|
|
Elia was een man van weinig woorden.
Nadat hij zijn mantel over de boerenzoon Elisa heen had gegooid en nadat
hij gezegd had “Doe wat je wilt, ik dwing je nergens toe”, vond hij dat
hij zich wel weer voldoende communicatief had betoond. Toen Elisa zich
bij hem voegde, kwam er geen woord over zijn lippen. Elisa liep met hem
op, maar hij, Elia zweeg. Elisa op zijn beurt was dermate onder de indruk
van de gestalte van de oude profeet en van de gebeurtenis die hem tot zijn
opvolger maakte, dat hij het niet waagde de stilte te verbreken.
Drie dagen gingen ze zwijgend voort. Toen hield
Elisa het niet langer uit. Tijdens een pijnlijk stille rustpauze nam hij
het woord.
- U wilt dus dat ik u opvolg?
- Ja
- U wilt ermee ophouden?
- Binnenkort ja
- Waarom eigenlijk?
- Ik houd het niet meer vol. Ik heb er schoon
genoeg van. Wat een hondenbaan. Nou eens iemand anders aan de beurt. Jij
dus.
- Meester, vergeef me: dat begrijp ik niet. U
had toch juist het grootste succes uit uw loopbaan behaald? U in uw eentje
tegenover 450 profeten van Baäl? Die met al hun lofzang, klaagzang,
koorzang en privé-zang, met al hun bidden en smeken, met al hun
roepen hun god niet tot enige reactie wisten te bewegen? Terwijl u na een
eenvoudig gebed een teken uit de hemel ontving, dat niet voor tweeërlei
uitleg vatbaar was. Heel het volk was duidelijk dat die voorstelling van
die profeten één grote loze vertoning was en dat die god
van hen helemaal niets voorstelt. Volgens mij is iedereen nu wel duidelijk
geworden, dat er helemaal geen “god van de vruchtbaarheid” is. Dankzij
u.
- Ja, dat was ze toen wel duidelijk. Alleen waren
ze het een dag later weer vergeten.
- Nou ja ..
- En Izebel was uit op wraak. Mijn kop moest
eraf. En denk je dat er nog iemand was die mij steunde?
- Nou ..
- Niet dus. Toen wist ik: ze leren het nooit.
Hier is geen beginnen aan. Ik dacht dat ik het zou kunnen, maar ik heb
alles gedaan wat ik kon en het haalt toch niets uit.
- Ik was enthousiast! Mijn vrienden ook!
- Niemand steunde mij. Niemand gelooft nog waar
ik in geloof.
- Wat u altijd verkondigde: dat geloven iets
anders is dan het afdwingen van gunsten van een geheimzinnig-gevaarlijke
natuurmacht, dat de ene God, anders dan men van die nepgoden denkt, niet
te paaien is met offers, maar iets heel anders van ons vraagt, rechtvaardigheid,
openheid voor de ander, aandacht voor de zwakken .. dat sprak mij nu juist
altijd zo aan! En mijn vrienden ook! En in de stad trouwens ook heel wat
mensen!
- Niemand gelooft nog waar ik in geloof. Het
kon niemand iets schelen. Er was niemand aan wie ik iets had. Ik dacht:
bekijk het allemaal maar. Ik stop ermee.
- Terwijl wij allemaal stonden te juichen vanwege
uw ongelofelijke succes. We dachten dat u blij zou zijn, dat u nu de kracht
zou hebben om door te pakken, om nu eens echt goed te zeggen hoe het zit!
Wij dachten dat dit uw moment was, we verwachtten heel veel van u.
[..]
|
|
|
|
|
|
|
|