PREKEN

ds At Ipenburg (predikant RGZL 2004-2006)

 

 

 

Van God verlaten ...
Bij God is niets onmogelijk

Jullie wegen zijn niet mijn wegen, zo spreekt de Heer

"Jezus zag haar en riep haar" Een genezing op de sabbat.
Niets zal voor jullie onmogelijk zijn
Mystiek en het dagelijkse leven
De Bergrede
"En ze werden vervuld van de Heilige Geest."
Wie is de belangrijkste?
Volg de goede herder en luister naar zijn stem
De eerste zondag
Het gesprek bij de bron

De Papoeabijbel
Gods kleinheid en de grootheid van de mens

De doop van Jezus in de Jordaan en de tsunami

Preken in het Engels / Sermons in English
"Diversity"

What is the Meaning of Christmas?

 

 

Bij God is niets onmogelijk
Doopdienst, zondag 27 augustus 2006, Sint Janskerk, Maastricht
Lezingen: Gen 18: 1-15; Marcus 6: 32-44

Veel mensen ervaren de geboorte van hun kind als de meest bijzondere gebeurtenis in hun leven. Er is een nieuwe mens en dat is jouw kind. Je leefde er al naar toe sinds je wist dat je zwanger was. Het is een wonder. Je zou misschien wel de straat op willen gaan en dansen en iedereen toeroepen: Ik ben vader of ik ben moeder geworden, en mijn kind heet zo en zo. In de vreugde van zo’n ouderpaar willen we allemaal delen als vrienden en familie.

 Helaas is het hebben van een kind niet voor iedereen weggelegd. We leven wel in een moderne tijd, die individualistisch is, waar misschien vaak carrière voor het hebben van kinderen gaat. Toch blijkt dat wanneer je echt geen kinderen kan krijgen je dit ervaart als een zwaar noodlot. Iemand die dit ten deel viel zei erover:  Overal zie je kinderen, je ziet crèches en kleuterscholen met wachtende moeders, mensen praten over hun kinderen, je ziet kinderwagens – en jij bent er geen deel van en je bent voorgoed buitengesloten van dit geluk. Je voelt een gemis, een voortdurende pijn. Je voelt je een incompleet mens.  

Vanuit de dankbaarheid om de geboorte van hun kind ligt het besluit van deze ouders om het te laten dopen. Wat betekent de doop in onze moderne, geseculariseerde wereld. Wat wil je aan je kind geven als je het laat dopen? In de eerste plaats geef je, denk ik, aan dat de relatie met God belangrijk is in je verhouding als ouders tot je kind. Het kind is zelf gave van God, een klein wonder. Jezus zelf zegt, met nadruk:  “Laat de kinderen tot mij komen”. Hij stelt ons de kinderen tot voorbeeld. We moeten proberen zelf weer als een kind te worden. De doop geeft ook aan dat je het kind niet beschouwt als een privé bezit. Je hebt het te leen en je voedt het op tot zelfstandigheid. De doop is zelf een gave. God’s liefde is genade. Het is de basis en de grond van ons leven, net zo als de liefde van zijn vader en moeder dat is voor een kind.

De eigenlijke doop is het aanroepen van de naam van God, en het besprenkelen van het voorhoofd van het kindje met een klein beetje water. Het gaat niet om de hoeveelheid water. Ook bij een paar druppels gaat het om een echte doop. Met die doop krijg je deel aan de kerk van Christus. Dit is ruimer dan een individuele kerk, zoals de remonstrantse broederschap, de protestantse kerk of de rooms-katholieke kerk. Die zijn elk deel van de kerk van Christus. Wat al die kerken gemeenschappelijk hebben is die doop, zoals die zojuist heeft plaatsgevonden. . 

Wat kunnen we van een kind leren? Ik denk spontaniteit, directheid, eerlijkheid, aanvaarding en vertrouwen. Een kind is in feite niet in staat om zonder hulp van de ouders in het leven te staan. Hij heeft hen nodig voor zijn voeding, zijn onderdak, zijn kleding, zijn herstel wanneer hij ziek is. Het is zich die afhankelijkheid waarschijnlijk niet bewust, anders zou hij voortdurend bang zijn dat hem het allemaal afgenomen zal worden. De afhankelijkheid is deel van zijn werkelijkheid waar hij geen vragen bij heeft, die hij accepteert in vertrouwen. Kunnen wij ook een dergelijk geloofsvertrouwen hebben en geloven in de zorg en liefde van God die ons leidt en ons leven bepaalt? Kunnen we zo’n geloofsvertrouwen ook hebben met betrekking tot alles wat in de wereld gebeurt, de angst voor terroristische aanslagen, de oorlog in Libanon, Irak en Afghanistan?

De doopouders wilden graag in deze dienst aandacht voor twee bijbelgedeelten, die erg belangrijk voor hen zijn. Het eerste verhaal is de aankondiging van de geboorte van Isaac, wat ook de naam Isaac verklaart. Het tweede verhaal is dat van de wonderbare spijziging van 5.000 mensen.

Rondom de geboorte van Isaac vindt veel lachen plaats: lachen uit ongeloof en lachen uit dankbaarheid. De naam Isaac betekent dan ook “Hij lacht”. Dat wensen we Isaac ook toe dat hij veel zal lachen en gelukkig zal zijn.  

Even voor het eerst gelezen gedeelte uit de bijbel staat het verhaal dat God Abraham belooft dat zijn nageslacht zo talrijk zal zijn als de sterren aan de hemel en als het zand aan de zee. Maar Abraham is al een oude man. Toch gelooft hij God. Als teken van de belofte van God en van zijn geloof laat Abraham zich besnijden. Op de derde dag na de besnijdenis, wanneer hij ziek is en koortsig, terwijl hij uitrust voor zijn tent, op het heetste van de dag, ziet hij plotseling drie bezoekers, die eruit zien als Arabische nomaden staan. Hij staat snel op, gaat hen tegemoet en nodigt hen met aandrang uit om bij hem te komen rusten. Hij biedt aan een klein beetje water om de voeten te wassen en wat brood om weer fris te worden. Tegelijk vraagt hij Sarah om vers brood te maken, en hij vraagt zijn bediende om te zorgen voor verse melk en om het gemeste kalf klaar te maken. Als spoedig komen de bezoekers met de boodschap, waarvoor ze gekomen zijn. Sarah zal over een jaar bevallen van een zoon. Sarah, die door de tentdeur het gesprek volgt, lacht in zichzelf. Weten de bezoekers dan niet dat ze al veel te oud is om kinderen te krijgen? Zijn ze zo naief dat ze niet weten dat ze al jaren na de overgang is? Sarah kan natuurlijk niet vermoeden dat de bezoekers anders zijn dan ze lijken: een stel rondtrekkende nomaden. Toch is haar ongeloof haar te verwijten. Maar de bezoeker verwijt het Abraham. Misschien heeft Abraham  de belofte, die God hem enkel dagen daarvoor had gedaan, niet met Sarah gedeeld. Misschien ook was hij niet in staat Sarah te overtuigen.  De bezoeker vraagt aan Abraham waarom Sarah lacht en herhaalt zijn belofte, en zegt “Bij God zijn alle dingen mogelijk.” Dat is ook de dooptekst die de ouders Isaac willen meegeven in zijn leven. 

Na de geboorte, die op het beloofde tijdstip plaats vindt, lacht Sarah opnieuw, maar nu van blijdschap. Ze zegt: God heeft gemaakt dat ik lach, en ieder die het hoort zal; om mijnentwil lachen (Gen 21: 6).  

Het vervolg van dit verhaal is een verhaal wat daarmee sterk contrasteert. God kondigt het oordeel aan over Sodom en Gomorra. Hier is een andere wereld. Zo gastvrij als Abraham was voor de drie  vreemdelingen, zo ongastvrij zijn de bewoners van Sodom en Gomorra. Ze hebben het gebruik om vreemdelingen fysiek geweld aan doen, hen te verkrachten en te doden. Toch pleit Abraham voor hen. Door de belofte van een zoon hij heeft hij nu de ruimte om te pleiten voor hen die het oordeel is aangezegd. Inderdaad worden Lot en zijn gezin gered voor de steden vernietigd worden. 

Jezus gaat naar een stille plek aan de overkant van het meer van Genesaret. Mar een grote mensenmenigte volgt hem. Hij spreekt hen toe. Aan het eind van de middag suggereerden de leerlingen dat het beter was om de mensen naar huis te sturen, zodat ze nog op tijd eten konden kopen. Jezus reageert door te zeggen: “Geven jullie hen te eten.” Een onmogelijke opdracht om zomaar 5.000 mensen te voeden. De kosten zouden 200 denariën. Een denarie is een dagloon. Maar ze hadden alleen vijf broden en twee vissen. Jezus vraagt Gods zegen over de maaltijd en geeft de leerlingen de opdracht om vervolgens het brood en de vissen uit te delen. Er blijkt voor iedereen meer dan genoeg. Met de restanten kunnen nog 12 manden gevuld worden.  

Dit is een opdracht om hopeloos van te worden. Mission Impossible. Hoe kun je zoveel mensen voeden, terwijl er niet genoeg is. Hoeveel mensen hebben honger op de wereld? Hoeveel mensen moeten van minder dan 1 Euro per dag rondkomen? Na dit verhaal uit de bijbel is er geen excuus om niet te beginnen met delen.  Dat is geloof. Als je bereid om te delen wat je hebt, is er genoeg voor iedereen. Op wereldschaal, en ook in ons eigen land en streek, is dit zeker waar. De dankbaarheid om wat je als genade ervaart, geeft je ook de kracht en de bereidheid om te delen.  

Wat ons, die hier in deze kerk aanwezig zijn, bindt is ons geloof. We zijn als zodanig allemaal kinderen van Abraham.  Ook al zie je je leven als een dorre woestijn. Eens zal die woestijn bloeien als een roos. Als gelovigen zijn we niet meer de realist, maar geloven dat het onmogelijke werkelijkheid kan worden. Laten we met de woorden van de dooptekst van Isaac verder gaan in ons leven en zeggen “Bij God zijn alle dingen mogelijk.” :
Amen      

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Van God verlaten ...
Preek zondag 25 juni Ontmoetingskerk Geleen

 Een storm woedt op het meer. Een twaalftal vissers zit in het midden van die storm. De vissersboot dreigt te zinken. Dit zijn ervaren vissers, die wisten wat de risico’s waren van zo’n storm. Jezus slaapt voor in de boot en lijkt zich niet bewust van enig gevaar. Dit zijn geen gewone vissers. Het is de kleine groep mensen die ten nauwste betrokken is bij Jezus en zijn missie. Hiervoor hebben ze werk, hun vrienden, hun familie, alles wat hen lief is verlaten.  Maar hoe sterk is hun betrokkenheid? Stel dat Jezus  samen met  zijn discipelen daar in de storm vergaan was? We zouden geen Goede Vrijdag gehad hebben, geen Pasen, geen Pinksteren, geen evangelieën, Nieuwe Testament, geen kerk.

Job is in een soortgelijke situatie van dreiging, angst en levensgevaar en hij stelt de vraag of God hem kan redden uit zijn ellende.

Het boek Job behoort tot de wereldliteratuur. Als kind hield ik erg van sprookjes. In het kort verlopen die meestal als volgt: Er is een arm, maar eerlijk en natuurlijk knap meisje, die het welverdiende geluk heeft dat een prins op haar verliefd wordt. Ze gaat wonen in een paleis en dan eindigt het verhaal met de woorden: en ze leefden nog lang en gelukkig. Dit zit er bij ons heel diep in. In Amerika lezen we verhalen van krantenjongens die het tot miljonair brengen. Eind goed, al goed. In het verhaal van Job is het omgekeerde het geval. Hij begint als iemand die schatrijk is, en gezond, en geliefd, en trouw,  en rechtvaardig. Daarna valt hij tot de diepste diepte en raakt alles kwijt. Hij wordt straatarm, lijdt honger, wordt melaats en dan door iedereen verstoten. Hier beschrijft Job zijn vroegere situatie: Job 29: 11 Ieder die mij hoorde prees mijn woorden,

Ieder die mij zag had niets dan lof,
12 omdat ik de arme redde die om hulp riep, en de wees die in de steek gelaten was.
13 Ik werd gezegend door de stervende, in het hart van de weduwe bracht ik de vreugde terug.
14 Ik kleedde mij in gerechtigheid en deze kleedde mij, het recht was mij een mantel en een tulband.
15 Ogen was ik voor de blinde, voeten was ik voor de lamme.
16 Voor de behoeftigen was ik een vader, ik verdedigde de zaak van vreemdelingen.  

Job had alles: rijkdom, aanzien en een goed geweten. Hij had  een gelukkig huwelijk en kinderen waar hij trots op was. Dit vinden we zoals het hoort. Zo moet het zijn. Je bent eerlijk en trouw en je wordt daarvoor beloond door God en de mensen. Dit is in overeenstemming met ons gevoel van rechtvaardigheid.  

Maar dan wordt Jobs lot volkomen omgekeerd. Alles wat eens zijn identiteit bepaalde wordt hem afgenomen: zijn rijkdom, zijn bezit, zijn vrouw en zijn gezin en uiteindelijk ook zijn gezondheid. In plaats van dat de mensen hem eer bewijzen verachten ze hem. 

Dit is de mens. We zijn toch niet meer dan stof en as? Op Aswoensdag is het gebruik in de rooms-katholieke kerk om iedereen, na de werveling van carnaval, ene askruisje te geven en daarbij uit te spreken: “Mens, gedenk dat gij stof zijt en tot stof zult terugkeren.” Na de verkiezing van een paus verbrandt de kardinaal, die het hoogste in rang is, voor de ogen van de nieuwe paus een wollen draad. Dit is een symbolische handeling om de nieuwe paus er aan te herinneren dat de werkelijkheid vergankelijk is en dat alle uiterlijke schijn en de pracht en praal van de pausverkiezing eigenlijk nietig is

 Het menselijke leven is beperkt in tijd, broos en kwetsbaar. We ervaren ziekte en ongeluk. Waar is God dan? Waarom helpt hij ons niet, terwijl wij toch hem trouw zijn, naar de kerk gaan, zo rechtvaardig mogelijk proberen te leven, geld geven aan goede doelen, zoals de slachtoffers van de tsunami en van de aardbeving in Yogyakarta en Amnesty?  Er komt geen antwoord.
Job 30: 20 Ik roep u om hulp, maar u antwoordt niet; ik sta voor u, maar u wilt mij niet zien.
21 U bent wreed voor mij geworden, met al uw kracht hebt u zich tegen mij gekeerd. 
In de bijbel staan vaker verhalen van mensen die zich van God en mensen verlaten voelen. Zoals in Psalm 22 2
Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten? U blijft ver weg en redt mij niet, ook al schreeuw ik het uit.
3 ‘Mijn God!’ roep ik overdag, en u antwoordt niet, ’s nachts, en ik vind geen rust.  

Jezus zelf ervoer dat hij van God en mensen verlaten was aan het kruis.: Mattheus 27: 46 Aan het einde daarvan, in het negende uur, gaf Jezus een schreeuw en riep luid: ‘Eli, Eli, lema sabachtani?’ Dat wil zeggen: ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten?’  

Waarom laat God dit allemaal toe? Hij is toch goed? Leed verontmenselijkt. We staan ineens in een andere werkelijkheid en in een andere relatie met God. God is niet meer de gulle gever van alle goeds, waarvoor we hem dagelijks danken. Dit is een situatie waarin ons geloof zich moet bewijzen wat het waard is.

 Het antwoord op de vraag naar waar God dan is wordt in het boek Job God zelf in de mond gelegd. Het antwoord is dat we als mensen voor God met open vragen moeten leren leven en kunnen leven. We moeten moedig onze eigen beperktheid durven aanvaarden.

 God is niet de dictator, die alles onder controle heeft, alles weet en alles beïnvloedt. Hier is meer het beeld van God als een tuinman, die een tuin verzorgt waarin ook onkruid te vinden is. Het is het beeld van een herder, die zijn kudde hoedt. Of als een vader en moeder, die hun kind de vrijheid geven om zijn eigen weg te gaan, om de wereld in te gaan, om fouten te maken en daarvan te leren.

God bekommert zich om ons, ook lijkt hij afwezig. Onze gebeden en onze protesten naar God hebben zin. Er is troost, ook in onze pijn en onze zorgen.

 Uiteindelijk komt Job tot het inzicht dat God niet afhankelijk kan zijn van de situatie waarin hij zich bevindt.  Job 42

1 Nu antwoordde Job de HEER: 3 Wie was ik dat ik, door mijn onverstand, uw besluit wilde toedekken?
Werkelijk, ik sprak zonder enig begrip, over wonderen, te groot voor mij om te bevatten.
5 Eerder had ik slechts over u gehoord, maar nu heb ik u met eigen ogen aanschouwd.  

In de diepste nood, in het gevoel dat God hem verlaten heeft, ervaart Job terugkijkend, de aanwezigheid en de troost van God. Dat is de kracht van ons geloof.

AMEN

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Jullie wegen zijn niet mijn wegen – spreekt de Heer.
(Tekst: Jesaja 55: 8)b;
Lezingen: Jesaja 55: 1-11; Marcus 1: 1-11
Dienst in de Remontrantse Kerk, Hengelo, 8 januari 2006, Epifaniezondag

1. Inleiding
2. Het evangelie volgens Marcus
3. De doop van Jezus
4. De doop
5. Slot

1. Inleiding
Het is alweer twee weken geleden dat we kerstfeest vierde in deze kerk en in miljoenen andere kerken over de hele wereld. En vrijwel overal waren de kerken vol tot overvol. Ook werd er kerstfeest gevierd in kazernes, in supermarkten, op internationale vliegvelden, in cafés, restaurants en zelfs in casino’s. In de kerk bereidden we ons de vier zondagen van de advent voor op de komst van het Kerstkind. Nu, op deze zondag, keren we terug van de droom van kerstmis naar de gewone werkelijkheid van onze zondagse vieringen.
Toch is er ook vandaag wat te vieren. We vieren het doopfeest van Jezus. Ineens maken we een grote sprong in de tijd. Het lieve, kleine baby’tje, liggend in een kribbe in een stal in de stad Bethlehem, is een man geworden van 30. Hij heeft het besluit genomen om van zijn woonplaats Nazareth naar Johannes te gaan, de bekende boeteprediker, die zich ophoudt in de wildernis bij een doorwaadbare plaats in de Jordaan. Deze keer zijn er geen engelenkoren, geen herdertjes die bij nachte liggen, geen koningen die uit het oosten komen en die hun gaven van mirre, wierook en goud aan de voeten van het Kerstkind leggen. Ook zijn er geen arrenslees die met rinkelende belletjes door de sneeuw glijden.

In de oudste kerk dit feest het grote feest. Kerstmis was onbekend. Het is pas veel later in de westerse kerk ingevoerd. In de Oosterse kerk viert men nog steeds heel uitgebreid het doopfeest van de Heer. Men noemt het Epifanie, de verschijning van de Heer. Epifanie betekent: de verschijning of openbaring van Jezus als Messias. In de oudheid werd hetzelfde woord gebruikt om de troonsbestijging van vorsten, die als god werden vereerd te vieren. De doop, en niet de geboorte, is het echte begin van de missie van Jezus.

2. Marcus
Dit is niet het evangelie van Marcus, maar het evangelie volgens Marcus. Hij schrijft er boven: ‘Het begin van het evangelie van Jezus Christus, de Zoon van God.”Het is het oudste en het soberste evangelie van de vier die we hebben. Marcus geeft geen geboorteverhaal. De laatste woorden van het evangelie zijn over de vrouwen bij het lege graf op de paasmorgen; “Ze gingen naar buiten en vluchtten bij het graf vandaan, want ze waren bevangen door angst en schrik. Ze waren zo geschrokken dat ze tegen niemand iets zeiden.” Dat wil Marcus blijkbaar corrigeren en hij heeft de tijd genomen om de essentie van de boodschap, de goede boodschap, het evangelie van Jezus op te schrijven. Men denkt dat hij dit rond het jaar 60 geschreven heeft, dus vrij kort nadat het gebeurd is. Het is een sober evangelie, omdat hij veel als bekend verondersteld.

Marcus probeert aan te tonen dat wat er gebeurde in Palestina betreffende Jezus van Nazareth een continuïteit is met de woorden van de profeten, die ze honderden jaren daarvoor verkondigden. Van Jesaja, de koning der profeten naar Johannes de Doper is maar een stap. Er is geen inleiding, geen uitleg, geen geboorteverhaal van Johannes en ook niets over de familierelatie tussen Jezus, Maria en Johannes. Marcus beschrijft Johannes in zijn uiterlijke verschijning als een profeet zoals Elia, met een ruwe mantel van kameelhaar en een leren gordel. Hij leefde van sprinkhanen en wilde honing. Zo’n life-style is die van een man van God, een protest tegen de gevestigde orde, tot wie hij zich richtte met een oproep tot bekering. Dit is een enorm succes. Er staat: “Alle inwoners van Judea en Jeruzalem stroomden toe en lieten zich dopen in de rivier de Jordaan, terwijl ze hun zonden beleden.” De doop van Johannes is een doop van inkeer, van bekering en van vergeving van zonden. Dit was iets nieuws. De doop is wel bekend in het joodse geloof, maar deze is uitsluitend bestemd voor niet-joden die tot het joodse geloof willen overgaan. Joden, als kinderen van Abraham, zouden een dergelijke reiniging niet nodig hebben.

Johannes is, zo zegt hij van zichzelf, niet de Messias, niet Elia en ook geen profeet. Hij kondigt zich aan als een eenvoudige heraut, een bode. Hij kondigt de komst aan van iemand die groter is als hij. Hij is zelfs niet waardig om de riemen van de sandalen van die persoon los te maken. Voor het losmaken van de sandalen moet je voor iemand op je knieën. Dit werd gezien als een opperste vernedering. Dit kon men alleen aan de huisslaven vragen, maar zelfs niet aan hen wanneer die joods waren. Jezus gaat zelf wel op zijn knieën voor zijn leerlingen om hen de voeten et wassen voorafgaand aan het Laatste Avondmaal, en roept hen op hetzelfde te doen tegenover de minste van onze broeders en zusters.
Johannes de Doper kreeg een eigen aanhang van leerlingen, die ook na zijn terechtstelling door Herodes zijn leer bleven verspreiden. De beweging van de leerlingen van Johannes en die van Jezus hebben een tijdlang naast elkaar bestaan.
Wat doet Johannes? Hij is wegbereider. Profeten zoals Jesaja spraken erover dat God eens direct zou ingrijpen in onze geschiedenis om het kwaad een halt toe te roepen, zodat de stampende laars in de woorden van Amos niet meer dreunt en de met bloed bevlekte soldatenmantel zal verbrand worden. Er zullen geen onschuldige slachtoffers meer vallen. Geen Auschwitz meer en geen Srbenica. Geen Rwanda en geen Darfur. Gerechtigheid zal stromen als een bergbeek. God gaat zich bekommeren om zijn volk. Er komt een nieuw en eeuwigdurend verbond. Jesaja zegt, namens God; (Jesaja 55:3): “Ik sluit met je een eeuwigdurend verbond.”David zal een vorst zijn en heerser over naties. Zo spreekt de Heer, volgens Jesaja (55: 5)
“Ook jij zult een volk ontbieden
Dat je nog niet kenden,
En een volk dat jou nog niet kenden
Zal zich haasten om bij je te zijn.”

Naast Israël zullen andere volken zich tot de God van Israël keren – zoals wij dat doen nu in deze kerk, en miljoenen christenen over de hele wereld met ons.
Voor Johannes moet, wil dit gebeuren, ook het volk van Israël zich bewust worden van zijn zonde en zich bekeren en door de doop zich voor te bereiden op de komst van de Messias.

De joden van de eerste eeuw van onze jaartelling verwachtten een concreet koninkrijk, een herstel van de dynastie van koning David, toen Israël zich uitstrekte van Egypte tot de rivier de Eufraat. Maar zo spreekt God, door de profeet Jesaja: (55: 6).
“Mijn plannen zijn niet jullie plannen
En jullie wegen zijn niet mijn wegen
Want zo hoog als de hemel is boven de aarde,
Zo ver gaan mijn wegen jullie wegen te boven,
En mijn plannen jullie plannen.”

Jezus, dat is zeker, leefde uit de Torah en de profeten. Steeds verwijst hij bij alles wat hij doet aan de profeten van Mozes tot Maleachi. En hij zegt: “Dit is gebeurd omdat vervuld moest worden wat de profeten zeiden…” En dan blijkt het dat er en omkering is van waarden. De koning wordt een knecht, die zich als een slaaf hurkt voor zijn leerlingen om hen de voeten te wassen. Er is geen koning in onze zin van het woord. Geen Alexander de Grote, geen Caesar, geen Hadrianus, geen Napoleon. Er is een eenvoudige dorpstimmerman, die vanuit zijn timmerwerkplaats zich begeeft naar de rivier de Jordaan om zich door Johannes te laten dopen. Vervolgens verkondigt hij de komst van het koninkrijk van God, wat de consequenties ook zijn voor hem persoonlijk. En hij laat in zijn leven en werken dat koninkrijk al zien.

3. De doop van Jezus.
Waarom laat Jezus zich dopen? Heft hij behoefte om zijn zonde te belijden en zich te bekeren? De doop is een toegang tot een nieuw leven. Het is een opnieuw geboren worden. Nu, met deze doop, aanvaardt Jezus zijn opdracht. Jezus stelt zich met de doop op aan de kant van het volk. Hij is een met het volk. Zijn doop is ook een erkenning van Johannes als profeet.
Johannes doopt Jezus en toen Jezus uit het water kwam zag hij de hemel openscheuren en de geest als een duif op Jezus neerdalen. Dan volgt een stem uit de hemel:
“Jij bent mijn geliefde Zoon,
In jou vind ik vreugde.”
Ook hier weer is er de continuïteit met het Eerste Testament. God spreekt volgens Jesaja (42: 1):
“Hier is mijn dienaar
Hem zal ik steunen,
Hij is mijn uitverkorene,
In hem vind ik vreugde,
Ik heb hem met mijn geest vervuld…”
Dit is in de context van een beschrijving van de lijdende knecht van de Heer. De stem uit de hemel, na de doop van Jezus, verwijst ook naar Psalm 2: 7 waar God spreekt door de psalmdichter:
“Jij bent mijn zoon
Ik heb je vandaag verwekt. En “Vraag het mij en ik geef je de volken in bezit.” Dit is een verwijzing naar de Messiaanse koning, de zoon van David.
De geest daalt op Jezus neer zoals een duif, niet per se in de vorm van een
duif. De duif is een symbool van argeloosheid en oprechtheid. Het verwijst ook naar de duif als teken van hoop toen de duif in de ark van Noach, na de zondvloed terug kwam met een olijftak in zijn bek.
4. De doop
De meeste van ons hier in de kerk, zijn, naar ik aanneem, gedoopt. Wat betekent dat? Maakt het verschil? Wat gebeurt er met je als je gedoopt wordt? Ik denk dat de doop een teken is dat we als mensen niet bij brood alleen leven. Er is een andere werkelijkheid, die misschien nog belangrijker is als de gewone werkelijkheid. Er is God en hij is trouw. Je gaat na de doop verder met God in je leven. We krijgen met de doop de belofte dat God van ons houdt als een Vader en Moeder van zijn of haar kinderen.

We zoeken naar warmte, geluk, erkenning, liefde. Het lijkt allemaal vaak onbereikbaar. Steeds zijn er weer struikelblokken in onszelf of in anderen. Hoe ga je om met conflicten, met oneerlijkheid en onrechtvaardigheid, met ruzie, met achterklap. Ben je altijd bereid om te werken aan verzoening, aan het slaan van bruggen, aan het anderen vergeven wat ze jou aandoen en aan anderen vergeving vragen om wat jij hen aandoet?

5. Slot
Op weg van kerstmis naar Pasen komen vandaag de volgende vragen op ons af.
Wat is de betekenis van de doop van Jezus in de Jordaan?
Wie is Jezus?
Wie is Jezus voor mij?
Wat is zijn boodschap?
Hoe praktisch is die?
Wat is mijn missie in mijn leven?
Wat betekent mijn doop voor mij in mijn leven en de doop van mijn kinderen voor hen en voor mij?
Gods gedachten zijn niet onze gedachten en Gods plannen zijn niet onze plannen. Met de kerk van alle eeuwen hopen we en geloven we in een werkelijkheid die zich in Jezus geopenbaard heeft, een werkelijkheid van hoop, geloof en verzoening, die zich baan breekt in onze werkelijkheid – als een weg door de woestijn, als een pad door de wildernis.
Amen
 

 “En Jezus zag haar en riep haar… (Lukas 13: 12a)
Preek Marekerk, De Meern, zondag 9 oktober.2005, 21ste na pinksteren, wereldiakonaatszondag.

We vieren deze zondag Werelddiakonaatszondag. We vragen aandacht voor de nood van onze medechristenen en anderen in Afrika, Azië en Latijns-Amerika. Kerkinactie vraagt speciaal aandacht voor de vrouwen en kinderen  in Noord-Oeganda. Het is denk ik goed om in een kerkdienst stil te staan bij de nood in de wereld. 

Oeganda is 6 x zo groot als Nederland en heeft 25 miljoen inwoners. In het noorden, grenzend aan de Soedan, woedt al 20 jaar een wrede burgeroorlog. Het leger noemt zich the Lord’s Resistance Army, Gods Verzetsleger. Er zijn veel slachtoffers. Het LRA bedient zich van kindsoldaten. Er zijn naar schatting zo’n 20.000 kindsoldaten me geweld in het leger ingelijfd. Ze krijgen drugs zodat ze meer gehoorzaam worden. Meer dan 200.000 mensen hebben moeten vluchten naar de steden of naar speciale, versterkte, vluchtelingenkampen. Deze worden ook aangevallen omdat daar door hulporganisaties voedsel en andere noodzakelijke levensbehoeften worden verstrekt. Moeders raken hun kind kwijt, wat gekidnapt wordt door het LRA. Vrouwen worden ook regelmatig slachtoffer van seksueel geweld. Naast de burgeroorlog maakt ook AIDS veel slachtoffers. Bijna 1 miljoen mensen kwamen de afgelopen 15 jaar om in Oeganda. Er zijn naar schatting half miljoen mensen besmet met het HIV virus.

In veel landen in Afrika is het hetzelfde trieste verhaal. Een pater die met verlof terug is uit Zambia vertelde me dat wanneer hij een rouwdienst leidt op een kerkhof dat er ineens veel mensen met een kist met een dierbare overledene bij hem komen staan en hem vragen om een zegen. Hij heeft daar moeite mee omdat hij er niet steeds zeker van is of hij de naam goed heeft die hij op een papiertje krijgt aangereikt, of dat hij de naam bij de goede kist zegt. De mensen hebben geen geld voor een kerkdienst en alles wat daarbij hoort. In het ziekenhuis gebeurt het vaak dat familie en vrienden waken bij een terminaal zieke patiënt. Wanneer hij of zij overleden is maken ze zich snel uit de voeten. Er is zelfs geen geld voor een begrafenis. Het ziekenhuis moet dan de overledene, samen met andere,  begraven in een massagraf. Dit is een enorm contrast met de tijd dat wij in Zambia woonden in de jaren 70 en 80. Voor de dood had men veel ontzag en kosten noch moeite werden gespaard voor een goede begrafenis, waar iedereen bij aanwezig hoorde te zijn. Men trakteerde de aanwezigen op bier en maïspap. Er was een nachtwake met kerkkoren die de hele nacht bleven zingen. Het meest populaire radioprogramma was dat met de aankondigingen van overlijden, omlijst met treurmuziek. We kunnen ons dit soort situaties eigenlijk moeilijk voorstellen. Nu horen we dat wel en het is ook waar. Maar het is niet de hele waarheid. Voor de media geldt meestal: “Goed nieuws is geen nieuws.” In Afrika is er ook de vitaliteit en levenskunst, de openheid voor de magie van het leven zelf en van de natuur, de hechte familierelaties, het optimisme, de onderlinge hulp en vooral ook de kracht van het geloof. Terwijl hier de komende jaren veel kerken op de nominatie staan om te worden gesloten wegens gebrek aan belangstelling, bouwt men daar nieuwe kerken. Er zijn veel intredingen bij ordes. Deze zijn congregaties en ook de verschillende protestantse kerken zijn vaak heel actief waar het de ergste nood betreft in de gezondheidszorg, de zorg voor de Aids slachtoffers en hun nabestaanden,  in het onderwijs en de zorg voor meisjes en vrouwen.

Ieder die wel eens een Afrikaans kerkdienst heeft bijgewoond zal dat niet snel vergeten. Het is een groot feest waar je je geen moment verveelt, zelfs al ken je niet de taal. Het ene koor na het andere staat op en begint te zingen. De koorleden hebben vaak mooie toga’s of een uniform aan. Dan zie je de vrouwenvereniging van de kerk in hun mooie rode blouses en zwarte rok en met hun witte hoofddoek. Die vrouwen vormen de ruggengraat van het kerkelijke diaconale en pastorale werk. Ze bezoeken de zieken en weten waar nood is en geven dan direct hulp. Het mooie van de dienst is dat als de kerkgangers vinden dat de dominee te lang preekt ze spontaan een lied mogen inzetten. De dominee probeert nog even zijn zin af te maken, maar dat heeft weinig zin. Na het lied gaat de dominee gewoon verder met de preek. Meestal duurt zo’n dienst een uur of 2. Het zijn werelden van verschil: de wereld van de nood in Afrika, onze eigen vertrouwde wereld in Nederland en de wereld van de bijbel met de ons zo bekende verhalen.   De verhalen van de bijbel zijn ons vaak zo bekend dat ze niet meer spreken met de boodschap die oorspronkelijk bedoeld is.  

De vrouw in de synagoge die helemaal krom was.
De evangelist Lucas vertelt ons over een vrouw die helemaal krom gegroeid was en daar al 18 jaar aan leed. Het is het verhaal van een slachtoffer dat bevrijdt wordt. Dit vindt plaats in een synagoge en op de sabbat. Er is een duidelijke regel dat je op de sabbat niet mag werken: “Houdt de sabbat in ere, het is een heilige dag. Zes dagen lang kunt u werken en al uw arbeid verrichten, maar d e zevende dag is een rustdag, die gewijd is aan de Heer, uw God; da\n mag u niet werken … De Heer heeft de sabbat gezegend en heilig gemaakt.” (Exodus 20: 8-11). Dat laat aan duidelijkheid niets te wensen over. Maar hoe interpreteer je dit gebod? Hoe ga je met dit soort categorisch uitspraken om?  

Stel dat het Gods eerste zorg niet is dat we hem gehoorzamen, maar dat we ons verantwoordelijk voelen voor onze medemens, die in nood is, en dat we ons verantwoordelijk voelen voor heel Gods wonderbare schepping? Alle geboden, regels, wetten en de bijbel zelf zijn dan ondergeschikt aan dat doel: de liefde voor onze medemens, die een kind is van God, en die zorg en barmhartigheid nodig heeft. Wanneer we het niet zo zien, dan veranderen de middelen, de regels en wetten in een doel op zich. Dan krijg je het dilemma: kies je ervoor om direct de hulp te geven die nodig is òf kies je voor de regels die tussen jou en het slachtoffer instaan? Je verschuilt je achter regels om geen hulp te hoeven geven. 

Het gaat in het evangelie om de mens en om Gods schepping gaat. Dat heeft betekenis voor ons beeld van God. Wie zijn het die we in deze wereld het meeste hoogachten? Het zijn de rijken, de machtigen, de geleerden, de prinsen en prinsessen, de staatshoofden,  de bekende schrijvers, de kunstenaars, de tv iconen en de filmsterren? Zo was vroeger ons beeld van God. Hij was dat alles en nog veel meer. Hij is almachtig, eeuwig, onmetelijk, oneindig, onuitsprekelijk, verheven boven alles, alomtegenwoordig. Dit is waar, maar daarmee is toch niet alles gezegd.

Jezus geeft ons in het evangelie een ander beeld van God. God is soms de heer die op een rechtvaardige manier met zijn dienaren omgaat, die ze het loon geeft, en meer, waar ze recht op hebben, die ze verantwoordelijkheid geeft voor de talenten die hij hen heeft toevertrouwd, die ongehoorzame dienaren nog een tweede en derde kans geeft. Hij is goed en gastvrij, als in het verhaal van de maaltijd. Maar Jezus beeldt ook zonder schroom God af als een vrouw die haar rokken opschort en niet rust voordat ze de penning die ze kwijt was gevonden heeft. En als ze de penning dan eindelijk vindt, roept ze al haar vriendinnen en buurvrouwen bijeen om hen deelgenoot te maken van haar blijdschap over het verlorene wat ze terugvond. God is ook de vader die elke dag weer naar de weg gaat om uit te kijken of zijn zoon die weggelopen is weer terugkomt. En wanneer de zoon dan schuldbewust en met gebogen hoofd naar het ouderlijk huis terugkomt dan geeft de vader een groot feest voor zijn hele huishouden, want wie verloren was is teruggekomen. Bij deze modellen voor God staat niet de eer en de koninklijke waardigheid op de eerste plaats, maar de liefde en zorg voor wat verloren is, voor hen die lijden, voor hen die gebonden zijn en uitzien naar bevrijding. 

Jezus leert in de synagoge. Leren en doen zijn een. Er staat niet vermeld wat Jezus leerde, maar alleen wat hij deed! Blijkbaar is dat de les. Jezus ziet de vrouw staan. Waarschijnlijk heeft iedereen die vrouw met haar opvallende verschijning wel gezien. Maar ons kijken is toch een beetje wegkijken. Jezus kijkt haar aan en roept haar bij zich. Vervolgens bevrijdt Jezus haar. Hij legt zijn handen op haar en geneest haar. Dan looft en dankt de vrouw, die nu geheel rechtop staat, God. De les van Jezus is, denk ik, niet om je niet aan de regels te houden voor de sabbatsrust. Het verhaal besluit met een vrouw die de God prijst voor haar bevrijding en een menigte mensen in de synagoge, die zich verheugt over de machtige daden die Jezus doet. Wat zien we? We zien mensen die in de synagoge bidden en God danken, ze loven en prijzen Hem en ze zijn verheugd! Wat is er meer passend om te doen op de sabbat? 

Wanneer de overste van de synagoge probeert de orde te herstellen en de aanwezigen aanmaant om te wachten tot het eind van de sabbat om Jezus om genezing te vragen, reageert Jezus heel fel hierop. “Huichelaars, hypocrieten” zegt hij. Hij richt zich niet alleen tot de overste van de synagoge, omdat er sprake is van een meervoudsvorm. Jezus verwijt de mensen een dubbele agenda. Wanneer het om het eigen belang gaat dan gooien we het op een akkoordje en zijn  we mild. Natuurlijk zijn we breid om onze eigen os en ezel op de sabbat losmaken om hen naar water om te drinken te brengen. Maar als het om een vrouw gaat die 18 jaar lang gebonden is dan komen ineens de regels ter sprake waarbij de genezing uitgesteld moet worden. Jezus zegt: Hier is meer dan een os of een ezel. Dit is een vrouw, een mens, niet een object van zorg, maar een “dochter van Abraham.” Eerder gaf Jezus de tollenaar Zaccheüs al de status van zoon van Abraham. (Lukas 19: 9). 

Jezus schaft niet de wet af, maar geeft deze juist nieuwe inhoud en betekenis. Het gaat om onze houding ten opzichte van God en van de bijbel. Is het niet zo dat we vroeger meenden toch beter te zijn dan de anderen wanneer we ons strikt aan de zondagsrust hielden, wanneer de vrouwen met gedekte hoofden naar de kerkdienst gingen. Mar de kern van de wet  is: “Gij zult God liefhebben met heel je hart, hele je ziel en heel je verstand.” En dat wordt zichtbaar hoe we leven en wat we doen en nalaten.  

Hoe ver zijn de vrouwen van Noord Oeganda van ons vandaan? Hoe kunnen we iets laten blijken van onze steun en solidariteit?  Hoe kunnen we hen echt zien en hen roepen, ondanks alle regels en wetten die tusen ons en hen instaan?
Amen

Niets zal voor jullie onmogelijk zijn
Bijbellezing: Jeremia 7: 23-28 en Matheüs 17: 1-7

Ik las laatst in een discussiegroep op het internet de volgende stelling: “Het is nog nooit wetenschappelijk aangetoond dat er ooit een gebed tot God verhoord is. Waarom zou je dan bidden?” Daar komen dan vragen bij: Is God echt machteloos, wat geloven we eigenlijk, is het relevant, maakt het wat uit?

Hoe praat je je als christen hier uit? Eerder al was er een publieke discussie of een theorie van Intelligent Design zich zou kunnen en mogen opstellen naast en in plaats van de evolutietheorie. Ook dit riep veel discussie op. Verleden week hoorde ik op het pleidooi voor een studie van het zien van de kosmos als een Intelligent Design de reactie: “Sinds het wetenschappelijk niet is aan te tonen dat er een Intelligent Designer bestaat nemen we aan dat Hij/Zij niet bestaat.” Dat heeft verregaande implicaties. Geloof lijkt dan zinloos en machteloos.  

Zijn we als gelovigen, althans in Nederland,  echt vrij wild geworden? Een slinkende vergrijzende minderheid, die “nog niet zo ver is” dat ze de wetenschappelijke inzichten van het rationalisme en de verlichting kan beamen? Een schrijver van een ingezonden brief, in reactie op de discussie over de militante Islam, merkte op: “God is al dood. Nu Allah nog”.  Dat vond hij een goede ontwikkeling.
Staan we echt met lege handen in deze discussie. Hebben de woorden die we hier spreken, bidden en zingen nog enige betekenis?  

Haaks op deze gedachten staat het woord wat Jezus met nadruk tot zijn volgelingen zegt: “Niets zal voor jullie onmogelijk zijn.” Dit is de volkomen en volledige ontkenning van deze ideeën. Als je tegen iemand zegt: “Niets zal je onmogelijk zijn” - dan is dat goed nieuws. Dat nieuws heeft Jezus aan zijn leerlingen doorgegeven. Het blijkt echter een heel weerbarstige materie te zijn. In de bijbel lezen we elke keer weer hoe de geloofshelden die de discipelen zijn, elke keer falen. Daardoor komen ze ook dichterbij. Ze zijn in alle opzichten menselijk. Jezus heeft het over een andere werkelijkheid, waanneer hij spreekt over: “Niets zal voor jullie onmogelijk zijn.” Het woord van Jezus probeert ook al 2.000 jaar door te dringen in onze sociale en politiek werkelijkheid. Ook hier lijkt het alsof er elke keer een terugval is. Moeten we niet pessimistisch zijn over de waarde van Jezus’ uitspraak gezien alle oorlogen, natuurrampen, misdrijven, verontmenselijking, armoede en onrecht, wat nog steeds plaats vindt in onze wereld?

Maar geloof is dat je door Jezus gesterkt weet en dat je uitzicht houdt op een betere toekomst van vrede en rechtvaardigheid, maar tegelijk ook dat je oog krijgt hoe in het kleine en in het verborgene dit al begint te groeien. 

De gelezen tekst in het Mattheüs evangelie gaat over geloof en ongeloof als tegenstellingen.  Er is iemand die zijn zoon bij Jezus brengt. Hij zoekt naar genezing voor zijn zoon die al vanaf zijn geboorte “maanziek” is. Hij lijdt blijkbaar aan een soort vallende ziekte of epilepsie. Soms valt hij in het water en een andere keer bezeert hij zich door in het vuur te vallen. De vader heeft blijkbaar nooit  de hoop opgegeven dat zijn zoon een keer beter zal worden, ook tegen beter weten in. Hij is eerst naar de leerlingen gegaan. Deze waren niet in staat de jongen te genezen en gaven het blijkbaar toen maar op. De vader klaagt zijn nood bij Jezus. Dan gebeurt er iets wonderlijks. Jezus wordt heel boos. Het komt zelden voor in de evangeliën dat Jezus boos wordt. Het is een uitzonderlijke reactie. Jezus zegt: “O ongelovig en verworden geslacht, hoe lang moet ik bij u zijn?” In de nieuwe bijbelvertaling staat er: “Wat zijn jullie toch een ongelovig en dwars volk, hoe lang moet ik nog bij jullie blijven? Hoe lang moet ik jullie nog verdragen?” Dit is een uitzonderlijke reactie. Verwacht Jezus dat we te allen tijde in staat zijn een zieke te genezen? Verwacht hij dat we wonderen doen op commando?  

Wanneer je zo’n verhaal met gemeenteleden leest dan is soms de reactie dat ze kwaad worden op Jezus. “Deze uitval van Jezus is niet terecht. Wat verwacht hij eigenlijk van ons? Je doet je best. Je mag toch niet het onmogelijke van iemand eisen?” Een mogelijke andere reactie kan zijn: “Stel je hebt je kind of je partner door de dood verloren, betekent dat dan dat je te kort schiet als gelovige?” Het verhaal roept fundamentele vragen op van de inhoud van het evangelie, van het mandaat van Jezus van wat geloof eigenlijk is en hoe we geloofsgemeenschap zijn in relatie tot de wereld.  

Als we het verhaal van de maanzieke jongen in de context van het Mattheüs evangelie plaatsen dan zien we dat het staat na twee succesverhalen, namelijk de belijdenis van Petrus te Caesarea dat Jezus de Messias is en daarna de verheerlijking op de berg. Jezus gaat daar met drie discipelen: Petrus, Jakobus en zijn broer Johannes de berg op. Daar ontmoet Jezus Mozes en Elia. De Wet en de Profeten zijn vervuld in Jezus de Christus. Dit is een stralend ogenblik. Petrus wil het ogenblik vasthouden en biedt aan om drie tenten te plaatsen: een voor Mozes, een voor Elia en een voor Jezus. Dan dalen ze van de berg af en komen bij “het volk” en ze ontmoeten ongeloof. Dit is een groot contrast, van de droom, naar de harde werkelijkheid. Jezus had volgens Mattheüs (10: 8) eerder al de leerlingen uitgezonden en hen de macht gegeven om boze geesten uit te drijven. Deze macht is geen automatisme. Het is niet een eens en voor altijd. Het is gebaseerd op geloof, wat gevoed wordt door een gemeenschap die je inspireert, steunt en bemoedigd.   

Jezus verwijt “het volk” ongeloof en dat het dwars is. De mensen luisteren wel naar Jezus maar volgen hem eigenlijk niet met hun hart. Zijn woorden raken alleen maar de buitenkant. Geloof is cruciaal. Zonder geloof is de keten verbroken, die ons met Jezus en met zijn missie verbindt. Het mag de allerkleinste hoeveelheid geloof zijn, maar het moet er zijn. Wanneer er totale duisternis is dan kan het licht van een lucifer of een waxine lichtje al maken dat je tenminste iets kunt zien en dat je weet waar je bent. Dan heb je binnen de lichtcirkel, hoe klein die ook is, een plek die veilig en vertrouwd is. Zelfs met een geloof dat zo groot is als een mosterdzaadje breng je verandering te weeg. Je staat open voor de werkelijkheid van God, die andere wereld, met andere waarden, waar je kunt hopen op dingen die onmogelijk of hopeloos lijken. Zonder een minimum aan geloof is Jezus’ missie zinloos en mislukt. De fakkel wordt niet doorgegeven. Het licht dooft. Dat is de teleurstelling van Jezus dat de hoop verdwenen is, dat het geloof inactief geworden is, dat alles ophoudt, dat mensen het opgeven. 

Jezus dwingt vervolgens de boze geest de jongen te verlaten. Nu is het begrip “boze geest” geen moderne diagnose voor een bepaalde aandoening (tenminste niet in West Europa). Je kunt een “boze geest” ook definiëren als iets wat macht over je krijgt, zodat je je vrijheid van handelen kwijt bent. Je kunt af en toe iets te veel drinken en vervolgens merken dat je er niet meer buiten kan. Dat het je de baas geworden is. Dat kan ook gebeuren met drugs of met een andere verslaving van wat dan ook.

De leerlingen komen bij Jezus en vragen hem: “Waarom lukte het ons niet de jongen te genezen?” Jezus verwijt hen hun gebrek aan geloof. Het is een machteloos geworden geloof en een gebrekkig vertrouwen in de mogelijkheden van Gods wonderbare hulp. Jezus zegt hen dat wanneer ze maar een geloof zouden hebben zo klein als een mosterdzaadje dan zou dat geloof al een berg kunnen verzetten. Het gaat misschien hier niet alleen om de fysieke omvang van iemands geloof. Een mosterdzaadje staat bekend om zijn grote groeikracht. Het kan met zijn wortels zich nestelen in rotsen en door asfalt heen groeien.   

De wereld die we zien en ervaren is niet de wereld, die mogelijk is. Het is niet de wereld waarop we hopen: een wereld van vrede, gerechtigheid, menselijk geluk, wederzijds begrip, harmonie, voorspoed. Met de ogen van het geloof echter zien we ook die andere wereld: glimpsen van liefde en hoop, kleine dingen die grote veranderingen te weeg brengen. We kunnen kleine mosterdzaadjes zien ontkiemen. Zo’n mosterdzaadje zou geweest kunnen zijn de broederschap die de 25-jarige jongeman Roger in Taizé in 1940 een internationale, oecumenische gemeenschap stichtte. Nu telt de gemeenschap van Taizé een honderdtal broeders, katholiek en protestants, uit meer dan vijfentwintig landen. Honderdduizenden jongeren komen er elk jaar om zich te laten inspireren door de gemeenschap en door de muziek, door de sfeer en de spiritualiteit die men daar voorleeft. De liederen van Taizé worden over de hele wereld gezongen. Een klein mosterdzaadje, door Frère Roger in 65 jaar gelden geplant is een grote boom geworden. Er zijn vele van dit soort voorbeelden te vinden, ook in eigen kring of in de eigen geloofsgemeenschap. Een grote natuurramp treft New Orleans. Maar tienduizenden blijken bereid om hun leven en gezondheid te riskeren om mensen te redden en te helpen.  

15 jaar geleden beweerde Francis Fukuyama dat er een einde was gekomen aan de geschiedenis. Er zou geen verandering meer mogelijk zijn. Het politieke wereldsysteem was nu stabiel. Er is geen uitzicht meer op de transformatie, op een wereld van vrede en gerechtigheid. Het “democratisch kapitalisme” had gewonnen. Is dat zo? Moeten we de hoop opgeven dat armoede en onrecht eens voorbij zullen zijn?  

In zo’n situatie trad de profeet Jeremia op. Dit was bij het aantreden van koning Jojakim in 609 VC. Het land was bedreigd door Egypte, maar het volk voelde zich veilig omdat ze in Jeruzalem wonen waar de tempel is. Jeremia pleitte tegen deze valse zekerheden, tegen onrecht, tegen de vruchtbaarheidsriten, tegen kinderoffers. Hij pleitte voor een geloof in een betere wereld, voor het geloof dat mensen zich terug kunnen keren tot God, voor een goede verhouding met God, die leidt tot goede verhoudingen tussen de mensen, tot rechtvaardigheid. 

Er zijn mensen die blijven geloven dat wat volgens mensen onmogelijk is, mogelijk is bij God. Zo kreeg de vader van de zieke jongen eindelijk genezing voor zijn zoon, omdat hij bleef geloven in de mogelijkheid van genezing. Dit is niet de belofte dat alle zieken en alle ziektes genezen worden. Maar er is een oproep om ons niet bij de bittere werkelijkheid neer te leggen. Er is altijd uitzicht op een andere werkelijkheid, de werkelijkheid van het mosterdzaadje, wat bergen kan verzetten. In gebed, in viering, in woord en in daad kunnen we uitdrukking geven aan dit geloof.  

En wanneer we deze weg gaan, klinkt het woord van Jezus in onze oren:

“Heb goede hoop. Niets zal voor jullie onmogelijk zijn!”

Mystiek en het leven
Preek in de Cellebroederskapel, Citykerk, Basisgemeente, Maastricht, zondag 18 september 2005

In een gemeente als de Basisgemeente zoeken we God. We proberen in gebed, aanroeping, liederen, muziek, eucharistie en overdenking hem te benaderen. Het jaarthema is mystiek. Kunnen we door mystiek dichter bij God komen? Hoe passen we mystiek in in ons leven? Wat is mystiek? Het woordenboek geeft ons de volgende definitie.
Een mysticus of mystica is iemand die op een overweldigende wijze de tegenwoordigheid ervaart van iets dat hem of haar overstijgt. Dit overstijgende is veel 'werkelijker' dan al wat wij doorgaans voor werkelijk aanzien. De 'gewone werkelijkheid' wordt als het ware transparant voor een 'andere, uiteindelijke werkelijkheid'. De mysticus voelt tijdens zo'n ervaring zijn 'ikheid' verdwijnen. Zijn opgeslotenheid in zichzelf wordt opgeheven.

Tot de kern van de mystiek behoort:
• het leeg worden,
• het ontvangen van iets dat buiten je ligt
• en toch helemaal bij je hoort.
Betekent dit dat we ons op moeten sluiten in een cel, zoals de Cellebroeders? Moeten we een contemplatief leven gaan leiden als kloosterlingen in kloosters waarvan Maastricht er eens zeer velen had? We sluiten ons dan af voor de buitenwereld, waar er allerlei afleiding is. We concentreren ons op het vinden van Go in gebed, meditatie, contemplatie, zang en viering.
Er zijn ook in ons gewone leven ervaringen die lijken op die van de mystiek. Je kunt denken aan ervaringen die je soms hebt wanneer je in de natuur bent, in een bos wandelt, op een heuvel over een landschap uitkijkt, wanneer je langs het strand van de zee loopt. Ineens kun je overweldigd worden door een geluksgevoel, een soort totaal ervaring van de werkelijkheid waar je zelf deel van uitmaakt, maar waar je in opgaat.
Je kunt dat gevoel van geluk ook soms hebben bij een glimlach van je kind of je kleinkind of in een gebaar van liefde en vertrouwdheid van je moeder of vader of je levenspartner.
Al dit soort ervaringen geven aan dat de wereld niet is wat ze is. Dat er een andere werkelijkheid is. Dit soort ervaringen waar je boven je zelf uitstijgt kunnen je inspireren om je leven richting te geven. Ieder mens heeft een ebstemming, een levensdoel. Dat hoeft niet iets sensationeels te zijn, zoals het stichten van een klooster, zoals Frère Roger dat deed 60 jaar geleden in Taizé. Het kan heel bescheiden zijn. Gewoon iets voor iemand betekenen. Dit soort momenten waarbij je boven jezelf uitstijgt kunnen je helpen om dat helder te krijgen, je te verzoenen met wie je bent en met wat je doet.
We hebben om te leven dromen nodig. Religie is zo’n droom van eerlijkheid, rechtvaardigheid, recht, liefde, hoop en menselijkheid.
Wanneer we kijken naar onze levenservaringen die zo’n gevoel het dichtst benaderen dan denk je aan verliefdheid. Je bent verliefd. Al je aandacht is geconcentreerd op die geliefde persoon. Je wilt alles voor die persoon doen. Je schrijft brieven, waarin je al je gevoelens uit. Dan wordt je liefde beantwoord. In de aanwezigheid van je geliefde vergeet je tijd en plaats. Je wilt zo veel mogelijk in elkaars aanwezigheid zijn. Er is iemand die je vertrouwt, begrijpt en steunt. Dan beloof je elkaar eeuwige trouw. Voor minder ga je niet. Het gaat om een totale commitment. Uiteindelijk zal zo’n verliefdheid zich omzetten in liefde, in een duurzame relatie tussen twee mensen, die samen in het leven staan, in mogelijk later de vorming van een gezin, de kinderen groot brengen, in samen oud worden en in dankbaarheid terugkijken op de lange weg die je samen gegaan bent.
We hoorden drie persoonlijke ervaringen van de leden van de voorbereidingscommissie, van gebeurtenissen waarbij zij ineens even zich uit hun gewone bestaan getrokken voelden.
Die bijzondere ervaringen zijn niet het doel. We willen liever met beide benen op de grond blijven staan. Maar we willen aan de andere kant ook niet ophouden met dromen. Ieder van ons heeft een levensopdracht. Ook voor het leren en doen van die levensopdracht hebben we elkaar nodig. Op onze reis door het leven hebben we nodig: inspiratiebronnen, reisgenoten en medepelgrims.
Even brak dit bij Rob door. Toevallig was er niemand op de plek waar anders veel bussen stoppen 200 km van Santiago de Compostella. Dat is de plek waar mensen honderden jaren lang hun last mochten afleggen om bevrijd naar Santiago te gaan. De plek was verlaten. Je stapt ineens in een metafoor. De stenen staan voor alle problemen van alle mensen. Vele eeuwen ballen samen tot een moment. Je stijgt uit boven tijd en plaats en je ziet als vanaf een berg het landschap van je leven. Dat is even God ervaren.
Je hebt een verlies en wil eigenlijk rouwen en niet verder gaan. Dan ineens, door een plotselinge gebeurtenis, zie je plotseling alles in een ander licht. Droefheid wordt blijdschap en hoop. Een andere werkelijkheid breekt tot je door Hier zie je de hand van God.
Je bent in een motorprauw in een ver land. De nacht valt. Je hebt het gevoel dat je langzaam de eeuwigheid invaart. Water en land worden een. Sterren beginnen te stralen waar eerst nog het blauw van de dag was. Dit was er al eer ik er was. Ik ben er om dit te ervaren. Het is tegelijk ervaring en herinnering. (het verhaal)
Met een dergelijke eenvoud van ons hart zijn we open voor het mysterie. Dan zien we in een flits die andere werkelijkheid. Het is alsof je door het donker loopt in een onbekend landschap. Alleen als er een bliksemflits is zie je een heel kort ogenblik waar je bent. Dan is het weer donker, maar je weet de richting waar je heen moet in het duister.
Huub Oosterhuis spreekt over een dergelijke geloofservaring in het gedicht Zien
Zien
Dit dat ja nee voortjagend voortgedreven
Niet kunnen willen toch zo moeten leven
Overal nergens niemand op het spoor.
Dan jij. Ik hoor je stem. Ik zie – soms even. (1972).
Dit is een bescheiden geloof dat geen behoefte heeft aan de zekerheid van dogma’s of kerkelijke structuren.
In de tweede brief aan de Corinthiërs in hoofdstuk 12 vertelt Paulus over een bijzondere mystieke ervaring. Hij wordt als het ware in de derde hemel opgenomen. Hij hoort hemelse muziek. Hij ervaart het hoogste geluk. Hij spreekt er bescheiden over in de derde persoon, als betrof het iemand anders. En toch gaat het volgens hem niet om het bereiken van de derde hemel of het luisteren naar hemelse muziek. Paulus kiest als het erom gaat voor “beledigingen, nood, vervolgingen en ellende”. In dit gewone leven ligt zijn taak en levensopdracht. Hier is pijn. Hij spreekt over een bepaalde ziekte die hij heeft als over een doorn in het vlees, een engel van satan. Maar zijn zwakheid is geen excuus om iets niet te doen. In zijn eigen persoonlijke zwakheid vindt hij juist de kracht om door te gaan, “zodat de kracht van Christus in mij zichtbaar wordt.” Zegt hij. Vers 10: “Omdat Christus mij kracht schenkt, schep ik vreugde in mijn zwakheid: in beledigingen, nood, vervolging en ellende. In mijn zwakheid ben ik sterk.” Juist daar waar we zwak zijn en onze zwakte erkennen staan we open voor Gods genade. Het bewust zijn van onze zwakheid bevrijdt ons van de verleiding om God uit eigen kracht te willen bereiken. We moeten ons dan wel op God verlaten.
Er is uitzicht op een andere werkelijkheid. Maar hièr is onze taak en onze levensopdracht.
Moge God onze kracht zijn in onze zwakheid.
 

De Bergrede

Tekst: Deuteronomium 11: 18-28; Matheüs 7 vers 15-29. De Johanneskerk, Amersfoort, zondag 29 mei 2005

Ruim drie weken geleden, op 5 mei, vierde Nederland de bevrijding van ons land van de Nazi's. We herdachten met dankbaarheid dat ons land al 60 jaar gespaard is gebleven voor oorlog. Bovendien zijn we dankbaar voor een welvaart die in de geschiedenis ongekend is. Wanneer je vanuit de wereld naar Nederland, en andere West-Europese landen, kijkt dan lijkt het alsof we leven in op een eiland van welvaart en zorg. Veel dingen zijn inmiddels voor ons zo vanzelfsprekend dat er nauwelijks waarde aan hechten, zoals bijvoorbeeld het feit dat er onbeperkt en betrouwbaar drinkwater uit de kraan komt of dat als we ziek zijn er kosten noch moeiten gespaard worden om ons weer op de been te helpen.

Hoe is dit zo gekomen? Heeft ons christelijke geloof een bijdrage geleverd aan de vrede en voorspoed? Ik vrees dat we dit als kerk niet op ons conto kunnen schrijven. Bij een bezoek aan de synagoge in Amersfoort liet de rabbijn een eeuwige vlam zien ter herdenking aan de joodse slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog. Hij zei letterlijk: “Wij als joden hebben de afgelopen 2000 jaar nog niet gemerkt dat Jezus de Messias is en dat zijn vrederijk gekomen is.”

 In de Bergrede is er een tegenstelling tussen velen en weinigen, tussen de nauwe poort en de wijde poort, tussen de smalle weg en de brede weg en tussen de rots en het zand waarop iemand zijn huis kan bouwen. Er zullen er weinigen zijn die ingaan door de smalle poort. Aan de andere kant zegt Jezus ook: “Gaat de hele wereld door. Onderwijst alle volken”. Dit is een opdracht zonder grenzen, een universele opdracht. “De mensenzoon is gekomen voor velen”, zegt Jezus en ook: “In het huis van mijn vader zijn vele woningen”. In de openbaringen staat: Rond de troon staat een schare uit alle volken, stammen en staten, een menigte die niemand tellen kan.

 In de tekst lijkt het alsof we voor een duidelijke keuze worden geplaatst: “Kies de brede weg zoals velen doen of de smalle weg en de nauwe poort waardoor maar weinigen gaan”. Er is een plaat van gemaakt waar je een klein groepje kerkmensen ziet voortploeteren met een bijbel in hun hand op een smalle bergweg op weg naar Jeruzalem op de top van de berg. Aan de andere kant zie je een grote groep, goed geklede mensen, gezellig pratend en drinkend, naar de hel wandelen in de diepte. Kunnen we de wereld wel zo mooi in tweeën delen: tussen aan de ene kant mensen die naar de kerk gaan, mensen zoals wij, die gedoopt zijn, actief zijn in de kerk met aan de andere kant de wereld, die er maar een beetje op los leeft en zich aan God noch gebod stoort? Ik denk dat het niet zo simpel is.

 De weg
De weg is een manier van leven. Het gaat om een innerlijke beleving van wat je doet. De mensen van de brede weg niet de zondaren, de mensen buiten de kerk. Jezus heeft het hierbij over mensen die iedereen als vrome mensen zou beschouwen: de schriftgeleerden en Farizeeën. Jezus heeft geen kritiek op alle schriftgeleerden en Farizeeën. Nicodemus bijvoorbeeld was een schriftgeleerde en ook een volgeling van Jezus. Jezus heeft kritiek op de schriftgeleerden in zoverre zij hun geloof richten op uiterlijkheden, op het nakomen van verplichtingen, op een bepaalde manier van kleden, op hun bindende uitleg van de wetten.

 De smalle weg is de weg van Jezus. Het gaat er hierbij om dat je jezelf durft geven, dat je jezelf ter discussie durft te stellen. Jezus gebruikt vaak het beeld van opnieuw geboren worden. Dat is een radicale manier om je zelf, je oude zelf, op te geven. Als resultaat van die geboorte wordt je “een nieuw mens.” De weg wordt daarom een smalle weg genoemd omdat die moeilijk is. Het is de weg van de zelfverloochening, van de bereidheid om een stapje terug te doen, van proberen de wijste en verstandigste te zijn als er een conflict is – op je werk, in je gezin, met je levenspartner. Deze manier van leven gaat in tegen onze natuurlijke reactie. Die is meer van: Je laat je toch niet op je kop zitten. Dat moet je niet pikken. Of: Ik zou de vakbond inschakelen. Je moet voor jezelf opkomen. Onze rechten in onze rechtstaat zijn prachtig en het is belangrijk dat dat ze er zijn. Voor de Bergrede gaat het om de intentie, de instelling waarmee je iets doet.

 De vruchten
Het resultaat van het volgen van “de weg” zijn de vruchten. In de bijbel is het beeld van de vrucht vaak het beeld wat voor het handelen wordt gebruikt. De vrucht is ergens het resultaat van. Een boom heeft tijd nodig om te groeien en is geworteld in de grond. Er is voorgroei regen en verzorging nodig. In deze beeldspraak gaat het niet concrete prestaties, zoals bij sport of een schoolexamen. Zelfs gaat het niet om prestaties op het geestelijke vlak. Men kan profeteren, wonderen doen, zieken genezen, boze geesten uitdrijven, allemaal in de naam van Jezus, kortom men kan een model gelovige zijn en toch te kort schieten. De vrucht is iets wat verwijst naar de innerlijke instelling. Het gaat om de mate waarin je gericht bent op de ander. De mate waarin je openstaat voor de ander, waarin je hem of haar de ruimte geeft, een ruimte om te leven.

 Het is niet onze stijl om “valse” profeten te veroordelen. We zeggen graag dat overal wel wat inzit. We willen ons graag tolerant opstellen. Het gaat hier om een type profeten die uiterlijk erg goed werk lijken te doen. Maar bij een zorgvuldige bestudering van hun vruchten, dat wil zeggen van hun innerlijke motivatie, kom je er erachter dat er iets niet klopt. Uiteindelijk kan dan de schade groot zijn. Jezus waarschuwt met klem voor wolven die zich voordoen als schapen om de schapen te verslinden.

 De rots
Bij de rots is ook sprake van een duidelijke tweeslag. Er zijn twee mensen die een huis bouwen. Het verschil tussen de ene bouwer en de andere is pas te merken als de stormen en stortregens komen. Dan blijft het ene huis staan, terwijl het ander op drijfzand blijkt gebouwd te zijn. In de bijbel wordt Jezus zelf vaak de rots genoemd. Jezus noemt Petrus de rots na zijn belijdenis dat Jezus de Messias is. Hiermee benoemt Jezus Petrus niet tot de eerste paus. Die belijdenis van Petrus is de rots, waarop je kunt bouwen. De rots is ook het verlangen naar gerechtigheid, naar een wereld die vrede kent. Het besef dat de wereld niet is zoals God die wil met alle honger, al het menselijke lijden, de vluchtelingenstromen enzovoort. Alles wat je doet om het lot te verbeteren van de slachtoffers is bouwen op de rots. Bouwen op de rots is als je de Bergrede als richtsnoer neemt in je leven.

Vaak krijg je het idee dat er twee werelden zijn. De ene wereld is de wereld van de zondagmorgen, van de preek, van de kerkdienst, van het lezen in de bijbel. Wat daar gebeurt staat ver af van de werkelijkheid op je werk en in je gezin op de maandagmorgen. De principes van de bijbel zijn prachtig, maar erg praktisch lijken ze niet. Toch is dit misschien niet zo. De bekende Benedictijn Anselm Grün geeft op basis van het evangelie en de regel van Benedictus praktische aanwijzingen die je kunt gebruiken als manager of in de psychotherapie met titels als Bezielend leidinggeven, Goed met jezelf omgaan, Innerlijke rust, Je eigen levensweg: Wonden uit je jeugd veranderen in nieuwe kansen, Spiritualiteit van het gezonde leven, en Op andere gedachten komen, Positief leren denken.

Ook bij conflicten kan het helpen om simpele adviezen van het evangelie uit te proberen, zoals het stapelen van vurige kolen op iemands hoofd, dat wil zeggen dat je beleefd en vriendelijk blijft ook als iemand je een rotstreek geleverd heeft. Als je dat doet dan zorg je er in ieder geval voor dat het conflict niet verder escaleert.

Gezag
Jezus spreekt met gezag. Jezus zegt: “Er staat geschreven, maar ik zeg u … “ Jezus gaat direct tot de kern. Hij stelt zich niet afhankelijk op van geleerden en hun pogingen tot exegese van heilige teksten. Jezus is ook consistent. Zoals hij leert zo leeft hij ook. Bij Mattheüs staat steeds: “Dit alles is geschied opdat vervuld werd het woord van de profeet … “ De Bergrede is een revolutionaire omwenteling in de religie, en wil een nieuwe betekenis geven aan de oude teksten, zoals we die in Deuteronomium gelezen hebben.

 In Deuteronomium staat dat je de wet aan je slapen moet binden, zoals orthodoxe joden nu nog doen en ook dat je de wet aan je deurposten moet bevestigen. De Bergrede is de oproep om de wet in je hart op te nemen, om je intenties te toetsen aan de Wet van God. 

De Bergrede lijkt een softe tekst. Het spreekt aan: reinen van hart, zachtmoedigen, treurenden, barmhartigen en vreedzamen. In feite is het een religieuze revolutie die de wereld op zijn kop zet. Het is een tekst die het Rijk van God dichterbij brengt. De wereld is beter af nu zo velen zich, geïnspireerd door de Bergrede, inzetten voor hun medemens, voor een betere wereld, voor een wereld zoals God die wil.  

 Wij hier als kerk verbonden met alle mensen in de wereld die zich christenen noemen, zijn deel van de beweging van de Bergrede. Het werk is nog niet af. De Bergrede is een oproep: God roept ons broeders en zusters tot de daad!

AMEN

“Diversity.”
Reflection at the International Students' Celebration
Sudsay 22 May 2005 in the Sint Janskerk (Church of Saint John ), Ecumenical Chaplaincy Maastricht University

Diversity: “A variety, an ethnic variety, as well as socio-economic and gender variety and a difference or discrepancy,” so says the dictionnary.

I think that we usually do not reflect on diversity, but on unity. We are here together and form a unity with a similar purpose. In religion we also look for a unity. We confess that God is One. There are religions where it is quite wrong and even sinful to disagree. If you have a different opinion you are expelled. In the past you could even be persecuted, like happened with so many groups that were labelled heretics.

We could mention the Cathars, the Hussites, the Jews in Western Europe, the Muslims in Spain and so on. Also political disagreement was (an still is) suppressed with persecutions. Communists or people labelled as communists were persecuted by the millions in Indonesia only 40 years ago. The same happened in Cambodia to anybody who seemed to disagree with the Khmer Rouge, even if only by his or her personal appearance, like the wearing of glasses. Even more recently Muslims and Christians were killed and their houses of prayer and even their hospitals and schools and universities destroyed on Ambon in East Indonesia only because of their religious identity.

Is this what God wants from us: that we are looking for the pure truth and if we have found the truth are we supposed to enforce it on other people? Is God in need of such good willing God fearing helpers who are willing to kill and murder to achieve his aim that the truth and his Kingdom will prevail on earth as it is in Heaven?

All the evidence is that the opposite is true. Not the victims, but the persecutors, are in the wrong. This is off course very easily said here in the Sint Janskerk, in open and tolerant Holland . You can not say it in numerous large and populous countries, where you have learnt for your own survival not to disagree, not to look too different, to suppress your longing for diversity.

We are here to celebrate “diversity.” To celebrate that we are different, not withstanding the many things we also have in common. Can we and should we have religions and ways of life that encourage diversity and that cultivate tolerance for diversity?

We want to argue that this is the case. The source of the enforcement of consensus, the suppression of diversity and the persecution of dissent is a human way to approach reality. If we listen carefully to the Holy Scriptures, to what God has revealed to us in Nature, and through the prophets we learn that for God diversity is the norm. I read n the paper of yesterday that a laboratory in Korea ahs managed to make a break through in the cloning of human stem cells. It is the production of human cells that are all the same. However, when we look to nature we can only see diversity. There is a meaning here. It is clear that the purpose of science is to explore and discover, to find regularities and scientific laws, to reduce complex looking phenomena to more simple cause and effect relations, that have a measure of predictability. If we look to the evolution theory as an example. It “explains” the origin and the variety of species by a simple and uniform mechanism of the selection of the strongest or fittest to survive with regard to the environment in which the species lives. The theory claims that it is able to explain why in the end there are cells in the human body that have specialized to become an eye or nails or a heart or veins. This is off course a good and proper thing to do. Science should advance, using its accepted methods and procedures. Science will also help us through technology to make nature serve us better and to make life more comfortable. However, it would be wrong for me and for you as candidate scholars to assume that science has the final word in relation to the understanding of reality. We could reflect on diversity “an sich”, in itself, without doing efforts to reduce it to something else.

God created diversity! He wants not uniformity, he does not want clones, he wants us, in our individuality, with our strong points and our weaknesses, and he loves us because of it. Some religious scholars argue that God felt lonely being God. So he created a multitude of things, living beings and human. He created the world in all its fullness. He created whales, ants, mosquitoes, butterflies, snails, viruses, monkeys, starts and plants, fire, light, human beings, men women, children, Blacks, Red Indians, Inca's, Tibetans, top-sportsmen and - women, top-models, presidents, emperors, gardeners, mothers and fathers, philosophers, bicycle-makers, chaplains, criminals, cosmonauts, physiotherapists and so on, and so on. And nothing is the same. Look to the leaves of only one tree. I tell you not a single leave is completely identical with another leaf on that same tree. Human can make things, like cars, aeroplanes, dishwashers, computers, tea cups, but most of these items are produced in series, and are all identical. God creates which means that everything is and has to be different.

Islam teaches us that diversity is a fact of nature and it makes the nature beautiful. God has created this whole universe with diversity. God says in the Qur'an:
See you not that Allah sends down rain from the sky? With it We then bring out produce of various colors. And in the mountains are tracts white and red, of various shades of color, and black intense in hue. And so amongst men and crawling creatures and cattle, are they of various colors. Those truly fear Allah, among His Servants, who have knowledge: for Allah is Exalted in Might, Oft-Forgiving. (35:27-28)

There is diversity among human beings. They have variety of genders, colors and languages and multiplicity of races and tribes. These diversities are considered natural and are called “God's signs” in the Qur'an (30:20-22). They are indicative of God's creative power and wisdom and are good and healthy since they endow human life with richness and beauty. God wants human beings to derive benefit from this diversity and not to allow it to generate unhealthy schisms and divisions in their ranks.

God says in the Qur'an:
And from amongst His signs is this that He created you from dust; and then behold you are humans scattered far and wide. Among His signs is this that He created for you mates from among yourselves that you may dwell in tranquility with them, and He has put love and mercy between you. Verily in that are signs for those who reflect. And among His signs is the creation of the heavens and the earth and the variations in your languages and colours; verily in that are signs for those who know. And among His signs is the sleep that you take by night and by day, and the quest that you make for livelihood out of His bounty; verily in that are signs for those who hearken... (30:20-23).

The diversities of races, families and tribes also have a healthy and constructive purpose, viz. that “you may know each other”. In the words of the Qur'an:
O people, We have created you from a male and a female and made you into races and tribes so that you may know each other. Surely the most honoured of you in the sight of God is the one who is the most righteous of you” (49:13).

Instead of enabling human beings to know each other better, there is no reason why these diversities should create barriers, or cause animosities among human beings.

In addition to these natural diversities there are others that are part of the human societies and cultures. There are diversities of viewpoints. The Qur'an recognizes the individuality of each human being as well as the individuality of their groups and communities.

…To each among you have We prescribed a Law and an Open Way . If Allah had so willed, He would have made you a single People, but (His plan is) to test you in what He has given you; so strive as in a race in all virtues. The goal of you all is to Allah; it is He that will show you the truth of the matters in which ye dispute. (al-Ma'idah 5:48)

Islam does not consider all viewpoints correct or of equal value. However, it is also well recognized in Islam that very often the differences of opinions (ikhtilaf) are also a token of God's mercy. If God had so willed, says the Qur'an, He could have forced people to come together to one point, but he did not do so. God did send His Prophets and Messengers from time to time so that the right path might be made clear through them. As regards the final judgment as to who followed the truth and who did not, that will be made known on the Day of Judgment by God Himself. In keeping with this principle, God forbade His Prophets and the believers from having recourse to coercion in religion. “There is no compulsion in religion”, said the Qur'an (2:256).

In the Holy Bible we have read the story of the Tower of Babel . Here human beings wanted to be like God and to establish a unity of the human race to become powerful as God. But God created diversity among them in languages. That is why we have now at last count over six thousand known languages used on Earth. We are grateful for the existence of Chinese, English, Spanish, French, Arabic, Russian and Hindi. But also for Marind Anim, Sentani, Zulu, Khoisan, Bemba, Xhosa, Burushaski, Geez, Ainu, Mandaic and so on and so on. Each of these languages expresses reality in a different way. It expresses different points of view and a different world view. But each languages gives us in our feeling a complete picture of reality.

The maximum number of languages a person can learn is limited. This teaches us modesty. We are not able to know everything.

In the Bible in the Letter of Paul to the Corinthians chapter 12 verse 14 to 26 we read again a strong plea for tolerance of diversity, a diversity wanted by God:
14 Now the body is not made up of one part but of many. 15 If the foot should say, "Because I am not a hand, I do not belong to the body," it would not for that reason cease to be part of the body. 16 And if the ear should say, "Because I am not an eye, I do not belong to the body," it would not for that reason cease to be part of the body. 17 If the whole body were an eye, where would the sense of hearing be? If the whole body were an ear, where would the sense of smell be? 18 But in fact God has arranged the parts in the body, every one of them, just as he wanted them to be. 19 If they were all one part, where would the body be? 20 As it is, there are many parts, but one body.

21 The eye cannot say to the hand, "I don't need you!" And the head cannot say to the feet, "I don't need you!" 22 On the contrary, those parts of the body that seem to be weaker are indispensable, 23 and the parts that we think are less honourable we treat with special honour. And the parts that are unpresentable are treated with special modesty, 24 while our presentable parts need no special treatment. But God has combined the members of the body and has given greater honor to the parts that lacked it, 25 so that there should be no division in the body, but that its parts should have equal concern for each other. 26 If one part suffers, every part suffers with it; if one part is honoured, every part rejoices with it.

The appeal of the Apostle Paul here is again on tolerance, on the accepting of diversity, on the interdependency of us with the whole of reality.

Let us be ambassadors of diversity. Let us celebrate diversity in our lives. Make us tolerant for other opinions and views. Let us also be happy with us as we are. We have the right to be as we are.

"En ze werden verrvuld van de Heilige Geest."
Doopsgezinde Kertk Heerlen, pinksterzondag 15 mei 2005
Lezingen: Ezechiël 11: 17-20 en Handelingen 2: 1-24

We zijn, zo zegt men wel eens, een kleine, bedreigde gemeente van remonstranten en doopsgezinden in Zuid-Limburg. We horen soms stemmen die beweren dat we geen toekomst hebben. Over een paar jaar is het afgelopen. We hebben te maken met “vergrijzing”. Een aantal van ons is inderdaad door de hoge leeftijd aan huis gebonden en men is helaas niet meer in staat samen met ons de viering bij te wonen. Is het echt zo hopeloos?

“En – zo staat er in Handelingen – wij allen horen hen in onze eigen taal spreken over Gods grote daden.” Voor precies datzelfde zijn we hier vanmorgen bij elkaar. Niet om te horen over de grote daden van mensen, van politici, wereldleiders, zoals Bush die verleden week in Margraten was, sportmensen, popsterren, van de koningin, van prinsen en prinsessen. Hier horen we over de grote daden van God! Hier, in deze dienst in Heerlen op de zondag van Pinksteren van het jaar 2005 zetten we de lijn voort die begon op die allereerste pinksterdag van het jaar 34.

We lezen dat de leerlingen aanvankelijk na de kruisiging van Jezus zich verschanst hadden op een bovenkamer met de deur op slot. Ze zijn bang om net als hun meester gearresteerd te worden en terechtgesteld. Er is geen hoop meer dat het werk van Jezus voortgezet wordt. Het is een aflopende zaak. Dan is er Pasen en de ontmoeting met de opgestane Heer. Hij belooft een plaatsvervanger, de Heilige Geest. Hij belooft dat overal waar zelfs maar twee of drie in Zijn naam bijeen zijn Hij in hun midden zal zijn. Die tekst is vaak ironisch gebruikt als een soort bemoediging als er weer eens te weinig mensen in een kerkdienst zijn of bij een gemeenteavond zijn. Dit is ten onrechte, want het gata niet om de aantallen. Het gaat erom dat die Geest aanwezig is. Over die Geest van Pinksteren willen we vanmorgen nadenken. Wie is de Geest en wat doet hij met ons?

Jezus en de Geest
Als we teruggaan naar de hele periode van zeven weken na de opstanding dan zien we een volledige transformatie. De angstige leerlingen willen, ook zonder de directe aanwezigheid van Jezus, zijn werk voorzetten. Ze zijn daarbij bereid om elke risico te nemen. Dat is trouwens ook hun kracht. Toen Jezus persoonlijk bij hen was konden we de verantwoordelijkheid aan hem overlaten. Ze konden hem vragen problemen direct op te lossen, zoals toen er ruzie was wie van de leerlingen de belangrijkste was. Of ze konden hem direct een vraag stellen naar de betekenis van een gelijkenis. Of ze vroegen hem, zoals vermeld staat in Handelingen 1: Wanneer gaat u het koningschap over Israël herstellen? De Hemelvaart van Jezus heeft de leerlingen verweesd achtergelaten. Ze staan nu op eigen benen. Waar halen ze de moed en de inspiratie vandaan om het werk van Jezus voort te zetten? Jezus heeft beloofd dat ze gedoopt zullen worden met de Heilige Geest. Ze zullen de kracht krijgen om getuigen van Christus te worden in zo belooft Jezus“in Jeruzalem, in heel Judea en Samaria, tot aan de uiteinden van de aarde” (1, 8).

Dat is een kosmopolitische visie. Dit aspect van Pinksteren heeft me altijd enorm aangesproken. We zullen er straks van zingen in het lied over de ware Kerk des Heren, die “één volk vormt dat God toebehoort, “één doop, één Geest, één Woord. “Eén naam is aller zegen, één brood is aller spijs.” Dan denk je automatisch aan de zendingsverhalen, waar je als kind zo van genoot, van christenen, broeders en zusters in Afrika, in Indonesië, in India. Er zijn steeds mensen geweest die vaak met gevaar voor eigen leven alles achter zich lieten, bewogen door de geeest van pinksteren, en die zich inzetten voor medemensen die sterk verschillen van ons in taal, cultuur, gewoonten en mentaliteit.

We zijn hier bijeen in de kerk. Erbuiten is de wereld, die tegenwoordig vaak antikerkelijk is. Religie zo horen we is achterlijk en achterhaald. Het predikt geweld en haat. Het zou beter voor de wereld zijn als alle religies afgeschaft werden. We zijn kinderen van de verlichting en aan religie ontgroeid. We zijn voor vrijheid en tolerantie, voor een wereldbeschouwing gericht op de mens en het geluk van de mens. Dat was in de tijd van de apostelen in de Romeins-Hellenistische wereld van de eerste eeuw eigenlijk niet anders.

Dan komt plotseling de verandering. In het huis waar men zich bevindt: hoort men een geluid als van een hevige windvlaag en ziet men iets als “tongen van vuur.” Het gaat echter niet in de eerste plaats om de uiterlijke verschijnselen. Het gaat om een transformatie, om de nieuwe geest die gaat heersen. Vuur en wind zijn in de bijbel steeds voorboden voor de komst van God. In Psalm 104: 4 staat

“u maakt van de winden uw boden,
van vlammend vuur uw dienaren.”

Nu op die eerste Pinkstermorgen stuurt God weer zijn boden en dienaren naar de mensheid. De leerlingen geven luid blijk van hun blijdschap hierover. Ze spreken in vreemde talen. Omstanders denken aan dronkenschap. Het nieuwe is niet de extase, maar de nieuwe interpretatie die de apostelen geven aan de oude overgeleverde teksten. Dezen worden zo uitgelegd dat ze op Jezus van toepassing zijn. Dat zien we aan de preek van Petrus, terwijl hij vervuld is van de Heilige Geest. Hij gebruikt de profeet Joel en twee psalmen om wat er gebeurd is voor de toehoorders begrijpelijk te maken.

Wat er die pinksterdag gebeurde is de vervulling van vele profetieën van het Oude Testament. Ik geef drie voorbeelden:

Jesaja 2: 2 en 3
2 Eens zal de dag komen dat de berg met de tempel van de HEER rotsvast zal staan, verheven boven de heuvels, hoger dan alle bergen. Alle volken zullen daar samenstromen, 3 machtige naties zullen zeggen:
‘Laten we optrekken naar de berg van de HEER ,
naar de tempel van Jakobs God.
Hij zal ons onderrichten, ons de weg wijzen,
en wij zullen zijn paden bewandelen.'

Jeremia 29: 11-14
11 Mijn plan met jullie staat vast – spreekt de HEER . Ik heb jullie geluk voor ogen, niet jullie ongeluk: ik zal je een hoopvolle toekomst geven. 12 Jullie zullen mij aanroepen en tot mij bidden, en ik zal naar jullie luisteren. 13 Jullie zullen mij zoeken en ook vinden, als jullie mij tenminste met hart en ziel zoeken. 14 Ik zal me door jullie laten vinden – spreekt de HEER – en ik zal in je lot een keer brengen. Ik zal jullie samenbrengen uit alle volken en plaatsen waarheen ik je verbannen heb – spreekt de HEER – en je laten terugkeren naar Jeruzalem, waaruit ik je heb laten wegvoeren.

Daniël 7: 13-14
13 In mijn nachtelijke visioenen zag ik dat er met de wolken van de hemel iemand kwam die eruitzag als een mens. Hij naderde de oude wijze en werd voor hem geleid. 14 Hem werden macht, eer en het koningschap verleend, en alle volken en naties, welke taal zij ook spraken, dienden hem . Zijn heerschappij was een eeuwige heerschappij die nooit ten einde zou komen, zijn koningschap zou nooit te gronde gaan.

In Ezechiël lezen we over de belofte van God over een terugkeer uit de ballingschap.
17 toch zeg ik hun dit: Ik zal jullie weghalen bij die volken, ik zal jullie terugbrengen uit de landen waarover jullie verspreid zijn en ik zal jullie je land teruggeven! 18 Dan zullen zij daarheen terugkeren en alle afschuwelijke afgoden uit het land verwijderen. 19 Dan zal ik hen eensgezind maken en hun een nieuwe geest geven; ik zal hun versteende hart uit hun lichaam halen en hun er een levend hart voor in de plaats geven. 20 Dan zullen ze mijn wetten gehoorzamen en mijn regels in acht nemen. Zij zullen mijn volk zijn en ik zal hun God zijn.

“Ik zal jullie je land teruggeven” zo profeteert Ezechiël. Zojuist, tien dagen geleden, hebben we gevierd dat we 60 jaar geleden ons land weer terug kregen na vijf jaar bezetting door de Nazi's. In Israël viert men op 14 mei ook de bevrijding die echo's oproept van de profetische boodschap. In de nacht van vrijdag 14 op 15 mei, de avond voor de Sabbath, verklaarde de staat Israël zich onafhankelijk. In de verklaring staat dat het land open zal zijn voor immigratie van joden uit alle landen … Het land zal gebaseerd zijn op vrijheid, rechtvaardigheid en vrede zoals verkondigd door de Hebreeuwse profeten. Er zal geen onderscheid zijn naar religie, ras of geslacht.

( THE STATE OF ISRAEL will be open to the immigration of Jews from all countries of their dispersion; will promote the development of the country for the benefit of all its inhabitants; will be based on the precepts of liberty, justice and peace taught by the Hebrew Prophets; will uphold the full social and political equality of all its citizens, without distinction of race, creed or sex; will guarantee full freedom of conscience, worship, education and culture; will safeguard the sanctity and inviolability of the shrines and Holy Places of all religions; and will dedicate itself to the principles of the Charter of the United Nations .)

Het land, de wereld, bewogen door de geest van Pinksteren en het opnieuw ervaren van de realiteit van de beloften van de bijbelse profeten, wordt weer zoals God het bedoeld heeft toen hij de wereld en ons schiep. Er staat: “En Hij zag dat het goed was.

Ezechiël profeteert dat God zich weer zal wenden naar zijn volk dat Hem verlaten heeft.
God zal zich uit alle talen en uit alle naties een nieuw volk scheppen. En Hij zal hun God zijn en Hij zal bij hen zijn (11, 20).

Pinksteren is het begin van een beweging van God in de wereld. Met kerstmis werd het woord vlees. Dat wil zeggen: In Jezus ervaren we het werk van God. Jezus was ween Galileër, zoon van de dorpstimmerman van Nazareth in een tijd dat Palestina leed onder een Romeinse bezetting en een wrede koning Herodes. Het was concreet en historisch. Geleidelijk aan begrepen de leerlingen zijn boodschap, ook al bleven ze tot het laatst een aards koninkrijk verwachten, waarbij de Romeinen uit het land verdreven zou worden en Jezus de troon van David en Salomo weer in zou nemen. Met Pinksteren is er een tweede beweging van God de wereld in. Het is Gods Geest in ons. Hierdoor zien we niet alleen Christus in de minste van onze broeders en zusters aan wie we en weldaad bewijzen. Christus is in ieder van ons.

Op die allereerste pinksterdag geven de leerlingen vervuld van de Heilige Geest luid uiting aan datgene waarmee ze vervuld zijn. Ze verkondigen aan de hele wereld, en iedereen hoort dit in zijn of haar eigen moedertaal de grote daden van God. De apostelen verkondigen wat God tot stand bracht in Jezus en hoe daarmee de profetieën vervuld zijn. Die profetieën gelden ook voor het pinkstergebeuren. De apostelen verlaten hun huis. Ze spreken in het openbaar. Ze richten zich tot de wereld en hebben een taak in de wereld en voor de wereld. We kunnen zeggen dat dat wat de Geest is voor de Kerk de Kerk wordt voor de wereld.

En we zijn met velen. Wij zijn deel van die grote wereldwijde gemeenschap van christenen, van Batakkers en Toraja's, van Bemba en Dalits, van Kopten en Ethiopiërs, van Polen en Russen. We zijn deel van de beweging van God naar de mensen en naar de wereld toe, begonnen op die allereerste pinksterdag in Jeruzalem. Vervuld van de Heilige Geest stijgen we uit boven onszelf en verkondigen we de grote daden van God.

Amen

Wie is de belangrijkste?
Preek in de Oecumenische Viering ter opening van Koninginnedag 30 april 2005 in de Sint Janskerk, Maastricht
Lezing: Mattheüs 20: 20-28

Deze dienst is een oecumenische viering ter opening van Koninginnedag 2005. Het is een bijzondere Koninginnedag, omdat we vandaag tevens het 25-jarig regeringsjubileum vieren van onze koningin.

De Stichting Oranje Comité Maastricht is van mening, dat het passend is dat de feestelijkheden van vandaag voorafgegaan worden door een viering met gebeden, liederen, muziek, een preek en de zegen van de Allerhoogste. Een eerste vraag zou kunnen zijn: Komen kerk en overheid hier niet te dicht bij elkaar? Er is in Nederland al sinds 1795 een scheiding van kerk en staat. De vrijheid van godsdienst is een van de pilaren van onze huidige samenleving.

Ik vind het zelf een mooi gebaar om op een feestelijk moment als deze ruimte te geven aan een moment van bezinning en reflectie. We zoeken samen naar gemeenschappelijke uitgangspunten, naar waarden. Ik vind het erg waardevol dat de viering oecumenisch is en dat pastoor en dominee in een goede samenwerking deze dienst voorbereiden en leiden.

Koninginnedag, zoals ik het al als klein kind al heb meegemaakt, is een feest voor iedereen. Niemand wordt buitengesloten. Er is iets voor kinderen en ouderen, voor burgers en militairen, voor katholieken en protestanten, en natuurlijk worden ook moslims en joden en mensen van andere religies van harte uitgenodigd mee te doen aan de feestelijkheden.

In goed onderling overleg besloten pastoor Eyssen en ik de bijbeltekst over de zonen van Zebedeüs te kiezen voor deze viering. De tekst gaat over het wezenlijke van het regeren. Het gaat ook over de verhouding tussen de kerk en de waarden waar die voor staat en de wereldlijke regeringen.

Het lijkt alsof er in de tekst een duidelijke scheiding is tussen de wereld, tussen het politieke rijk en het Rijk van God, zoals Jezus dat predikt. Het verhaal begint met het nederige verzoek van een moeder (ze knielt voor Jezus) om een speciale positie voor haar twee zonen, Johannes en Jacobus. Wat is er mooier dan de liefde van een moeder en haar wens dat haar kinderen het goed doen? De moeder is niet de eerste de beste. Naar alle waarschijnlijkheid is het Salome, de zuster van de moeder van Jezus. Salome behoorde tot de trouwe volgelingen van Jezus. Ze was net als de moeder van Jezus, Maria Magdalena en Maria, de vrouw van Kleopas, aanwezig bij de kruisiging van Jezus op Golgotha. Hier was overigens ook Johannes, blijkbaar als enige van de leerlingen bij. Johannes en Jacobus behoorden tot de binnenste kring van de leerlingen. Waarom zouden ze niet een officiële positie kunnen krijgen in het ebstel van Jezus? De moeder vraagt of haar zoons ter linker – en ter rechterzijde mogen zitten wanneer Jezus in zijn koninkrijk zal zijn. Dat is in het oude Oosten de positie van Grootvizier of plaatsbekleder en de positie van Thesaurier (links). Jezus reageert op het verzoek met een tegenvraag: “Kunnen jullie de beker drinken die ik zal moeten drinken?” De broers antwoorden vol zelfvertrouwen: “Ja, dat kunnen wij!” Jezus zegt dan dat zij inderdaad de beker zullen drinken die hij zal drinken, maar dat het niet aan hem is om de plaats ter linker- of ter rechterzijde te bepalen. De beker waar Jezus op zinspeelde is de beker van het lijden door vervolging. In d e Hof van Gethsemane bidt Jezus tot de vader: “Vader, als het mogelijk is, laat deze beker dan aan mij voorbijgaan.” Toen, in de Hof der Olijven, waar Jezuas dat bad, waren alle disiciplen aanwezig, ook Jacobus en Johannes, maar ze sliepen, omdat ze te moe waren. Toen Jezus aan het kruis hing hingen naast hem niet Jacobus en Johannes aan het kruis, maar twee misdadigers! Jacobus en Johannes hebben uiteindelijk wel de beker moeten drinken. Jacobus was een van de eerste martelaren voor het geloof. Hij werd in het jaar 44 onthoofd door koning Agrippa I. Johannes heeft veel vervolging te verduren gehad in zijn leven en werd uiteindelijk naar het eiland Patmos verbannen.

De overige leerlingen zijn woedend op Johannes en Jacobus. Ze zijn jaloers en zouden eigenlijk voor hen zelf wel zo'n belangrijke positie willen hebben. Jezus legt dan de harde werkelijkheid van de waarden van de wereld naast de waarden van het Rijk van God. Hij zegt: “Jullie weten dat heersers hun volken onderdrukken en dat leiders hun macht misbruiken.” Het wordt gezegd als een constatering. Er zijn overigens verschillende landen in de wereld waar je met een dergelijke uitspraak over de regering of het staatshoofd je in de gevangenis belandt op beschuldiging van hoogverraad. Gelukkig is er in Nederland een dusdanige grote mate van vrijheid van meningsuiting dat ik daarvoor niet hoef te vrezen. Tegenover de waarden van de wereld plaatst Jezus de waarden van het Rijk van God. Hier gelden de volgende twee regels:

(1) wie wil heersen moet dienen,

(2) wie de eerste wil zijn zal jullie dienaar moeten zijn.

Leiden is volgens Jezus niet heersen, de baas spelen over anderen, je macht voor jezelf aanwenden, mensen onderdrukken, maar leiden is juist de belangen van anderen laten prevaleren, jezelf wegcijferen, kortom dienen.

Wanneer hedendaagse politieke leiders zich dienaar noemend dan is dat veelal geen valse bescheidenheid, maar een bepaalde manier waarop ze hun ambt willen invullen geïnspireerd door het evangelie van Jezus.

Paus Johannes Paulus II zei in een interview in 1994 dat hij boven de titels Summus Pontifex, opperpriester, of “Heiligheid” de voorkeur geeft aan de titel die al sinds Gregorius de Grote bij pausen in gebruik is: “Servus Servorum Deï,” dienaar van de dienaren van God. Hij voegt hieraan toe en nu citeer ik hem letterlijk en elke christen die hier in deze kerk aanwezig is kan zich hierdoor gesterkt voelen: “Welbeschouwd betekent christen heel wat meer dan bisschop ook als het gaat over de bisschop van Rome.” Voor elke christen geldt dat hij of zij is “Christianus alter Christus”: Een christen is een tweede Christus.

Op woensdag 30 april 1980, precies 25 jaar geleden, legde de 42 jarige Beatrix voor het hele Nederlandse volk, in de Nieuwe Kerk te Amsterdam, de volgende verklaring af: “Het ambt van Koning is niet verworven. Het is een functie waar geen mens om vragen zou. Het is een last en zelfbeperking. Maar uit plicht en geweten en in een vast geloof dat God mijn leven leidt aanvaard ik de verantwoordelijkheid.” Ze vervolgt: “Niet macht, persoonlijke wil of aanspraak op erfelijk gezag, maar slechts de wil de gemeenschap te dienen, kan inhoud geven aan het hedendaagse koningschap.” Beatrix neemt bij de troonsaanvaarding niet Napoleon of Alexander de Grote of een andere grote politiek leider als voorbeeld, maar in feite neemt ze als voorbeeld voor leiderschap de eenvoudige timmermanszoon uit Nazareth in Galilea, Jezus Messias.

Voor haar is er dus niet zo'n duidelijk onderscheid tussen geloof en politieke, tussen kerk en wereld. Politiek en samenleving kunnen niet zonder mensen die een dergelijke houding ten toon spreiden, mensen die weten dat heersen en leiden betekent de ander dienen. Dat geldt in feite voor alle verbanden waar mensen actief zijn: het gezin, de werksituatie en ook de kerk. Er zijn steeds volop mogelijkheden om de nederigheid te oefenen, om elkaar ruimte te geven, om begrip op te brengen voor elkaar, om ten opzichte van de andere de minste te willen zijn.

Ik denk dat ook de recent gedecoreerden en degenen hier aanwezig die in het verleden hun decoratie kregen dit begrepen hebben. Ze hebben de decoratie verdiend door onder meer het opofferen van vrije tijd, het zich zelf wegcijferen, ze hebben zich ingezet voor kwetsbare groepen in de samenleving.

Laten we allen, in dit jubileumjaar, voor het begin van de grootscheepse viering van Koninginnedag en het regeringsjubileum van onze koningin ons vast voornemen om als uitgangspunt te nemen, in ons werk en in ons gezinsleven, om niet van macht of persoonlijke uit te gaan, maar van de wens om onze naaste en de gemeenschap te dienen.

Amen

De goede herder.
"Volg de goede herder en luister naar zijn stem"
- Protestantse Kerk, Beek (L) 24-4-2005
Lezingen: Eerste lezing: Nehemia 9: 6-15; Tweede lezing: 1 Petrus 2: 19-25; Evangelielezing: Joh 10: 1-16
Tekst: Joh 10: 11 “Ik ben de goede herder”

Inleiding
Onlangs heeft de Remonstrantse Gemeente in Rotterdam een mooi initiatief genomen. Het is de volle kerkactie. Het uitgangspunt, waar ik het van harte mee eens ben, is dat het prettiger is om naar een dienst te gaan in een volle kerk dan in een halflege kerk. Hoe krijg je nu een volle kerk. Het is de ambitie van de Rotterdamse gemeente om een keer per jaar dit te realiseren door een oproep te doen aan alle voormalige gemeenteleden die nu elders ter kerke gaan, zoals Wim Hollander, om met Pinksteren op zondag 15 mei naar Rotterdam te gaan. Ik stel voor dat onze gemeente bij dit initiatief aansluit en ook probeert met Pinksteren en volle kerk te krijgen.

In Rome is de zorg niet of ze wel of niet een volle kerk krijgen. De zorg is en dat nu al voor d e tweede keer in een korte periode hoe zorg je dat de toestroom van gelovigen hanteerbaar blijft. Men heeft al verklaard dat niet alleen de kerk vol is maar dat heel Rome vol is! Honderdduizenden Duitse pelgrims zijn al naar Rome vertrokken om bij d wijding van hun paus aanwezig te zijn, zolas bij de begrafenis van paus Johannes Paulus II maar liefst 5 % van het hele Poolse volk in Rome was.

In de massamedia is e r volop aandacht voor deze gebeurtenissen. Het is dan ook een media event van de hoogste orde. We zien de pracht en praal van de Sint Pieter en het Vaticaan met de Sixtijnse kapel. We zien de stoet van kardinalen in hun rode gewaden, de bisschoppen in het paars en daarna de staatshoofden koningen, prinsen, regeringsleiders. Verder kaarsen, wierook, muziek, grote koren en plechtige rituelen, allen heel zorgvuldig uitgevoerd. Er wordt enorm veel symboliek in een ritueel geplaatst wat slechts enkele uren duurt.

Hier steekt onze dienst in Beek maar mager tegen af. Toch zijn wij hier geïnspireerd door hetzelfde verhaal, wij noemen ons geworteld in hetzelfde evangelie als wat klinkt op het Sint Pietersplein en in de Sint Pieter. Zowel de paus Benedictus XVI als de voorganger als wij hier bidden tot dezelfde god en bewijzen eer aan dezelfde Messias. We hebben de zelfde doop gemeenschappelijk. Misschien is de veelvromigheid wel iets positiefs, terwijl we tezelfdertijd ook d eenheid zien in de verscheidenheid.

Er is nog iets gemeenschappelijks met de gebeurtenissen in Rome. Ook hier werd iemand in het ambt bevestigd. Het ritueel kan in vergelijking met dat in Rome niet soberder. Een eenvoudig voorlezen van de verantwoordelijkheid, een eenvoudig ja op de gestelde vraag en het toewensen van God zegen op de nieuwe taak. Samen zongen we daarna het bescheiden lied dat we hopend at we als gelovigen, als volgelingen van Jezus enig licht brengen in de duisternis om ons heen, zoals een kaarsje dat doet in de nacht.

De bisschop van Roem noemt zich ook herder van alle gelovigen. Wat houdt dat heerserschap in? Er zijn veel beelden van Jezus. Een veel voorkomend beeld is Jezus die vrijwel naakt aan het kruis hangt. In Rome zie je dat afgebeeld op gouden crucifixen op een staf of als borstkruis, in marmer, in goud of zilver, in hout of op linnen. Als protestanten hebben we in de 16 de eeuw al een einde gemaakt aan deze vorstelling. Ook in deze kerk zie je geen kruis. Andere beelden van Jezus zijn misschien nog belangrijker. Na de kruisiging van Goede Vrijdag komt onvermijdelijk het hoogfeest van Pasen. Jezus is ook de opgestane, de overwinnaar. In deOOste3rse kerk zie je hem veel vaker zo afgebeeld. Ook in Afrika en Azië zie je Jezus vaker afgebeeld als de verrezene, bij de Hemelvaart, of aanwezig bij de wonderbare visvangst, en ook als goede herder4 met een schaapje op zijn schouders of reikend naar een schaap dat in de doornen verstrikt is en dreigt in een afgrond te vallen.

Jezus als rondtrekkende rabbi zegt dat hij in een traditie staat. Daarover lezen we bij Nehemia. Nehemia is de landvoogd, aangesteld door de Perzische koning Arthaxerxes, om de teruggekeerde joden in Juda te helpen. Om het volk moed in te spreken herhaalt Nehemia het oude verhaal van Gods beloften aan Abraham, Izaäk en Jacob, aan de uittocht uit Egypte en aan de intocht in het Beloofde Land. God blijft trouw, ook al zijn de mensen dat niet. Dan gaat het volk aan het werk om Jeruzalem te herbouwen en ook om een nieuwe tempel te bouwen ter vervanging van de tempel van Salomo die vernietigd was in de oorlog.

Jezus legt in het Johannes evangelie zijn missie uit met behulp van de gelijkenis van de goede herder. Spreekt dat beeld ons nog aan? Er zijn in Nederland bijna geen herder meer. Ik geloof dat er nog een 30 tal is. We kennen de herder vooral uit de bijbel en de liederen, zoals die we in deze dienst zingen. Ik denk dat we niet per se met een concrete Nederlandse herder gesproken hoeven te hebben om het beeld te kunnen begrijpen. Schapen zijn van nature erg afhankelijk van hun herder. Ze kunnen zich zelf niet verdedigen tegen een wolf of een dief en rover, zoals een paard dat kan doen door met zijn achterbenen te slaan of een rund dat kan doen door met zijn hoorns te dreigen. De herders staan aan de basis van het joodse volk als natie. Zowel Abraham, Izaak en Jacob als David waren herders. David begon als herder voordat hij tot het hoogste ambt werd geroepen. Maar er was continuïteit. Hij was de herdersvorst. Als herder was hij breid om zijn leven in te zetten voor de bescherming van de aan hem toevertrouwde schapen voor een leeuw of een wolf. Zin trouw als herder maakte hem geschikt voor zijn functie als koning. Als koning heeft hij hart voor het volk, hij is rechtvaardig en onbaatzuchtig. Hij zorgt voor de zwakken, voor de weduwe, de wees en de vreemdeling, voor allen die zich niet zelf kunnen verdedigen.

Jezus plaatst zich in deze traditie. Hij vertelt de gelijkenis van de herder die zijn 100 schapen in de steek laat omdat een schaapje te zoeken dat afgedwaald is en de weg terug niet meer kan vinden. Als hij het vindt draagt hij het op zijn schouders. Bij terugkomst in de stal haalt hij zijn vrienden erbij en viert feest om de terugkeer van het verloren schaap te vieren.

Jezus noemt de voegende kenmerken voor de goede herder: (1) kennis, (2) leiding, (3) verdediging en (4) offer

(1) Hij heeft kennis. Hij kent de zijnen en de zijnen kennen hem. De schaapskooi is een ommuurde ruimte met ‘een deur die de toegang vormt. Hier kan de deurwachter de kudde ebschermen. Er zijn meerdere kudden van verschillende herders in deze ruimte. Wanneer 's morgens de herder zijn kudde komt halen dan roept hij zijn schapen en omdat de schapen zijn stem kennen komen ze uit de kooi en volgen hem. Het is voor de schapen van groot belang om zich te richten op hun herder en zich niet af te laten leiden door andere stemmen. In een wereld vol communicatie, waar vele stemmen zich tot ons richten is het misschien moeilijker dan ooit om de stem van de goede herder te herkennen. In dit uur zijn we exclusief bezig om ons in woord en gebed, in zang en muziek te richten op de stem van de herder. Dat leert ons om ook buiten deze veilige plek ons leven af te stemmen op de goede herder. De valse herder gaat uit van zijn eigen belang, en niet van het belang van de schapen. De profeet Ezechiel waarschuwt voor de valse herders: Hij waarschuwt voor politieke leiders die alleen aan zichzelf denken. ‘Mensenkind, profeteer tegen de herders van Israël, profeteer en zeg tegen hen: “Dit zegt God, de HEER : Wee jullie, herders van Israël, want jullie hebben alleen jezelf geweid! Horen herders niet hun schapen te weiden? 3 Jullie eten wel van hun kaas, jullie gebruiken hun wol voor je kleren en jullie slachten de vette dieren, maar de schapen weiden, dat doen jullie niet. 4 Zwakke dieren hebben jullie niet laten aansterken, zieke dieren niet genezen, gewonde dieren niet verbonden, verjaagde dieren niet teruggehaald, verdwaalde dieren niet gezocht – jullie hebben de dieren hard en wreed behandeld. 5 Zonder herder raakten ze verstrooid, en werden ze door wilde dieren verslonden. Mijn schapen zijn verstrooid, 6 ze dwalen rond in de bergen en hoog in de heuvels; over heel het aardoppervlak raken ze verstrooid, en er is niemand die naar ze omziet, niemand die naar ze op zoek gaat. 7 Daarom, herders, luister naar de woorden van de HEER : 8 Zo waar ik leef – spreekt God, de HEER –, mijn schapen hadden geen herder, ze werden weggeroofd en door de wilde dieren verslonden; en jullie, herders, keken niet naar mijn schapen om, jullie hebben alleen jezelf geweid maar niet mijn schapen! (Ezechiël 34: 2-8). Het is inderdaad de bittere werkelijkheid in onze wereld dat onder de rijkste mensen ter aarde, van de klasse miljardair, een groot aantal staatshoofden zijn die zich en koste van hun volk verrijkt hebben.

(2) “Hij gaat voor hen uit”: wij zijn navolgers van Christus. In zijn brief legt Petrus uit wat dit concreet betekent. Petrus spreekt over het lijden van de rechtvaardige. We hebben weinig reden om ons te beklagen over onheil wat over ons komt door dar we zelf iets verkeerds hebben gedaan. Dat kunnen we alleen onszelf verwijten. Maar er is ook onrecht dat ons zonde reden wordt aangedaan. Het is dan het beste om het vanuit ons geloof te verdragen. Dat is beter dan uit te gaan van het principe van oog om oog, tand om tand of wie niet wil horen met maart voelen, wat wel een natuurlijke reactie is. Zoals Christus weigerde wraak te nemen om degene die hem vervolgden. Ja, hij bad zelfs voor degenen die hem kruisigden zo zouden wij ook een positieve houding dienen te behouden ten opzichte van mensen die zich vijandig tegenover ons opstellen. Uiteindelijk zal het goede het kwade overwinnen, zo geloven wij.

(3) De verdediging tegen de wolf, tegen het kwaad. Er is kwaad wat onbeheersbaar is. Kwaad wat we met een hoofdletter moeten schrijven. In onze west Europese geschiedenis hebben we het dan over de tijd van de Nazi's. Begin volgende maand vieren we dat we daarvan 6 decennia bevrijd zijn. Er zijn veel voorbeelden te vinden ook buiten Europa, zoals de genocide in Rwanda, in Cambodja, Kosovo, Srebenica. Het uiteindelijke antwoord op dit kwaad is het evangelie van de goede Herder. Ook de kerk in zijn totaliteit drukt waarden uit die ingaan tegen het kwaad met een kleine en met een hoofdletter.

(4) Het offer. De herder is bereid zich totaal in te zetten voor zijn schapen. Dat betekent dat hij of zij bereid is om zelfs zijn leven in e zetten voor zijn of haar schapen.

(5) Voor allen. Jezus spreekt ten slotte over “ nog andere schapen, die niet van deze schaapstal zijn” . Ook hen moet hij leiden. En het zal worden een kudde. Ik denk dat dit een principiële openheid betekent in ons geloof. Het heil is niet uitsluitend voor onszelf. Er is een openheid en begrip naar andere kerken en naar andere religies. Dat wensen we ook in de eerste plaats toe aan de nieuwe ambtsdrager in Rome.

Conclusie.
We hebben sinds deze zondag een nieuw kerkenraadslid. We wensen haar veel succes bij deze verantwoordelijkheid. Ook al is onze kerk niet zo vol als sommige ander kerken wat we doen heeft zin in een wereld waar vaak de machten van de duisternis de overhand lijken te krijgen. Laten wij als volgelingen van Jezus dat kleine licht brengen in de duisternis, laten we zijn als kaarsjes brandend in de nacht. Ook een heel klein licht kan maken dat de duisternis niet meer die totale duisternis is.
Amen

De eerste zondag
Lezingen: Eerste lezing: Jes 51: 9-11, Epistellezing: Kol 3: 1 – 4, Evangelielezing: Joh 20: 1-19

Inleiding: heilige dagen
Op Goede Vrijdag, afgelopen vrijdag, was ik in een Marokkaanse winkel om groenten te kopen. De eigenaar zei vrolijk tegen iedere klant: Ik wens u een Goede Pasen! Dat is een teken van een open, tolerante houding. Ik vroeg hem hoe het nu precies zit met de Goede Vrijdag. Dit is immers een feestdag die de christenen delen met de Moslims. Dat ontdekte ik zelf ook pas in Indonesië waar zorgvuldig elke religie een aantal nationale feestdagen krijgt toebedeeld. Zo heeft iedereen vrij met het Boeddhistisch nieuwjaar, het Moslim offerfeest en het christelijke kerstmis. Goede Vrijdag was ook een nationale feestdag, maar deze was toebedeeld aan de Moslims. Het heet Wafat Isa al Masih en het herdenkt de kruisiging van Christus. De man vertelde me dat de Moslims vrijdag, de zesde dag van de week, hebben als heilige dag vanwege vrijdag waarop Jezus gekruisigd werd. De christenen hebben zondag, de eerste dag van de week, als heilige dag omdat het de dag is van de opstanding. De joden hebben de zevende dag van de week als heilige dag ter hedenking van de schepping. De opstanding van de Messias is voor christenen de centrale geloofswaarheid. Dit vieren we in principe elke week. De opstanding is een geheimzinnig en ook uniek gebeuren. De vier evangeliën en Paulus in zijn brieven berichten ons erover en vanaf het begin is dit de centrale belijdenis van de kerk. De oudste vorm vinden we bij Paulus in 1 Kor 15: 3-5

“3 Het belangrijkste dat ik u heb doorgegeven, heb ik op mijn beurt ook weer ontvangen: dat Christus voor onze zonden is gestorven, zoals in de Schriften staat, 4 dat hij is begraven en op de derde dag is opgewekt, zoals in de Schriften staat, 5 en dat hij is verschenen aan Kefas en vervolgens aan de twaalf leerlingen.” Die opstanding van Christus is niet het opnieuw tot leven wekken van een dood lochaam, zoals bij Lazarus of bij de jonge man van Naïn. Het gaat het om een totale transformatie, een nieuwe schepping, een nieuw begin.

Het leven
Het menselijke leven, ons menselijk zijn is naar mijn idee nooit helemaal te begrijpen, ondanks voortdurende pogingen daartoe door zowel de wetenschap als de filosofie. Hoeveel we ook weten, er blijken steeds weer grenzen te zijn aan ons kennen. Een zo'n grens is een zicht op de totaliteit. Daarvoor zou je een positie moten innemen buiten het geheel. Maar we kunnen niet buiten de werkelijkheid treden. Toch zijn we ons wel bewust van deze beperking. We zijn in staat tot een geloofsact. Tot overgave. Tot aanvaarding. We zien dat bijvoorbeeld in intermenselijke relaties. We zijn met een kleine aantal mensen in ons leven bijzonder intens betrokken. Dat zijn onze ouders, ons levenspartner, onze kinderen, wanneer we die hebben. Zelfs wanneer we van hen gescheiden zijn door de dood leven ze in onze gedachten verder. Hoe zou vader of grootvader dat vinden? Je hebt nog een foto van hen staan op een centrale plaats. Er zijn mensen in je leven die alles voor je betekenen. Je kunt je niet voorstellen dat ze er niet meer zijn of dat je zonder hem of haar verder zou kunnen leven. Toch weten we dat het menselijke leven eindig is. Misschien is daarom het leven wel zo bijzonder omdat het zo broos en zo bedreigd is. Het is zo kostbaar en mooi en zo tijdelijk als een perzikbloesem.
De dood hoort bij het leven. De dood is het meest harde en ongenadige feit in onze werkelijkheid. We hebben ook het gevoel dat de dood er eigenlijk niet zou moeten zijn. We kunnen elkaar eeuwige liefde en trouw beloven. Ik denk dat ons geloof in de opstanding aansluit op dit soort menselijke ervaringen. Er is uitzicht op heil, waarbij de dood niet het laatste woord heeft.

Maria van Magdala
Maria van Magdala is in dit evangelie een sleutelfiguur. Ze is afkomstig uit Magdala, een plaatsje even ten noorden van Tiberias aan het meer van Galilea, waar Jezus zijn werk als rondtrekkend rabbi begon. We weten weinig of niet van deze Maria. Ze heeft in de loop van de geschiedenis wel sterk tot de verbeelding gesproken. Er zijn mensen die na lezing van de roman “De da Vinci code” denken dat ze de echtgenote van Jezus zou zijn geweest. Er is zelfs een evangelie van Maria Magdalena. Volgens een oude katholieke overlevering zou ze de zondares zijn die de voeten van Jezus zalfde. Voor deze opvatting is geen enkele grond. De katholieke kerk heeft overigens pas in 1969 afstand genomen van deze opvatting. Maria van Magdala diende Jezus, samen met enkele andere welgestelde vrouwen, met alles wat zij bezaten (Lc 8: 2). Het is zeker dat ze behoorde tot de intimi, tot de “inner circle”, samen met Nicodemus, Jozef van Arimatea en Nathanael, en de discipelen, vaak “de Twaalf” genoemd.

Op de eerste dag van de week, de derde dag na de kruisiging, vroeg in de morgen terwijl het nog donker is, gaat Maria van Magdala naar het graf van Jezus. Ze ziet er bij aankomst dat de zware, grote steen die het graf afsloot is weggehaald. Ze loopt snel terug naar huis om dit aan Petrus en de geliefde leerling te melden. Ze dacht misschien aan grafroof. “Ze hebben de Heer uit het graf weggenomen en we weten niet waar ze hem neergelegd hebben.” De identiteit van de geliefde leerling is onzeker. Hij is hier de verteller. Hij lag aan Jezus' borst bij het Laatste Avondmaal, hij was aanwezig bij de kruisiging, samen met Maria van Magdala en Maria, de moeder van Jezus. Onmiddellijk na het bericht van Maria lopen Petrus en de geliefde leerling, nee ze rennen naar het graf. Ze zien een leeg graf, waar de linnen doeken waren blijven liggen, en een opvallend detail, de doek die Jezus' gezicht bedekt had apart opgerold ernaast.

Er staat dat ze niet begrepen wat er gebeurd was omdat “ze uit de Schrift nog niet begrepen hadden dat Jezus uit de dood moest opstaan.” (vs 9) Dit is belangrijk. Zo legt Jezus later ook de opstanding uit aan de Emmaüsgangers; beginnend bij Mozes en de profeten legt Jezus uit dat dit allemaal zo moest plaats vinden. De opstanding staat in de lijn van de beloften van God aan zijn volk, God die met de mens en zijn volk wil zijn, met Abraham, Mozes, Samuël, David, Elia, Jesaja. Het gaat bij Pasen om een vervulling van het Oude Testament. ( Meer)

Petrus en de geliefde leerling gaan weer terug naar huis. Maria blijft. En ze huilt. Ze buigt zich naar het graf en ziet twee engelen – een aan het hoofd - en een aan het voeteneinde van de plaats waar men het lichaam van Jezus gelegd had. De engelen vragen: “Waarom huil je?” Dit is blijkbaar de taak van deze engelen om aan Maria te vragen: “ Waarom huil je?” Alsof dat niet evident was wanneer je een vrouw bij een graf ziet. Het is aan de andere kant wel een goede vraag wanneer er geen aanleiding meer is om te treuren. Maria antwoordt dat ze haar Heer zoekt, althans zijn lichaam. Ze kijkt om en ziet iemand, die ze voor de tuinman houdt. Deze vraagt haar hetzelfde als de twee engelen: “Waarom huil je?” En vervolgens meer specifiek: “Wie zoek je?” Maria antwoordt dat ze het lichaam van Jezus zoekt om het mee te nemen. Dan noemt Jezus Maria bij haar naam: “Maria”. Dan en daaraan herkent ze de opgestane Heer. Ze antwoordt: “Rabboeni!” Jezus verschijnt aan Maria als allereerste. Niet aan Petrus en de geliefde leerling die ook in de buurt waren. Blijkbaar waren die er nog niet klaar voor.

Maria is de eerste getuige van de opstanding. Ze beantwoordt die ervaring met een geloofsbelijdenis. “Rabboeni” Dat is de aanspreektitel voor de allergrootste onder de rabbijnen en meer speciaal voor de Messiasprofeet. Men kan de titel ook vertalen met: “Goddelijke Heer.”

Dan zegt Jezus: “Houdt me niet vast.” De opstanding is niet de voortzetting van de oude relatie, die onderbroken is door de gevangenneming, de kruisiging en de dood. Er is nu een totaal nieuwe relatie met Jezus, als de opgestane. Jezus maakt Maria tot een apostel, in de eerste plaats tot “ de Twaalf” . Hij noemt die zijn “broeders en zusters.” Dat is nieuw. Voorheen waren dit “ de leerlingen.” Jezus sprak over “ mijn Vader” en “ mijn God.” Nu spreekt hij over “ Jullie God” en “ jullie Vader.” Over Maria van Magdala heen is dat woord gericht tot de heel kleine geloofsgemeenschap van de twaalf en de mensen die bij hen nauw betrokken zijn. Zij de op deze eerste dag van de week, de eerste zondag, bijeenkomen achter een gesloten deur. Maria gaat terug naar die geloofsgemeenschap om haar geloof te delen. Een geloofsgemeenschap is er om je geloof en ook je twijfels te delen.

Ik wil nog een verhaaltje vertellen om de betekenis van het lege graf uit te leggen. Michael was een jongen die niet mee kon komen op de basisschool. Hij was al twee keer blijven zitten. De onderwijzeres had al aan de ouders voorgesteld om Michael naar speciaal onderwijs te sturen. Maar omdat Michael het erg naar zijn zin had op die school vroegen die of hij toch mocht blijven. Het was in de tijd van Pasen. De juffrouw had het paasevangelie uitgelegd aan de kinderen. Ze wist niet zeker of Michael het begrepen had. Hij kon zo wazig en afwezig, zo zonder begrip kijken. De juffrouw had de kinderen daarna allemaal een plastic paasei meegegeven met de opdracht om er iets in te doen, wat voor hen de betekenis was van Pasen. Ze wilde eigenlijk de ouders van Michael bellen of die de opdracht nog eens aan Michael wilden uitleggen, maar het was er niet meer van gekomen. De volgende dag kwamen de kinderen vrolijk met hun gevulde paasei op school. De juffrouw opende ze en voor een. Een kind had er mos in gedaan. “ Ja dit is nieuw leven. Goed gedaan.” Een ander kind had er een plastic vlinder in gedaan. “ Erg mooi. Een rups wordt een vlinder. Het is nieuw leven.” De kinderen straalden. “ Mijn moeder heeft me er bij geholpen.” Het volgende ei was leeg. De juffrouw dacht, dat het het ei was van Michaël en dat hij het niet begrepen had. Ze wilde het ei wegleggen en aan het volgende ei beginnen. Maar Michaël riep heel hard: “ Dat is mijn ei, juffrouw!” De juffrouw zei: “ Maar Michaël, het ei is leeg!” Michael antwoordde: " Maar het graf van Jezus was ook leeg!” Toen wist de jufrouw dat Michael het paasverhaal juist erg goed begrepen had, misschien wel beter dan de andere kinderen.

Dit is de paasboodschap van Maria: “Hij is niet hier bij het graf! Het graf is leeg.” “Waar is hij dan wel?“ ” In Galilea zullen jullie hem zien”' In Jeruzalem in de bovenkamer verschijnt Jezus dezelfde avond van de eerste zondag nog aan de leerlingen die door de gebeurtenissen van die dag, het verslag van Petrus en de geliefde leerling en door het getuigenis van Maria op zijn komst voorbereid zijn.” Jezus komt binnen en zegt: “Vrede zij met jullie.” “ Shalom aleichem.” “
Assalamu alaikum .” En ze geloofden.

Later verschijnt Jezus nog aan Paulus op weg naar Damascus. En Jezus belooft “waar twee of drie verenigd zijn in mijn naam daar ben ik in hun midden.”

Conclusie
Zij wij voorbereid op het accepteren van de opstanding? Hoe kunnen we dit geloofsfeit relevant maken in ons leven, in ons werk, in onze relatie met anderen?

Pasen in het jaar van onze Heer 2005. Het is een hele vroege Pasen. De natuur heeft juist afgelopen week ontzettend haar best gedaan om het er feestelijk te laten uitzien. Overal komen bloesems en bloemen uit en blaadjes aan bomen, die eerst bijna dood leken. De witte en gele narcissen hebben de winterklokjes al vervangen. De zon verwarmt ons en we krijgen nieuwe hoop en nieuwe energie. We worden er vrolijk van. Het lijkt of de natuur ons wil overtuigen van de werkelijkheid van Pasen. En we horen:

“Zie ik maak alle dingen nieuw.”

“ Ik zal bij je zijn alle dagen.”

“ Ik heb je geroepen bij je naam.”

Amen

Het gesprek bij de bron

Preek zondag 27 februari 2005 in de Protestantse Kerk van Beek (L) Derde zondag van de Veertigdagenperiode.
Lezingen: Exodus 17, 1-7; 1 Korinthe 10, 1-13; Johannes 4, 5-26.

Het Johannes evangelie kent twee dialogen van Jezus, een is in hoofdstuk 3 met de zeergeleerde Farizeeër Nicodemus, een van de joodse leiders. Dit vindt plaats in het holst van de nacht. Het handelt over de nieuwe mens, die opnieuw geboren moet worden. Nicodemus vat het eerst letterlijk op. Hoe kan iemand teruggaan in de buik van zijn moeder om dan weer opnieuw geboren te worden? Jezus antwoordt dat het gaat om een wedergeboorte in waarheid en geest. Nicodemus heeft zich laten overtuigen. We horen later van hem als een volgeling van Jezus. In het Sanhedrin, het joodse hooggerechtshof, neemt hij het bij het proces tegen Jezus als enige moedig voor Jezus op. Na Jezus' dood aan het kruis hielp hij, samen met een collega rechter, Jozef van Arimatea, mee de begrafenis van Jezus te organiseren.

De tweede dialoog is in het direct erop volgende hoofdstuk van het Johannesevangelie. Dit is een gesprek met een gewone, naamloze, Samaritaanse vrouw uit Sichar, een stadje in Galilea. Het vindt plaats op het midden van de dag.

We lezen verhalen uit een heel andere tijd dan de onze. Een vrouw haalt water, net genoeg om in een keer te dragen, misschien een liter of 10- 15 in een aarden kruik, voor een hele dag wassen, eten en drinken. Wat betekent water wanneer je elke keer tweeëneenhalve kilometer moet lopen om het te halen? Wat is dorst en wat betekent water in een warm klimaat of in een woestijn? Dan is het al of niet hebben van water een verschil van leven of dood. Het is ons, die gewend zijn aan een overvloed van goed drinkwater wat zomaar uit de kraan komt voor drinken en koken, voor het nemen van een douche of bad, voor het wassen van de auto of het besproeien van de tuin?

Ik denk dat we hier in een dienst zoals deze en in miljoenen kerkdiensten elke zondag over de hele wereld, ons te herbronnen. We willen weer opnieuw putten uit de oude verhalen, die we allemaal al heel goed kennen. Wat is er van de betekenis? Hoe zijn die verhalen nog relevant voor ons leven hier en nu? Het is ook belangrijk dat we dit samen doen. Je vindt steun bij elkaar, als leden van een gemeente die de naam draagt van Jezus. Je deelt in een traditie. Je bidt samen. Je deelt je geloof en je deelt je onzekerheden.

In de brief van de apostel Paulus aan de gemeente in Korinthe maant hij ons aan om te leven volgens de eisen van het evangelie. Hij noemt als dreiging het lot van 23.000 mensen die op een dag omkwamen in de woestijn omdat ze tegen Gods wil ingingen. Dat zijn teksten waar velen van ons moeite mee hebben. Dit is toch niet van deze tijd? Dat is toch niet fair? Is dat nog bijbels om zoveel mensen te straffen voor een vergissing, voor iets wat eigenlijk heel menselijk is? Een dergelijke visie op zo'n tekst is natuurlijk al ingegeven door hoe wij de bijbel als woord van God uitleggen. Jezus zegt zelf ook heel duidelijk wanneer de leerlingen hem daarover vragen: het leed wat we meemaken, de ongelukken die iemand kunnen overkomen, moeten we loskoppelen van de zonde van henzelf of hun ouders, althans in de meeste gevallen. We zien in de wereld om ons heen nog steeds sprake is van veel onschuldige slachtoffers. Dat is een realiteit.

Het zal duidelijk zijn dat de bijbel ons een uitweg wil bieden uit de cyclus van haat en dood en geweld door ruimte te vragen voor de zachte krachten van vergeving, van nieuw leven, van hoop, van geloof, van waarheid en geest.

In Exodus 17 gaat het over het volk Israël wat in de woestijn verder trekt van de slavernij in Egypte naar het beloofde land Kanaän wat volgens de belofte van God een land is wat overvloeit van melk en honing. Het is het land van onze dromen. Het gaat hier niet meer om het a of niet hebben van water om je dorst te lessen. Je kunt er volop melk drinken. Op weg naar dat land is er een situatie waar er het water schaars wordt. Het volk bevindt zich tussen twee oasen in. Het roept, nee het eist: "Geef ons water!". In het Exodus verhaal wil het volk controle over God. Het wil niet langer berusten in zijn lot. Ze roepen zelfs dat ze terug willen naar Egypte, naar de veiligheid en zekerheid die ze daar hadden. De mensen eisen een wonder van God. Als God in ons midden is dan willen we dat kunnen merken. We willen dat het ons aan weinig of niets ontbreekt. We weten wel dat het in ons leven, ondanks onze trouw aan de kerk en ondanks ons geloof niet altijd van een leien dakje gaat. Hoe verwerken we ziekte, gebreken, depressies, en geliefden die ons ontvallen door de dood in ons geloof? Dat is ook vaak een test. Als God goed is waarom leven we dan in een wereld waarin zoveel kwaad is, waarin mensen elkaar zoveel kwaad aandoen? Waar komt het kwaad vandaan, als God toch almachtig is en met een wenk alles ten goede kan veranderen?

In het Exodusverhaal laat God zich uiteindelijk verbidden en voorziet Hij in water uit de rots. De plaats wordt voortaan genoemd: Massa, wat betekent: het op de proef stellen van God en Meriba: twisten, ruzie maken.

In het verhaal van de Samaritaanse vrouw uit Sichar, het huidige Askar, gaat het ook over water. De dialoog vindt plaats op een plek die een rijke historische betekenis heeft. Hier is het stuk grond wat Jacob, de aartsvader van het volk Israël, kocht, het eerste stukje van het beloofde land wat hij in eigendom kreeg. Hier groef hij volgens de traditie zelf de bron, die zijn naam kreeg. De Jacobsbron bestaat nog steeds en wordt ook nog steeds gebruikt om water te halen. Hier vlakbij ligt ook het graf van Jozef. Het ligt bij het huidige Nablus. Het is een betwiste plek. Het ligt in Palestijns gebied, maar er zijn orthodoxe joden die per se deze plek bij Israël willen voegen vanwege de historische betekenis. Deze strijd heeft al een flink aantal slachtoffers gekost.

Het verhaal in het Johannes evangelie begint met het water van de doop. De leerlingen dopen mensen. Dit roept een conflict op met de Farizeeërs. Jezus ontwijkt dit conflict ditmaal door terug te keren naar Galilea. De weg door Samaria is 40 km lang. Wanneer je aan de grens met Judea overnacht ben je net om 12 uur 's middags bij de Jacobsbron voor een rustpauze. Je hoeft dan dus niet in Samaria te overnachten. De Samaritanen zijn een mengbevolking met een eigen interpretatie van het judaïsme. Door joden worden ze geminacht, omdat ze niet Jeruzalem als heilige stad erkennen, maar een eigen heilige plaats hebben op de berg Gerizim. Daar stond vroeger hun tempel. Ze hebben een eigen hogepriester en een eigen versie van de Pentateuch. De Samaritanen bestaan nog steeds, ook al is de groep erg klein.

Jezus komt aan bij de Jacobsbron en rust daar uit, terwijl de leerlingen naar de stad gaan om inkopen te doen. Wanneer er een vrouw aankomt om water te putten, vraagt Jezus haar om water. Nu is dat vreemd. Het betekent in de ogen van de vrouw dat Jezus geen vrome jood is. Die zou onder geen beding een gunst vragen van een Samaritaan. Een tweede reden voor bevreemding is dat Jezus een vrouw aanspreekt. Aan het eind van het verhaal staat heel uitdrukkelijk dat de leerlingen zich hierover verbaasden. Een wetgeleerde spreekt niet met een vrouw. Dit is niet geoorloofd, ongepast en lichtzinnig. Jezus doorbreekt deze patronen.

Wanneer de vrouw haar verbazing over het gedrag van Jezus uitspreekt verlegt Jezus het accent naar het spirituele. Wat is je bron in overdrachtelijke zin? Waar leef je uit en waar leef je voor? Wat is het belangrijkste in je leven? Is dat alleen je natje en je droogje? Jezus spreekt dan over levend water, over een fontein in je binnenste, waaraan je je steeds kunt laven. Jezus zegt dat hij in staat is dat aan de vrouw te geven. De vrouw wijst het niet af. Ze gaat er op in. Net als de geleerde Nicodemus interpreteert ze het letterlijk. Wanneer ik dat water heb hoef ik niet meer elke dag in de hitte naar de bron te lopen. Dat water wil ik wel. Voorwaarde voor het willen ontvangen van een gift is het gevoel dat je iets ontbreekt. Water heeft geen nut als je geen dorst hebt.

Dan gaat Jezus direct over op haar persoonlijke situatie. Ze is gehuwd geweest met vijf mannen en ze woont nu samen met iemand met wie ze niet getrouwd is. De bijbeluitleggers classificeren haar vaak als zondares. Dat staat er niet. Jezus geeft dit ook helemaal niet aan. Het is voor hem geen beletsel en hij oordeelt niet en veroordeelt haar niet.

Met deze twee handelingen: het accepteren van de Samaritaanse als vrouw en als mens en het accepteren van haar life-style demonstreert Jezus al zijn evangelie in actie. Wanneer de vrouw realiseert dat Jezus haar kent en haar accepteert zoals ze is dan is er nog maar één belemmering. Jezus is jood en zij is Samaritaanse. Die kloof is niet te overbruggen. Immers de joden bidden in Jeruzalem en veroordelen de cultus op de berg Gerizim. Ze vraagt Jezus kleur te bekennen. Ook hier ontwijkt Jezus het dilemma niet. Hoewel de joden aanbidden wat ze kennen en de Samaritanen wat ze niet kennen is dit niet wat de doorslag geeft. Het gaat om wie God is. En God is geest. Dat betekent dat het niet gaat om Gerizim of Jeruzalem, om Mekka of Benares, om Genève of Rome maar om het aanbidden in geest en waarheid. Nù, terwijl Jezus met de vrouw spreekt, is de Messiaanse tijd aangebroken. De Samaritanen leven in de verwachting van de komst van de Messias. Dit is een andere Messias dan die volgens de joodse traditie. Ook dit is voor Jezus geen struikelblok. Hij openbaart zich daar ter plekke als de Messias, ook voor de Samaritanen, volgens de Samaritaanse verwachting. Dan zet de vrouw haar waterkruik neer en loopt ze snel naar Sichar terug en vertelt het verhaal aan haar medebewoners van de stad. Zou dit niet de Messias zijn? Hij wist alles over mij. En de mensen geloven haar op haar woord. Ze gaan ook naar de Jacobsbron en raken in gesprek met Jezus. Ze vragen hem om te blijven. Jezus blijft er twee dagen en velen kwamen tot geloof. De Samaritanen van Sichar en Samaria behoorden inderdaad tot de allereerste christenen.

Dit is de inhoud van zijn evangelie. Zo brengt Jezus redding en heil. Hij doorbreekt de door mensen gemaakte scheidsmuren tussen joden en Samaritanen, tussen mannen en vrouwen, tussen slaven en onvrijen, tussen, autochtonen en allochtonen, tussen moslims en christenen, tussen Afrikanen en Europeanen. God is geest en we dienen hem te aanbidden in geest en waarheid. Jezus wil ons geven levend water, toegang tot de bron van gerechtigheid, de kracht om jezelf overwinnen, om vergeving te kunnen vragen en te geven.

Dat is de geloofsgemeenschap waar we voor staan. Dat maakt het de moeite waard om hier op deze zondagmorgen naar de kerk te komen.

Amen

De Papoeabijbel-

zondag 29 augustus 2004, Sint Janskerk, Maastricht.

De vrouw bij de bron

Jezus bidt

Al uw haren zijn geteld

De wonderbare visvangst

Papoea of West Nieuw Guinea is het meest oostelijke deel van Indonesië. 80 % van de bevolking is christen. Voor Indonesië als geheel is het omgekeerd: 80 % is Moslim, terwijl slechts 10 à 15 % Christen is. De Papoea Kerk staat midden in de samenleving:  Ze is woordvoerder van het volk. Ze werkt mee met mensenrechtenorganisaties, produceert  rapporten, doet onderzoek en overlegt met de overheid. Het codewoord is "Rekonsiliasi". Papua moet volgens de Kerk een  Zone Damai (= vredeszone) worden.. Gebed dient het wapen in de strijd te zijn. De militairen weten niet hoe ze hier op moeten reageren. Ze hebben geleerd in hun opleiding om te schieten, maar niet om het gebed als wapen te gebruiken.

Het geloof is er een kracht. De uitleg van de bijbel die we kiezen heeft gevolgen voor de wereld. Hoe interpreteren we onze geschiedenis bijvoorbeeld? De Paooea’s zeggen: “Zoals Mozes naar pharao ging om voor het volk Israel vrijheid te vragen, zo ging Tom Beanal in februari 1999 met het team van honderd personen (“Tim se ratus”) naar de Indonesische President Habibie om te vragen om vrijheid voor het Papoea volk. “Mogen we onze vrijheid terug. Laat het Papoea volk gaan.” Het is het Exodus motief: Israel verbleef 40 jaar in de woestijn. Zo zuellen de Papoea’s na 40 jaar aansluiting bij Indonesië ook vrij en zelfstandig worden: de binnenkomst in het beloofde land is de politieke zelfstandigheid (“merdeka”.

De kerk is een wereldwijde gemeenschap. Vanaf het begin is de Kerk actief geweest in (wereld)diakonaat en zending. De kerk is de gemeenschap van allen die geloven. Deze wordt in het NT vergeleken met een lichaam. Als een deel van het lichaam lijdt dan lijdt het hele lichaam. We hebben allemaal in de kerk, plaatselijk en in de wereldkerk, jong of oud, een eigen belangrijke en onmisbare rol.. We hebben een eigen plaats in het plan wat God met de wereld heeft. Wat we doen hoeft niet perse erg sensationeel te zijn. Het gaat erom dat je weet dat je deel bent van het plan van God met zijn kerk. Als een lid lijdt, lijdt het hele lichaam. Als een lid blij is, of dat nu in Jayapura is, in Johannesburg of in Maastricht, dan is het hele lichaam verheugd.

Papoeakunstenaars spreken over hun kunst als een preek zonder woorden. Een kunstenaar is ook tegelijk predikant. Een tekening is een interpretatie, een uitleg van een bijbeltekst, net zo goed als een preek. Een plaat kan soms meer zeggen dan 1.000 woorden.

Ik wil u nu een aantal platen laten zien van deze Papoea beeldbijbel. Engelen. De Goede Herder. De vrouw bij de bron. De opgestane Heer zijn geliefde afbeeldingen bij de Papoea’s. Verder het Genesisverhaal en verschillende taferelen uit de bijbel zoals het offer van Abraham, de profetes Anna met Jezus in de tempel,

Een van de meest populaire afbeeldingen aan de kust is wel die van de wonderbare visvangst. Dat is natuurlijk ook begrijpelijk in een samenleving waar veel mensen vissers zijn. Het toont aan de overvloed waar w eop mogen hopen als we werken onder Gods zegen. .Om Gods zegen van zijn vader te krijgen was Jacob bijvoorbeeld tot een misdrijf in staat. Ik denk dat de Papoea’s niet erg veel van mening verschillen met Jacob en de Israëlieten van het OT. Een zendeling was eens in de Hooglanden van West Papua aan het preken. Hij zei: En toen zegende God zijn volk. De vertaler vertaalde: En toen zegende God zijn volk een overvloed aan varkens, kinderen en zoete aardappels. De zendeling die merkte dat hij verkeerd vertaald werd: herhaalde: En toen zegende God zijn volk, terwijl hij streng naar de vertaler keek. Die vertaalde: En toen gaf God zijn volk een overvloed aan varkens, kinderen en zoete aardappels. De vertaler had gelijk. Die taal, de Me taal van het Wisselmerengebied, had geen ander woord voor zegen! Zegen is concreet. Het is een situatie van overvloed en welzijn, die je dan ook deelt met anderen. Je viert je overvloed door anderen daarin te laten delen. Hoe meer je geeft, hoe rijker je wordt in menselijke relaties. Dat is waar het om gaat. Het is de grootste wens van iedere traditionele Papoea om al is het maar eens in zijn leven het hele dorp of zelfs een paar dorpen uit te nodigen voor een varkensfeest, waarbij ieder zoveel kan eten tot hij of zij niet meer op kan. Overvloed als resultaat van God zegen, waarbij er tegelijkertijd een verantwoordelijkheid is om die overvloed te delen.

De vissers hebben de hele nacht geprobeerd vis te vangen. Zonder resultaat. Dan ontmoeten ze Jezus in hun leven. Op het woord van de Heer gaan de vissers het nu overdag nog eens proberen. Er is een ongelofelijke overvloed, zodat de netten er zelfs van scheurden. Petrus reageert, geschokt door het wonder: “Ga weg van mij Heer, want ik ben een zondig mens”. Maar de Heer roept de vissers op uit hun gewone dagelijkse bestaan om hem te volgen en vissers van mensen te worden om de boodschap van redding te verkondigen.

Al uw haren zijn geteld
Lucas 12 is mijn lievelingstekst. Deze woorden kunnen het motto vormen voor ons leven als een christen. Wat er ook met ons of met de wereld gebeurt: we zijn in Gods hand, ook al zijn er ziekte, dood, oorlogen, terrorisme. Al uw haren zijn geteld betekent niet een bevestiging van de leer van de uitverkiezing door een almachtige God. Het betekent dat we in ons leven steeds kunnen terugvallen op God, die voor ons als een vader en moeder zorgt. Deze houding roept denk ik een zekere blijmoedigheid op. We kunnen genieten van de beste dingen van ons leven. Dat zijn niet de auto en het huis, maar de relatie met degenen die ons het meest dierbaar zijn.

Jezus bidt. Jezus is mens, zo leert de bijbel. Hij kon moe zijn, verdrietig, pijn lijden, verheugd zijn zoals op de bruiloft van Kana, teleurgesteld als met het verraad van Judas en de verloochening van Petrus na de gevangenneming van Jezus, die drie maal van Jezus met stelligheid verklaarde: Ik ken die mens niet.. In het gebed zocht Jezus de aanwezigheid van God, die hij heel vertrouwelijk zijn vader noemde. Het gebeurde dat hij een hele nacht in eenzaamheid op een stille plek op een berg bad. Wat bad Jezus? Bad hij ergens voor? Als Jezus bad dan had zijn gebed een enorme kracht. Het kon het dochtertje van Jaïrus uit de dood opwekken. En ook Lazarus. Jezus zegt dan: Zelfs vòòr Jezus bad had God hem al verhoord. Jezus zegt dat alles wat je in zijn naam vraagt je gegeven zal worden. Dat is de reden dat we gebeden altijd bidden in zijn naam. Ik geloof in de kracht van gebed. Je hoort van ouders die bijna dagelijks voor hun kinderen bidden en je ziet dat deze leven als gedragen door het gebed. Niet dat er dan nooit geen problemen meer zijn, maar er is een kracht om de problemen te dragen en moeilijkheden, die in elk gezin voorkomen, te overkomen.

Jezus heeft ons ook leren bidden het meest volmaakte gebed: het Onze Vader. Dit gebed bevat eigenlijk al bijna alles waar voor we maar zouden willen bidden. De kortste samenvatting van het gebed zijn de twee eerste woorden: Onze Vader. In het Onze zit al het woord gemeenschap, de solidariteit van mensen met elkaar: de horizontale dimensie van ons geloof. Vader – geeft aan dat God niet alleen een abstract begrip is, maar dat hij voor ons zorgt.

“Die in de hemel zijt”: Hij is niet een mens zoals wij, een wezen als wij aan de aarde gebonden.. Er is een verticale dimensie

“Uw naam worde geheiligd” De naam van God is heilig. We heiligen die naam als we in de kerkdienst, in liederen, in de sacramenten van Avondmaal en doop, in persoonlijk gebed aan God hem de eer bewijzen die hem toekomt.

“ Uw koninkrijk kome” Het gaat niet om ons rijk, en ook niet om de wereldlijke rijken van de voorpagina’s van de kranten en het tv journaal. Het gaat daar verre bovenuit. Het Rijk van God spreekt van rechtvaardigheid. (Amos 5:23-25), Het Rijk van God betekent dat de wil van de Heer gedaan wordt. Het is er al, en tegelijk ook nog niet. Het is er waar we in hoop en geloof zien dat mensen streven nar rechtvaardigheid, naar zorg voor elkaar, waar liefde heerst.

“Uw wil geschiede” -  Dit is de kern van het gebed, van elk gebed. We verlangen allemaal naar erkenning, succes, gezondheid, het slagen voor een examen. Maar het gaat als in Jezus’ gebed in de Hof van Gethsemane niet om onze wil maar om de wil van God. Dan wordt de aarde een hemel, waar gerechtigheid heerst en alle tranen worden gedroogd.

“Geef ons heden ons dagelijks brood” - We zijn mensen en hebben als zodanig behoeften. Brood mag ruimer gezien worden dan alleen eten, maar alles wat we nodig hebben om volwaardig mens te zijn. Hier zit ook de oproep in om alles het in ons vermogen is te zorgen dat anderen hun dagelijks brood krijgen.

“Vergeef ons onze zonden” - God is in staat om ons onze zonden en tekortkomingen te vergeven, zodat we een nieuw begin kunnen maken, in een relatie, op ons werk, in de samenleving zonder de last van het verleden. Zo kunnen we open zijn voor de noden en behoeften van onze medemens, aan wie we ook nederig om vergeving vragen wat we hem of haar aandeden.

“Leidt ons niet in verzoeking” - We zijn ons ervan bewust dat we als menselijke wezens zwak zijn en gemakkelijk tot kwaad kunnen vervallen, ondanks het feit dat we het niet willen.

“Verlos ons van het kwaad / de boze” -  Er is kwaad in de wereld. Vaak zien we zelfs Kwaad met een hoofdletter aan het werk in bepaalde delen van de wereld zoals Darfur, Burundi, Zuid-Ossetië of in het verleden de Holocaust. Soms lijken mensen volledig bezeten door het kwaad, waarbij er structureel en massaal schendingen van basisrechten plaats vinden, zoals het recht op leven. God heeft het in zijn macht om ons ook van een dergelijk Kwaad te verlossen.

Geloof is concreet en bidden heeft resultaat. Bidden leert ons onze wil af te stemmen op de wil van God. We geven ons leven aan God over. Onze alledaagse zorgen worden in een wijds perspectief geplaatst. Al het resultaat in ons leven en ons werk hebben we te danken aan de zegen van God. Laten we steeds bidden zoals Jezus ons het geleerd heeft. Niet voor onszelf alleen. Voor de wereld.. Voor het Rijk van God. Voor rechtvaardigheid en vrede. Om de wil van God in ons leven te leren kennen, zodat Zijn wil gedaan wordt, op aarde zoals in de hemel.

Gods kleinheid en de grootheid van de mens
zondag 19 december 2004, vierde zondag van de Advent, Protestantse Kerk te Beek)

Tekst: Jezus Sirach 17: 1-10 en het kerstevangelie volgens Lucas 2: 1-20

We bereiden ons met advent voor op kerst. We zingen de traditionele kerstliederen. Kerst is denk ik, verreweg het meest populaire christelijke feest, feest met de meeste emotie. Het zijn de donkere dagen voor kerstmis. Veel mensen blijken last te hebben van depressies omdat ze ene tekort hebben aan zonlicht. Je herinnert je weer al die andere kerstvieringen. Wat vieren we met kerst. Het is het feest van het licht en van nieuw leven. Het is het feest van vrede en hoop. Het gaat bij ons misschien daarom zo diep omdat het aansluit op diepe emoties. Je hebt andere mensen nodig. Je zoekt naar vrede en verzoening. Je wilt ook erkenning voor wat je doet en wie je bent. Wat zijn andere mensen voor jou en wat ben jij voor andere mensen?

Het kerstverhaal is overbekend. Dat maakt het, denk ik, moeilijk, om er nog onbevangen over te spreken. Een bijkomende moeilijkheid is dat de commercie volledig met het verhaal aan de haal is gegaan. Weekbladen brengen extra dikke kerstnummers uit. Muziekgroepen brengen speciale kersthits uit, zoals de “Chipmunk song”, “Here comes Santa Claus” en “Rudolph the Rednosed Rendeer”. Maastricht heeft zijn kerstmarkt op het Vrijthof. Daar is allemaal niets op tegen. Maar drukken die dingen het wezen uit van het kerstevangelie? Het kerstevangelie probeert denk ik ons iets te vertellen over de mens en God en de verhouding tussen mens en God.

Bij andere feesten hebben we uitspraken van Jezus en van de discipelen. Bij dit feest is er alleen de korte tekst van de evangelist Lucas en een andere even korte tekst van de evangelist Mattheüs. Over de geboorte schrijft hij niets. Hij gaat met name in op de problemen van Jozef wanneer zijn verloofde zwanger blijkt te zijn. Volgens Lucas is Jezus geboren in Bethlehem. Er was geen plaats in het nachtverblijf van de stad. Ze legde het kindje in een voederbak. Een nederiger geboorte is moeilijk voor te stellen.

Advent is verwachting en het langzaam toegroeien naar het kerstevangelie. Er is hoop op iets beters, hoop op vrede en gerechtigheid. Hoop op erkenning, op een luid ja en amen: je mag er zijn. We zijn blij dat je er bent. We kijken niet naar je gebreken en tekortkomingen. Je mag er zijn omdat jij jij bent. We zijn geboren om … zo zijn we geboren en onze ouders hadden ons al lief nog voor we geboren waren. Ons leven heeft alleen daarom al een zin.

Hoeveel van ons geloven zo in zichzelf dat ze het gevoel hebben dat ze er helemaal mogen zijn? Kunnen we geloven in een aanwezigheid van God in ons die ons oneindig waardevol maakt? Kunnen we zo geloven in een ander dat we die persoon volledig ruimte geven? Jezus zegt: Al wat je voor de minste van mijn broers en zusters gedaan hebt dat heb je voor mij gedaan. Dat zegt iets over de medemens, maar ook over Jezus.

Kerstfeest is het feest van de engelen, die je overal ziet – in kerstbomen, in winkels, op de televisie en op kerstkaarten. Soms ontmoet je iemand die een ontzettende indruk op je maakt door zijn of haar persoonlijkheid dat je achteraf denkt: Dat zou een engel geweest kunnen zijn.

God in ons. Immanuel. Er is een kracht in onszelf. Dit is moeilijk te geloven. Het is gemakkelijker om te zeggen dat je er eigenlijk niet toe doet. Dat je klein en onbelangrijk bent. Toch is onze grootheid vaak in kleine dingen, in aandacht, in warmte en belangstelling. Wanneer plotseling een geliefd persoon ons ontvalt door de dood dan beseffen we vaak pas dan waarom en hoe die persoon belangrijk was voor ons. We herinneren ons die steun of solidariteit toen we het het meeste nodig hadden. Die arm om onze schouder. Dat gebaar van begrip. Dat woord van troost. We zagen dat op nationala niveau bij de herdenking van het overlijden van prinses Juliana eerder dit jaar en nu weer bij het overlijden van prins Bernhard. Anekdotes die de ronde doen laten een persoon zien die belangstelling had voor medemensen, ook voor heel gewone mensen. Mandela was ook zo iemand die groot is omdat hij aandacht heeft voor de gewone mens.

Er is een tekst van Nelson Mandela, die ingaat op die grootheid van mensen en die ook iets zegt over de boodschap van kerstmis:
“Onze grote angst is niet dat we tekort schieten
Onze grootste angst is, dat onze kracht onbegrensd is.
Het is ons licht, niet onze duisternis, die angst aanjaagt.
We vragen ons af, wie ben ik dat ik zo briljant ben
Wie ben ik dat ik zo fantastisch ben, begaafd, geweldig
Maar wie ben ik dat ik het niet zou zijn?
Je bent een kind van God. Door jezelf klein te maken, dien je de wereld niet.
Wegkruipen zodat anderen zich niet onzeker zullen voelen in jouw aanwezigheid,
Is geen daad van verlichting
We zouden allemaal moeten stralen zoals kinderen dat doen
We zijn geboren om de heerlijkheid van God te tonen die in ons is
Die is niet slechts in sommigen van ons, maar in iedereen.
En wanneer we ons eigen licht laten schijnen,
Geven we anderen onbewust een kans om hetzelfde te doen
Naar gelang we van onze angst bevrijd zijn,
Worden anderen automatisch door onze aanwezigheid bevrijd!”

Uit zijn biografie en uit interviews blijkt niet of Mandela een christen is, die zijn inspiratie ontleent aan de bijbel. Zijn motivatie, de kracht waar hij uit leefde is het principe van rechtvaardigheid, de strijd van zijn volk tegen onderdrukking en discriminatie. Hij koos hiervoor in tegenstelling tot Albert Luthuli, zijn voorganger als president van het ANC, voor de gewapende strijd. Hij richtte in 1961 de organisatie Umkhonto we Sizwe op, de Speer van de Natie. In 1962 werd hij al gearresteerd en in 1964 tot levenslang veroordeeld. Van 1964 tot 1982 zat hij gevangen op Robben Eiland, bij Kaapstad. Daarna werd hij overgebracht naar de maximum security gevangenis, de Pollsmoor gevangenis, een groot gevangenis complex 25 km van Kaapstad. Hier bleef hij tot zijn dramatische vrijlating op 18 februari 1990. Op zijn 44ste ging hij de gevangenis in. Toen hij op zijn 72ste als oude man de gevangenis verliet liep hij rechtop. Hij kwam er uit als overwinnaar. Hij was ongebroken, zonder haat en zonder rancune. In 1991 werd hij gekozen tot president van de ANC.

Ik weet niet of het belangrijk is of Mandela wel of niet christen is. Hij leefde wel uit principes die we als wezenlijk voor het christendom zien. Een citaat uit zijn biografie: “Ik probeerde altijd de bewakers te respecteren. Een vijandige houding zou niet effectief zijn. Je moet onder de bewakers niet iemand hebben die permanent je vijand is. Het was het beleid van het ANC om te proberen alle mensen op te voeden.” Dat geldt zelfs de bewakers in de gevangenis, zelfs mensen die je vernederen en je pijn willen doen.

Mandela zegt: “De grootste angst is dat onze kracht onbegrensd is.” Dit is geen hoogmoedswaanzin. Dit is inzicht in de belangrijke rol die zachte krachten kunnen spelen in onze wereld. Het is de kracht van ideeën die door gevangenismuren en door paleismuren heen gaan.
Mandela is iemand die we beschouwen als een van de grote mensen van de 20ste eeuw. Hij weet miljoenen te inspireren. Het is, denk ik, ook een oproep aan de zwarten van Zuid-Afrika die generaties lang hoorden dat ze tot niets in staat waren, dat ze geen geschiedenis hadden. Zwarten waren, zo dachten mensen die de bijbel heel letterlijk interpreteerden, vervloekt door God als afstammelingen van Cham, die de knecht zou zijn van Jafeth en Sem en hun afstammelingen (Gen. 9: 25-27.). Een Zuid-Afrikaanse studente vroeg me in Zambia eens in de jaren 80 toen ik daar werkte: “Is God blank?” Ik stond perplex en was absoluut niet op z’n vraag voorbereid. Maar ik ben er van overtuigd dat het voor haar als ANC lid een serieuze vraag was. Dat is wat ze blijkbaar in Zuid-Afrika geleerd had.

Wanneer je zegt: “De grootste angst is dat onze kracht onbegrensd is” dan is het een paradox. Mandela was volkomen machteloos gemaakt door het bewind in Pretoria, die bang was voor hem en voor de invloed die hij zou hebben op de zwarte bevolking van Zuid-Afrika. Hij wordt gearresteerd Hij is afgesloten van de buitenwereld. Al zijn communicatie, zelf met zijn moeder, zijn vrouw en zijn kinderen wordt door de overheid gecontroleerd. Hoe kan zo iemand in die positie zeggen: “Onze kracht is onbegrensd”?

Mandela zegt: “Het is ons licht, niet onze duisternis die ons angst aanjaagt.” Kun je dat zeggen wanneer je in je cel veroordeeld tot levenslang, afgesloten van je vrouw en je kinderen zonder dat de haat meester van je wordt? Kun je daar zeggen dat je briljant, fantastisch, begaafd en geweldig bent? Toch door zo’n opvatting geef je een mens de ruimte. Je geeft ze een kans, een nieuw leven van vervulling en zingeving.

Je ontmoet je toekomstige levenspartner en je bent verliefd. Natuurlijk zeg je dan hoe bijzonder, hoe briljant, hoe fantastisch die persoon in jouw ogen is. Misschien of zelfs waarschijnlijk zie je iets in die persoon wat die persoon nog niet in zich zelf ziet.
Het is het begin van een levenslange betrokkenheid op die ene persoon. Het is een gave wanneer je op zo’n manier samen een leven kunt delen. Hetzelfde geldt voor ouders ten opzichte van hun kinderen. Wat je ook doet, wat voor fouten je ook kunt maken als regel houden je ouders je vast en blijven vertrouwen in je hebben. Dat geldt ook voor kinderen ten opzichte van hun ouders. Soms zie je pas in een scherp licht wat je vader of moeder of een ander geliefd persoon echt voor je betekende, hoe hij of zij echt was wanneer je dat bij een begrafenis of crematie met moeite probeert onder woorden te brengen.

"Je bent een kind van God.” Je waarde als mens wordt niet bepaald door je rijkdom, of je opleiding of je beroep of je etnische afkomst, maar door het gegeven dat we kinderen van God zijn als zijn schepselen..

Jezus Sirach zegt dat de mens is geschapen met een doel. Hij of zij heeft een tong, ogen, oren en een hart. Die ogen zijn er om te zien hoe groot de werken van God zijn, zodat ze met hun tong van de grootheid van die werken kunnen getuigen. God en mens: grootheid en kleinheid. We verkrijgen grootheid door nederigheid, aandacht voor anderen, door begrip, door liefde en authenticiteit. In die zin zijn God en mens aan elkaar gebonden. Wij komen pas tot ons recht wanneer we onze afhankelijkheid van God erkennen. Pas dan komt onze ware grootheid aan het licht.

Wat bepaalt uiteindelijk het verloop van de geschiedenis? Zijn het de kanonnen, de bommen, de tanks? Het einde van het ijzeren gordijn die Europa in twee onverzoenlijke kampen verdeeld hield met de altijd aanwezige dreiging van een kernoorlog? De Baltische staten werden onafhankelijk van Rusland dank zijn vreedzame, eensgezinde actie. Zo kwam er ook ene einde aan de apartheid in Zuid Afrika. Het doel van Mandela was niet de vernietiging van de apartheid, maar het bewerken dat de aanhangers van de apartheid naar de onderhandelingstafel komen om het probleem samen op te lossen.

Zijn het uiteindelijk toch de “zachte” krachten die de overhand hebben?

In de jaren 60 zit iemand in Portugal op een terrasje. Hij hoort twee studenten een grapje maken over dictator Salazar. Even later worden ze allebei gearresteerd en ze verdwijnen in de gevangenis. Hij schrijft een ingezonden brief aan de Observer met een oproep om hier tegen bij de autoriteiten te protesteren. En Amnesty International is geboren. Duizenden, misschien wel 10.000-den gevangenen, hebben hiervan geprofiteerd of soms zelfs hun leven te danken aan een snelle actie van Amnesty leden na hun arrestatie. Ook hier de inzet van “zachte” krachten: iemand is verontwaardigd door wat hij als onrechtvaardig ziet. Een ingezonden brief in de krant en een oproep om beleefde brieven te schrijven aan een militaire dictator: “Wilt u alstublieft deze mensen vrij laten.”

Onze grootheid ligt in nederigheid en in vertrouwen en geloof. Door Jezus zien we de grootheid in het kleine. We vereren geen God die woont in marmeren paleizen. Die zelf zegt dat geen tempel een woonplaats voor hem kan zijn. Onze Messias werd volgens het Lucas evangelie in een stal, omdat er geen plaats was in het nachtverblijf van de stad. Zijn wiegje was een voederbak. Er was dus van af het eerst begin eigenlijk geen plaats voor hem in onze wereld. Daarmee identificeert Jezus zich met allen die als mens naar de marge geschoven worden, die eigenlijk geen leven hebben, die afgeschreven worden. Bij Jezus zijn zeker de zachte krachten aan het werk, de kracht van respect, zelfs voor de tegenstanders, zelfs voor degene die je aan het kruis nagelt, de kracht van een overtuiging. De bereidheid tot vergeving. In zijn evangelie zijn we geworteld. Dat is ook elke keer de bron waaruit we willen putten. In die zin willen we ons voorbereiden op de komst van het christuskind.

AMEN

De doop van Jezus in de Jordaan en de tsunami van Tweede Kerstdag 2004

Preek zondag 9 januari 2005, Hengelo – 15 dagen na de zeebeving en tsunami die tot nu toe meer dan 160.000 slachtoffers heeft gekost.
Lezingen: Jesaja 42: 1-9 en Matheus 3: 13-17. Tekst: Jes. 42: 9 Zie ik kondig jullie nieuwe dingen aan

Inleiding
Op zondag 26 december, op Tweede Kerstdag, toen de wereld de komst van het kerstkind vierde, overrompelde een gigantische vloedgolf de kust van Noord Sumatra, Thailand, India en Sri Lanka. Het wed een van de grootste natuurrampen van de laatste halve eeuw. De beelden van de ramp staan ingebrand op ons netvlies, zoals het beeld van de jonge man uit Aceh die een klaarblijkelijk verdronken kind draagt. Deze ramp roept misschien in vergelijking met andere rampen zo’n emotie en offervaardigheid op omdat we ons er gemakkelijker mee kunne identificeren. Naast de beelden van lokale slachtoffers waren er ook beelden van westerse toeristen die omkwamen en beelden van mensen die lekker op het strand liggen in de zon. De vrolijk begonnen vakantie eindigde in een nachtmerrie met het verdriet om omgekomen geliefden en de zorg om hen die nog steeds als vermist staan genoteerd.
Er zijn meer dan 160.000 mensen omgekomen, een derde van hen kinderen. Een half miljoen zijn gewond. 5 miljoen mensen hebben hulp nodig. Er is $ 2 miljard aan hulp toegezegd. In Nederland is meer dan 100 miljoen Euro gegeven voor de hulp aan de slachtoffers. Dit is een record.

Ik vind de hulp die massaal aangeboden wordt door particulieren en door regeringen fantastisch. we vinden dit gewoon, maar het is eigenlijk iets bijzonders dat we ons voor die mensen ver weg verantwoordelijk voelen. Het betekent dat we ons met hen kunnen identificeren, dat we hen als iemand van ons kunnen zien. Heel Europa is drie minuten stil geweest om de slachtoffers te herdenken. Het Amerikaanse leger stuurde een vliegdekschip naar de kust van Noord-Sumatra en vliegtuigen en helikopters vliegen af en aan om simpele dingen als water en voedsel te brengen naar overlevenden die niet op een andere manier te bereiken zijn. Ook Australië, Japan, Singapore, Maleisië en veel andere landen boden genereus hulp aan. De soldaten vertelden in een interview voor de televisie dat ze toch veel liever dit soort hulp; gaven dan oorlog te voeren.

Is er een verschil in onze reactie op zo’n natuurramp en die op door mensen gemaakte rampen, zoals de genocide in Rwanda, de oorlog tussen Irak en Iran, de oorlog in Darfur en Zuid Soedan, de oorlogen in het oosten van de Congo, in de Ivoorkust en Liberia. De rampen van het gebrek aan medische en sociale zorg voor de Aids slachtoffers en hun nabestaanden in Afrika? Dit soort langzame slopende rampen spreken veel minder tot de verbeelding en deze zijn ook minder geschikt voor presentatie op de televisie dan een grote natuurramp met een duidelijke oorzaak.

Is dit een onderwerp voor een preek? Of is tegenover een ramp van deze orde uitsluitend een gepast zwijgen op zijn plaats? Wat is een preek? Kan de kerk iets bijdragen aan de leniging van de nood naast wat Artsen zonder Grenzen, het Rode Kruis en andere hulporganisaties doen? Wat is de zin en het doel van een kerkdienst zoals deze? Heeft het enige relevantie in het licht van een grote natuurramp, waarover we zoveel nieuws te zien en te horen krijgen? We zouden misschien theologische vragen kunnen proberen te beantwoorden. Heeft zo'n ramp zin of betekenis? Wat betekent zo’n gebeuren voor ons godsbeeld? Ik denk dat dit vragen zijn van elke tijd. Ook in de bijbel zien we dat mensen zich dergelijke vragen stellen. Het boek Job heeft deze vraag zelfs als hoofdthema. Wanneer iemand, zoals bijvoorbeeld Job, moet lijden, waarom is dat? Zijn vrienden vallen Job af. Dan daagt Job God zelf uit als zijn scheidsrechter. Uiteindelijk ervaart Job de aanwezigheid, de zorg van God, ook in zijn diepste lijden. Het antwoord van God op de brandende vraag van Job om het waarom is dat de reden van het lijden is even mysterieus als de reden voor het zijn, voor de schepping in zijn totaliteit.
Dit is voor velen geen antwoord op de vraag. Het is ene feit dat we leven in een wereld die gebroken is, die niet is zoals de wereld waarvan wij kunnen dromen. We leven in een wereld waar oorlog en haat is, waar conflicten eerder regel dan uitzondering zijn. Toch denk ik dat het zinvol is om hier bijeen te zijn, om te zingen, te bidden, te spreken en te luisteren naar onze hoop en ons geloof, van oude veel vertelde verhalen, van rijke beelden, van zoeken naar zin en zingeving, van woorden van troost en gebeden om hulp en om vrede. Ook is er elke keer een collecte die ons herinnert aan de nood van de wereld en aan onze verantwoordelijkheid voor die nood.
De boodschap is elke keer dat we Christus in de ogen van de minste van zijn broeders en zusters kunnen zien. Alles wat we voor hen doen, doen we ook voor Hem.

Net twee weken geleden vierde de wereld kerstmis. Het kerstverhaal is zo’n verhaal van troost. In onze onvolkomen wereld wordt een kind geboren die we Verlosser of Christus of Messias noemen. Dat was reden om met zijn allen, wereldwijd, een groot feest te organiseren, met kerstbomen, lekker eten, kaarsen, goede muziek, kerstdiensten, familiebijeenkomsten. Het is jammer dat het allemaal weer zo snel voor bij gaat. Indertijd overigens, anders dan nu, waren het uitsluitend enkele herders uit de buurt en drie vreemdelingen uit een ver land die van hun belangstelling blijk gaven voor dit gebeuren.

De doop van de Heer
We lazen vandaag, nog als deel van de kerstcyclus, de profetie van Jesaja over de komst van een groot profeet, en het verhaal van Johannes de Doper. Johannes is de laatste in de lange rij van profeten die telkens weer het woord van God tot de mensen brengt. In een wereld van zonde en onrecht doen zij een oproep tot bekering, tot een terugkeer tot de bron, tot rechtvaardigheid, tot het doen van de wil van God. Volgens Johannes gaat het om bekering, om geloof, om wedergeboorte tot een nieuw mens, tot kind van God. We kunnen ons tegenover God niet op iets beroepen, zoals cultuur, opleiding, functie, status. De mensen van zijn tijd zeiden: “Wij zijn toch kinderen van Abraham. Dat moet toch genoeg zijn?” Johannes stelt daar tegenover dat God bij machte is zelfs uit stenen kinderen van Abraham voort te brengen. Johannes roept op “tot het voortbrengen van vruchten die een nieuw leven waardig zijn.”

Johannes is verbonden met de woestijn. Hij leeft van sprinkhanen en wilde honing. Hij draagt als Elia een kameelharen mantel. In de woestijn stel je je open voor God en Zijn Woord. In zijn leven en werk klinkt de oud-testamentische uitspraak van Jesaja: (Jes. 40:3): “Daar roept een stem: Baant in de woestijn een weg voor de Heer; effen in de wildernis een pad voor onze God.”

Als teken van de bekering voor hen die hun leven een totaal andere wending willen geven gebruikt Johannes het oeroude ritueel van de doop in het water. Hij staat op een doorwaadbare plaats in de Jordaan. Vanuit de woestijn trok het volk Israël na de uittocht uit Egypte door de Jordaan het Beloofde Land binnen. Ook Jezus voelt zich aangesproken door de boodschap van Johannes, zijn half jaar oudere neef. Jezus erkent dat bij Johannes het woord van God gesproken wordt. De naam van Johannes is dan al gevestigd. Jezus staat aan het begin van zijn werk als rondtrekkend rabbi. Johannes weigert Jezus eerst de doop. Maar Jezus dringt aan: De doop is nodig zodat op deze manier Gods gerechtigheid vervuld wordt. Ook de symbolische handeling van de doop is deel van de vervulling van Gods gerechtigheid.

Matheus beeldt Jezus af als de nieuwe Mozes. Daarom last Matheus ook als enige van de vier evangelisten het verhaal in dat Maria, Jozef en Jezus naar Egypte vluchtten voor de woede van koning Herodes. Zo komt Jezus als Mozes uit Egypte. De naam Mozes betekent: “gered kind, uit het water getrokken.” Nu met de doop wordt ook Jezus uit het water getrokken. Als Mozes werd Jezus gered van een boze koning Herodes die hem wilde doden. Jezus komt vanuit Galilea en daalt af naar de Jordaan. Na de doop en nadat hij uit het water omhoogkwam was er een duif die uit de hemel op hem neerdaalde. Meer dan Mozes is hier. Voor een moment, als met kerst met het koor van de engelen, is de hemel geopend. Er is de bevestiging van de roeping van Jezus en we horen een stem die zegt: “Dit is mijn geliefde zoon, in hem vind ik vreugde. Dit is een echo van de godspraak van de profeet Jesaja in het door ons vandaag gelezen gedeelte: “Hier is mijn dienaar. Hij is mijn uitverkorene. In hem vind ik vreugde. Hij zal volken het recht doen kennen. Hij schreeuwt niet. Hij verheft zijn stem niet. … Het geknakte riet breekt hij niet af. De kwijnende vlam zal hij niet doven. Het recht zal hij zuiver doen kennen. … Hij zal het recht op aarde vestigen.”

De duif die zich vertoont na de doop van Jezus heeft een belangrijke symbolische rol in de bijbel. Deze herinnert ons aan de duif die Noach liet uitgaan van de ark en die terugkwam met een olijftakje in zijn bek als teken dat de aarde weer bewoonbaar was na de zondvloed. De duif met de olijftak is een internationaal symbool geworden van vrede. Er is hoop om verder te gaan ook na de zondvloed waarbij zoveel mensen omkwamen.
De duif verwijst ook naar Jonah. Jonah is het Hebreeuwse woord voor “duif.” De profeet Jonah werd op zijn vlucht voor God in het water geworpen en 

Conclusie
Een jaar na de aardbevingsramp in het stadje Bam in Iran is er weer een natuurramp die de wereld schokt. De meesten van ons kenden voordien het woord tsunami niet eens. Velen reageren op de oproep om hulp. In het ingaan op de oproepen om hulp zie ik een verlangen naar de wereld die God bedoelde. Om die hoop op die wereld elke keer weer uit te drukken, om dat oeroude en toch actuele verhaal elke keer weer aan elkaar te vertellen in muziek, zang, woord en gebaar, zijn we hier deze zondagmorgen bij elkaar. Wat wij hier doen in deze dienst en honderden miljoenen over de hele wereld die dat evenals wij doen op hun eigen manier in hun eigen taal heeft relevantie bij een natuurramp, bij elke situatie waar mensen lijden. De doop van Jezus in de Jordaan door Johannes de Doper brengt ons terug naar ons eigen begin, naar onze eigen doop in zijn naam. In de doop zijn we verenigd met Christus. Daarmee zijn we ingegaan op de uitnodiging van God deel te hebben aan zijn toekomst. Een toekomst waar er geen tranen meer zijn, geen verdriet, geen honger, ziekte, rouw en geweld. Dit zijn nieuwe dingen. Zie ik kondig jullie nieuwe dingen aan.
Amen

What is the Meaning of Christmas?
(Int
ernational Christmas Celebration, jointly with the Powerhouse of Prayer Church, 25 December 2004, Sint Janskerk, Maastricht)

If you type in the word Christmas in your popular search machine on you computer as I did in preparation for this sermon you get 142 million sites. This shows the extreme popularity of Christmas. There is hardly no country in the world where you can not hear the classical Christmas songs, like I am dreaming of a White Christmas and Jingle Bells. I hear even in Beijing, in Teheran, and definitely in Jakarta that Christmas is coming up. These songs about Jingle Bells and the fun of

Dashing through the snow
On a one-horse open sleigh
Over the fields we go
Laughing all the way;
Bells on bob-tail ring
making spirits bright
What fun it is to ride and sing
A sleighing song tonight”


is even sung in tropical countries like Indonesia with enthusiasm although nobody there has ever and will ever see snow in his or her life time. Even one of the reindeer is known by name. His name is Rufus. Santa Claus lives on the North Pole and he distributes free gifts to the people. There is the Christmas tree, decorated with small lamps and candles as is also the case here in this church. We share close around the Christmas tree and tell stories about extremely cold days, about very evil people, about very kind people, about poverty and wealth and then suddenly on Christmas day everything becomes alright. The evil person becomes a good person. The runaway son who has not visited his parents for years returns to his old mother and father and everything is going to be all right for ever.

Christmas and everything that has now become associated with it is spreading and becoming more popular because of the process of globalization. That is also the reason why the University Chaplaincy together with the Christian Powerhouse of Prayer decided to offer international students and other internationals this First International Christmas Celebration in Maastricht. We want to include you in our joy for Christmas. As you are here and we are sharing we are developing into one world, into one humankind.

Now we want to go back to the basics of the Christmas feast. It all began with the story from the Christian bible you just heard. In the story there is nothing about Rufus the reindeer, about Santa Claus, about snow, about a one horse open sleigh. The real Christmas story is a simple story of an unmarried girl, who has to travel, though she is on the point of delivering her baby. It has been suggested that the only reason why there was this urgent need to travel was that she and her fiancée were refugees as in Galilee, their place of origin, there was a rising against the Romans, which was heavily and violently suppressed. At the time of the delivery they still had no place to stay. The child is born in a stable or a possibly a cave. The place is still shown in present day Bethlehem. The child is wrapped in bands of cloth and placed in a feeding trough for animals. This is all not very impressive. If this is all there is not much reason for celebration. On the contrary!

Then follows the story of shepherds. These were not people with the best reputation. They were not learned people Just ordinary folk. These shepherds who staid in the neighbourhood were called by angels to go to Bethlehem to go immediately to the place of birth and to pay respect to the new born child. The child was, according to the angel, a saviour, who is Christ the Lord. The shepherds went indeed to the place of birth and found everything as told. After paying their respect to the child, they told the message of the angel to the father and mother of the child. They then went back to their sheep in the field, “glorifying and praising God for all the things that they had heard and seen.” They had only seen a child in a feeding trough.

We see a little newly born baby for whom there is no place here in the world. He is rejected, just as apparently his parents. He is received well only by the shepherds. The shepherds believe that this child will become the saviour, the Christ or Messiah, a prince of peace. They came to Bethlehem and the trough with expectation. They left the stable with new hope, shown in the singing and praising of the Lord. It is their praises you can still hear today and also here in this Christmas celebration.

A child is born. The Christmas child can be identified with all children who live on the margin, who are refugees, for whom there is no place in an ordinary house or inn. A child is like a blank page, a page on which nothing is yet written. He or she is as innocent as can be. Moreover a newly born baby has an enormous potential. The child may grown into a genius, a great political leader, an inventor, a movie star, a beauty queen, a peace maker. Nothing is excluded in principle.
This is a universal feeling where children are born. It seems such a common event. In 2004 there were 130 million children born all over the world. Every second 4 children are born. And all these parents have these hopes for the newly born child. Will the child contribute to a better life? It can do things better. It ca avoid our mistakes. It starts fresh. How could we live without hope? The hope that tomorrow will be better. That one day there will be peace in the world. That the protection of human rights are enjoyed by each and everybody. That justice will be done. That peoples and nations will be reconciled, conflicts solved and settled. That there will be no longer hunger. No longer crime. No longer poverty and deprivation. Such a world which we can dream of and what we can hope for is a world as God wants it to be.

I think this is the essence of Christmas. This is why there is so much celebration. Christmas is in essence the feast of peace. In many wars in the past soldiers stopped fighting at Christmas as they knew in their hearts that God does not want war and that this fact is the reason of Christmas. In the First World War on Christmas Eve British sentries soon began to report that there appeared to be small lights, raised on poles or bayonets, in the German trenches. Although these lanterns clearly illuminated the German troops, the British held their fire. British officers also began reporting that they saw, through binoculars, that some enemy troops were holding small pine boughs over their heads with lighted candles in their branches. The Germans, who celebrate Christmas on Christmas Eve, were extending holiday greetings to their enemies. A few German soldiers began to sing Stille Nacht! Heilige Nacht!. The British immediately recognized the melody and began singing Silent Night. The harmony of the carol was soon heard along the entire line. One of the most unusual incidents in military history occurred shortly after. One by one, soldiers on both sides laid down their weapons and ventured into no man's land - too many of them to prevent their superior officers from objecting. An undeclared truce had broken out spontaneously, against all orders and the rules of military combat. Then they took on both sides the opportunity to bury their deaths. They then began playing a game of football in no-mans land. They exchanged sweets and showed each other pictures of their loved ones. The truce lasted a whole day. Then the shooting and the killings began afresh.

In the little child born in Bethlehem 2,000 years ago we see the possibility that these hopes of humankind are becoming real. He is given titles like the Messiah, the Prince of Peace, the Good Shepherd, the Saviour. He is Immanuel: God with us and God in us. There is no way we can find God in a rational, scientific way. He is a Beyond, a Mystery. But on the other hand he is also close by, in our hearts, in our hopes and in our dreams. We meet God in the message, the meaning and the life the child lived. He preached and lived love, even for one’s enemies.

So we rejoice on this day. We celebrate in a celebration like the one we offer you today. We want to share as we share in the Christmas buffet after the service. With Christmas we are visiting our families and friends. We send Christmas cards with best wishes. We are celebrating the bonds of love that exist between parents and their children and between couples. Behind the reindeer, behind the Christmas tree with its beautiful lights, behind the candles, behind the sentimental songs like Jingle Bells and I am dreaming of a white Christmas is hidden a real Christmas is a universal celebration of love and peace. Let is, today the 25th of December of the year of the Lord 2004 wish the world and humankind a Happy Christmas. This is a world where peace and love prevail.
AMEN