Homepage
Bundel Mijnke
Webmaster

Heine Siebrand (1951) is remonstrants predikant in Utrecht.

De mensentuin
(geen fabeltje)

door Heine Siebrand
 
Erinnerung kann die Quelle von Erneuerung sein,
Verdrängung ist die Ursache für Wiederholung
Friedrich Schorlemmer
 
Of we als predikanten onze ‘preek-der-preken’ wel beschikbaar zouden wilden stellen voor onze scheidende algemeen secretaris Mijnke Bosman-Huizinga. Met daaraan at pistol point toegevoegd, deze preek dan onverwijld in te korten. Alsof je een kunstenaar vraagt zijn beeld-der-beelden in te zenden, maar dan wel na drastische verwijdering van arm, hoofd, neus of been. Dit is dus niet mijn ‘preek-der-preken:, alsof de Naam zich zou lenen voor het toch tamelijk platte en  ijdele vermaak van een wedstrijd. Doornstruiken genoeg in de wereld, die kost wat kost op een dergelijke wijze aan hun gerief zouden willen komen. Dit zou bovendien in de verste verte niet stroken met de manier waarop onze algemeen secretaris haar functie gespeend van eigenbelang met vuur en verve al die jaren heeft vervuld. Maar nu loop ik eigenlijk al veel te ver vooruit op de feitelijke inhoud van mijn preek over de roemruchte maar in kerken tamelijk onbekende fabel van Jotam. 
 
De fabel van Jotam - zo staat die kostelijke vertelling van de olijf en de wijnstok bekend. Een fabel (1), want de bomen komen letterlijk ieder zelf aan het woord. Ze zijn druk doende te onderhandelen over wie hun leider zal zijn. Wie zij geroepen achten de belangrijkste bestuursfunctie in het land te vervullen. En stuk voor stuk worden ze benaderd met de vraag of ze beschikbaar zijn voor het koningsschap. Om hem niet te passeren, beginnen ze bij de olijfboom, die immers ieders respect en aanzien geniet. Want de olijf kom je overal tegen: geen maaltijd zonder olijven! Daar kon je dus niet omheen. Dus hem eerst gevraagd. ‘Wilt U koning over ons worden?’ Maar de olijfboom, zeer in beslag genomen door de dagelijkse productie van olijven en olie, wijst de suggestie van zo’n zware taak gedecideerd van de hand. Geen denken aan. Het bedrijf moet doorgaan, stel je eens voor dat hij zou ophouden de olie te produceren die de mensen van hem verlangen. Alles zou tot stilstand komen. Hij aarzelt niet om zelfs de goden daarbij te betrekken. Bij goden en mensen staat de olijf in hoog aanzien. Dit maakt zijn positie  onaantastbaar en boven elke twijfel verheven. Is het beeld van de vruchtdragende olijf niet iedere Israëliet op het netvlies gegrift als het symbool van een gezegend en vruchtbaar leven? Nee, hij laat zich niet meeslepen door bestuurlijke avontuurtjes; hij kan zich beslist niet ontdoen van zijn historische verplichtingen. Dat zou de maatschappij maar ontwrichten en er zou chaos uitbreken in het land. Als wilde hij zeggen: ‘Als ik het niet doe: geeft Gij hen te eten?’ 

De bomen geven het niet op. Ze gaan weer vol goede moed op pad en besluiten de vijgeboom te vragen. Die is tweede keus, dat wel, maar zo te zien is het verschil tussen de olijfboom en de vijgeboom te verwaarlozen. De een zal voor het oog althans zeker niet onderdoen voor de ander. En het staat voor de bomen als een paal boven water dat er toch één moet zijn, die in de verdeeldheid van het grote-bomen-bos orde en rust brengt. De onvrede duurt al veel te lang. Langer dan goed is, in ieder geval. En aan die nare geschiedenis van verdeeldheid moet nu maar eens een eind komen. Groeperingen en partijen zijn talrijk in het land. Het is de tijd van de richteren -van warlords en politieke leiders- die elk alleen hun eigen belangen najagen. Aan hoge bomen geen gebrek, maar niemand die er net even met kop en schouders boven uit steekt. Niemand met dat beetje meerwaarde dat het tij kan keren. Ze dromen nog -elkaar aanziende- van de ceders van Libanon, maar ze hebben moeten leren leven met de pijnlijke werkelijkheid die zegt dat alles Bayrut is geworden. Welaan dan, niet gedraald: op zoek naar de echte leider die de Joden en Kanaänieten uit elkaar zal weten te houden en wellicht zelfs met elkaar zal kunnen verzoenen. De eerste bij wie ze aanklopten, de olijf -oude adel, vanouds belast met overheidstaken- hield het dus liever voor gezien. Spoedig zal blijken dat ook de vijgeboom van zo’n gul aanbod niet gediend is. Wat denken ze wel: zou hij zijn zoete leventje prijsgeven voor alle beslommeringen van het landsbestuur? Eenmaal per jaar, in de zomer, leverde hij zijn delicatesse af: heerlijke vijgen. Zonder hem vind je op de markten het volgend seizoen geen zomerkoninkjes meer. En eerlijk gezegd: hij was ook te zeer verknocht aan de genietingen van het zoete leven -hij had in die branche een heel imperium opgebouwd- om nu te gaan zweven (zweven, zegt’ie!) in het wereldje van de politiek. Bovendien: hij hoeft ook niet meer zo nodig in deze fase van zijn leven. Zijn eerbiedwaardige bladertooi en gerimpelde stam laten zijn leeftijd immers wel raden. Nee, voor een nieuwe carrière is hij zeker niet meer in de markt. Maar hebben ze ook al aan de wijnstok gedacht? De bomen volgen blij verrast zijn goede raad. De wijnstok, waarom ook niet; breed vertakt door het hele land, die zou zeker in de smaak vallen bij het volk! Degelijk en met zorg gekweekt. Geen eendagsvlieg, maar iemand die zich veel zorg en inspanning heeft moeten getroosten en vooral veel geduld, om goede wijn voort te brengen. Dat ze daar niet eerder aan hebben gedacht. Maar drie keer scheepsrecht: ook de wijnstok voelt niets voor dit avontuur. Het is zijn natuur ook niet om zoveel zo maar in de schoot geworpen te krijgen. Alles wat hij is, heeft hij met vlijt, geduld en noeste arbeid verworven.  Tot in de kleine uurtjes was hij bezig met zijn zaak. Kwaliteitswijn is een inspanning van duizend-en-een-nacht; het duurt jaren voordat de eerste druiven rijpen aan de stam. En de wijnstok, bekwaam in het onderscheiden van bitter en zoet, beseft dat de heren die hem bezoeken geen klare wijn schenken. Voelen ze zelf er misschien niet voor om koning te worden? Het geeft toch een nare bijsmaak als het koningschap -de hoogste bestuursfunctie in het land- zo maar wordt weggeschonken aan wie maar wil. En de bomen gaan weer huns weegs. Stil in hun hart hopen ze dat het niet bekend zal worden in het land, hoe ze driemaal hun verzoek zagen afgewezen. Meer bijbels gezegd: ze hopen dat er geen haan naar kraait. 

Men mocht eens gaan geloven dat zij door te leuren met het koningsschap zelf op de vlucht zijn voor het dragen van verantwoordelijkheid. Stel je voor. 

Er zit dus niets anders op dan nu zo snel mogelijk een geschikte kandidaat te vinden. Iemand van wie je zeker weet dat hij onmiddellijk toehapt wanneer hij wordt gevraagd. Tweede keus dus. Iemand bij wie nog dagelijks de stekels overeind gaan als hij bedenkt hoe vaak hij zijn zin niet kreeg in zijn leven. Van de bomen naar de struiken dus. ‘Aan wie denk je dan?’ vragen ze elkaar, als om het onvermijdelijke nog even af te houden. Maar uiteindelijk valt de naam toch, tussen zoveel gekuch en ge-uh, dat later niemand meer precies wist wie met het verlossende voorstel was gekomen. ‘Goed, we vragen de doornstruik!’ ‘Laten we de doornstruik met ons bezoek vereren’, klonk het iets te vastberaden. Met het vooruitzicht van succes konden ze een glimlach nauwelijks onderdrukken. Het had iets sardonisch: alsof ze op weg waren naar iemand die al jaren uitkeek naar genoegdoening. Die alleen hun bezoek al zou beschouwen als een vorm van erkenning. En de doornstruik  -gepokt en gemazeld door veel tegenslag- voelt aan zijn stekels dat de heren met een probleem zitten. ‘Koning worden’, vraagt hij quasi geïnteresseerd? Als zij met een probleem zaten waren ze vanzelf bij hem aan het goede adres. Hij kende zijn verantwoordelijkheid. De eer van het land en het volk, zijn trouw aan de beginselen van recht en orde..........; en om zijn gevoel van eigenwaarde en eigendunk nog extra tot uitdrukking te brengen maakt hij zich sterk voor de goede zaak. ‘Als het dan moet, kom dan gerust schuilen in mijn schaduw’, zo spreekt de doornstruik plechtig de bomen toe. Om er dreigend aan toe te voegen: ‘Maar als U zich niet schikt -niet doet wat ik verlang- dan zal er van mij, de doornstruik, een vuur uitgaan dat zelfs de ceders van de Libanon verteert.’ Als hij dan met macht zal worden bekleed, dan zullen zij er ook voor moeten buigen. Z’n leven lang had hij getergd hun invloed gevreesd, was hij, de doornstruik, waar mogelijk als onkruid bestreden. Nu kwam eindelijk zijn tijd!

Deze fabel van Jotam moet worden gelezen in de lijst van zijn tijd. Het aanzien van politiek leiderschap is diep gedaald. In het land Kanaän is de samenhang tussen de bevolkingsgroepen zoek. Ieder voor zich, God voor ons allen! De keuze voor een goed bestuurder laat de mensen onverschillig. Ze doen maar wat daar in het bestuurscentrum Sichem. Jotam, die de fabel vertelt, weet zelf maar al te goed dat het in het leven heel vaak zo is dat de doornstruiken de ceders regeren. Met zijn fabel wil hij een waarschuwende vinger uitsteken naar Abimelek, die een gevaar is voor het volk. Deze doornstruik op het regeringspluche zal het land in de afgrond storten. En zoals hij sprak bleek het al spoedig inderdaad geen fabeltje te zijn. De kleine man, die er dankzij de nalatigheid en onoplettendheid van het volk in slaagt de troon te bestijgen, blijkt niets goeds in de zin te hebben. Hij is een ramp voor het land.

Langs twee lijnen is zichtbaar te maken hoe de fabel voor ons actuele betekenis draagt. Aan de ene kant is de lijn herkenbaar van het primaat van het eigenbelang: hoe mensen niet meer bereid zijn verantwoordelijkheid te dragen voor het gemene goed. De andere lijn, nauw daarmee verweven, trekt een grens tussen wat openbaar is en wat verborgen blijft. Echte keuzes worden niet alleen ontweken; men komt ook niet meer uit voor wat men werkelijk vindt. Dit gebeurt kennelijk uit zelfbehoud, of uit angst. De waarheid blijft onder de korenmaat. Zoals mensen soms thuis hun gram halen over wat hen niet zint, en in de openbaarheid er het zwijgen toedoen. Aan de ene kant geen verbondenheid, niet het belang van je naaste laten meewegen in je betrokkenheid bij de samenleving, en anderzijds marchanderen met wat gezegd moet worden. Als deze fabel iets duidelijk naar voren laat komen is het dit wel: dat niemand de waarheid kan ontlopen. Wie iets  inziet als waar -hier:de nood waarin het land verkeert, het onrecht en de schrijnende verdeeldheid-, die kan die waarheid niet onverschillig laten. De bevrijdende kracht van zo’n gewaarwording kan alleen worden tegengehouden door die waarheid zelf geweld aan te doen. Wie zullen we vragen om koning over ons te zijn? Klinkt als: wie zullen we zo gek vinden? Wie zullen wij vragen zich te vertillen aan taken waar wij zelf de moed voor missen. Ze heten Abimelek, of Adolf of Saddam; ze nestelen zich in het vacuüm van de macht. 

Het lijkt op het eerste gezicht een ongevaarlijk verhaaltje. Een kritische noot over een koningschap zoals wij dat goddank niet meer kennen. Een koning die naar oud joods ritueel tot messias werd gezalfd, om over het wel en wee van mensen te heersen bij de gratie gods. Stedehouder gods op aarde. Zo zien wij dat nu niet. Dat was toch typisch iets voor die tijd. Maar zo gemakkelijk komen we van de fabel niet af. De fabel komt dichterbij ons wanneer we deze de taal van onze dagen laten spreken. Hoewel, dat is eigenlijk nauwelijks nodig. We hebben allemaal zo onze eigen associaties bij het verhaal wanneer dat ons verteld wordt. Beelden die ons op diverse manieren raken en aanspreken. Beelden ook waarvoor je soms even terugdeinst, wanneer begint door te dringen waar vandaag dezelfde schoen wringt. De afloop van de fabel is onverbiddelijk: ze hebben een nietsnut gekozen. Ook de waarheid ontlopen, is bij gevolg hetzelfde als die aan het licht brengen!

De fabel herinnert aan een wijd verbreid misverstand. Dat de zorg voor de meerwaarde van het leven -liefde, geloof, gerechtigheid en de hoopvolle verwondering om het bestaan- aan enkelingen mag worden overgelaten. Het bewaren van de kwaliteit van het leven ligt aan de basis van de liefde waartoe ook Jezus zijn aanhang oproept. Liefde houdt tevens in betrokkenheid en overgave. Niemand kan liefde afschuiven op een ander. Wie dat wel doet zweert een deel -het beste deel- van zichzelf af. Het is te hopen dat deze liefde niet gedaan wordt uit bevangenheid door Jezus. Mensen die lijden aan deze messiasblindheid lopen het risico nooit zelf echt mee verantwoordelijk te zijn voor de liefde die zij anderen bewijzen. Alsof zij anonieme mensen blijven die doorgeven wat Christus hen geleerd heeft. ‘Ik weet’, zegt Jezus ‘dat de liefde waartoe God ons roept eeuwig leven betekent.’ Eeuwig leven: de waarheid en de vrijheid die van alle tijden is. Die blijft, en altijd dezelfde is. Liefde als bevrijding, dat wil zeggen echt kiezen, en soms ook, de echte kiezen. Opdat voor geen van ons geldt, dat de doornstruik het voor het zeggen heeft. Geen goden aanstellen boven de bomen. Geen vertrouwen schenken aan wat geen vertrouwen verdient. De meerwaarde van het leven komt aan het licht als geschenk van God en als gave van de mensen; uit vertrouwen tot vertrouwen (2).  Het succes van de olijf, de vijgeboom en de wijnstok is onomstreden. Zij staan maatschappelijk in hoog aanzien. De vraag is hoe zij aan het nadenken kunnen worden gezet. Over hoe zij goede vruchten voor de samenleving kunnen produceren. Opdat de doornstruik geen kans krijgt.

(1) Richteren 9, 8-15. F. Schorlemmer, Träume und Alpträume. Einmischungen 1982-90, Berlin: Verlag der Nation 1990, 143-148
(2) Zie ook de treffende vertaling van Romeinen 1, 17:’De rechtvaardige zal van verkregen/gesteld vertrouwen leven’, van B. Gijsbertsen, Eerst de Jood en ook de Griek. Verkenningen in de brief aan de Romeinen, Zoetermeer : Boekencentrum 1997, 18

 
naar boven


voor het laatst bijgewerkt: 29/03/2007