|
|
Marcus 9: 24
“Het meest echte, ware deel van mijzelf zwijgt
altijd”, las ik bij een door mij zeer gewaardeerde Franse schrijver. Hij
zegt dit in een passage waarin hij schrijft over de merkwaardige mogelijkheid
dat wij mensen een gesprek kunnen voeren met onszelf. Er is een sprekende
“ik”die confidenties doet aan een luisterende “ik”. Deze verdubbeling verontrust
hem. Het lijkt er soms op alsof er een vreemdeling in hem is, de luisteraar
(het luisterende “ik”), dat er op uit is hem te bespioneren. En het meest
ware van mijzelf wijst die confidenties die mijn ik in tweeën delen
terug, zegt hij.
Wat hij nu precies bedoelt met het meest ware
deel van mijzelf zegt hij niet met zoveel woorden. Maar het lijkt er op,
dat hij naast de vragende en twijfelende kant een zwijgende vastere grond
in zich voelt. Die vaste grond zwijgt, want die voelt geen vragen en twijfels,
maar die, zo lijkt het althans, is zich wat minder bewust van zichzelf,
die is er zonder meer.
Die vader van de zoon met epilepsie, waar het
evangelie van Marcus van vertelt, roept het uit: Ik geloof. Kom mijn ongeloof
te hulp. Het lijkt wel alsof hij op het moment waarop hij beseft, dat hij
de majesteit van God zal gaan ervaren, toch nog even met zichzelf in gesprek
is. Hij vraagt zich af: geloof ik of geloof ik niet. Het meest ware deel
van hem, dat altijd zwijgt, maar nu niet langer kan zwijgen, zegt: ik geloof.
De andere ik, de ondervrager en ondergraver, stort zich als het ware onmiddellijk
over deze onverwachte uitroep heen en wil niet accepteren dat er alleen
maar geloof zou kunnen bestaan, zonder aanvechtingen.
Ik geloof. Kom mijn ongeloof te hulp. Het zijn
woorden die ons direct aanspreken, wij herkennen veel in die uitroep. Natuurlijk,
want wij leven allemaal in die tegenstelling van geloof en ongeloof. Wij
voelen ons erkend in onze menselijke situatie.
Maar dat meest ware deel van onszelf, dat altijd
zwijgt, komt kennelijk tot spreken, als God zich direct en onmiddellijk
aan ons meedeelt. Dat moet de vader van de epileptische zoon hebben beleefd,
toen op dat moment de kaders van de tijd werden verbroken en heel even
de eeuwigheid heerste. Zijn verzet verdampte en hij riep: Ik geloof. Kom
mijn ongeloof te hulp. Dat zoiets met ons mensen kan gebeuren, dat is evangelie.
Dat zijn zoon ook nog werd genezen is in het
licht van wat hij beleefde - hij zag God aan het werk van aangezicht tot
aangezicht – eigenlijk bijna een logisch gevolg.
Voor Van Stilte en Strijd
september 2006 |
|
|
|
|
|
|
|