin, de werksituatie en ook de kerk. Er zijn steeds volop mogelijkheden om de nederigheid te oefenen, om elkaar ruimte te geven, om begrip op te brengen voor elkaar, om ten opzichte van de andere de minste te willen zijn. Ik denk dat ook de recent gedecoreerden en degenen hier aanwezig die in het verleden hun decoratie kregen dit begrepen hebben. Ze hebben de decoratie verdiend door onder meer het opofferen van vrije tijd, het zich zelf wegcijferen, ze hebben zich ingezet voor kwetsbare groepen in de samenleving. Laten we allen, in dit jubileumjaar, voor het begin van de grootscheepse viering van Koninginnedag en het regeringsjubileum van onze koningin ons vast voornemen om als uitgangspunt te nemen, in ons werk en in ons gezinsleven, om niet van macht of persoonlijke uit te gaan, maar van de wens om onze naaste en de gemeenschap te dienen. Amen De goede herder. Inleiding In Rome is de zorg niet of ze wel of niet een volle kerk krijgen. De zorg is en dat nu al voor d e tweede keer in een korte periode hoe zorg je dat de toestroom van gelovigen hanteerbaar blijft. Men heeft al verklaard dat niet alleen de kerk vol is maar dat heel Rome vol is! Honderdduizenden Duitse pelgrims zijn al naar Rome vertrokken om bij d wijding van hun paus aanwezig te zijn, zolas bij de begrafenis van paus Johannes Paulus II maar liefst 5 % van het hele Poolse volk in Rome was. In de massamedia is e r volop aandacht voor deze gebeurtenissen. Het is dan ook een media event van de hoogste orde. We zien de pracht en praal van de Sint Pieter en het Vaticaan met de Sixtijnse kapel. We zien de stoet van kardinalen in hun rode gewaden, de bisschoppen in het paars en daarna de staatshoofden koningen, prinsen, regeringsleiders. Verder kaarsen, wierook, muziek, grote koren en plechtige rituelen, allen heel zorgvuldig uitgevoerd. Er wordt enorm veel symboliek in een ritueel geplaatst wat slechts enkele uren duurt. Hier steekt onze dienst in Beek maar mager tegen af. Toch zijn wij hier geïnspireerd door hetzelfde verhaal, wij noemen ons geworteld in hetzelfde evangelie als wat klinkt op het Sint Pietersplein en in de Sint Pieter. Zowel de paus Benedictus XVI als de voorganger als wij hier bidden tot dezelfde god en bewijzen eer aan dezelfde Messias. We hebben de zelfde doop gemeenschappelijk. Misschien is de veelvromigheid wel iets positiefs, terwijl we tezelfdertijd ook d eenheid zien in de verscheidenheid. Er is nog iets gemeenschappelijks met de gebeurtenissen in Rome. Ook hier werd iemand in het ambt bevestigd. Het ritueel kan in vergelijking met dat in Rome niet soberder. Een eenvoudig voorlezen van de verantwoordelijkheid, een eenvoudig ja op de gestelde vraag en het toewensen van God zegen op de nieuwe taak. Samen zongen we daarna het bescheiden lied dat we hopend at we als gelovigen, als volgelingen van Jezus enig licht brengen in de duisternis om ons heen, zoals een kaarsje dat doet in de nacht. De bisschop van Roem noemt zich ook herder van alle gelovigen. Wat houdt dat heerserschap in? Er zijn veel beelden van Jezus. Een veel voorkomend beeld is Jezus die vrijwel naakt aan het kruis hangt. In Rome zie je dat afgebeeld op gouden crucifixen op een staf of als borstkruis, in marmer, in goud of zilver, in hout of op linnen. Als protestanten hebben we in de 16 de eeuw al een einde gemaakt aan deze vorstelling. Ook in deze kerk zie je geen kruis. Andere beelden van Jezus zijn misschien nog belangrijker. Na de kruisiging van Goede Vrijdag komt onvermijdelijk het hoogfeest van Pasen. Jezus is ook de opgestane, de overwinnaar. In deOOste3rse kerk zie je hem veel vaker zo afgebeeld. Ook in Afrika en Azië zie je Jezus vaker afgebeeld als de verrezene, bij de Hemelvaart, of aanwezig bij de wonderbare visvangst, en ook als goede herder4 met een schaapje op zijn schouders of reikend naar een schaap dat in de doornen verstrikt is en dreigt in een afgrond te vallen. Jezus als rondtrekkende rabbi zegt dat hij in een traditie staat. Daarover lezen we bij Nehemia. Nehemia is de landvoogd, aangesteld door de Perzische koning Arthaxerxes, om de teruggekeerde joden in Juda te helpen. Om het volk moed in te spreken herhaalt Nehemia het oude verhaal van Gods beloften aan Abraham, Izaäk en Jacob, aan de uittocht uit Egypte en aan de intocht in het Beloofde Land. God blijft trouw, ook al zijn de mensen dat niet. Dan gaat het volk aan het werk om Jeruzalem te herbouwen en ook om een nieuwe tempel te bouwen ter vervanging van de tempel van Salomo die vernietigd was in de oorlog. Jezus legt in het Johannes evangelie zijn missie uit met behulp van de gelijkenis van de goede herder. Spreekt dat beeld ons nog aan? Er zijn in Nederland bijna geen herder meer. Ik geloof dat er nog een 30 tal is. We kennen de herder vooral uit de bijbel en de liederen, zoals die we in deze dienst zingen. Ik denk dat we niet per se met een concrete Nederlandse herder gesproken hoeven te hebben om het beeld te kunnen begrijpen. Schapen zijn van nature erg afhankelijk van hun herder. Ze kunnen zich zelf niet verdedigen tegen een wolf of een dief en rover, zoals een paard dat kan doen door met zijn achterbenen te slaan of een rund dat kan doen door met zijn hoorns te dreigen. De herders staan aan de basis van het joodse volk als natie. Zowel Abraham, Izaak en Jacob als David waren herders. David begon als herder voordat hij tot het hoogste ambt werd geroepen. Maar er was continuïteit. Hij was de herdersvorst. Als herder was hij breid om zijn leven in te zetten voor de bescherming van de aan hem toevertrouwde schapen voor een leeuw of een wolf. Zin trouw als herder maakte hem geschikt voor zijn functie als koning. Als koning heeft hij hart voor het volk, hij is rechtvaardig en onbaatzuchtig. Hij zorgt voor de zwakken, voor de weduwe, de wees en de vreemdeling | ||